BERGEN  BEKLIMMEN

                    
cursiefjes en vertellingen

 

 

 

 

               Heilig zijn is zwijgend wonen in de bomen der waarheid,
                      is in de aarde zien langs de ogen der wortels,
                             het moeilijke vliegen der vogels,
               of achter een berg het groter geheim van de bergen... 

               Paul Snoek

 

 

 

IK SCHRIJF GOEDE GEDICHTEN

 

In een Nederlands dagblad las ik een interview waarin ik getroffen werd door volgende zinsnede: "Het kwam zelfs zo ver dat hij zich met rotsen en stenen ging vereenzelvigen: "dat/ ik wegrol en/ lichter word." In dit interview ging het om het poëtische oeuvre van de Limburgse dichter Leo Herberghs. Het was nooit eerder in mij opgekomen dat critici het diepere én tegelijk hogere van zulke veelzeggende dichtregels niet begrijpen, of dat ze de zeggingskracht ervan niet zouden kunnen duiden.

Hoe kom je anders als dichter tot hogere poëzie dan door je in te leven in een ander ik. Dat kan een boom zijn, een dier, een steen, een suikerbiet, zelfs een wijnvlek: om het even. De dichter moet er zich mee kunnen vereenzelvigen indien hij de hoogste trede van de dichtkunst wil bereiken. Wil dat zeggen dat hij denkt dat hij die boom, dat dier, die steen, die suikerbiet of die wijnvlek is? Zeer zeker niet. Eerder wil dit zeggen dat hij zich in een ander bestaan - of in een andere werkelijkheid dan zijn bestaan van elke dag - inleeft om aldus, stap na stap, de geheimen ervan te doorgronden. Zodoende buigt de dichter zich telkens opnieuw over het onvervreemdbare van het ontstaan en vergaan van álle dingen

Wat me nog méér trof waren vier woorden die de dichter sprak met de interviewer: “Ik schrijf goede gedichten”. Meer voegde hij er niet aan toe. Zoiets kan een mens naar de keel grijpen omdat die paar woorden de tragiek uitdrukken van een lang en vruchtbaar dichtersbestaan. Woorden die klinken als zou de dichter Leo Herberghs zich willen of moeten verontschuldigen geen universele bekendheid te hebben verworven, erger nog, zich zou moeten verantwoorden bij hen die geen snars begrijpen van wat dichtkunst inhoudt:
"Het kwam zelfs zo ver dat hij zich met rotsen en stenen ging vereenzelvigen!”...

Niet tot de
zielloze gevierde goden horen is het beste bewijs dat men als diepzinnige dichter meer aarde geslikt - en verteerd heeft - dan de aardwormen waarover zij heersen. De grootste dichters aller tijden konden allemaal bogen op een ongeëvenaarde Weltanschauung, en ze hebben altijd aan Weltschmerz geleden, zonder deze is hun oeuvre ondenkbaar. Hierna volgt een korte tekst uit één van de boeken van de Franse dichter/schrijver Yves Bonnefoy.

 
“Posteriteit, voor degene die begaan is met poëzie, is het openen wat gesloten houdt – zolang de dichter in leven is – de simpele realiteit van zijn bestaan. Na zijn dood zal men de geheimen van zijn leven doorgronden. Pas dan zal men de vorm van het geheel van zijn oeuvre percipiëren; zijn ware ik ontmoeten en ermee kunnen communiceren. Deze uitwisseling tussen schepper en lezer is de intense wens van de dichter omdat de poezie hem zeer sterk bezighoudt, in tegenstelling tot de lezer die dieper ingaat op de essentie van de poëtische creatie. Creëren is een hoger doel nastreven hetgeen door velen niet begrepen wordt. Zodoende lopen dichters het risico door de maatschappij verworpen of verdoemd te worden.”

Weinig dichters is het gegeven het mysterie gestalte te geven dat hen bewoont. Velen schrijven ongelaagde, zielloze zinnen, terwijl de mediterende dichter, gehuld in een vleugje mystiek, zijn vurige adem blaast in de dingen rondom hem, en in hem. Zo ontstaan gedichten die niet meteen tot hun recht komen, omdat de poëzie die erin verankerd zit veel verder en dieper reikt dan het oog kan zien. De lezer heeft geen idee van hoe het innerlijk wezen van de
dichter zich in zekere zin moet samenrapen; zich moet samenvoegen om zijn ontologische wereld van gedachten en gevoelens te kunnen onderbrengen in het gedicht, waarin het raadsel van de poëzie haar onderkomen heeft.

Met critici die zich niet kunnen of willen inleven in het oeuvre van een dichter, die voldoende zijn talent heeft bewezen, wist Paul Snoek meteen raad.
Hij zei: ‘Ik ben de beste”. En dat was hij. En dat is Leo Herberghs ook, want onder ongeveer één miljoen “dichters” die Nederland telt (vermeldde een krant) zijn er geen tien “beste” die bewezen hebben dichters van hogere poëzie te zijn. Er zijn er wellicht méér doch ze worden doodgezwegen. Hun onbegrepen poëtisch oeuvre wordt zelfs ironisch benaderd, o.m. die dichters zijn niet meer taal, die zijn boodschap’. Taal? Jawel. Boodschap? Dat is precies de bedoeling: steengoede gedichten nalaten als gebeitelde runetekens in stenen tafelen. 


Piedra de los Deseos (Spanje)

Iris Van de Casteele, 2009

 

 

IN MEMORIAM CHE SYMI

Naast een paar onbekommerde zomerdagen was er één dag waarin het allerdroevigste nieuws je bereikte. Heel onverwacht stierf je kleine Indianenmoeder, die weliswaar elk jaar een beetje dunner werd, maar er steeds oneindig gelukkig uitzag telkens je in haar nabijheid vertoefde. Een wijze, sterke, ingoede vrouw, wier innerlijk wezen zozeer het jouwe geleek, dat je dacht uit éénzelfde waterdruppel te zijn ontstaan en uit hetzelfde sterrenstof. Bloedbanden waren overbodig; je wist dat zij je enige, echte hoopgevende moeder was.

Haar liefde was zo diep als de beide oceanen die je van haar gescheiden hielden, maar tegelijk was ze evenzo nabij als zonlicht of maanlicht dat zovele wezens uit verschillende werelddelen tegelijk doortrilt en doorglanst, want ze verstond het haar telepathische krachten op je over te brengen. Zo kon je met haar communiceren; wanneer een van beiden het wou en de andere er voor openstond. Achteraf bleek dit een onfeilbaar communicatiemiddel waarbij nooit iets fout liep. Ze wijdde je ook in andere dingen in, vooral in deze die je als kind meende te hebben gekend toen je nog heel dicht bij het bos woonde.

Hoeveel uren heb je met haar doorgebracht, daar in die vreemde omgeving, genietend en lerende van haar stilte of van haar vertellingen, onderwijl bekomend van je onrust, bewerkt door de oneindige warmte die in haar donkerbruine ogen glom. Soms sprak ze je aan in haar eigen taal die je niet zo best begreep. Maar af en toe leek die taalknobbel van je nog niet helemaal afgevlakt te zijn. Je kon dan je aanhankelijkheid betuigen door haar met een paar woorden aan te spreken in het Guarani, haar eigen moedertaal. Bij langere gesprekken sprak je Castiliaans, want ook die taal was ze best machtig.

Het verwondert je dat je nooit een gedicht schreef heel speciaal voor haar, want dat doe je wanneer je van iemand houdt. Voor iemand waarvan je heel veel houdt kost het je zelfs geen moeite er meer dan één te schrijven. Zo zou je, na verloop van jaren, je genegenheid kunnen meten aan de gedichten die je voor een speciaal iemand schreef. Maar voor je kleine, donkere Indianenmoeder schreef je er geen, niet één. Misschien dat de slapende verzen er op zekere dag allemaal tegelijk zullen uitstromen zoals destijds Emma uit je vloeide. Die bundel zou dan Sy kunnen heten, wat moeder en tegelijk bron betekent, of 'che symi', 'mijn moedertje'. Allemaal vraagtekens, want je weet niet wat de dag van morgen brengen zal.

