ENKELE BESCHOUWINGEN
VERSCHENEN IN KRANTEN EN LITERAIRE BLADEN

WITTE SILHOUETTEN: bibliofiele uitgave met 21 gedichten van Iris Van de Casteele en evenveel zwart-wit tekeningen van de gekende kunstenaar André Van Laere. De dichteres heeft, zoals wij haar kennen als een fijngevoelige kunstenares, op bewonderenswaardige wijze uiting gegeven aan een aantal problematische ervaringen van de mens: onmacht, kunst, cultuur, dood, liefde.

Al deze ervaringen en gevoelens krijgen reliëf door het hoog artistieke talent van André Van Laere. Deze kunstenaar heeft, op rake manier, in beelden weergegeven wat de dichteres heeft gevoeld en gedacht. Hij deed het met gevoel voor evenwicht tussen wit en zwart, gestileerd maar niet esthetiserend: de lijnen ontwikkelen zich in de ruimte, maar ook naar het innerlijke van de kijker toe. De gewaarwording krijgt een nieuwe dimensie.

Iris Van de Casteele verrast door haar subtiel taalgevoel: 'Traan': Je woonde in een wolk/ voordat je regen werd/ ik ving je op met ogen/ waarin je schreien kon/..

André Polfliet (B)

WITTE SILHOUETTEN: tussen 'Ademend' en 'Vervreemding' staan zeventien gedichten en evenveel wit-zwart silhouetten, door Emile Kesteman antroposcopieën genoemd. De gedichten van Iris Van de Casteele en de tekeningen van André Van Laere verwoorden en visualiseren inderdaad wat 'des mensen' is binnen de polariteit van leven en dood. Witte Silhouetten is een zeer verzorgd lees- en kijkboek, en bevat momentopnamen uit de menselijke levenscyclus, vanaf de intieme communicatie tussen moeder en foetus tot het besef dat je 'wit als de dood / in de duisternis' zal staan (p.30). Maar na 'Vervreemding' volgen nog 'Tederheid' en 'Aarde'.

Tederheid geeft het klimaat aan waarin het leven het best gedijt. 'Aarde' het vertrouwen in de 'alleroudste moeder / die nooit van ons vervreemdt /. (p.42).
Witte Silhouetten bevat zeer gave poëzie, bestemd om in zuiver water te laten smelten, zoals Paul Snoek het ooit geformuleerd heeft. Ik citeer één gedicht: Liefde (p.20) 'Ze zeggen / liefde is in water leven / de armen uitstrekken / zich overgeven / maar niemand zegt / liefde is beetje bij beetje / drinkend verdrinken./.

J. Gerits (B)

WITTE SILHOUETTEN die wij antroposcopieën zouden kunnen noemen. Er is ruimte voor dialoog en voor brede gebaren, mogelijkheid tot traagheid en harmonieuze omvorming. Alle problematische ervaringen van de mens worden aangesneden: onmacht, ijstijd, dans der vlinders, kunst, vreemde culturen, relaties tussen gelijken, dood van de kunstenaar. Wat ons opvalt, is dat de witte figuren steeds lichtgevend zijn, dat de structuur uiterst eenvoudig is, gestileerd maar nooit esthetiserend.

Er is evenwicht tussen wit en zwart, tussen de lijnen onderling. Keien, planten, eiachtige vormen zweven in het niets of in het volle, al naargelang men in het leven gelooft, ja of neen. En de aandachtige kijker stelt zich zeer precieze vragen over de wijze waarop al deze wit-zwartfiguren zich zullen ontwikkelen, niet alleen in de ruimte maar ook innerlijk. Antroposcopieën, beweerde ik, waaraan de dichteres steeds een nieuwe dimensie geeft.

Emile Kesteman (B)

TOT IN HET MERGwat ik in 'Vlaanderen' nr.242 al schreef over 'Emma' blijft voor deze bundel onverminderd gelden: poëzie met allure, profetische zeggingskracht, ontroering en gedrevenheid. Gedichten die een mens heel diep raken. 'Tot in het Merg' verscheen als eerste druk al in het jaar 1989, maar de gedichten werden wat herwerkt en van een titel voorzien. N.M.J. Van Overstraeten schreef over de bundel: 'Wat Eva Gerlach durft, durft Iris Van de Casteele ook: de syntaxis van de zinnen openbreken, de brokstukken van traditionele zinnen zo in mekaar en tegen elkaar heen puzzelen, zodat heel onthutsende nieuwe zinnen ontstaan, waarvan de emotionele draagkracht zovele malen verscherpt als er nuanceringen worden uitgedrukt'.

De bundel is onderverdeeld in vier cycli: 'kinderleed', 'hem missen', 'als er zich één verhangt' en 'vruchteloos pogen'. Deze titels alleen al verraden de teneur van de gedichten, die inderdaad over lijden en dood gaan, leed en nostalgie, onmacht en gekwetst zijn. Maar met welke tederheid schrijft de dichteres over haar vader.

Denijs Van Killegem (B)

EMMA Wat me in deze pregnante bundel van Iris Van de Casteele zo boeit is die in vrijwel elk gedicht weer opduikende intense spanning. Prachtige poëtische beeldentaal, met soms bijna profetische allure, vindt haar tegenhanger in een ietwat robuuste en stugge, maar levensechte Vlaamse spreektaal. Een soms heel vreemde gebrokenheid in de zinsbouw wordt afgewisseld met 'zegbare' uitdrukkingen, zo uit iemands mond gehoord. Fijnzinnige beelden en diepe levenswijsheden worden geconfronteerd met pastorale en huiselijke sfeerbeelden. Een soms ietwat nukkige en eigenzinnige ritmiek glijdt over in soepele muzikaliteit en harmonie.

En dieper op de inhoud van de gedichten ingaande, merk je hoe de vorm in deze bundel wezenlijk ten dienste staat van de gedachtegang, en er eenheid mee vormt. Dat alles geeft deze gedichten zo'n relativerende kracht, zo'n sobere gratie, en zo'n fascinerende authenticiteit, dat de gedichten van de bundel 'Emma' je heel diep raken en -eerlijk gezegd- een beetje overrompelen. Hoewel het ook een boek is over psychisch lijden en tragiek, machteloosheid en verlatenheid, voert Iris Van de Casteele je langs de vele wegels mee, waarlangs je wandelen moet om te leren hoe met lijden om te gaan, en het te verwerken. Je leest er de catharsis in van een oprechte dichteres die, via het leed van een geliefd familielid, de zin van het lijden zoekt.

Maar ze verstaat de kunst haar onderwerp boven het persoonlijke en anekdotische op te tillen, zodat de gedichten die verwijzende dimensie krijgen waardoor ze universeel worden: kenmerk van waarachtige poëzie. Laat mij er nog aan toevoegen dat deze gedichten diepreligieuze gedichten zijn alhoewel het woordje God nergens te bespeuren valt. Religieus dan in de oorspronkelijke en letterlijke betekenis: de bundel ademt een intense verbondenheid uit met natuur en kosmos, en omheen de heel erg menselijke pijn voel je de sluier hangen, (ik schreef bijna het 'vangnet') van Iemand die groter is. Raad je de tedere aanraking van Degene die alles in zijn handen houdt. Raak je bijna het Licht dat de gebrokenheid optilt en uitzuivert. Kan iemand nog intenser zeggen wat een gedicht kan zijn hoe je daarin de geliefde gestalte van je grootmoeder wilt oproepen:
'Met lettertekens / bijna sacraal / haal ik u zwijgend / uit het misdeelde licht/.

Denijs Van Killegem (B)

EMMA is de titel van een dichtbundel die tot de beste van dit Van Gogh-jaar kan gerekend worden. De Oost-Vlaamse dichteres Iris Van de Casteele tekent in de bundel het portret van haar grootmoeder in een rijke beeldspraak, vaak ontroerend, maar tevens krachtig van zegging en getuigend van authenticiteit. De bundel heeft het over het lijden van iemand die nabij en toch ver weg is; de dichteres heeft haar grootmoeder zelf niet gekend. Zo overstijgen de gedichten het individuele en krijgen ze een universeel karakter. Emma kwam na een postnatale depressie in een psychiatrische instelling terecht. Iris Van de Casteele kon zich goed inleven in deze situatie. Prachtig zijn bv. 'Geel' en 'Denkend aan Onderdijke'. Uit dit laatste gedicht citeren we: '/ nu gaat ze in de stal / niet zonder tederheid / de aarde broeit / ze wasemt weg / in geuren / ze rust / want tijd / die heeft ze nu teveel...' /.

D.D. 'Ecogroen' nr 10, 1990 (B)


OMHELS DEZE BOOM
Iris Van de Casteele

KENNISMAKING MET EEN NIEUWE DICHTBUNDEL:
Sedert haar literair debuut in 1984 publiceerde Iris Van de Casteele een merkwaardig oeuvre; een oeuvre dat je niet zomaar naast je neerlegt. Haar gepubliceerd werk ligt hier chronologisch voor me uitgespreid:
"WITTE SILHOUETTEN" 1984 - (21 gedichten bij 21 tekeningen van André Van Laere).
"TOT IN HET MERG" 1989 -
"EMMA" 1990 - met de bibliofiele uitgave van 1991 -
"OMHELS DEZE BOOM" november 1991 -

Alleen uiterlijk reeds zijn dit poëziebundels die getuigen van een verfijning van vormgeving enig in zijn soort. Wat Iris publiceert moet af zijn; moet beantwoorden aan hoge esthetische eisen. Als boek eist zij dat het parels zijn. De inhoud breekt zij als vleesgeworden brood, biedt zij aan als bloedgeworden wijn...

DE POËZIETUIN Sedert 1989 cultiveert zij haar literaire tuin in Vrij Maldegem; een moedige, graag gelezen, wekelijkse, literaire bijdrage in Albert Van Hoestenberghes weekblad, dat duizenden abonnees telt en verspreid wordt ten dele in Oost- West- en Zeeuws-Vlaanderen. Welk een dankbaar forum biedt zij aan voor mensen die met taal begaan zijn!
Rad van tong en rad met de pen houdt deze Adegemse redactrice, die in het Brabantse Asse woont, niet op te stimuleren, aan te moedigen, zich in te zetten voor jonge en oudere dichters en dichteressen, voor bekende en onbekende literatoren.

