EEN GREEP NIEUWERE GEDICHTEN
VAN LEO HERBERGHS



bij het water heb ik de wind

gezien, de wind was groen. er trok een paard

naar het blauw, haalde de wind in en vond

achter de wind

het paars

 


***

 

 

het blauwe van voor vader en

moeder,het blauw dat van

altijd geweest

 

het blauw van vertrek, het blauw van

thuiskomst,het blauw van

het gedicht

het rood van onze vaders

het geel van onze moeders

 

het kleurloze ik

 


***

 


steen zeg ik tegen de nacht

en de nacht zegt: steen

 

zo koud en zo hard de nacht

zo koud en zo hard de steen

 

zo ver en zo groot de nacht

zo ver en zo koud de steen

 


***

 

 

er is niets dan zon onder de zon

er is niets dan water onder het water

er is geschuifel in de halmen, er is

niets dan geschuifel onder halmen

 

er is niets dan zon boven de dood

er is niets dan dood onder de zon

 

er is niets dan water dat

van steen geworden is

 

er is niets dan het glad voorhoofd

van de steen

 

 

***

 

 

bij de zee gezien is de wind,

later is hij weggegaan, in de bergen

was hij,ver van het dorp

vandaan

 

groen was hij, toen blauw, paars

werd hij, zat op een paard, rustte

bij houtvuur

 

wind, wind, waarom ben ik je

achterna gegaan?

 

 

Leo HERBERGHS

June 17, 2010 10:34 AM

 

 

 

DE AFDALING VAN DE REGEN


ik ben water van regen
ik ben water
ik ben regen

door een gat in mijn hoofd
sijpelt regen

ik ben de verwaterde

regen, val scheef
door het licht, door het gericht
van mijn ogen. hang regenvanen
uit mijn toren

veel ogen heeft de regen
veel oren heeft de regen

de regen hoort alwie
luistert naar regen
zittend onder de poort
van de regen

ik ben dronken van goden
ik ben dronken van regen

spreek tot mij schemering, spreek

naderen hoor ik je
achter de wegkromming nabij
het tuinhuis, opspringend in
mijn gehoorbuis

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

trommelregen, oude woudregen
regen die komt na het leven,
regen van vóór de geboorte

oor, hoor
de doodsregen

naaldfijne hakken van regen
stadsregen, straatstenenregen
zedeprekerregen die steden
tegenspreekt

regen die zegt
nee

regen, op je harp spelend
boven zee, boven pijnboom-meren
boven bontgerokt vee

ijzeren regen, spoorstaven
regen, vertrekkende regen,

aankomende regen
die signalen onkenbaar maakt,

stationsklokken opjaagt
overkappingen weergalmen laat

maak, regen, geluk
tot een zitplaats aan het raam

maak ogen onuitputtelijk
zing lof onophoudelijk

spring over sprinkhanen
haal hazen in, laat vogels
rondedansen maken
kraai mee met morgenhanen

ontmaak mij, sla mij
genadig, sla mij met je naam
maak mij tot je renpaard
ga met mij, nachtraaf

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

in putten waaiende
druppelregen, hinkende regen,
regen die kantwerk maakt
van zwaluwen

geef mij schuinte van sleepsterren
geeft mij schuine getallen, geef mij
spiegelende karresporen, snikkende
slikregens van dennen

maak mij kraai, maak mij
uitzinnig, maak mij glinsterend
van blijdschap, laat mij zitten
onder hazelaren waar ik
tussen varens mij
inspin

maak mij dorpser dan dorsvloeren,

maak mij
stichtelijker dan kerkportalen,

maak mij
krommer dan kromhorens, geef mij
kwader gesternte

verschoppeling regen, maak mij
zwerfregen, maak mij zwerfsteen
lange akker, kronkelig
lopende steenweg waar overheen
eenhoorns snellen

dakloze regen
regen met bittere armen, met gebogen
knieholte, maak mij
een verweesde

geef mij jouw voetzool
dat ik dool tussen
kikvors en eendekroos

regen, je vioolsnaren
zijn van zilver, je garen
wind je af van
oude klossen

je speelsnaar is
van korstmossen

muisgrijze regen, liever dan
over appels en rozen loop je
over kevers

sta je langer stil
bij distels, val je dieper
in sneeuw

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

ga struikgewas binnen, hang
er druppels, ga bukkend
onder lijsterbessen
de schemering binnen,
langs slingerende
paden, gele lissen waar mossen
de enkels vinden
van vlinders

prevelaar in de waterput met
ijzersmaak in je praatmond: hoor je
het plonzen van de roerdomp,
de gelukkig
slurpende oerbron

haak regenhaken
in mij, vang mij,
spartelende vis, berg mij
in je groot visnet

bind rond mijn lichaam je wikkels
wikkel in pijn mij in

maak mij tot een waaiende
reiger, die de ruimte van de hemel
met zijn vleugels vult

zit aan mijn tafel:
brood van tranen, aardappelen
van schaamte, schaduw
van vlees