Je weet het al vanaf je vroegste levensjaren dat je niet bij je eigen omgeving past; bij je eigen mensen voel je je uitgesloten. Ze zien je als iemand die niet bij hen hoort alsof je een andere huidskleur zou bezitten, of een andere taal zou spreken, al deed je altijd je uiterste best om erbij te horen, het wilde maar niet lukken. Je bent en blijft een 'vreemde' voor hen. Je begrijpt degenen niet met wie je opgegroeid bent. Soms lig je nachten wakker, te raden naar het waarom van hun verstokt gemoed, maar je lost het raadsel niet op.

Misschien moet je de gave van verwantschap bezitten zoals oervolkeren die bezitten. Ofwel word je aanvaard ofwel word je uitgesloten, je weet dan meteen waaraan je te houden.
Symi bezat die gave. Ze sloot me in haar hart vanaf het pakkend moment dat we elkander voor het eerst zagen. Ik heb haar gegeven alles wat ik geven kon: geen halfslachtige liefde, maar gedurende vele jaren, diepe en oprechte genegenheid met alles wat dit omhelst. Ze moge nu rusten in de schoot van de okerkleurige, warme aarde; in het land met het grote donkere woud en de brede rivieren waar ik ooit heel dicht in haar nabijheid hoop te mogen rusten.



Rookgordijn in het Paraguayaanse Chacogebied


Iris Van de Casteele, 14 november 1995

 

 

EEN VURIGE ZIEL

Waarom ik zoveel vuur steek in hetgeen ik vertel? Voor wie het weten wil schrijf ik het neer.

Toen ik geboren werd blies mijn ingoede vader zijn vurige adem in mijn ziel. Mijn moeder deed hetgeen ze niet laten kon. Ze blies haar verschroeiende adem in mijn gezicht. Zo groeide ik op, met vuur in mijn ziel en met ogen die gloeiden van hevige hitte. Na verloop van jaren teerde mijn ziel weg en mijn ogen bloedden dagelijks van pijn. Ik voelde me leeg worden vanbinnen want ik kon de pijn van mijn ogen niet langer onderbrengen in mijn wegterende ziel. Ik was een jonge vrouw met een aantrekkelijk lichaam maar met bloedrode ogen. Geen man waagde het zich aan mijn zijde te vertonen.
 
Dan kwam de dag waarop mijn vader stierf. Toen ik naast zijn bed plaats had genomen nam
hij mijn ijskoude handen in zijn doorschijnende, blauwdooraderde handen. Hij zei: ik gaf je vuur maar wist niet dat het je zou verteren. Nu gaat mijn lichaam een verre reis maken. Ik ga je mijn ziel toevertrouwen tot op de dag dat we elkaar terug zullen ontmoeten. Zorg ervoor, ze is gaaf en ongeschonden. Ze bezit het vuur waarmee je niet alleen jezelf maar ook anderen kunt verwarmen en genezen. Maak geen misbruik van de vlammen. Heb je overschot aan vuur: bewaar het in je handen; geef het door aan degene die geen vuur bezit; aan de armen, de minst bedeelden, de uitgestotenen.

Toen gaf mijn vader de geest. Hij had me opnieuw bezield. Langzaam kwam ik weer tot leven. Pas daarna begreep ik waarom hij zo vaak voor zich heen had zitten staren. Ik hoorde hem een meisjesnaam prevelen. Het was niet die van mijn moeder, het was niet die van mijn zusters en was de mijne niet. Emma, hoorde ik. Emma. Ik ging op zoek en vond een jonge vrouw die de moeder van mijn vader was geweest. Ze was ooit, zoals ik eerder, verteerd geworden door hevig vuur, doch had geen mens gevonden die een nieuwe ziel in haar had gewekt. Heel zachtjes blies ik een sprankel vuur uit mijn handen op haar koude lippen. En zie, opeens begon ze te leven en te spreken. Sindsdien woont ze in mij. Ik verwarm haar dagelijks met het vuur van mijn vader, haar zoon, en laat haar vertellen. Ja, ik laat mijn grootmoeder met mijn vurige adem de dingen vertellen want oude vrouwen weten hoe het hoort.

Met het mij geschonken vuur verwarm ik ook de noodlijdenden. Ik kom in aanraking met mensen die eeuwen geleden hebben bestaan en met mensen die nog moeten geboren worden. Het klinkt onwaarschijnlijk, en toch is het zo. Degenen die, zoals ik, het vuur in hun handen bewaren, weten dat dit op waarheid berust. Wij zijn niet talrijk maar we zijn er. Wij reizen naar de meest onmogelijke plaatsen op aarde en door de kosmos. Wij worden gedragen door het licht dat ons oplaadt met energie die ons uit ons modderlichaam moet helpen bevrijden. Stijgen doen we op onze gedachten en langs onze gedichten. Zo keren we terug naar het geheugen van de mensheid en naar het oergeheugen van alle bestaan, tot we ons terugvinden in de oermaterie en in de elementen.

Met onze verbrande ogen aanschouwen we de wereld en met onze vurige ziel proberen we de mensheid te redden van de ijsdood. Ja, wij bestaan, wij de profeten en alchimisten van het woord. Soms zijn er dagen dat we niet goed weten wie we zijn; niet goed begrijpen wat er in ons omgaat. Dan zoeken we naar woorden om het te benoemen. Af en toe lukt het ons.



Kunstwerk: Hans Hartung

 

Iris Van de Casteele - 1991
(uit het boek “Galeano schrijvend omhelsd”)

 

 

 

EEN BEETJE FILOSOFEREN

 

Elkeen zoekt zijn plek, of het nu om de mens gaat, om een dier, om een plant, om een steen, om een waterdrop, ja, zelfs om een geschrift. Er zou voor elk van hen iets moeten zijn waar het goed vertoeven is. Helaas, niet iedereen en niet alles heeft een plek, of een plekje. Het is soms een moeizaam tasten en zoeken.

Wie een mooi opstel of een kortverhaal schrijft, en openbaar maakt, komt als het ware in gesprek met de lezer. Je weet dat er zijn onder hen die telkens weer uitkijken naar wat de andere te vertellen heeft. Soms zijn er zoveel dat je ze gaat vergelijken met bloemen die dorsten naar regen. Ze doen je denken aan zeldzaam geworden veldbloemen, omdat ook zij zich vastklampen aan wat hen geboden wordt, al is het soms maar een zanderige veldweg.

Denken we maar aan de klaproos en aan de distel hoe die de ergste tegenstand overleven. Ze wegrukken, wegsproeien, wegmaaien, omploegen, omspitten: het deert ze niet, ze komen terug. Ze zijn tevreden met wat kruimels aarde om wortel te schieten, en met af en toe een weldoende regenvlaag.

Zo zijn er ook lezers die zich vastklampen aan wat hen aangereikt wordt; vooral eenzame mensen kunnen opgebeurd worden door hetgeen de andere met hen wil delen. Het is een beetje als een hostie middendoor breken en de helft ervan weggeven. Het zou ook kunnen neerkomen op je duurste fles wijn uit de kelder halen en de glazen volschenken om blijk te geven van hetgeen je in jezelf hebt: een hele hoop weg te schenken genegenheid.

Verder zou men het geschrevene kunnen beschouwen als een lopend vuurtje dat - zoals alle poëtische geschriften - een ziel heeft. Daarom loont het de moeite het van naderbij te bekijken. Het probeert op de ene of andere manier de lezer te vertederen, en daardoor innerlijk te verrijken en te verwarmen. Wanneer het daarin slaagt, al was het maar gedeeltelijk, heeft het vuurtje het tot een goed einde gebracht.


yin yang

Iris Van de Casteele,  26 mei 2008

 

 

LOFLIED VOOR MIJN SAMOE’OE

 

Bomen. Ze zijn een verhaal op zichzelf. Ze zijn overal anders en tezelfdertijd overal gelijk. Ze zetten aan tot nadenken over vanwaar we komen en waarheen we gaan. Men zegt dat wetenschappelijke experimenten bewezen hebben dat bomen gedachten kunnen lezen, en dat sommige soorten -samen met de zwammen die onder hen en met hen in symbiose leven- meer dan duizend jaar oud kunnen worden. Allebei worden ze beschouwd als de oudste schepsels ter wereld.