Bovendien gewaardigt zij zich een hak te zetten tegen de geblaseerden, de huik-naar-de-wind-hangers, de gearriveerden die neerkijken uit hun ivoren toren(tje). Moedig streeft zij via De Poëzietuin, en via haar eigen poëzie en proza, naar een betere wereld want poëzie en het Woord raken ons gehele menselijk bestel.

Haar veeltaligheid en haar enorme intuïtie voor het gave woord en de gave, zuivere mens lieten een reeks vertalingen ontstaan uit het Spaans, het Duits, het Frans en zelfs uit het Russisch. De Nederlander Pieter A.Kuyk vertaalde zij in de bloemlezing "Poèmes- Gedichten". Hoopvol kijken wij uit naar een novelle van haar over Zuid-Amerika. Haast moeiteloos welt bij haar het woord, de poëtische bron. Wat al gedichten schreef ze reeds zonder aan uitgeven te denken! Ooit moet zij deze rijke woordenstroom eens aftakken naar een verzameld werk dat zich over meer dan drie decennia uitstrekt. En wanneer komt er een bundeling Poëzietuintjes?

DE MET BLAUWZUUR VERSNEDEN ADEM VAN DE DICHTER:
HOE EEN DICHTERES OMHELST EN WIL OMHELSD WORDEN
De gedichtenbundel Omhels deze Boom verscheen precies op Iris Van de Casteele's zestigste verjaardag. Velen uit het Maldegemse zullen zich nog die puikgeslaagde poëzieavond in een interview met Patrick Vermeer, op 23 november 1991, in zaal Edelweiss herinneren, waar Iris' bundel voorgesteld werd samen met het jongste werk van Denijs Van Killegem en dat van Maria Sesselle. Voor Iris was dit geenszins het afsluiten van een periode. Integendeel, meer dan ooit bloeit haar poëtisch talent open, nog intenser peilt zij naar menselijke diepten en dichterlijke gaafheid.

Trefzeker weet zij in haar laatste bundel iedere overtolligheid uit haar werk te weren, tot het essentiële beklijft en indringend aanslaat. De titel Omhels deze Boomstaat niet voor niets. De aangrijpende afbeelding op de titelbladzijde liegt er niet om: wat ooit boomstronk was is via een boomlijke veredeling meteen tot menselijke essentie geworden; is tot 'poésie pure' herleid. Jammer dat de herkomst van dit door natuurlijke erosie gevormde kunstwerk ontbreekt, al bevindt het Franse copyright ervan zich bij de dichteres. (Een tip alvast voor hopelijk hernieuwde druk).

Omhels deze boom wordt een omhels dit existentiële torsskelet, omhels deze mens, omhels dit gesublimeerde, dramatische leven! De 39 gedichten zijn opgedeeld in vier cycli; met telkens een uitgekiend adagium van zorgvuldig gekozen auteurs: twee Vlamingen en twee buitenlanders. Als Vlamingen Christina Guirlande en Denijs Van Killegem. Als buitenlanders de Uruguayaanse dichteres Juana de Ibarbourou en de Italiaan Cesare Pavese: Twee vrouwen. Twee mannen. Compleet evenwicht!

OPEN WONDE
Het gewond zijn/worden is een vast thema in de poëzie van Iris Van de Casteele: de symbolische snerkende wonde overstijgt de persoonlijke snerpende wonde: het gewond-zijn omhelst de gehele naamloze mensheid. Het omvat de hele natuur als een barenswee naar dieper, (h)echter leven: "tot in de wortels/ het worgen/ het vlijmscherp verdriet/ hout kan niet spreken/ wat zich kromt/ heeft geen naam../". Zoals berkenwijn die ontstaat uit de ingekerfde wonde van de boom, zo is de dichteres, zo is de vrouw: "inkerving en wonde/... in haar hoofd / breken ontelbare kruiken/". Soms is er de verdoving na de knal uit het diepste duister, een loden ster die op het hoofd bonkt, de adem die als afgesneden wordt.. ".../ vannacht wordt mijn adem/ met blauwzuur versneden../".

De symbolen die de dichteres gebruikt kerven door merg en been: kerven doorheen leegte, hulpeloosheid, nostalgie. Zij schrijnen als stikzwam, als wortels die huiveren... "hoe zij ook lachen/ of huilen/ de wortels/ nooit zullen zij anders/ dan onder de aarde/ de wolken bezitten/ nooit erin schuilen". Gegeseld: wat weten bomen van storm? Gegeseld: wat weten wij omtrent onze diepste vragen en onze felste angsten? Want "mensen gaan en komen/ leeggeroofd". En dan staat daar plots in al zijn schrijnende scherpte zoals op de voorpagina:

Skelet
Tot op het naakt
gegeseld
de hals een touw
het strottenhoofd
een knal
tot op het bot
bezeerd
verteerd
de nerven bloot
diep in zijn hout
leeft hij zijn dood
bijna volmaakt
is de boom

Dit overrompelende gedicht is volmaakt in zijn zeggingskracht. Het is áf in zijn bondigheid; gave, opgave en overgave voor ons, mensen, voor haar: SKELET : ONS ZELFPORTRET!

INTERVAL
Als in een heilig getal 7 brengt zij zeven gedichten samen onder het motto van de door Iris zo geliefde Zuid-Amerikaanse dichteres Juana de Ibarbourou:

Nu bezit ik de dood.
Zonder stem, zonder ogen.
Zonder reuk noch gezicht.

Wie Zuid-Amerika kent weet hoe levensdrift en levensdrama samenvloeien.
En Iris Van de Casteele ként Zuid-Amerika door haar reizen en door haar echtgenoot Cacho Aguirre, een begaafde, fijnbesnaarde Uruguayaanse harpspeler en gitarist. Deze tierra querida; dit land en deze mensen waar zij van houdt, hoe bezingt zij dat alles als in een droom: ze zong het zacht/ als een boomloze/ stervende vogel".

Wij die leven in ons vetgemeste, arrogante lage land van mist en mest, weet: "het mes is nakend"... Hoe anders het "denderend avondmaal" van slechts brood en wijn, dit existentiële tafereel van hevig leven en van ware nood. Hoe hunkert de dichteres naar eenvoud, naar tederheid, medemenselijkheid; een waarachtig land om in te leven! Hoe eet ze haar dagelijks brood:

 
ik maal de korrels fijn
van mijn voedsel is
verbloemde resten van geweld
gegist tot brood/...

Dit is zuivere, eerlijke poëzie. Hoe tragisch deze verzen in se ook mogen wezen nooit zijn ze deerniswekkend. Immers, ontstaan vanuit een sterke, forse emotie overstijgen ze de pijn. Een open wonde? Jawel, maar wars van zelfbeklag. Zoals Zuid-Amerika zelf. Zoals een van haar bewonderde Zuid-Amerikaanse schrijvers Eduardo Galeano. In een interview noemde hij schrijven "een manier om anderen te omhelzen, en eigenlijk ook om door anderen omhelsd te worden. Als ik schrijf, geef ik me, raak ik de anderen aan. De woorden zijn de armen van de omhelzing". (Flaptekst op Galeano's 'Het Boek der Omhelzingen') .

Omhels deze Boom is lezend door de dichteres omhelsd worden, is op tedere wijze haar wederkerig... omhelzen. Haar poëzie? ... een gesublimeerde vorm van leven en liefhebben.

GEZICHTEN
In deze derde cyclus met twaalf gedichten toont Iris Van de Casteele haar warme, menselijke gedrevenheid; haar immense mensenliefde. En hoe voelt zij, die zo van Zuid-Amerika houdt, zich ondanks alles verbonden met haar Vlaamse geboortestreek die ze als een reliek oproept en koestert:

eind januari
langs de dijk gegaan
om te zien
of de berk er nog stond
dit jaar was het anders
geen scherpe oostenwind blies
geen schelp lag verweesd
in het poldergebied /...

Heel wat eenvoudigen, dichters, schrijvers, mensen die zich inzetten voor een betere wereld, roept zij op uit de grijsheid van de anonimiteit waarin onze TV-wereld ze verdonkeremaant.
Ze helpt en bevrijdt waar ze helpen en bevrijden kan. De dichter? Teder noemt ze hem "teder de dichter/ in ijskoude kleren". Drie puntjes, het beletselteken in een brief: het worden bij haar drie kleine kiezels, opgepoetst tot druppels Vivaldi.

En hoe zou Vincent Van Gogh ontbreken kunnen in "Omhels deze Boom"? Vincent, dat zoveelste gebed zonder goed einde, balancerend tussen "weten en waan". Steeds heeft Iris een hart voor hen die streven naar een humaner wereld, zij vormen een netwerk over deze wereld, weze dit die kleine wereld van enkelingen die sjouwen en slepen en diep in zich als eelt het leed van miljoenen voelen knagen, weze het de verstilde naturen die in schoonheid en eerlijkheid hunkeren naar een andere wereld dan de voorgeschotelde Nieuwe (H)orde van macht, geld, en cynische arrogantie.

Voor de dichteres bestaan zoveel tastbare signalen van dienstbaarheid, vriendschap, tederheid. Noem dit humanisme, noem dit socialisme, ecologisme, noem dit je reinste evangelie! Laten wij als bomen wuiven, als bronnen klateren, ondanks navrante, hopeloze doods- en Jobstijdingen want er valt altijd ergens en voor iedereen een hemelse harptoon te beluisteren. Soms is de mens het opgejaagd dier: "zo staat hij daar/ de voeten vastgenageld/ de ogen uitgekeken/ op alles wat beweegt/ een mens".

Er is ook de mens in zijn totale verstilling: "zonder adem geschreven/ gegeven aan vogels/ al wat ik ben/... ": de dichteres die in volledige afzondering de medemens het hoogste schenkt wat ze bezit: het pas voltooide gedicht:"...dunner dan lucht/ hier gezeten/ stilte geworden/ warmte verzameld/ voor jou uitgezocht/dit gedicht". In onze luidruchtige, afstompende wereld kan slechts de stilte écht bevrijden. Stilte: een geweldige boodschap!