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

nederige regen, glinster
minder dan
bliksem

grasregen, glansregen
maak van de wereld as, maak
er misgewas van

bittere boze regen, stamp
op het asfalt
van de stad die jou niet
overleven zal

maak donker het zilver,
dring ijzer binnen
maak blinder het bestek, jij
ooglichtbezerende

regen, engel die de lippen
losser maakt, vleugels van
zwaluwen lichter

laat mij springen
als een vis boven het water,
maak mij
kleiner en
verbaasder

tik tegen het glas
van de maan, laat het tikken
in de straat mij
slapen en waken en slapen

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

open de kamers van rouw
ga er binnen, haal de oogst
van het rijke verdriet
eindelijk binnen

sluip in het oog
van de dagpauw

sla feller tegen de windvaan,
koppel de bergen los
van hun hengsels en stort
hen in zee

klop de geest
uit het donker los, klop
het donker los uit het nachtbos, gorgel
in de mond van de bronnen

kir als een nachtegaal
in waterklokken

stotter in keelholten, bloos
in het bleekste

regen
maak mij een vlot
maak mij zee

ga met de wandelaar, laat hem
jouw dwars pad gaan, veldwegen vol
zoete dwalingen

laat hem op toppen
van windvlagen winters
en alleen staan

kroon hem, beroof hem
van slijm en leem

zwijgregen in
nazomerdagen als oogharen
trillen gaan, poorten zich openen
naar het najaar

augustusregen, alle dagen
een andere hooinaam

nader trappelend
met de hoef van het paard
de boomgaard, sla de zwaarden
uit zijn hand, maak zijn zwaarte
ontoelaatbaar

laat uit verre schuren
het muizegraan rollen
in mestwater

woed tegen
smeedijzeren hekken, stambomen
en stamnamen. maak scheuren
in grafkapellen, roestplekken
in familiewapens

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

maak mijn ogen open, maak
mijn knieën
buigzamer, mijn haren losser
mijn rug bevlogener

regen op mij
je nee

tranen druppelen langs de snaren
van je viool, gekrulde regen, vismonden
regen, pianospeler
op zee

sla tegen het ijzer
van de hemel, beitel in steen
mijn gezicht tot welfsel
van been

plunder feestzalen, sla kerktorens
tot puin, maak kathedralen
tot geraamtes, ontbloot
de kaken van
nachtbrakers

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

lenteregen, welke kleur heeft
lenteregen, rozeblaadjeskleur?

smalle heupen, smallere
ogen, o langzaam dalende ogenregen, jij
uitnodigende bruiloftsregen, schuifelend
over rozen

landregen, zoete hooiregen, jij die je
leegschudt op dorpshoven

gelukkige
paarse aprilregen, oorbellenregen
in gras gelegen vlinderregen
die vleugels hangt in de boom,
ze weer loshaakt,
ze prijs geeft

herfstregen die wegwist,
die de kleur wegwist, die
de verte wegwist, weg wist wat op de wereld
ooit vol schroom is verschenen

wis, regen, de wereld weg
op een doodgewone herfstige
achternamiddag, maak
een aarde zonder
verten

wis de dansers weg

leg mij, een ledige
terug in het ledige

maak schuilhoeken voor
lachers, maak nissen
waar zich hun lachen
kan verpozen

laat de eenzaamste bomen
door de wind zijn verlaten, ga slapen
nabij nesten van
regenvogels

waai vanachter bosschages
naar mij toe waar ik wacht op de schuinste
pessoaanse regenval

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

leg je leeslint tussen
de druppels, dat ik
blad na blad
lezen kan van
je gemis

geef mij
je leeslamp die ruist
van jouw ruisen dat ik
nog even kan voortbestaan

laat de wereld bestaan
uit lettertekens, laat ze bestaan
uit doornstruiken
uit dovenetel

laat, regen, mij aan je vasthouden
dat ik niet te laat kom

troostregen, regen van erfgrond,
van dodemansgronden,
van stichtelijke wortels, van ongebruikte
oogbollen, holteregen, waterwolfregen

daal eindelijk af, murmel
in mijn broekzak, slaap in de luier
van slaap

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

daal in erfgoden, kraai boven
de haan, boven de bokkesprong, ga binnen
in spinrokken, waai
door het oog van het paard
ga naar braakland, zet
honderd regenstoelen klaar
voor nazaten

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

verschijn in klaslokalen
kras namen in lessenaars
zeg dat regen woorden heeft
voor klaproos en ratelaar,
dat regen zingt op
het asfalt als
honderd katers

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

graas, regen, het gras weg
graas het schaap weg, graas de tong weg
van het schaap, waai achter de sneeuw aan
van verleden jaar, waai tegen
sneeuwpaarden aan

waai mijn naam weg waar
ik lig op mijn slaapsteen
alleen alleen alleen

wees aandachtig in hout
dring door tot mijn houtworm


© LEO HERBERGHS, 17 augustus 1999


Het episch vers DE AFDALING VAN DE REGEN
verscheen als aparte ingenaaide bijlage (16 p. in druk), bij de dichtbundel
DAARMEE WORDT GEZWEGEN van Leo HERBERGHS.
De uitgave werd gepubliceerd ter gelegenheid van de eerste Dag van het Gedicht,
later de jaarlijkse Gedichtendag in Nederland en Vlaanderen.