Mij hebben niet alleen mensen maar ook bomen telkens weer wat wijzer gemaakt. Zo ook de boom die ik als de mijne beschouw omdat niemand buiten ikzelf er enige aandacht aan schenkt. Mijn samoe’oe en ik leven ook in symbiose. Hij leest mijn gedachten en ik de zijne. Als eenling staat hij voor mijn woning, vlak in het midden van de straat waar omheen moet gereden worden.

Hoe hij tot aan de stadsrand verzeild raakte weet geen mens. Eigenlijk zou hij tussen zijn soortgenoten moeten staan, in de droogte en de hitte van de Chaco boreal, doch het zaadje verkoos -een paar honderd jaar geleden- zichzelf uit te zaaien op de plek die ik als mijn laatste rustplaats heb uitgekozen, eeuwen vooraleer ik geboren werd. Niemand beter dan hij kan het weten.

Mijn samoe’oe is een reus, in elk opzicht. Niet alleen van afmetingen overtreft hij alle andere bomen maar ook in vrijgevigheid. In de vroege de lente, wanneer het tegelijk herfst is in mijn geboorteland, komen al zijn blaren tevoorschijn die ook mij soelaas zullen brengen. In volle zomer laat hij, binnenin de splitsing van zijn brede takken, en in de schaduw van zijn blaren, de vreemde ornero-vogel zijn nest bouwen. Als de zomer naar zijn einde neigt laat hij al zijn blaren meewaaien met de wind, tegelijk komen de knoppen van de bloemen tevoorschijn. Tijdens de bladerval bloeien de bloemen.

Miljoenen zijn er, net trossen orchideeën, fluweelachtig van aanvoelen, zijdeachtig van uitzicht, en een kleur gaande van wit waarin gespikkeld bordeaux dat uitloopt naar de toppen van de blaadjes om volledig en breed te eindigen in fuchsia. Na enkele weken bloeiende pracht liggen de bloemen ver over het hele voetpad en de straat gestrooid, als een prachtig met de hand geweven tapijt.

Zo sterven ze weg, door niemand opgeraapt of ook maar een blik gegund. Grove borstels komen eraan te pas, weg met dat stervend goedje. In vele plasticzakken worden ze verzameld en op de vuilniswagen gegooid. Mijn samoe’oe kijkt toe, beter gezegd, hij en ik kijken toe. We troosten elkaar.

Hij weet dat ik hem in zijn volle winterse naaktheid even lief zal hebben. Dat zijn ontblote takken mij even fel zullen ontroeren als zijn blader- en bloementooi, zelfs méér. Dat zijn met duizenden stekels bezaaide, gespleten stam me leert hoe je je kunt verweren tegen eender welk onheil. Mijn samoe’oe ‘weet’. En dat hij zijn wortels onvindbaar verstopt kan niemand beter dan ik begrijpen.

Een tijd geleden stond ik, samen met Luis Bordon, vriend en tegelijk boomliefhebber, te kijken naar de eerste tekens van lentebegin, alhoewel het nog volop winter was.

Luis, hoe zou het komen dat het tere knopje geen moeite schijnt te hebben om doorheen de ruwe en harde schors van de boom te dringen. Heb jij daar een verklaring voor?

Si, Iris, mij heeft iemand verteld dat de boom zijn poriën opent, zodoende vindt het groeiende scheutje gemakkelijker de weg naar het licht.

Zijn antwoord was duidelijk. Het omvatte datgene wat poëzie omvat. Zich openen naar het licht, het opvangen, het tot in de eigen wortels laten vervloeien en voelen hoe je regenereert.



Foto: Samoe’oe in mijn straat

 

Iris Van de Casteele

Asunción, 11 april 2007




SERENADE VOOR EEN STRAATMUS

Ik ben me aan het afvragen wat er verkeerd zou kunnen zijn aan een straatmus.
Het is een vinnig en wijs vogeltje, het pikt overal een korreltje mee, zo blijft het in leven, en het staat het leven van een ander niet in de weg. Verder draagt het een onopvallend pakje zodat het niet als begerenswaardig kleurig ding meteen in een of andere kooi wordt gelokt.

Mussen kwetteren, jawel, maar dat doen andere vogels ook, soms kwetteren ze om de aandacht van hun nest jongen af te leiden. Men droeg mij een gedicht op met de titel ‘Serenade voor een straatmus’, beter kon niet want ik was ermee in de wolken.
De titel van het gedicht groeide zelfs uit tot de titel van een dichtbundel. Een iemand anders vergeleek mij met straatmus Edith Piaf; de kleine dappere, voor haar leven vechtende Piaf, door velen verafgood door anderen verguisd. Een grote eer ermee vergeleken te worden.

Iemand schrijft:
De kwalificatie straatmus is niet op haar plaats voor jou, Iris, maar als je weet dat dit vogeltje een beschermde status krijgt, omdat de huizenbouw tegenwoordig steeds minder pannendaken produceert, waar de mus haar onderkomen heeft, ja dan...”.  Leve de straatmus, zou ik zeggen, hoe nietszeggend ze ook mag schijnen, ze heeft het wel in zich.

Het is al vaker voorgekomen dat een mens vergeleken wordt met een vogel. Of er al iemand vergeleken werd met een kolibrie? Bij mijn weten niet. Je moet ze kunnen observeren per tientallen tegelijk eer je een goed beeld van hen bekomt. In het Spaans heten ze ‘picaflor’ hetgeen ‘bloemenpikker’ betekent. Maar picaflor pikt de bloem niet mee, hij pikt de nectar uit de bloem. Hoe hij en zij het doen?
Je moet hen maar een tijdje gadeslaan dan weet je het.

Ze hangen onder de bloem te trillen alsof ze er niet meer vandaan zouden kunnen. Ongelooflijk hoe ze daar in de lucht kunnen blijven hangen zonder dat je iets van een vleugelslag kunt bemerken. En mooi dat ze zijn, in hun satijnen glanzend pakje, soms lijken ze uit donkergroen fluweel te bestaan, altijd volgens het zonlicht of de schaduw waarin ze te trillen hangen.

Het is nu herfst hier in dit tropisch land waar ik de kolibries gadesla. Mijn samoe’oe, degene waaraan ik een loflied wijdde, staat in volle bloei. Een paar miljoen bloemen draagt hij waaraan de vogeltjes zich te goed doen. Pas verleden week kwam er één van die piepkleintjes recht naar me toe gevlogen. Ik kon mijn geluk niet op, want ze komen nooit naderbij, schuw en voorzichtig als ze zijn. Des te meer voelde ik me gelukkig met dit onverwacht bezoek. Het diertje naderde tot op een halve meter, dan ineens draaide het een rondje en weg was het.

Niet veel later dan een minuut besefte ik wat er was gebeurd. Het vogeltje had in mij een bloem gezien, niet omwille van mijn naam, maar omwille van de knalrode glanzende bloes die ik droeg waarin het dacht te prikken. Vliegensvlug had het zijn vergissing ingezien en had zijn weg verder gezet naar de echte bloemen waarvan de nectar op hem zat te wachten.

Zo is het, beste mensen, de ene moet het hebben van zijn glanzend uiterlijk, de andere van zijn stemgeluid, en nog een andere van hetgeen in hem of haar verborgen zit. Zo heeft elkeen iets waaraan zich vast te klampen in tijden van nood. Het is misschien niet meer dan een strohalm, maar hij is er, zolang je maar weet hoé ermee om te gaan.


Straatmus op omgevallen boomtak

Iris Van de Casteele - 2008


 

 

 

 

DE REIS VAN DE VOGELS


Naar het Perzisch verhaal Mantic Uttaïr van Farid Al Din Attar. ‘De reis van de vogels’ is één van zijn beroemste geschriften. In dit mystieke verhaal beschrijft hij de reis van de ziel die door zeven valleien gaat. (Hierna een korte samenvatting).