MATRIARCHAAL
De vierde cyclus wordt ingeleid met de woorden van Cesare Pavese: een moeder...te weten en te voelen hoe je verbrandt/ en die ogen die naar het vuur staren/.
De dichteres ziet haar moeder als kruin en zichzelf als tak van die kruin van één en dezelfde boom. Ze is "tak en vlam van haar (moeders) weerbarstig hout". Zelf kent, weet en ervaart ze haar trotse maar tragische perspectief:

zien hoe de kruin
zich verzet
hoe de tak zich herkent
in aangemaakt vuur

Bomen! Als moeders. Als vrouwen..: "Wat mij ontroert/ zijn de wortels/ hopen/ verstrengelde knopen/...". Maar steeds slaat de verkilling toe, hoe kan het anders in dit onbarmhartige, verloederend leven dat wij in dit land van ons t' allenkante ontwaren en dat ons verstikken wil: "soms willen zijn /naakt als een boom/ niets dan skelet/...". Onderhuids rillen, beslist, maar niet zonder verwachting. Telkens blijven Iris Van de Casteele's woorden 'druppels Vivaldi' die communiceren met vogels, met bomen, met schelpen, met hout, met sneeuwklokjes, met vuur... een niet altijd te torsen spanning maar toch telkens een uit te dagen bezwering. Moge deze prachtige bundel ruime weerklank vinden.

Frans Fransaer (Driekoningenavond 1992)
Omhels deze Boom
uitgever: De Distel, Postbus 15, 1080 Brussel.

OMHELS DEZE BOOM
Een gekneusde vrouw schuilend in haar verzen.
De bundel Omhels deze Boom bevat vier cycli.

Open wonde wijst op innerlijke kneuzing. Aangedaan geweld wordt gedistilleerd. Een goed voorbeeld daarvan is het gedicht Berkenwijn: de vrouw, tot in haar diepste binnenste verwond. Er zijn de aanranding, het leegbloeden, de verlatenheid: 'dodend / zichzelve gevend / de berk /'. In poëtische taal wordt leed verdicht. Boom staat als symbool voor vrouw: '/... bijna volmaakt / is de boom /', na door rukwinden te zijn gegeseld.

Interval
is een langzaam herstellen na hevige pijn. Aanwezig zijn o.m. vervloeiend licht, geluiden, geroofde nesten, boomloze vogels.... 'tierra querida.../ ze zong het zacht / als een boomloze / stervende vogel /' De dichteres herkent zich in water dat zich schuurt aan keien, maar put troost uit het besef dat ze, metamorfoserend, ooit wolk zal worden, om uiteindelijk terug te keren naar de bron.

Gezichten is een uitzenden en opvangen van signalen.

In Accolade worden sublieme momenten van vriendschap vastgehouden: 'Antonio en ik / volgen de regen / op de ruit / druppels / Vivaldi'. Het laatste gedicht uit de derde cyclus 'Dit Gedicht' getuigt van innig samen willen zijn, tevens van diepe weemoed: 'stilte geworden / warmte verzameld / voor jou uitgezocht / dit gedicht'/. Sterk geladen is Reliek waarin '/ met in mijn handen genageld / het fossiele van haaientanden'.

Als broze draden lopen de gedichten door elkaar. Ze zijn verweven met het besef van macht en onmacht. Ze verwijzen naar het gave maar ook naar breuk en schade. Uit Parnassia spreekt oneindig veel droefenis; '/.. hopen stukgeschoten veren / niet één dier genas' /. Bijna elk gedicht roept tederheid op: /' zie hoe wordt licht / het zachte van veren../ of... '/ teder de dichter / in ijskoude kleren /'.

Matriarchaal in deze gedichten krijgen we zicht op een moeder die haar kind verstoot. Het gedicht Kruin en tak zegt duidelijk wie van de twee de sterkste is: '/ wurgend mijn hals / zoekt ze haar sap../'. Daar tegenover staat de bindende kracht van het kosmische. Het één-zijn met het Absolute: '/ het wassende water vermoeden / naar het licht zich bewegen /'… 'van vallende vogels / de kreten verstaan /'. Een bundel voor fijnproevers.

G.v.H. (B)

OMHELS DEZE BOOM: is een 'huiveringwekkend' eerlijke bundel: doorkorven zenuw, bijwijle geronnen bloed. En toch niet deerniswekkend want daarom veel te fors geschreven, veel te krachtig en te fier; geschreven met grote dichterlijke emotie. 'Een open wonde', jawel, maar wars van zelfbeklag. Dramatisch zoals 'Emma', schrijnend zoals 'Tot in het Merg'. Zij: trotse, schrijnende, dramatische boom, de nerven bloot.

Een bundel boordevol signalen voor wie receptief is. Vol intense doorleefde momenten en vriendschap, met woorden van warmte want 'teder de dichter'. 'Druppels Vivaldi' zijn deze verzen. Ze communiceren met bomen, vogels, ideeën, kosmos: de ontroering is alom, door iedere verkilling heen. 'Onderhuids rillen', zeker, maar ook telkens aanwezig de 'wachttijd voor een steeds uit te dagen bezwering'!

Frans Fransaer (B)

AMPLITUDES : Iris Van de Casteele schrijft in de titel van haar bundel dit zelfstandig naamwoord in het meervoud, wat doet veronderstellen dat de dichteres meerdere wijdtes in haar leven heeft gekend, of zoals ze zelf zegt in het voorwoord, en ik citeer 'Amplitudes: morgenwijdte en avondwijdte, daartussen een web van vraagtekens, twijfel en vertwijfeling, maar evengoed een kronkelweg vol levensmoed, blijheid en zielskracht'.

Iedereen zal wel in mindere of meerdere mate onderhevig zijn aan deze waarachtigheden van het leven. Iemand die ze tracht te verwoorden, omdat de geest zo vol is gestuwd dat hij barsten wil, begeeft zich op de zeer eenzame en vaak ontmoedigende weg der poëzie. In het openingsgedicht 'Het huis' komt de schoonheid van haar poëzie reeds tot uiting. Reeds jaren bouwt zij aan haar surrealistisch huis, haar eigen ik. Ze heeft steen op steen gemetseld, en al zijn de muren hier en daar wat krom, toch past ieder raam wonderbaar: 'het binnenvallend licht / is daar getuige van/. Natuurlijk beseft Iris haar eigen onvolmaaktheid en relativeert.

Na de licht erotische gedichten 'Tuingefluister' en 'Verliefd', twee echte parels, klinkt opnieuw het weemoedige geluid dat zich speent aan de stilte van voorbije dagen in 'Denkend aan de Dorpssmid' waarin mannenstemmen, en het geluid van de blaasbalg, als duidelijk en écht overkomen. Verder wandelend in de bundel komen we overal Iris tegen. Meestal in cryptische verzen waarvan de sleutel niet verder te zoeken is dan onder de kosmische mat. ...' hoor hoe het blad / zich vertakt / hoe de zang der cicaden / het geheugen der nerven / ontbolstert / hoe de cirkel zich sluit', is één van de geheimen die geschreven zijn om te worden ontcijferd.

'Perceptie' is dan ook het vermogen om uit te stijgen boven het alledaagse, de gave om met weinig woorden een ganse wereld te omvatten. Iris Van de Casteele verwoordt in deze bundel, op zeer zuivere, poëtische wijze, haar wereld. Zij toont ons haar gelaat. De diepte van haar ziel : een sprankel van de eeuwigheid die we in ons dragen.

Pierre Van Laeken (B)

AMPLITUDES bevat op elke bladzijde zinderende, lillende stukjes leven. Geuren, kleuren en geluiden spelen een grote rol in deze poëzie die veel herinneringen oproept maar ook vooruitblikt, beschouwend mijmert maar tevens wijst en verwijst. Het leven in al zijn facetten vind je erin terug: mild maar ook verschrikkelijk. Deze zeer zintuiglijke poëzie verraadt een vrouw met een ontzaglijke grote liefde voor het leven, en voor de kleine en machteloze dingen, als wou de dichteres, door ze te benoemen, ze behoeden voor hun verdwijnen.

Ze bouwt als het ware een 'huis' op waar genegenheid en intimiteit, menselijke warmte en veiligheid, te vinden zijn en dat doet ze door de tegenstellingen daarvan (waarvan ze haar deel kreeg, dat lees je duidelijk) zeer expressief te laten aanvoelen. Als voorbeeld dit zeer mooi vitalistisch gedicht 'Verliefd': /'Laat me toveren vannacht / god als ik dat kan / kan die lekkende kraan / mij geen barst meer schelen / noch die tikkende klok / noch het krikkrakkend geluid / op het kiezelpad / rondom mijn huis / als ik dicht voor mijn lief / wil ik vuurwerk horen / donderslagen / tromgeroffel / als ik denk aan mijn lief / kriebelt heel mijn gemoed / in mijn overmoed / wil ik poezen en wolken / en cactussen strelen./.

Denijs Van Killegem (B)

AMPLITUDES
De Distel, 1992

Amplitudes van Iris Van de Casteele heeft een andere tint, een andere teneur dan haar vorige bundels. De beelden zijn overwegend van licht, de geluiden in majeur. Een duidelijk ander levensgevoel ligt beslist aan de basis. Om even concreet te zijn.

Beelden van licht: kleine vuurbol, zon in en over het huis, roze gedachten, irissen in paars, levend wier, regenboog, zomervogels, wiegende linde. Heel optimistisch is deze onverwachte toets. Geluiden in majeur: vuurwerk, blaasbalg in smidse, cicaden, tikkende klok, wetten van zeisen, opzwepende tango, boomgeruis.

Toch blijft de vroegere weerbarstigheid en rebelsheid in: / én poezen én wolken / én cactussen strelen /.
De barst 'tot in het merg' is niet ver weg, is soms zichtbaar, vb. p. 12 Emma, p. 26 Bonsai. Ook is er de schreeuw in de keel midden papavers.

Algemene indruk: sterke bundel op enkele schoonheidsfoutjes na: de verkleinwoorden eindigend op -tje.