(Rotterdam, Bèta Imaginations, januari 2000)



HERFST IN MECHELEN


Eén

Er is geen ruimte tussen
De bomen of zij is vol
Van vallen. Er ligt
Een oude zon te rusten die
Haar zweet verloren heeft
Aan schuren van zomer

En zwaarden steken uit
De scheden van het gras. Het
Is alles sterfelijk hier met
Doodsnik van heuvels die
Klagen tegen oudere
Heuvels aan

Het is hier garen spinnen
Voor het blad dat holten
Opvult tot aan de rand, dat
Binnendringt in het
Benedenste verblijf
Waar weggewaaide winden
Voor altijd rusten



Twee

Hier is het lopen moe
Voor er een voetstap is
Gezet. Open, wind, nu
Een nieuwe horizon waarachter
Geen licht wegkwijnt. Geef,
Paden, de openheid die
Wij behoeven om een
Mogelijk ander pad te gaan
Dat nergens heenleidt en
Naar niemand toe


Drie

 

Er is geen hymne, klinkend
Zoals een zwaardvis zingt
Die een zee heeft om
Te doorklieven. Hier is
Alles geboren om een sterfelijk
Licht te laten schijnen over
Boomtoppen. Maar
De boom is een wegkwijnende
God aan wiens voeten alleen
Runderen nog knielen. Laat mij
Verdwalen tussen de laagte
Van struiken, dat ik het
Kleinste licht ontmoet dat
Hier beneden schuilen wil


Vier

 

Aarzel nu niet langer, licht,
En neem het dal in je bezit en
Laat mijn hoogte ongemoeid.
En draal niet langer meer om
Mij te voeden met een beter
Licht dan dat van sterren.
Breek dit landschap open dat
Ik binnen treden kan in een
Beboomde holte waar ik
Wonen kan in het stille
En ondoorgrondelijke


Vijf

Een schouder geeft mij gindse
Heuvel en dapper gaan wij
Omhoog, tot waar geen
Grint meer knispert, geen
Wind meer waait vanuit de diepte
En vrij als vogels gaan we weg
Uit laagten en komen aan
Waar geen zon ons hinderen kan
De ruimte in te stappen van
Het wolkverblijf en waar wolken
Ons meenemen om te verglijden
In het onnoembare en
Onvergankelijke


Zes

Het pad is zwart waarover
Ik loop, de berm gekneusd, de
Struiken gekwetst door het
Te vele licht. Ik ga de akker
Over naar een ander pad dat
Mij insluit en dat mij zwarter
Maakt dan een zwart paard dat
Volbracht heeft wat het
Ooit te volbrengen vermocht



Zeven

Geen tranen meer maar dieper
De nacht in waar het onzichtbare
Zich vertoont, en daar,
Waar leven slaap is, zwart
Te worden als een zwarte ster
Die op een zwarte akker
Verkoold in eigen as ligt


Acht

Een suite maar niet om
Te dansen en niet om te zingen
Maar om een zorgeloze oude
Herfst te begeleiden en
Met hem peinzend de ogen
Op te slaan en daarna de aarde te
Bekransen met bladeren van
Voorbije jaren en om gestrekt
Op bladeren te vergaan
En te weten: blad ben ik
Geweest en nerven had ik
Gevuld met sterfelijke
Onsterfelijkheid



Negen

Maar ik ben rijk aan
Korenaren en de tijd
Bezong mijn jaren en, levend,
Bleef ik bij stilte tot ik
Mij volgezogen had met
Het onhoorbare dat ik
Te befluisteren probeerde.
Ongehoord waren mijn dagen
Als ik nader kwam bij het
Bijna spreekbare ademhalen
Van stenen


Tien

Tot ik verdween was ik
Een niet-sprekende maar
Mij was het zicht vergund op
Ondoorgrondelijke bomen
Die ik laafde en spijzigde
Met mijn gebeden. En ik
Riep de wolk aan en de wolk
Hoorde mijn stem en daalde
Mijn koninkrijk binnen en
Bleef rusten daar



LEO HERBERGHS

Herfst in Mechelen is verfilmd
verschenen in oktober 2009 op DVD.




De 85-jarige dichter en zijn echtgenote Cis
tijdens een boekenmarkt bij een stand met
affiche van de nieuwe poëzie-uitgave

Dank aan Hennie Jetzes en Stichting LTRTR.

oto: Jo Linssen.

 

 

De zee leest (1)



we konden niet lezen
van geluk, achter elk woord
was er eeuwigheid

eerder dan anders kwam
de maan, scheen op
de pagina

we lazen ernaast


*


zo verschrikkelijk naakt
is het paard dat mij
nadert

naast de schemering staande
roept het god, dood en
duivel aan

het hinnikt mijn naam


*


één dichtregel heeft de
wereld overleefd

de wind heeft hem in
de lucht geschreven
de wolk heeft hem op
de akker geregend

gespiegeld staat hij in
water, de zee
leest hem

op de tong is hij
van die hem
naspreken



© Leo Herberghs