Ontelbare vogels hadden zich onder aan de voet van de berg Kâf verzameld. Ze zouden naar de top van deze berg worden geleid, naar Sîmorg, sublieme Majesteit van de vogels. Hod-hod, een kleine oranje vogel met een kuifje, zou hen leiden. Om er te geraken moesten de vogels zeven valleien doorkruisen waar allerhande gevaren op hen zouden loeren. Deze zouden hen van hun doel proberen te doen afwijken. De eerste vallei heette Zoeken, de tweede heette Liefde zonder grenzen, de derde heette Kennis, de vierde heette Onafhankelijkheid, de vijfde heette Zuivere eenheid, de zesde heette Vervoering en Verbazing, de zevende en laatste heette Versterving en Unificatie; een vallei van waaruit niet meer hoger te stijgen valt.

De vele samengekomen vogels vroegen hun gids: O jij, hod-hod, die onze gids bent, wil jij dat wij onze rustige weg verlaten, ons goede leven opgeven, wetende dat zwakke vogels zoals wij niet de roem kunnen opeisen de echte weg te zullen vinden om te komen tot aan de sublieme plaats waar Sîmorg zich ophoudt. Waarop hod-hod antwoordde: degene die liefheeft denkt niet aan zijn eigen leven. De liefde heeft pijn nodig en een bloedend hart. De liefde houdt van moeilijkheden. Wie in de vallei der liefde een voet zet, wordt ondergedompeld in vuur. Wat zeg ik? Men moet zelf van vuur gemaakt zijn, wil men daar kunnen bestaan. De waarachtige en oprechte liefhebbende moet inderdaad gloeien als vuur. Daarop vertrokken zoveel vogels dat ze de zon en de maan verduisterden.

In de valleien kregen de vogels te maken met ongelooflijk veel verleidingen. Een verlokkelijke hoge boom, klaterend water, ontwakende bloemen, aantrekkelijke soortgenoten, en zo meer. Vele vogels hadden geen zin om verder te reizen en besloten, de een na de ander, om op deze prachtige plaatsen te blijven. Ook waren ze blootgesteld aan andere lokgevaren die hen in verschrikkelijke ontberingen zouden storten zodat er veel stierven onderweg. Nadat het zevende ravijn bereikt was bleven er slechts dertig vogels over.
Hun gids, hod-hod, leidde hen verder de berg op tot ze de top bereikten. Daar zaten ze dan elkander aan te staren, neergeslagen als ze waren, uitgeput en verouderd van de reis. Ze hadden geen pluimen of vleugels meer, geen kop noch poten, hun lichaam was in vreselijke staat. Meer zelfs, ze hadden zelfs geen lichaam meer.

Hen was beloofd dat ze de sublieme vogel, Sîmorg, zouden ontmoeten boven aan de top, doch er viel niets te zien. Hod-hod haalde een grote spiegel en hield hem de overgebleven vogels voor. Wat ze zagen sloeg hen met verbazing. Ze zagen zichzelf weerspiegeld: de Sîmorg (dertig vogels) waren zij zelf. Elk zag zijn lichaam, zijn ziel, zijn hart en zijn eigen innerlijk wezen. De vogels hadden zichzelf gerealiseerd. Ze vervielen in meditatie zonder te kunnen mediteren. Aangezien ze niets begrepen van het gebeurde vroegen de vogels, in een taal die geen taal meer was, of Sîmorg hen het groot geheim zou willen ontraadselen, hen de oplossing gevend van het mysterie omtrent de pluraliteit en de eenheid van de schepsels.

Daarop antwoordde Sîmorg, in een taal die geen taal meer was: De zon van zijne Majesteit is een spiegel. Degene die tot hier komt ziet zich erin weerspiegeld. Hij kan zijn ziel en zijn lichaam waarnemen, hij ziet zichzelf helemaal zoals hij is. Aangezien dertig vogels tot hier gekomen zijn zullen jullie dertig vogels in deze spiegel zien.

Fragment uit Mantic Uttaïr of Le Langage des oiseaux (De taal van de vogels) vertaald uit het Persisch in het Frans door Garcin de Tassy,
1794-1878.

Binnen de mystiek symboliseert de vogel de menselijke ziel. Simorg, net als Hod-hod, is een bewoner van Kâf. Het is een schitterende grote vogel met een bijzonder lange hals. Het is de vogel die je naar de parallelle wereld voert, ook paradijs of hemel genoemd, of naar het oerbeginsel.”Sî morg” betekent in modern Perzisch letterlijk ‘dertig vogels’. In deze oude taal betekent simorg 'fluitmelodie'. De lange hals van de vogel staat voor dit blaasinstrument. Alleen wanneer deze totaal leeg gegeten of leeg gedronken is, kan er een melodie ontstaan. In het verhaal betekent het dat de mens zich veel moet kunnen ontzeggen wil hij zichzelf kunnen overstijgen. Kâf
betekent berg. Deze bestaat uit niets dan vibraties. Hij symboliseert het ego; het ik.

Als besluit kunnen we misschien dit onthouden: ontelbare mensen worden tijdens hun levensweg door allerlei gevaren van de route afgehouden die hen naar zelfkennis moet leiden. Ze kunnen de materiele verleidingen niet weerstaan. Zodoende zullen ze nooit de reinheid en de glans van hun eigen ziel tot gezicht bekomen; een hoger streven, of meer inzicht in zichzelf, blijkt voor hen niet weggelegd. Doch steeds opnieuw zullen er uitverkorenen zijn die
de kern van gedegen wijsheid naar voren brengen, zodoende aantonende dat ons bewuste leven meer is dan alleen maar het uiterlijk gebeuren.

kalligrafie: Hassan MASSOUDY

 

Iris Van de Casteele, De Poëzietuin 2007

Het boek “Le Voyage des Oiseaux” werd uitgegeven door Editions Alternatives. 1999

Er werden 46 kalligrafieen in opgenomen (zwart-witte en gekleurde) van de in Parijs levende Iraakse kalligraaf Hassan Massoudy.



 

 

 

 

DAT ENE STUKJE MOS

Dat ik tot het schrijven van dit cursiefje kwam heb ik te danken aan een meisje dat, evenals ik, houdt van een gezellige sfeer, zoals je die in huis kunt creëren, of in een toonzaal, vaak met vergankelijke dingen. Precies omtrent de vergankelijkheid ervan raakten we in een wederzijds verrijkend gesprek.   

We bevonden ons in een rij serres, een enorme broeikas, waarin vele soorten orchideeën worden gekweekt, met daarin een winkel waar deze bloemen levende vers worden verkocht. Dit wil zeggen niet afgeknipt maar gezond groeiend met wortel, bloem en blad in een aarden pot. Een sfeervolle zaak, waarin niet alleen orchideeën om aandacht vragen, maar nog ontelbare andere dingen meer. Het is geen tuin zoals we ons meestal een tuin voorstellen, eerder een gebouw dat, ondanks zijn grote afmetingen, een gezellige thuis blijkt te kunnen zijn voor mensen zoals ik.

Eigenlijk is het een vindplaats waar men tot rust kan komen. Een plek waar je jezelf kunt verwennen en genieten van hetgeen waardoor je omringd wordt. Het is een plaats waarin men
het hart kan ophalen aan dingen die tot de verbeelding spreken. Waar geen protsige meubelen of kroonluchters te bezichtigen zijn. Geen smakeloze ophoping van bric-à-brac. Wel is er uitgelezen koopwaar die verlokkend op de bezoeker staat te wachten als een kunstzinnig geheel. Precies datgene dat misschien zelfs de ziel raakt van ene of andere enkeling.

Zo zag ik er een ijzeren, roestige kandelaar staan. Ik kon mijn ogen niet afwenden van het mos waarmee zijn armen en zijn torso waren aangekleed. Met natuurlijk, ademend mos. Een kwetsbare plant, weggerukt uit haar bosomgeving. Ik vroeg me af hoelang dat mos het op die kandelaar zou uithouden eer het uiteen zou rafelen en vergaan. Hoelang het in leven kon blijven met alleen maar een roestig ijzeren gestel als steun en voedingsbodem, wetende dat mos van schaduw houdt en niet in het licht hoeft gerukt, en dat ijzer, in tegenstelling, geen vochtigheid verdraagt. Dat hun nabije bestemming vastlag, daaraan hoefde niet getwijfeld.