Frans Fransaer

HEIDENS HEILIG: Het gebeurt niet vaak, maar soms komt er een niet besproken recensie- exemplaar naar boven uit een stapeltje boeken. Ach, uit 1993, vijf jaar geleden. Maar toch, toen ik voor een tweede maal het boekje ter hand nam, werd ik weer geboeid door de zeggingskracht van deze dichteres.

Deze intro ter legimitatie van deze late bespreking. Een leesemotie als bij het lezen van de gedichten van J.C. Bloem overviel mij. De dichtregels raken me niet bij directe lezing, het gevoel komt pas achteraf. Na het lezen van Bloem, krijg ik altijd, als na het drinken van uitstekende wijn, een fijne afdronk. Zo ook bij het lezen van het werk van Iris Van de Casteele. Waarmee ik haar hoger niveau maar even wil aangeven.

Zij schrijft vaak klassieke woordenreeksen, die doen denken aan Jos de Haes en van Wilderode, maar dan met een geheel eigen signatuur. Had de wieg van deze Vlaamse dichteres in Nederland gestaan dan was haar plaats gesitueerd tussen Ida Gerhardt en Vasalis.

Ben Elders (NL)

HEIDENS HEILIG:komt over als een scheppingsepos. Bij schepping denk je aan een Schepper die erachter staat. Wil de dichteres Iris Van de Casteele die grote heilige God met haar kleine mensenverstand omvatten? Mag ik haar gedicht 'Splinter' zo begrijpen? Ik moet nederig erkennen dat ik niet alle vreemde woorden thuis kan brengen in 'Partus' o.a. dendrolieten en coprolieten, vermoedelijk termen uit de geologie. Maar dat doet niets af aan de kracht, ik zou zeggen aan de natuurkracht, het oergevoel dat dit gedicht verwoordt.

Gedichten die mij verder bijzonder aanspreken zijn: 'Als bomen', 'Maangezicht', 'Fluïdum', 'Zien', en vooral ook "Binnenwater". En dan "Introïtus" met die prachtige strofe die begint met 'Het leed ligt in mijn schoot als in een schrijn', en dan 'Hostie'. Ja, zo is het! Al met al een fascinerende bundel met het hoopvolle slot: 'Binnen het schrijn het heilig hout / gekluisterd. Levend. Luisterend /', dat ook weer een nieuw begin kan zijn.

Nel Veerman (NL)

HEIDENS HEILIG: is de mooie, dubbele titel van de nieuwste dichtbundel van Iris Van de Casteele: een titel die de godsdienst opzij zet om iets groters, iets onbenoembaarders aan te geven dat zich niet laat strikken voor misbruik. Het is de herkenning van de ziel in alles om ons heen.

Het is een fraaie bundel vol oergevoel en ziel en kosmische verbondenheid. Al deze vrouwelijke, intuïtieve, religieuze, erotische beleving en versmelting, zonder de manipulatieve verwoording van de bestaande religies. Het is zoals het weten van alles dat niet gezegd is in een gesprek. Het is de intuïtieve herkenning van wat echt is en waarde heeft: zij die de diepte peilen en verwondering behouden. De dichteres is het heidens orakel dat antwoorden geeft op vragen die antwoorden zijn. Antwoorden die weer enkel vragen zijn, voor wie ze in willen kaderen als kant en klaar pakketje.

'Weten' is verwonderde intuïtie. Het 'zijn' is de rondgang tussen boom (antenne) en wortels.
De sapgang tussen boven en onder, licht en donker, aarde en lucht. De ziel van de boom is dat zij alle leven opneemt en teruggeeft, de tere haarwortels uitzendend op hun zoektocht naar voedsel in de donkerste grond. Haar bladen (naalden) openend voor de fluisterende verhalen over leven en energie: stromend, ontvangend, gevend, voedend, etend en eten gevend. De rondgang van de seizoenen en alle jaren opslaand, ring voor ring, vertellend van alle vette en magere jaren, voor wie het lezen wil.

De boom is de kosmos zelf, de evolutie, tak voor tak, grillig en harmonisch. De vorm volgend en weerstand of breuk benuttend om andere kanten en richtingen uit te groeien. De boom is léven, is léven, is léven, tot de kleinste molecule en toch is zij, hoe duidelijk ook zichtbaar bovengronds geen antwoord voor wie haar alleen als vorm waarneemt. Zij: de boom, de vrouw. Zij is niet de boom zelf maar het wezen dat de boom uitdrukt. Vaak rustplaats voor een ander, voedend, schaduwgevend, maar ook geworteld tot diep in de aarde, in harmonie met het wentelen der seizoenen. Een rustgevend weten uitstralend, ik ben ik, met gestrekte armen.

Een boom die reist zonder weg te moeten. De innerlijke reis van het spirituele uitdragend; het grotere zoeken, voorbij het haastig doorgaan naar het onbekende. De boom... zijn wezen... ook ik. Er is vaak niet genoeg tijd om stil te staan bij de wortels maar steeds is er het verlangen naar, en naar tijd, onbeperkte bomentijd, die nodig is om één te worden met het spirituele zelf. Soms zit in de stilte de doodsangst die is weg geschreeuwd. Soms zit er een boek in een gedicht.

Dick Valenteijn (NL)

HEIDENS HEILIG: er zijn dichters die in hun poëzie schoonheid leggen, gevat in weliswaar edele 'verdichte' taal, maar daar blijft het ook vaak bij. Dat poëzie glanzen kan, maar tegelijk onze diepste wortels raakt, en onze kosmische verbondenheid laat aanvoelen, dat ontdekken wij bij Iris Van de Casteele in deze bundel.

Daarmee situeert ze zich in de lijn van Paul Snoek. In ronduit prachtige verzen - die de profetische kracht hebben van de orakeltaal - graaft de dichteres uitermate eerlijk en authentiek naar ons allerdiepste vragen en naar onze verlangen. Vecht ze zich met taal 'van het duister naar het licht'. Vraagt ze zich af waar we vandaan komen en naartoe gaan.

Ontsluiert ze wat zij het 'verste geheugen' noemt. De verzen zijn vaak bezwerend met repetitieve elementen, geladen met magie, als probeert ze met taal een schrijn van diepte en schoonheid te snijden.

Iris Van de Casteele verwoordt heel zuiver wat ik altijd al in poëzie zoek: behoedzaam het 'mysterie' ontsluieren, het besef te zijn 'Splinter / van wat heer heet of aarde of moeder / van wat nog moet worden / van wat reeds is' /.

Denijs Van Killegem (B)

HEIDENS HEILIG: de nieuwste dichtbundel 'Heidens heilig' van Iris van de Casteele is een prachtige heidense psalm geworden. Weer een genese, zoals haar ander werk, ontstaan vanuit diepe diepten. Met krachtige symbooltaal die vele lagen bevat. En welluidend is. En sacraal erotisch. Gelijk de oude mythen dat waren. Een grote ode. Zoals die van Neruda, Elytis, of Ritsos. Of van zovele die we niet kennen, maar die elk op hun manier het scheppingsverhaal zeggen, vulkanisch exploderen desnoods. Zo ontstaat telkens een dubbele kracht. 'Genitaal' bv. is schitterend: één van de schoonste, erotische verzen die ik ken in de literatuur. Er is die seksuele kracht, maar de gloed van het gedicht trekt het open naar iedere schepping: telkens weer 'scheurt het wier'.

Frans Fransaer (B)

Dichten van Iris Van de Casteele uit de bundel HEIDENS HEILIG

Mythe en poëzie zijn nauw met elkaar verbonden. Niet alleen omdat de meeste religieuze uitingen van de mens, van Gilgamesj epos tot bijbels hooglied, van Kalevala tot de soera's van de Koran, in versvorm zijn opgetekend, maar ook vanwege de aard van poëzie.

Als er één gemeenschappelijk doel van veel dichters is, dan is het wel het verlangen om in hun gedicht het onzegbare te zeggen. Dichters willen vaak met hun poëzie op een grens staan. Of het nu gaat om de scheidslijn tussen tijd en eeuwigheid, leven en dood of het profane en het sacrale, dichters zijn van oudsher af op zoek geweest naar die grens, hebben geprobeerd om dat wat aan de overkant, dus onzegbaar, is met hun taal op te roepen. Met als uiteindelijk doel die grens te slechten en het gat te dichten.

Meanders gedicht van de maand augustus sluit zich aan bij die eeuwenoude poëtische zoektocht. In de eerste strofe wordt verteld wat het doel van de dichter is en sluit de dichter zich aan bij vele andere dichters die hetzelfde doel voor ogen stond: het onzegbare zegbaar te maken. Of, zoals het gedicht zegt: "Ik heb vertaald [....] hetgeen onzegbaar is". Dat dat vertalen geenszins eenvoudige arbeid is, moge duidelijk zijn.

De dichter vertaalt "tot bloedens toe" en "tot in het merg, tot op het been".
In de volgende strofes begint een opsomming van al wat vertaald werd. Dat vertalen is voornamelijk een zintuiglijke bezigheid. De dichter luistert en kijkt. De dichter keert terug naar de natuur en al die "kleine" details, die wij tijdens onze profane bezigheden niet meer opmerken, worden opnieuw onder de aandacht gebracht. De vleermuis, de nacht, de zon, de vuurpad. Iedere entiteit wordt voorzien van een adjectief dat in ons normaal taalgebruik nooit in een dergelijke combinatie gebruikt wordt. Wij spreken nooit over een "diepe vleermuis" of over een "tinnen zon".

In poëzie echter zijn dit soort dingen toegestaan. Poëzie mag, tot op zekere hoogte, grammaticale conventies overschrijden. Het gevolg is dat de zon en de vleermuis ons weer opvallen, in het gedicht als het ware in een nieuwe gedaante voor ons worden opgeroepen. In de vierde strofe verdiept de dichter haar zintuiglijk werk. Ze is niet langer een afstandelijke observator, maar wordt één met hetgeen zij zegbaar wil maken. "Een tijdje lang ben ik geweest een / dartel beest. Een schaap misschien". Maar de dichter gaat nog verder, op zoek naar het essentiële: "Maar eerder wou ik zijn wat ik geworden ben. / Een vonk".

De dichter ziet en luistert niet langer, maar voelt en ís. Ook datgene wat zegbaar gemaakt moet worden verdiept zich: "Ik heb vertaald wat stilte heet". Als iets onzegbaar is, dan is het de stilte wel, maar zelfs die stilte kan opgeroepen worden in het gedicht. De dichter, getransformeerd tot vonk, heeft haar reis volbracht: "Ik ben waar ik wou zijn". Dichten is, aldus dit gedicht, een haast magische bezigheid.

De dichter is in staat tot wonderbaarlijke transformaties en kan alles, zelfs de stilte, onder woorden brengen en daarmee voor ons oproepen. "Ik ben een wonder waarvan de oorsprong onbekend is. [........] Ik ben leraar van alle denkende wezens geweest / Ik kan het universum onderwijzen." Zo spreekt de legendarische bard Taliesin in het Welse Taliesin-epos. Anno 2001 is de dichter een vonk, "een hevig vuur waarin ik ben" [...] Ik glinster in het licht. Ik daag de ekster uit. Een zilveren lepel / vuur ben ik, zo meegenomen".

Milla van der Have (NL) Meander's gedicht van de maand, augustus 2001

NAVELTEKENS : is een sterke, homogene bundel van Iris Van de Casteele. Enigmatisch en cryptogrammisch, maar doorweven met de zin naar eenheid van alles met alles. Het geheel is een fascinerende zoektocht naar de wortels, de vezels, de cel van het ik. Met duidelijke vingerwijzing(en) voor wie begrijpt.

Frans Fransaer (B)

GRASDUINEN (gedichten 1969-1994): in deze aangenaam verrassende bundel werden de gewaarwordingen en waarnemingen van een mens verdiept en verdicht. Een kwarteeuw levensfilosofie werd omgezet in poëtische taaltekens. De verzen geven luchtige tot diepzinnige gemoedsstemmingen weer. Momenten van weemoed rijzen op uit de nevels van het polderlandschap. Uit kleine dingen zoals een grashalm, een regendrop of een sneeuwklokje, zelfs uit boomgeruis, puurt de dichteres (h)eerlijke poëzie, o.a. als er zijn:

'Perce-neige' en 'Grasspriet': stimulerende introspecties. 'Helderheid van morgens' een sacraal moment. 'Giganten' een 'voorlopig' orgelpunt. Hoé heerlijk het gedicht 'Perce-neige' / O hemel wat een wonder / er valt wat licht op mij / // dat kleine beetje zon / dat aan mijn bladgroen / sipperlipt // op proef me stelt / me weerbaar maakt / tot ik in 't diepste / van mijn wit / ga schitteren / '

G.v.H. (B)

BITTERE HONING: dat autochtone volkeren in méér dan één continent systematisch en weldoordacht verder worden uitgeroeid is geen geheim. In mindere mate is echter geweten dat vele gevangenissen volgepropt zitten met mensen die zich blijven verzetten tegen de ontvreemding en de ontworteling, en tegen de schending van hun voorouderlijke cultuur. Van noordpool tot zuidpool, en ringsom de evenaar, trekken destructieve krachten een spoor van vernieling.

Rivieren, wouden, akker- en grasland zijn er niet langer om de mens te voeden en te herbergen. Ontvreemde grondstoffen worden door machtige holdings omgezet in onmetelijke rijkdom, die slechts ten goede komt aan een paar individu's. De adergelaten aarde ziet zichzelf en haar weerloze kinderen verhongeren en doodbloeden. Iris Van de Casteele en Herwig Van Holsbeeck proberen het leed, het verzet en de overlevingskansen van één van deze volkeren - de zogenaamde Indianen - te omschrijven en uit te beelden in het kostbaar relevant lees- en kijkboek 'Bittere Honing'.

Diegenen die de natuurwet eerbiedigen zullen er zeker hun weg in vinden.

N.N. (NL)

BITTERE HONING: nobel, maar niet alledaags is het dat een dichteres en een beeldend kunstenaar het hier in Vlaanderen opnemen voor de mensenrechten van de Indiaanse volkeren. 'Bittere Honing' is een dichtbundel van Iris Van de Casteele (19 gedichten) en Herwig Van Holsbeeck (11 beelden). Herwig inspireerde zich op de gedichten van Iris om beelden en tekeningen te ontwerpen. Pareltjes! De beelden roepen de krachten van de natuur op in moderne totems. Hout, keien, pluimen en schelpen zijn de grondstoffen. Harmonie en schittering zijn het resultaat. Beide kunstenaars slagen erin om het leed, het verzet, én de strijd voor de mensenrechten van de Indianen, te begrijpen en te lenigen.

Vredeshuis Aalst (Mensenrechten) (B)

BITTERE HONING: de Vlaamse dichteres Iris Van de Casteele, die o.m. 'Omhels deze Boom' en 'Tot in het Merg' publiceerde, heeft altijd een grote betrokkenheid getoond met het lot van de Indianen. Onlangs verscheen van haar een prachtig boekwerk. 'Bittere Honing', met foto's van beelden van Herwig Van Holsbeeck, geënt op Indianensymbolen als veren, peotl-paddestoelen, ronde stenen. In het boek wordt het leed en het bijna vergeefs verzet van deze indrukwekkende mensensoort voelbaar zoals in het gedicht 'elimination' : Ze klampen zich vast / aan de reserves / van hun slinkende / reservaten / / binnen afzienbare tijd / rest hen niets / dan één / tot op het been / afgeknauwde heuvel./.

Job Degenaar (NL)

BITTERE HONING: nee, niet gelezen, maar ondergaan, beleefd. Dit is een bundel met bitterheid en pijn geschreven. Dit heet éénwording met aarde en geest, met water en rotsen.

Zo moet poëzie zijn: blizzard, tears, eeuwige vuurdans. Dit is poëzie geschreven met bloed en tranen, rebels maar ook gefnuikt, misbruikt, de handen gebonden. Weemoed achter tralies, zittend buiten de kring, levenslange kreet 'like an Indian'. Leonard Peltier zal dit onmiddellijk begrijpen als hij kijkt naar de titels en beelden.

Iris en Herwig hebben allebei heel dicht gestaan bij het drama Indiaan-te-zijn-in-Amerika. Ze hebben duidelijk de tragiek uitgesproken en uitgebeeld. De titel 'Bittere honing' spreekt voor zichzelf. Ik hoop dat de bitterheid voor Peltier, en iedereen die dit leest en ondergaat, dat die bitterheid van smaak moge zoet worden van hoop en koppig vertrouwen in Moeder Aarde. In ieder geval een heel hartelijk proficiat voor deze humane, diepe poëzie.

Frans Fransaer

BITTERE HONING
Iris Van de Casteele: een geëngageerde dichteres

Zopas verscheen de nieuwste dichtbundel van Iris Van de Casteele onder de veelzeggende titel "BITTERE HONING", geïllustreerd door Herwig Van Holsbeeck.

Een bijzonder geslaagd kunstboek, zowel naar inhoud als naar vorm. Een échte aanrader voor wie zich geëngageerd voelt bij de problemen van deze tijd. Tevens een waardevol geschenk voor wie zichzelf of een of ander kunstliefhebber wil verwennen. De samenwerking van beide kunstenaars is nagenoeg perfect. Geen van hen is aan zijn proefstuk toe; beiden draaien immers reeds jaren mee in de kunstenaarswereld.

Tijdens de voorstelling van de dichtbundel in Herwig's atelier, vernam ik het volgende jaren geleden zou Van de Casteele bij één van Herwig's schilderijen een gedicht geschreven hebben. Bedoeld als aanmoediging zou dit gebaar leiden tot enkele gesprekken waarbij het thema "Indiaan" telkens aangesneden werd, Iris gehuwd zijnde met een afstammeling van het autochtone Charrúa-volk, Herwig zijnerzijds gefascineerd door en flink gedocumenteerd over wat indiaanse culturen betreft.

Een half jaar geleden vroeg Iris "of hij een paar tekeningen kon maken bij haar gedichten". Deze woorden zouden leiden naar een tweede volwaardig oeuvre, nl. dit van Herwig zelf. Aangegrepen door de verwoording van zoveel onmacht en leed zette hij zich aan het werk.

Het resultaat liegt er niet om: hij heeft de emoties van de dichteres precies weten te duiden. Hij heeft haar denkbeelden tot de zijne gemaakt in een aantal assemblages die de verzen nog kernachtiger doen uitkomen. Bij een eerste oogopslag eist de weelde van Herwig's afbeeldingen alle aandacht op. De kleuren zijn een wellust voor het oog: kleur, vorm, materie, het is allemaal van het bovenste beste. Je zou bijna vergeten dat het hier om een dichtbundel gaat waarvan de inhoud niet bedoeld is om te schitteren maar om ons geweten te peilen.

'Bijna' zeg ik, want wie oog heeft voor hetgeen binnenin en tussen de regels te lezen valt, en die méér ziet dan wat keien, schelpen, pluimen e.d., zal meteen gegrepen worden door de tragiek die erin verwerkt zit. Hij zal al het fraaie eromheen een poosje uit het hoofd zetten om zich in te leven in het gegeven: de strijd, de nederlaag, de ontworteling, barre levensomstandigheden, leed allerhande, ellende. "Bittere Honing": de overwonnene die zijn levenshoning - zijn essentie - gemêleerd weet met de op hem gespuwde gal.

De bundel is opgedragen aan Leonard Gwarth-ee lass Peltier. Deze Sioux-krijger, is één van de opstandelingen die in 1973 het stadje Wounded Knee bezet hielden. Een daad om de aandacht van de wereld te vestigen op het feit, dat indiaans grondgebied voor de zoveelste keer geschonden werd om het te beroven van zijn grondstoffen. Peltier was betrokken bij een schietpartij die daaruit voortvloeide waarbij drie doden vielen: een indiaanse jongen en twee F.B.I.-agenten.