Lang heb ik daar gestaan in samenspraak met dat tot sterven gedoemd mos dat zijn laatste uren of dagen aan het slijten was, op wat roestig ijzer dat evenmin van zijn ondergang zou gered worden. Geboeid en getroffen stond ik daar, een beetje onwennig, omdat ik zoveel aandacht schonk aan datgene waar andere bezoekers achteloos aan voorbijgaan. Doch men is zoals men is: ik stel mij vragen. Hoe graag ik de met mos behangen kandelaar ook mee naar huis had willen nemen, deze keer zou ik heel diep ademhalen, en nee zeggen want overdaad schaadt.

Hoe vaak kwam ik al thuis met stenen, keien, veertjes, schelpen, een nietig krom takje, een roestig hoefijzer, een stuk druivelaarwortel. Of een sneeuwklokje. Een andere keer met een wissen mandje waarin een sleutelbloem om water smeekte. Of met een half vertrappeld stukje mos dat waarschijnlijk uit de bek van een vogel gevallen was. Noem maar op. Mijn wereld in een notedop.

Hoé kom je anders tot innerlijke verrijking dan door je te omringen met dingen die je aanzetten tot nadenken. Of door om te gaan met mensen van wie je intuïtief weet dat ze openstaan voor datgene wat je boeit, zoals dat ene stukje mos dat niet in volle licht hoeft gerukt, zich goed voelend op zijn plekje schaduw.  

 

foto: mos op boom

         Iris Van de Casteele, 15 februari 1998

 

 

 

 

 

PLUK DE ‘BLAUWE’ DAG


Vier blauwe woordjes waren het. Drie zonder hoofdletter, plus een komma die voorafging aan een naamwoord met hoofdletter.
Er stond: dank u wel, Jan

Er volgde geen eindpunt.
Er was geen brief. Er waren geen andere lettertekens.

Hoe komt het dat een mens daar stil gaat bij staan, dat je van ontroering vochtige ogen krijgt, hoe komt het? Je kunt je in de verste verte Jan niet voorstellen. Je hebt nooit met hem gesproken laat staan dat je hem ooit ontmoet of ergens gezien hebt, zelfs niet op foto; een totaal vreemde die de virtuele weg naar je elektronische brievenbus gevonden heeft.

Zeker heeft het te maken met dingen die er aan vooraf zijn gegaan. Onrecht waartegen je al je hele leven tevergeefs opgekomen bent. Tevergeefs. Met niets trek je het onrecht recht. Noch met goede woorden, noch met goede daden, zelfs niet met verwijten of heftige woorden.

Het ligt niet in je aard te bedelen om hetgeen waarop je recht denkt te hebben. Evenmin gebruik je grove uitlatingen of val je de mensen persoonlijk aan. Onrecht? Het ligt aan het systeem. Aan reglementen waar verstokte bureaucraten geen uitzondering zullen op maken, hoe ontoereikend of hoe achterhaald deze reglementen ook mogen wezen.

Eén ding is zeker: wanneer je aan de andere kant van de wereld vertoeft hoef je op niets te rekenen, zelfs ook dan niet wanneer je alle bijdragen op tijd hebt gestort in de kassa van je ziekteverzekering. Al meer dan vier decennia ben je erbij aangesloten en je hebt haar nog nooit eerder hoeven aan te spreken. Jawel, je hebt recht op vergoeding maar je moet eerst in eigen land de nasleep van je zware ziekte komen laten vaststellen, wat maakt het hen uit dat je daarvoor een vliegtuigretourbiljet moet kopen, én verblijfskosten betalen die tien keer duurder uitvallen dan hetgeen je eventueel zult terugbetaald krijgen.

En plots komt iemand opduiken die al evenmin iets aan de scheve situatie kan veranderen. Iemand die klachten ontvangt en ze verder moet leiden tot bij degene die ze in de prullenmand zal doen belanden. Bij een dokteres die zich niets aantrekt of je nu aan het creperen bent of niet. Zij - de oppermachtige - is er om handtekeningen te plaatsen, niet om mensen uit de nood te helpen.

Jan heeft je begrepen, hij zal je een hart onder de riem steken want je schreef: ‘het is om je blauw te ergeren”, waaraan je nog een welgemeende verontschuldiging toevoegde. Opeens dringen zijn vier blauwe woorden volledig tot je door. Hij heeft het onrecht op zijn manier afgezwakt; hij heeft je de dingen positief doen bekijken. Er komt een goed gevoel opzetten.

Het kan je geen barst meer schelen of die dokteres haar handtekening blijft weigeren of niet. Jan is mens gebleven. Hij is geen automaat geworden die de hele dag letterkraam te verwerken heeft. Dat een bediende van een wereldvreemd, kleurloos en uiterst complex gezondheidszorginstituut zijn woorden in blauw schreef getuigt van een heldere geest en van heel wat humor.

Een blauwe hemel boven je hoofd, blauwe vergeet-mij-nietjes in een vaasje, blauwe hortensia’s in je tuin, blauwe knipogende ogen. Vier blauwe woordjes. Het is maar hoe je de dingen bekijkt. En nu maar zien dat al dat blauwe niet de verkeerde kant opgaat want hoe heet het ook weer? Blauer Montag? Een glaasje teveel?
Zover zal het niet komen. Tenzij…? Een mens weet nooit alles op voorhand.

 


Iris Van de Casteele - 31 maart 2007


 

 

 

DICHTERS EN HUN GEDACHTEN

 
Naar aanleiding van een interview dat Hanneke Wijgh had met de dichter C.O.Jellema, verschenen in Trouw, op 26 november 1992, schreef ik een paar overwegingen. Tegelijk erop wijzend dat de dichter toen nog maar weinig levensjaren voor zich had: (geboren op 9 september 1936 en gestorven op 19 maart 2003). Doch vooreerst een stukje uit het interview:

“Ik vind het moeilijk te accepteren dat de mens sterfelijk is, dat de wereld niet meer zo ongerept is als vroeger, dat alle schoonheid wordt aangetast, dat de tijd verglijdt. Nog erger vind ik dat de mens een reflecterend bewustzijn heeft, dat hij nooit op kan gaan in het moment, maar er altijd bij moet denken. Mijn honden doen dat niet, die genieten als ze spelen. Alleen als ik tuinier, ben ik minder bewust van mezelf. Dat gebeurt helemaal als ik dicht. Je bent dan zo intens bezig, dat al het bewustzijn verdwijnt. Daarom maakt dichten nog gelukkiger dan tuinieren. Als ik dicht, staat de tijd stil en is alles in mij in harmonie. Dat is geluk, absoluut. Alleen duurt dat moment maar kort. Als het gedicht af is, is dat geluk voorbij.
Dan slaat de reflectie weer toe.”  C.O.Jellema 

Accepteren dat de mens sterfelijk is kan heel moeilijk zijn op jonge leeftijd. De dichter C.O. Jellema heeft daar zijn hele leven mee geworsteld, want ook in zijn latere interviews liet hij altijd een soort levensmoeheid doorschemeren. Zelf stond ik er nooit eerder bij stil. Wellicht omdat ik al vroeg ervoer dat uit het relativeren en aanvaarden van de dingen veel kracht te putten is. Zo kan een reflecterend bewustzijn de mens anderzijds ook ten goede komen. Het bewustzijnsvermogen willen verliezen om het reflecterend bewustzijn uit te schakelen, lijkt bijna onredelijk, hoe pijnlijk het denken en het terugdenken ook soms kunnen zijn.

Het bewustzijnsvermogen verliezen is eigen aan het dichten. En dan meen ik eigen aan het metafysisch dichten, of aan een gedicht componeren, niet aan ‘een gedicht maken’.
De inspiratie van het ogenblik aanvoelen en de vlaag ondergaan. Opstaan, zich afgezonderd weten, licht aanmaken en een potlood grijpen als in trance. En het gedicht in één ruk op het blad papier neerschrijven tot alles er staat zoals het werd ingegeven. Zo heeft het lang geduurd eer ik met inkt kon of wou dichten. Tot ik op zekere dag geen potlood bij de hand had en een balpen nam. Ook dat vlotte omdat ik mij in trance bevond en mijn bewustzijnsvermogen het op dit precieze moment liet afweten.