Onschuldig, maar als leider veroordeeld, kreeg hij niet minder dan twéémaal levenslang. Zoals destijds Mandela zit hij als politieke gevangene zijn straf uit achter tralies, in United States Prison Leavenworth in Texas. Reeds meer dan 20 jaar hoopt hij op de herziening van zijn proces. Tevergeefs. Het blijft "Perpetual". Degene die begaan is met het beklagenswaardig lot van bijna alle autochtone volkeren, zal geboeid worden door deze hoogst lofwaardige bundel.

G.v.H. (B)

LANGS DE SCHOOT VAN EEN VROUW:'... Misschien is de wereld te jong/ om in de hiëroglyfische zee/ de achtentwintigste druppel te zien... /. Deze versregels omschrijven de thematiek van deze bundel: het homo-zijn in de zuiverste zin van het woord. De existentiële angst en de wanhoop van de medemens verwoorden was niet alleen een uitdaging maar vooral een delicate opgave voor Iris Van de Casteele.

In 'Langs de schoot van een vrouw' haakt ze in op de meest schrijnende verzen van de Spaanse dichter Isis, vertaald door haar in het Nederlands, en in bloemlezing bijeengebracht onder de titel 'Poemata Viri'. (Gedichten van een man). De bundels vormen een tweeluik waarin beide dichters, elk op hun manier, op zoek zijn naar het hoe en het waarom van het menselijk lijden. Zijn we niet allemaal, elk om beurt dan: / een ademend dier/ dat zijn wanhoop heeft overleefd../. Komen we niet allemaal uiteindelijk tot de erkentenis dat - zoals de Spaanse dichter Isis zegt - /...Het leven enkel datgene betekent wat ervan gesloopt wordt.../...

N.N. (NL)

IJSKRISTALLEN: Dat er altijd en overal geweld heerst, alle soorten van geweld, daarvan is iedereen zich bewust. Dat een mens een andere mens kan doden weten we. Wanneer hij echter, door wanhoop gedreven, een mes plant in zijn eigen hart, wordt ook onze pijn bijna ondraaglijk, temeer wanneer het gaat om een geliefd iemand die deel uitmaakt van ons bestaan. Het ijzingwekkend doodsbericht dringt slechts langzaam tot ons door, terwijl huiver ons overvalt die een lange nasleep van rouw met zich meebrengt. Misschien helpen een paar versregels ons door deze rouw heen, omdat poëzie troost schenkt en ons méér mens maakt.

Volgende regels komen uit het œuvre van José De Poortere en staan te lezen op de kaft van de bundel.

Waarvoor anders bidden de dichters
waarvoor anders plengen ze water
waarvoor anders bekijken ze het dier
dat in ons woont,
zuiveren ze zich in stilte,
hoor toch hoe onder tamaris en palmboom
ze in duistere nachten
hun angstige dromen verhalen.

I. Marcy (B)

IJSKRISTALLEN
Iris Van de Casteele

Gedichten vol smart en huiver om een geliefde dode.Om iemand die zijn eigen hart doorboorde met een mes. De zeggingskracht schuilt in het ijzige van de winterbeelden die de dichteres oproept in korte, gebalde zinnen:

          bevroren vogels/ zitten gekromd/ op roerloze takken/ ijs snijdt de lucht/ geluidloos
          breken/ vleugels/ en snavels pijn wordt doorzichtig

De laatste reis van de dode wordt glijden boven wolken en sneeuw:

          geluidloos zakte hij weg/ ijsvogels wenkten/ kristallen ontstonden/
          hij wist/ het zou niet dooien

Even is er de aanklacht. Niemand spreekt een troostend woord, zelfs de stenen zwijgen:

          wind draaide naar noord/ één dier bevroor/ de stenen zwegen

Later komen er " barstjes/ in het ijs/ heel lichte ". Er is opnieuw wat hoop.

Deze pakkende bundel telt 23 gedichten waarin niet één woord teveel.
Een ontroerend en doorleefd 'In Memoriam Patrick B'.

J.D. (B)

IJSKRISTALLEN: "Het ijzingwekkend doodsbericht dringt slechts langzaam tot ons door, terwijl huiver ons overvalt die een lange nasleep van rouw met zich meebrengt" schrijft Iris Van de Casteele (Brussel) op de achterflap van haar dichtbundel 'IJSKRISTALLEN':

er ligt een mes in de sneeuw/ op het lemmer zit bloed. Een familielid neemt de moeilijke beslissing om niet langer te leven. Het verdriet en het onbegrip vormen de aanzet tot de bundel. Ook de onvermijdelijke vraag "wat ná het dichtslaan van de levenspoort?" dringt zich op. Het openingsgedicht 'Afscheid van Patrick' verwijst expliciet naar de daad. In de overige gedichten vormt het seizoen waarin het gebeurde de grote metafoor. De winter die relateert naar schoonheid, zuiverheid en puurheid, maar ook de andere kant van de medaille blootlegt:

de vergankelijkheid, het gevaar en de barre koude. "Bevroren vogels / zitten gekromd / op roerloze takken / ijs snijdt de lucht" . Uitsluitend het eerste woord van elk gedicht begint met een hoofdletter. Rusttekens zijn nergens te bespeuren, de lezer krijgt van de auteur de vrijheid om bij dit delicaat onderwerp zelf zijn pauzes in te lassen. De titels van de verzen bestaan uit een kernachtig en situerend woord. Rilling. Ademnood. Weerloos. Vriesnacht. Symbolische verwijzingen naar de dood, de kilte, het verlies, zijn legio: sneeuw, wit, ijs zijn woorden die in verschillende woord- en klankcombinaties terugkomen. Het geheel vormt een intimistische, serene bundel, die de valkuil van het sentiment op bewonderenswaardige wijze omzeilt.

Nergens een spatje terug te vinden van geweeklaag of zelfmedelijden. Authentieke gedichten die, door de ingetogenheid en beheerstheid waarmee de auteur ze heeft geconstrueerd, een sterke bundel vormen. Opmerkelijk is dat deze gedichten, los van het onderwerp, op zichzelf kunnen bestaan.

François Vermeulen (B)

In 'UITSTEL VAN EXECUTIE' blijft het noodlot Iris Van de Casteele achtervolgen.
Geconfronteerd met een levensbedreigende ziekte slaat de vertwijfeling toe. Sommige mensen ondergaan hun misère binnenwaarts. Anderen, zoals Van de Casteele, schrijven erover omdat dit deel uitmaakt van hun verwerkingsproces. Maar haar gedichten drijven in een bewonderenswaardig positivisme. Deze meerwaarde geeft hoop en moed voor anderen in gelijkaardige situaties. De eerste strofe van de bundel luidt: Dit is geen doodsbericht/ dit is het einde niet/. In de laatste strofe schrijft zij: Op één vraag na/ alles beantwoord:/ wat is sterven?.

In de 28 tussenliggende gedichten verwoordt de auteur een gamma van gevoelens:
vertwijfeling (keihard komen ze aan / de barbaarse berichten), ontreddering, angst (je zou gaan denken/ dat alleen mijn verminking/ nog iets voorstelt), eenzaamheid (dreun plof spuit/ snauw:/ 'hier stel je geen vragen/ hier wordt geslapen'/, hoop (herbeginnend/ word ik/ wat ik ben/ een begin).

'Uitstel van executie' is een coherente bundel met een thematiek waar de nodige spiritualiteit in vervlochten is: Ik geloof niet/ in geloven in niets;... dit is het uur/ waarop nadert/ de eeuwigheid;... een sacraal moment/ meer wou ik niet;... zou het kunnen dat ik/ geheeld en geheel/ gereïncarneerd ben? Veel verzen zijn zintuiglijk en sterk symbolisch getint (de maan!). Andere zijn meer realistisch beschrijvend. "Pijn en herboren worden. Het is een onuitputtelijk thema.

' Ik vond het zeer treffend, omdat ik er echte ervaringen achter vermoedde' (Jan A. Gilles). 'Uitstel van executie' is een filosofische bundel waarin van begin af aan een gewonde ik beschouwend aanwezig is" (Michel Martinus). Iris Van de Casteele weet ons deelgenoot te maken zonder dat je er somber van wordt. Helende poëzie.

François Vermeulen (B)

UITSTEL VAN EXECUTIE van Iris Van de Casteele is een filosofische bundel, levenvullend en levengevend, levendóórgevend in een bijna boeddhistische levensbeschouwing. Niet 'l'être et le néant' om het Sartriaans te zeggen, maar 'l'être tout court'. De verrijzenis vanaf het 'brandnetelblad', na de pijn die bijna karma wordt ter innerlijke bevrijding. Het boeddhistische groeien naar een nirwâna is nooit ver weg, al is de dichteres nuchter genoeg om het leven grandioos te omarmen en te doorzien, evenals zijn schone schijn zoals blijkt uit het gedicht 'Nachtgeblaf '.

Alle gedichten zijn zuiver gelieerd aan aarde en vuur, aan lucht en water en aan de Kosmos. '/ Dit is het uur / waarop nadert de eeuwigheid'. Religieuzer kan het niet. Noem dit God, noem dit Oerbegin, noem dit Onbegrensdheid: Sacrum Mysterium is Dit alleszins. Op de rand van het einde is de persoonlijke ruimte volkomen gekristalliseerd tot 'sacraal moment', al blijft er een allerlaatste vraag 'wat is sterven?.

Frans Fransaer (B)

UITSTEL VAN EXECUTIE (verschenen in Meander)

Vóór de grens
Een recensie door Joop Leibbrand

De Vlaamse dichteres Iris Van de Casteele overwon niet lang geleden een levensbedreigende ziekte. In haar vorig jaar verschenen, zeer verzorgd uitgegeven bundel 'Uitstel van executie' (opgedragen aan de chirurg die haar behandelde) legt zij op indringende wijze rekenschap af van wat haar overkwam, waarbij zij op knappe wijze het persoonlijke verbindt met het universele, de eigen ervaring in dienst stelt van de verwoording van herbevestigde of nieuw verworven inzichten in de algemeen menselijke problematiek van leven en dood.