Dichten maakt ook mij gelukkig, niet op het moment zelf, omdat al mijn gevoelens en gedachten dan elders zijn. Ze zitten als het ware in het pot-lood of in de inkt samengeperst. Pas wanneer ik ten volle bewust ben van hetgeen ik geschreven heb, en lees dat het geschrevene geslaagd is, voel ik mij ongelooflijk gelukkig. Het zijn momenten van korte duur, doch ze wegen op tegen alles wat ik als negatief ervaar, zijnde verdriet en tegenslagen. Het zijn die unieke momenten die me steeds opnieuw hebben geregenereerd.

Wat het dichten zelf betreft: metafysische dichters – ofschoon ze niet uitsluitend metafysische gedichten schrijven - zijn er zich terdege van bewust dat het onzegbare alleen gesuggereerd kan worden, en dat precies in dat ‘onzegbare’ de poëzie verweven zit. Het spreekt vanzelf dat men eerst de nodige indrukken moet opdoen, en veel uit de eigen omgeving moet waarnemen om het achteraf in metaforen te kunnen weergeven. Langs de ‘werkelijkheid’ om wordt een dieper bewustzijn opgeroepen. Het zou zo kunnen gesteld worden dat het de dichter ten goede komt wanneer hij vooraf beseft dat het lichaam geworteld blijft in de aarde terwijl de essentie zich een weg baant naar hogere machten. De ziel moet vanzelf haar weg terugvinden opdat het lichaam niet zou gaan wankelen.

Ik ben er mij altijd van bewust geweest dat alles en iedereen van voorbijgaande aard is, zij het met niet te meten miljarden jaren verschil. Het efemere kan al na seconden sterven, de aarde zal het nog wel ontelbare miljarden jaren uithouden. Van de chaos kan men leren maar dan moet men zover mogelijk vooruit kunnen of willen denken. Wanneer alles zal verdwenen zijn, wouden en zuiver water, zal er geen leven op aarde meer mogelijk zijn.

Niemand of niets vraagt zelf om geboren te worden. Niemand of niets zal iets vragen als alles zal uitgestorven zijn, en de aarde een planeet zal zijn geworden waar alleen de steen overleefd heeft. Hij die er bij het begin al was en die het laatste woord zal hebben, omdat de chaos daarvoor zal zorgen. Die ver vooruitziende gedachte ‘alles zal verdwijnen’ schenkt me troost en berusten in het besef dat alles wat ontstaat gedoemd is om te lijden. Een noodzakelijk lijden dat het ene wezen het andere moet toevoegen om te kunnen overleven.

Over de vergankelijkheid van de natuur -waarvan de mens onafscheidbaar deel is- bezinnen Cor Jellema en ik ons allebei. Zijn weloverwogen
benadering van ‘een zuiver nervenweefsel van een herfstblad in het voorjaar nog, gevonden op het gras om te bewaren / je raapt het op: skelet van geest, breekbaarste beeld van even warm lichaam bovengronds te zijn geweest totdat het leven week uit de structuur.’ is één van zijn adembenemende vaststellingen. Ofschoon de nerven van een boomblad ons allebei fascineren, en diep doen nadenken, interpreteren wij het leven en de dood elk op een andere manier. Dat doet echter niets af van de mystieke essentie van de beide aanvullende interpretaties.

De ene gaat gebogen onder het vernietigend aspect van de chaos ofschoon hij beseft dat
'de zichtbare wereld van vereenzaamde dingen veranderen in een onzichtbare van samenhang der dingen'. Rilke.
Hij wordt door zijn voortdurend reflecterend denken als het ware uitgehold en opgebrand.
De andere put kracht uit een andere denk- en zienswijze want benadert de chaos vanuit een ander perspectief, dwz vanuit de vernieuwing en herhaling van de dingen. De ene is diepgelovig, de andere is een zogenaamde ‘andersdenkende’; iemand die meer belang hecht aan de te ontginnen diepere lagen dan aan hetgeen je in je vroegste kinderjaren ingepeperd krijgt. Tenslotte gaat het om niets anders dan om twee verschillende levensbeschouwingen. 


Foto: Krijn Dijksma


Iris Van de Casteele
9 oktober 2008

 

 

 

 

HET SUBLIEME VAN HET LELIJKE

Voor het eerst sinds ik dicht heb ik één van mijn eigen verzen tot op het bot ontleed. Ik sta versteld van het resultaat. Hetgeen uit een vers te halen is dat men zogezegd blindelings heeft geschreven, zonder de minste opzet of zonder het minste doel, is heel wat meer dan wat zich laat vermoeden. Het komt een beetje neer op de ontleding van de eigen ziel waarbij de versregels er achteraf wat zielig bij liggen. Het zal zo vlug niet meer gebeuren dat ik in mijn eigen huid ga snijden om te kijken wat eronder steekt.

Ik geef toe dat ik naast gemakkelijk verstaanbare verzen ook andere heb geschreven die voor het ongeoefend oog cryptisch lijken of zijn. Doch ervaring heeft me geleerd dat men, zelfs bij eenvoudig lijkende verzen, zelden het onderste uit de kruik haalt; dat er té gemakkelijk overheen gelezen wordt.
In de bezonken laag zit vaak nog heel wat meer.

Dat ik ook zogenaamde moeilijke verzen schrijf heeft daarmee te maken dat abstracte en surrealistische kunst me ongewoon boeien, vooral de visionaire beelden die ik erin vind laten me niet los. Ik probeer ze te duiden omdat ze mij ontroeren, en omdat ik erachter een boeiend iemand vermoed. Niet mijn eigen kleine wereld probeer ik erin te ontdekken, wel de kunstenaar of de kunstenares die de kern is van het oeuvre.

Zou alleen een zielsverwante iemands innerlijk wezen begrijpen? Ik zou het niet weten. Wel weet ik dat de kunstenaar zijn ziel blootlegt in zijn creatie. Doch hoeveel langskomenden wagen het om zich over de diepe welput te buigen waarin het water glinstert. Velen nemen genoegen met een vluchtige blik van op veilige afstand: ze buigen zich niet over de rand. Veel minder nog zullen ze proberen te raden wat achter het spiegelvlak verborgen ligt. De bronader is hen onbekend.

Soms heb ik grote behoefte aan uitgesproken lelijke verzen lezen zoals Paul Snoek er enkele schreef. Ze drukken me met de neus op de werkelijkheid. Verzen die niet in de smaak vallen van de massa. Verzen waarbij je alles van je af zou willen zetten wat naar suiker smaakt of naar honing ruikt, en waarop niemand het te pas en te onpas gebruikte woordje ‘mooi’ zou kleven.

Ja, lelijke verzen om het sublieme aan te tonen, zoals een fotograaf een verweerd gezicht vastlegt op film. Op die wijze kan de oneindige schoonheid van de aftakeling langzaam tot ons doordringen en ons diep ontroeren. Wel moeten we de foto aandachtig bekijken. We moeten ons afvragen hoeveel brandende zon, bittere koude, snijdende wind en snerpende regen dit gelaat hebben geteisterd, en vooral welke mens erachter schuilt. Hoeveel levensstrijd hij heeft uitgevochten, hoeveel nederlagen hij heeft overleefd.

Evenmin als een geciviliseerde boom krom mag groeien, of krom mag staan, evenmin blijkt het ons gegund de uiterlijke tekens te zullen mogen behouden van de tijd waarmee we geworsteld hebben, en van het leven dat niemand spaart, en dat ons anderzijds zoveel heerlijke momenten schenkt. Het ontzaglijk leven dat ons rijk maakt aan ervaringen. Dat ons leert wat ware schoonheid is van zodra we het zogezegde lelijke weten te relativeren.

Velen beseffen wellicht nooit dat de mens op latere leeftijd even boeiend kan zijn als een oude vrijgevochten boom: verweerd en krom, maar vol beduidende ringen.


Foto: Atahualpa Yupanqui

Iris Van de Casteele - 1995


 

 

 

EEN HUIS DAT LIEFDE HEET

Mijn surrealistisch huis is gebouwd op water. Het rust op vier stevige palen die meters in de diepte geheid zijn. Boomstammen, verzorgd met een scherpe punt, werden in de modderachtige grond geslagen waaruit ik geworden ben en waarin ik besta. De palen, de vloer, de muren, het dak, zijn metaforen voor de meest belangrijke mensen die hebben toegelaten dat dit huis een waar tehuis is geworden voor alles wat ademt en leeft

 

Paal 1: mijn vader die mij het meest noodwendige bijgebracht heeft om een goede mens te worden of te zijn. Intelligent, humaan, eerlijk, doortastend, trouw aan het gegeven woord, altruistisch, vrolijke natuur, weemoedig bij tijden. Veel van deze hoedanigheden heb ik van hem geërfd, ook alle tragedies die hem beschoren waren.

Paal II: mijn dokter met wie ik sinds jaren in symbiose leef precies omdat we zo verschillend zijn, en toch weet hebben van elkanders intieme en duurzame nabijheid. Hij die niet alleen mijn leven verlengd heeft met vele kostbare jaren, maar die ervoor zorgt dat ik creatief blijf en wel omdat hij mijn poëtische ziel blijft voeden.

Paal III: mijn mentor met wie ik gedurende achttien vruchtbare jaren veel filosofische gesprekken gevoerd heb. We hielden er elk een andere levensbeschouwing op na en toetsten ze aan elkaar. Allebei hebben we daarvan heel wat opgestoken. Het mag zo gesteld worden dat we er allebei innerlijk veel rijker zijn door geworden.

Paal IV: mijn trouwste vriend sinds mijn kinderjaren. Ik vroeg hem spontaan: waarom verschijnt de literaire pagina in VM niet meer? Zal ik ze verder zetten? Waarop zijn even spontane antwoord: zou je dat willen doen voor mij, Iris? Nooit werd me groter eer bewezen. Iemand die in je kunnen gelooft nog vooraleer je iets bewezen hebt.

De vloer: op de palen kwam een vloer, een machtig grote. Daarvoor moest ik de hulp inroepen van mijn sterke, struise Babylon vriend. Niet alleen zijn we allebei dichters maar ook zijn we al jaren aan het kibbelen over wat het woord mystiek inhoudt dat ik van hem opgeplakt kreeg. Een verhaal van de dageraad en van de regenboog!

De muren: alle mensen die ik liefheb toverden uit hun hart een warme, rode baksteen. Het waren er veel. Zo ontstonden de buiten- en binnenwanden. Het werd een woning waarin het goed verblijven is. Iedereen heeft er een eigen plek. Niet alleen mensen vonden er hun weg, ook andere diersoorten en alle soorten planten, en veel mineralen.

Het dak: om beschutting te bieden aan al die aangereisde gezellen werd een stevig dak gelegd op de wijze waarop de hornero vogel zijn nest bouwt. Kleibrokje na kleibrokje nat gemaakt, vermengd met strootjes, takjes en kiezelsteentjes.
Daarin hielpen mij de vogels. Tweevoeters met vleugels die uit mijn leven verdwenen zodra ze dachten het werk te hebben voltooid, of naar nieuwe vrijheid verlangden. Sommige treur ik na, vooral degene die hopeloos en voorgoed uit mijn gezichtsveld verdwenen zijn.

De paalwoning staat stevig geheid in de bodem. Zich in het water spiegelend ziet ze een huis dat liefde heet. Ooit zal het een ruïne zijn waarin alles en iedereen een plek zal blijven hebben, ook de doden en hun voortbrengselen.

 

http://art-et-miss.20minutes-blogs.fr/media/00/00/414652117.jpg

The elaboration of possible space - Russel BONCEY

Iris Van de Casteele, 18 februari 2010

 

 

 

 

VERLIEFD TOT OVER DE OREN

Voortdurend verliefd zijn is een verschrikkelijk iets. Het is een besmettelijk virus dat je bijt wanneer je er het minst op voorbereid bent. Wie verliefd is tot over de oren verraadt meteen zichzelf. Beter gezegd: de ogen verraden de verliefde; ze glanzen te zalig om zoveel geluk, of ze tranen te vaak om de onbeantwoorde verzuchting. De zwarte randen eronder spreken boekdelen. Je kunt aan niets anders denken, je hebt geen trek meer in voedsel. Je maakt jezelf tot idioot. Het lijkt wel alsof een vlam je aan het verteren is.

Ofschoon men op alles en iedereen terstond zou kunnen verliefd worden, zelfs op een grasspriet of op een afgebeuld paard, gaat het in het algemeen toch om de man/vrouw situatie, en omgekeerd. Er zitten oneindig veel harten geplaagd met dit onuitroeibare virus. Hoeveel er dagelijks door aangestoken worden weet niemand. Er worden nochtans statistieken opgemaakt over alles en nog wat, maar over deze ziekte raakt weinig bekend. Zelfs gespecialiseerde meningvorsers zwijgen haar dood.

Niets blijkt opgewassen te zijn tegen deze kwaal, geen medicijnen en geen kwakzalvers. Degenen die met het virus van voortdurende verliefdheid geplaagd zitten, laten telkens weer hun ogen vallen op degene die allerminst bij hun temperament en verzuchtingen past. Ofschoon ze er zich rekenschap van geven dat ze de os en de ezel voor dezelfde ploeg aan het spannen zijn, geven ze niet op. Meteen komt heel wat liefdesverdriet om de hoek kijken, of verterende passie, hetgeen nog veel erger is, want die brandt nog harder.

En toch bestaat het dat het vreselijk virus een mens kan vrolijk stemmen. Af en toe hoort men iemand praten die nog wat anders kan dan bazelen. Iemand die een sappige taal spreekt, en zich geen snars aantrekt van wat anderen ervan denken. De warme stem van zo een gezellige man viel te beluisteren op de radio. Uit het gesprek viel af te leiden dat het virus van de verliefdheid zelfs de doden niet met rust laat; ze op de ene of ander manier weet te pakken.

De geïnterviewde had het over zijn overleden oom, wiens nagelaten dagboeken een bron van vreugde blijkt te zijn. De humorvolle professor maakte met pen en inkt het virus van zijn oom weer levend door een boeiend boek te schrijven. Het had als titel kunnen hebben: de ontelbare verliefdheden van een man. De juiste titel ontgaat me, omdat ik het te druk had hem te noteren. Omdat ik zoveel van mezelf in het verhaal herkende, had ik de handen vol om de tranen te drogen die over mijn wangen liepen van de slappe lach; een lachbui die niet te stuiten was;.

Ja, het bestaat. Een echte universiteitsprofessor, die goed gehumeurd aanstekelijk kan lachen en vertellen. Zolang dit soort professoren tot de onsterfelijke auteurs gerekend wordt, leven we op hoop. Het boek ga ik me proberen aanschaffen, ‘Telkens wanneer mijn illusies bloeien’ is de titel, of iets dergelijks.

Ik wil eindelijk achterhalen hoe het komt, dat ik altijd opnieuw gebeten werd door dit virus. Hoe het komt dat ik altijd aan die ene ongeneeslijke kwaal heb geleden die, hoe men het ook draait of keert, onder de noemer kalverliefde valt. Hoeft er nog aan toegevoegd dat anderzijds zo’n virus ook zijn gezonde, verjongende trekjes heeft?


Foto: vuur vatten.
 

Iris Van de Casteele - 1991

     

 

 

 

WAT EEN TAKJE TIJM VERMAG


Wat kan heerlijker zijn dan je vrienden lekker gekookt voedsel voorzetten, en achteraf genieten van hun gezellige babbels, terwijl het aroma van de kruiden nog in wolkjes boven de hoofden hangt; zo’n etentje kan werkelijk inspirerend werken.

Mij hebben vooral de laurierachtige in hun greep: kaneel, laurier en muskaat. Ook tijm zou ik niet willen missen, evenmin als die psycholoogtherapeut dat heerlijk kruid zou kunnen missen; een wijze man met wie ik Madrid toevallig kennis maakte. We zaten meteen op dezelfde golflengte: bomen, stenen, fossielen, kruiden. Doet die bebaarde man daar zomaar, al vertellend, zijn aktetas open en tovert vantussen al zijn geneeskundepapieren een bosje tijm tevoorschijn. Heb ik steeds bij me om het aroma zegt hij, zich bijna verontschuldigend, als hij mijn ongelooflijke blikken ziet. Hij schijnt er alles van af te weten. Tussen je vingers moet je het hout wrijven. Er bestaat geen heerlijker en indringender parfum, besluit hij.