Als bij Elckerlyc kondigt de dood zich aan op het moment dat je er het minst op verdacht bent. Als zij het 'barbaarse' bericht krijgt, het 'ijzingwekkende' nieuws, dat ergens een vrouw slakken levend doorknipt, brengt ze dat in verbinding met zichzelf. "De tuinslak / moeizaam op weg / naar de plek waar / ze geëxecuteerd zal worden // de schaar in de hand van de / aan sla denkende vrouw die / haar levend doorknippen zal" .

Zo gemakkelijk als iemand het leven van de slak kan beëindigen, zo snel kan ook haar eigen levensdraad worden doorgesneden. 'Hoe overleef je dit?' luidt de titel van dit gedicht. De bundel geeft er antwoord op.Waar in de bekende laatmiddeleeuwse moraliteit Elckerlyc tevergeefs alles in het werk stelde aan zijn lot te ontkomen en bovenal de fout maakte zich al te zeer aan aards bezit vast te klampen, is er bij Van de Casteele direct sprake van een gevoel dat het best omschreven kan worden als een combinatie van onthechting en religieus geïnspireerd eeuwigheidbesef.

In 'Medium" schrijft zij: "Ik geloof niet / in geloven in niets" en dat moet dat in dubbel opzicht letterlijk genomen worden. Het christendom speelt in haar verzen geen rol, maar het besef deel uit te maken van een zekere voortgang in de oneindigheid, zorgt ervoor dat ze zichzelf niet verliest. Het spoor van de slak gaf haar een aanwijzing: "Weinig was het/ tot het méér werd/ het singulier spoor/ dat de slak naliet// (...) // zoveel duidend/ niets behoevend/ alle begin/ in zich hebbende". Het moment waarop zij zich realiseert dat haar toestand onomkeerbaar is is precies het omslagpunt

Buiten de tijd om

Er is geen weg meer terug
alle bergen werden beklommen
alle rivieren doorzwommen

wat kleeft aan de schoenen
is klei
wat brandt in de huid
zijn geen schubben
van vissen

wat in de oceaan ligt verzonken
is ondermaans vuur

dit is het uur
waarop nadert
de eeuwigheid

Wie 'klaar' is om 'voorbij de grens' van de eeuwigheid te gaan, kan daarmee zoveel ruimte scheppen voor nieuwe levenskracht, dat er haast letterlijk sprake is van een wedergeboorte, een 'incarnatie' van een 'wezen in wording' - maar wel in een volstrekt nieuwe wereld:

Het zoveelste navelteken

De niet te beschrijven leegte
die behuizing heet
of huis
of kathedraal
of hel

al naargelang
je ze vult
met hetgeen overblijft
van jezelf

of met wat verondersteld
wordt te zijn
wat je was

De laatste woorden van de bundel zijn: "wat is sterven". Het antwoord daarop luidt niet anders dan op de vraag wat leven is. In beide gevallen is het de onthulling van een geheim. In het openingsgedicht van de bundel zegt Van de Casteele het zo:

Verkregen zicht

Dit is geen doodsbericht
dit is het einde niet

dit is de onthulling
van het geheim
van een op weg zijnde vogel

een gehavende vogel
die op één vallei na
zijn vlucht voltooid weet

Van uitstel komt afstel, zegt het spreekwoord. Was het maar waar... Het is in ieder geval te hopen dat haar de tijd gegeven is meer van deze goede poëzie te schrijven.

Iris Van de Casteele - Uitstel van executie
Uitg. De Distel, St. Martinuskerkstraat 68, B - 1083 Brussel
e-Mailadres: iris@adegem.net
32 pag., € 12

PARADIJSVOGELS
TOT IN HET ONEINDIGE een beschouwing van Milla van der Have

Erotiek is gebaat bij verbloeming, het duistere. Een schaars geklede vrouw is per definitie minder erotisch dan een bedekt geklede vrouw, simpelweg omdat er bij de laatste meer te raden overblijft. Niet voor niets danst Salomé een dans van zeven sluiers om haar vader te behagen. Versluiering stimuleert de fantasie en daagt de toeschouwer uit de bedekte plekken zelf in te vullen.

Zo ook de lezer van poëzie, omdat poëzie evengoed gedijt bij het mysterieuze. Erotische poëzie moet, als ware zij een erotische vrouw, versluierd zijn, mysterieus, ongrijpbaar. De dichter van het erotisch vers waakt ervoor geen woord teveel te zeggen. Bij deze gedichten is het juist niet 'lees maar, er staat wat er staat' maar daarentegen 'lees en verzin zelf maar wat er staat'. Of, zoals dichteres Iris Van de Casteele het zegt in het gedicht 'Galiq': 'hoe vaak ik ook terugkeer / naar zijn ontelbare tekens / er lijkt niet te staan / wat er stond'.

Dat gedicht komt uit de bundel Paradijsvogels, een erotische bundel, jawel, maar een verdoezelde erotiek, vermengd met een aardse mystiek. Een bundel van een dichteres, die de kunst beheerst nooit een woord teveel te zeggen en met de woorden die ze zegt een raadselachtige wereld op te roepen, een wereld vol blinde vlekken, voor de lezer om in te vullen. Van de Casteele's erotiek is namelijk die van de immer veranderende maan, symbool van het bij uitstek vrouwelijke, van de met regelmaat terugkerende verandering (eb en vloed) én van de natuurlijke cyclus van sterven en weer herboren worden.

Dat laatste geldt evengoed voor de phoenix, die ook genoemd wordt in de bundel en de paradijsvogel, die in de leer der symbolen nauw verwant is met de phoenix. Het is niet vreemd dat de dichteres de erotiek in dit kader plaatst. Niet voor niets noemt men het orgasme ook wel 'de kleine dood'. Seks en dood zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, net zo goed als met het leven. Het is één geheel. Daarom staat de erotiek in Paradijsvogels niet op zichzelf, maar is onontwarbaar onderdeel van een mythisch kader. Het is een erotiek gestaafd met mythische beelden, een religieus geïnspireerde poëzie. Die sterke symboliek maakt dat de poëzie méér wordt, extra lagen krijgt. Mysterieus en ongrijpbaar en daardoor zo aantrekkelijk.

Het mythische in Paradijsvogels bestaat uit een bont kader, waar zowel animistische als christelijk symboliek een plaats in hebben. In Paradijsvogels wemelt het van gevallen engelen en duivelse machten. Erotiek is zowel donker en soms een (graag begane) zonde zoals de christelijk leer stelt, als een verheven goddelijke daad.

De liefde, de erotiek, zo lijkt de dichteres ons te zeggen, ontstaat bij de ontmoeting van tegenstellingen. Steeds spelen twee personen een rol in de gedichten, waarvan er altijd één, dan weer de vrouw, dan weer de man, donker is. De ikpersoon neemt daarbij vaak de rol van de donkere, de gevallen engel, de maan. Zij belichaamt het aardse aspect, de natuurmystiek.

De ander is een lichtwezen, een hemels lichaam, brenger van vuur.
De poëzie van Van de Casteele is bij uitstek die van het hieros gamos, het heilige huwelijk tussen de hemelgod en de grote aardemoeder, naast hoedster van het leven ook, net als de maan, symbool van de dood. Het is dit huwelijk, door de vroegere mens op rituele basis gevierd, dat het leven in stand houdt. Het is de verzinnebeelding van die eeuwige cyclus van sterven en nieuw leven. En waar deze twee elkaar raken vindt men de mystiek, de erotiek.

Van de Casteele maakt bijzonder mooi gebruik van die thematiek, door het op een mysterieuze manier tegen elkaar uitspelen van die tegenstellingen en niet alleen in afzonderlijke gedichten. Ook in de bundel als geheel zien we de cyclus terug, want zoals leven niet kan zonder sterven, zo heeft liefde af en toe rustmomenten nodig om te kunnen bestaan.

Begint de bundel warm en zinderend, naar het einde verdwijnt de liefste uit de gedichten en wordt de toon minder zwoel.
De jijpersoon wordt nu aangesproken op zijn godsdienst, op het feit dat hij de tekens der natuur, van de liefde dus, niet herkent.
'slaap mijn liefste / luister vooraf heel even // luister hoe de maan / fluisterend / aan het leegbloeden is' . Zo staat het in het gedicht 'Nachtgefluister', uit het eerste deel. In het tweede deel is de relatie tussen ik en jij veranderd: 'toen ik druppel zei / keek je niet op // je noemde het zelfbeklag / toen ik het over de maan had / die aan het leegbloeden was / het verraste mij niet / je had al altijd het hoofd / in de wolken'.

In een ander gedicht stelt de dichteres de band tussen natuurmystiek en erotiek én de afkeer van de gevestigde godsdiensten nog duidelijker: 'jij bidt om een god te behagen / bidden met je lenden doe je niet'. Maar uiteindelijk vinden de van elkaar gespleten helften elkaar weer en zet de eeuwige cyclus zich voort. De bundel eindigt met een bijzonder thematisch gedicht, waarin de paradijsvogels uit de titel nogmaals hun opwachting maken. 'Van hen zijn wij de belichaming' stelt de dichteres.

Ons wacht de onsterfelijkheid, doordat wij onze woorden, onze liefdesdaden op schrift hebben gesteld: 'we drenken onze veren in inkt / magiërs zijn we geworden'. Het net sluit zich: religie, erotiek en poëzie vinden zich in één beeld. Om vervolgens weer te verdwijnen: / verdwijn mijn liefste eer ik besterf het / geweeklaag van de ontroostbare vogels / wiens nakende dood wij bezingen/. Erotiek is sterven en weer geboren worden. En weer sterven.

Tot in het oneindige.

Milla van der Have (Meander)

PARADIJSVOGELS

Wat een bijzondere verrassing zijn deze nieuwe, weergaloos mooie liefdesgedichten. Ik begon te lezen en kon niet meer ophouden. Want hoe verder ik las in je bundel, hoe indringender en aangrijpender ik de gedichten vond. Mijn hart voelde helemaal zwaar aan. Ik moest denken aan wat ik jaren geleden eens op een lezing hoorde van Paul Liekens (een Vlaming): volmaaktheid is niet één zijde van de medaille; volmaaktheid betekent dat je zowel hoogte als diepte, wit als zwart, goed als kwaad hebt leren kennen; vol-maakt.

Paradijsvogels is een mythisch verhaal. Ik heb inmiddels van meer mensen dergelijke verhalen gehoord en ook gelezen uit boeken. Op een bepaald, uitgelezen moment komt er iemand op je pad die om de een of andere reden onbereikbaar is en die jou de impuls geeft om een bepaalde ervaring door te maken, waardoor je enorm groeit.

Het ontsteken van het vuur, het laaien door je hele lichaam, en daarna het uitdoven, is volgens mij het grootste dat een mens tot stand kan brengen. Daarom vind ik de opbouw van deze bundel ook zo geweldig. Eerst het intense ontwaken, het ontvlammen en daarna, onontkoombaar, het moeten aanvaarden van de onbereikbaarheid van wat je jezelf wenst.

Juist daardoor bereik je dan de verlichting in jezelf. Ik vind het bijzonder knap dat de dichteres deze bundel durft uit te geven, ze stelt zichzelf daarmee heel kwetsbaar op. Is ze niet bang voor de buitenwereld, die zal zeggen: met wie heeft de dichteres het nu toch gehouden?
Ons deze aangrijpende poëzie onthouden dat zou pas zonde zijn.

m.s. (NL)

METAMORFOSES
nieuwste dichtbundel van
IRIS VAN DE CASTEELE

Reminiscenties aan Paul Snoek
Op 19 oktober 1981 overleed Paul Snoek bij een auto-ongeval. Het werd een zware klap voor Iris Van de Casteele die zich zo verwant voelde met het werk van deze Vlaamse experimentele dichter en die hem, als zoekende mens naar het Absolute, zo goed begreep.

Haar vriendschap met de dichter vertaalde ze herhaaldelijk in gedichtencycli uit 1973 en 1983 wat uiteindelijk tot haar dichtbundel Metamorfoses leidde.

De bundel omvat drie delen, telkens voorafgegaan door gecursiveerde versregels van Paul Snoek; motto dat overkomt als woord/ lemma en uitgesponnen wederwoord, als klank en hevig nazinderende wederklank.

Een solide rotsblokmonoliet tussen het frêle berkengroen op de kaft -een foto van de dichter/ schrijver Dirk van Babylon- onderstreept de intense tonaliteit. Sleutel die de toon zet: het oerbeleven, de gedaanteverwisseling der materie, de genese van het enig existeren en het alsmaar meer uitdijend veranderen daarvan door liefde en vriendschap.

Zo beroeren wij elkaar als wieren onder water
Een "ontmoeting" zet de toon in: 'gerimpeld als een regendag' wadend door het water. Water speelt een uitzonderlijke rol in deze bundel van Iris Van de Casteele; water als oervorm gelijk de overige natuurelementen. De meta-ervaring is niet altijd zonder pijn, want elke metamorfose doorbreekt de schaal, de schelp. Op fluistertoon voltrekt zich het aanvankelijk ontmoeten, op fluistertoon immers voltrekt zich ook het wonder van de poëzie: 'Ik zal de zon / op fluistertoon verwoorden / ik zal jouw ogen / verhelderen met haar glans / ik zal je toveren / tot een gedicht (p.6)

Poëzie is mysterie. Poëzie is transsubstantiatie van woord in materie en omgekeerd. Poëzie is liefde. Poëzie is de dorst naar het zijnde, gelijk de liefde en de vriendschap.

Schenk ik de dorst aan het water terug
Heel de tweede cyclus is één extase met als openingsgedicht 'Liefde' / Ze zeggen / liefde is in water leven / de armen uitstrekken / zich overgeven / maar niemand zegt / liefde is / beetje bij beetje / drinkend verdrinken /. Toch blijft elkeen eiland, maar wat voor één.. ? 'alleen de barmhartige meeuw / weet dat je eiland bent'. Wier, mos en water zijn constant aanwezig in deze bundel; ze dooraderen alle metamorfoses als staakwoorden. Het gedicht Metamorfoses staat nadrukkelijk centraal in de bundel: 'hoe diep is ons geheim / een zee van mos / omvat het niet'.

Van vuur de vlam De herinnering aan een innige vriendschap is als denken aan een lange vaart, soms zelfs 'de langste vaart': 'Hoe diep beween ik hem / hij was van vuur de vlam / hij was van wonder het gezang / hij werd van ijs de duur (p.25). De dichter is een helderziende. Maar op 19 oktober 1981 was het voor Paul Snoek volbracht: bloed en inkt stolden. 'Nooit meer zou hij zijn de verminkte./ Het was volbracht./ Hij was geweest van het weerwoord de snijdende galm./ De krachtige adem die de bergen splijt./ van elke geboorte der zeeën / de eerste bloederige schreeuw.'/... Heel even wordt de dichteres 'bloemdier tussen de rovers' om dieper in zee verder in de tijd te verglijden tot 'helder geheim/ van donkere regens'.

Tenslotte, als een soort bezwering, het gedicht 'Onderwatergezel'; een belofte aan degene die niet langer in wereldse ruimten verblijft. Deze belofte zal de dichteres nakomen door haar eigen poëzie te enten op die van de niet langer lijfelijk aanwezige: 'Voltooien zal ik de zee. / En van alle beloften die ene: dat ik je / zichtbaar zal maken. Zal zijn tegelijk / weekdier, speeksel en inkt. / Weids en warm in je wier. / Wier ook ik. Het zij zo. (p.33).

Metamorfoses van Iris Van de Casteeleis een zeldzaam ontroerend document waarin Paul Snoek niet weg te denken is. Het slotgedicht achteraan op de kaft, geschreven op 19 oktober 2002, de 21e verjaardag van zijn tragisch overlijden, bezegelt deze aangrijpende dichtbundel en toont aan 'hoe poëzie het mysterie der dingen / aan het oppervlak doet verschijnen / ze inkleedt in raadsels'. Of gelijk Paul Snoek zelf dichtte en dat als motto op de titelbladzijde van Metamorfoses verschijnt: "En dat ik sprekende word de etende wortel / en zwijgend, zinkend en onvindbaar / de waterdrinkende schelp die haar parel omhelst".

Frans Fransaer

METAMORFOSES
beschouwing van Marianne Som

In de onlangs verschenen bundel Metamorfoses van de Vlaamse dichteres Iris Van de Casteele zijn gedichten opgenomen uit 1973 en uit 1983. Het kaftgedicht is geschreven in 2002. Metamorfoses is een schitterende nieuwe bundel. Ik lees er doorheen weer die diep verscholen, subtiele kosmische erotiek uit haar vroeger oeuvre. Het telkens weer samenkomen en elkaar weer loslaten van mens, dier, plant, van alles.

Tijdens het lezen van de bundel is de overgang van de vroegste gedichten naar de latere gedichten letterlijk voelbaar. Zijn de eerste licht van toon en van een prille, pure schoonheid, de laatste komen harder aan. Weliswaar ademen zij dezelfde schoonheid, qua intensiteit is er een dimensie bijgekomen. Aan het subtiel, erotisch spel, waarvan de hele bundel is doortrokken, is een sfeer van betrekkelijkheid en weemoed toegevoegd. De lichtvoetigheid is verdwenen. De gedichten dringen binnen en blijven daar ook.

In het gedicht op de kaft, tenslotte, spreekt een dichteres die de weg is gegaan: een 'voltooide'.

De keien, de bomen en de verre lucht op de kaftfoto van Dirk van Babylon doen recht aan de titel van de bundel, die onophoudelijke verandering uitdraagt, en vormen een evenwichtig tegenwicht met de veelheid aan water in de gedichten. Voor onze ogen ontvouwt zich een kosmisch landschap. We zien en ondergaan de schoonheid van de twee-heid, die scheppend de schepping ontdekt, die voortbrengt en ten ondergaat. Wezens in wording, wezens die zich verheffen uit de cocon van benauwdheid, van rimpeling, van honger, zwijgen en bevroren zijn. Op zoek naar licht, naar warmte, naar ruimte.

We volgen twee mensen - of zijn het mythische wezens - die van ver gekomen zijn en die proberen deze verloren verte naar zich toe te halen, ermee te versmelten. Van mensen worden zij water en van water weer mensen. Deze 'waterproef' laat hen terechtkomen in aqua incognita, waar zij geen vaste grond onder zich voelen. Het ontberen van zekerheden brengt hen echter bij hun diepste innerlijke drijfveren en bij een onvoorwaardelijk vertrouwen in een kracht die groter is dan zijzelf.

Zij doorbreken de sluier van de uiterlijke wereld en mogen van tijd tot tijd achter de schermen kijken. Metamorfoses voltrekt zich in de nacht, tijdens de extase, het verzegelde geheim tussen de twee, bij de diepste oorsprong van het menselijk bestaan. Uit 'Bruiloft': / hoe ontruimd zwem je / terwijl ik splijt /. Metamorfoses betekent 'drinken en verdrinken', betekent een onrustige reis, ook de nacht schenkt geen soelaas, 'een zwevend glazen paard is breekbaar'. Twee mensen met 'elk één vleugel gaaf'. Om te kunnen vliegen hebben zij elkaar nodig.

Heimwee naar de oertoestand kenmerkt vooral de latere gedichten in de bundel, evenals een zich bewust zijn van de oneindigheid, waarin elke ondernomen tocht begin en einde heeft en waarin zelfs de dood geen scheiding teweeg brengt:

      hoe diep beween ik hem
      hij was van vuur de vlam
      hij was van wonder het gezang
      hij werd van ijs de duur

De geciteerde strofe uit 'De langste vaart' vind ik misschien wel de mooiste uit de hele bundel.
Hij WAS van vuur de vlam // hij WAS van wonder het gezang // hij WERD van ijs de duur.

Dit bezorgt mij rillingen. Het is zo cruciaal. Hoeveel zouden hier overheen lezen?

Twee mensen op hun reis zonder einde. Ze zouden de eersten kunnen zijn, of de laatsten, of de eersten van begin af aan. Prille en rijpe gedichten in een bundel die beklijft. Als eerbetoon aan Paul Snoek, een dichter die zich, hoe onterecht ook, bijzonder miskend moet hebben gevoeld, omdat hij zijn tijd ver vooruit was.

Marianne Som