Terwijl ik aandachtig toekijk breekt hij het bosje in twee. Eén helft krijg ik ten geschenke, de andere helft verdwijnt opnieuw in zijn aktetas.Vrijgevig halveert hij zijn dierbare relikwie. Ik neem de takjes dankbaar aan. Terwijl ik ze opberg in één van mijn mantelzakken voel ik hoe iets ruws langs mijn vingers schuift. Het is een stukje schors van een boom dat ik al weken bewaar. De doctor krijgt als wedergave het ruwe stukje schors dat nu ergens naar het verre Castellón zijn weg gevonden heeft. Vreemd dat mensen zulke zaken mee op reis nemen: een takje tijm en een brokje schors. Joost mag weten wanneer die ooit tot stof zullen terugkeren.  

 

Kruiden, groenten, granen, noem maar op: het werkt allemaal inspirerend. Doch laat me even tegelijk een uitstekende chef-kok uit mijn streek bewieroken die tijm als een genezend en krachtig kruid omschrijft, hij verdient tegelijkertijd een pluim als broodbakker. Graag heeft hij het ook over zijn zelfgebakken oerbrood en zegt: de kwaliteit van ons brood stijgt met de ouderdom van de zuurdesem die we in plaats van fabrieksgist gebruiken. Een aromatische rijkdom dat die heeft, jongens toch! Voor het grof brood help ik de zuurdesem met wat duvelbier dan rijst het beter, anders remmen de zemelen de gisting.

 

Ik heb zijn duvelbrood geproefd. Ik beeldde me in dat het smaakte naar tijm. Het scheelde niet veel of het had alle duveltjes in mij wakker gemaakt die al maanden, zelfs jaren, rustig aan het slapen zijn. Want het bekruipt je weer, dat zalig gevoel dat je niet alleen bent met je grote dromen over hoe de ene mens de andere kan verwennen met de simpelste dingen. Zijn oerbrood brengt je zelfs terug naar vroeger. Niet voor niets stond je als peuter vaak naast je vader toen hij de hele resem broden in de hete oven schoof. Het leven was hard maar oneindig schoon. Er zat poëzie in het kneden van het deeg, in het knetteren van het hout, in het oplaaien van het vuur. Het was heerlijk om zo dicht bij de ware dingen van het leven te staan.


Doch kinderjaren blijven niet duren. Het is lang geleden dat ik nog oerbrood heb geproefd, en het is al bijna even zo lang geleden dat ik struikjes tijm aanplantte in een hoekje van onze tuin, onwetende dat ze ongraag met de voetjes in het water staan. Ik gaf ze er teveel, ik dacht dat ze voor dorst te bewaren. Doch ze groeiden niet goed. Ik dacht het te wijten aan mijn vingers die ver van groen zijn want ze gaan veel beter om met papier en potlood. Tot eigen schade moest ik ervaren dat ik het te wijten had aan mijn onwetendheid. Maar met al dat schrijven heb ik intussen toch het aroma van de ziel van een half takje gekregen tijm ontdekt.


Foto: takje tym in twee verdeeld

 

Iris Van de Casteele – 1995

 

 

 

 

VOOR WIE JONG VAN HART
 

Iemand die zijn problemen probeert te ontvluchten kan zich aangetrokken voelen tot woorden waarmee iemand zijn zorgen van zich afgeschreven heeft. In geschreven of gesproken woorden kan de lezer of luisteraar zodanig opgaan dat hij voor korte of langere tijd alles vergeet wat hem op het hart drukt, temeer wanneer er een korreltje humor bij te pas komt.

Het woord handen, bijvoorbeeld, betekent meer dan men zou vermoeden. Van alle dieren heeft alleen de mens handen, samen met de aap. Het woord neus houdt ook het één en ander in. Hij kan bloeden, men kan er mee ruiken, mee niezen, en zelfs zoals bij de eskimovolkeren, mee kussen. Hoe ook: de neus van de clown mag bloeden, hij zal geen medelijden opwekken.

 

Handen kunnen bijna alles. Zij kunnen schrijven, kneden, strelen, voelen, betasten, liggen, dreigen, slaan, wurgen, wuiven of wegwuiven, enz. Zij kunnen oud, jong, licht of zwaar zijn, gevlekt of niet, zij zeggen altijd iets. Hoe dat komt? Misschien omdat ze voortdurend onder de ogen te zien zijn, wat met de neus niet het geval is tenzij hij werkelijk héél lang is.

Maar alle gekheid achterwege gelaten: handen kunnen een zorg zijn. Sommige mensen van gevorderde leeftijd, schenken er oneindig veel aandacht aan. Zoveel zelfs, dat er zijn die hun handen het liefst zo goed mogelijk verstoppen om de ouderdomsvlekken niet te moeten zien, of om ze voor anderen te verbergen. Vooral voor degenen, voor wie jonger dan je denkt nog steeds de leuze is, blijkt het een oplossing.

 

Het is best mogelijk dat men af en toe iemands handen zou kunnen verwisselen met een landkaart waarop vele invalswegen aangeduid zijn. De niet te verwaarlozen puntjes, vlekjes, groefjes en lijnen, zijnde de vele wegwijzers van ons bestaan. Men moet al heel wat wegen bewandeld hebben eer men zo een prachtige kaart bezit. Wie zou daarvan afstand willen doen? Niet degene die weet hoeveel inspanningen het gekost heeft om zover te geraken.

Handen verraden niet alleen zichzelf maar ook degene aan wie ze toebehoren. Wanneer het een mens betreft die met zijn leeftijd zwaait als met een vlag, zijn er helemaal geen problemen. Anders wordt het, wanneer de handenbezitter zich nauwelijks bewust is van de schatten die hij met zich meedraagt.
Spijtig genoeg kan men niet zeggen: die hij in of op zijn handen draagt. In landen, waar handen nog wegens diefstal afgehakt worden, rijzen deze problemen niet, doch wij hoeven ons daarover alsnog geen zorgen te maken.

Om wat maakt men zich dan wél zorgen?
Om niets. Doodgewoon om niets. Wie niet van handen houdt, waar de tijd zijn stempel op gedrukt heeft, mag van neuzen houden. Een neus drukt ook zijn stempel maar dan wel op de hele bezitter, op een nog veel uitdrukkelijker manier. Jeneverneuzen doen het nog altijd uitstekend. Wijsneuzen zijn er ook met hopen, ze doen soms alsof hun neus bloedt.

Iemand doen glimlachen kan toch zo moeilijk niet zijn. Iemand op een ander spoor brengen, waarbij hij zijn eenzaamheid vergeet, is ook een kunst. Dan moet men echter wel de rode neus van de circusclown opzetten. Er zijn er die dat af en toe nog doen.

 

Foto: mag het een keertje zo?

 

Iris Van de Casteele

9 december 1989

 

 

 

 

VERLIEFD OP CAPITÀN MIRANDA

Dat ik Capitán Miranda meteen in het hart sloot heeft daarmee te maken dat tastbare, ruwe dingen zoals trossen, ringen, vijzen, touwen, ijzer, opgerolde windzeilen iets in me wakker maken. Het verbouwde zeilschip, dat na talrijke reizen om de wereld een thuishaven vond in Montevideo, zou mijn hart komen veroveren in het Grootdok van Gent. Doch vooraleer me in de warme gezelligheid van het deksalon onder te dompelen zou ik een ware vuurproef doorstaan.

We waren uitgenodigd door Zijn Excellentie de Ambassadeur van Uruguay. De receptie zou plaatsvinden aan boord van deze schoener; een schoolschip voor officieren. Een grote eer die ons bewezen werd. Het duurde lang eer we het Grootdok vonden. Verschillende keren hadden we naar de ligplaats van het schip geinformerd en toch waren we kilometers omgereden. Laat, bijna te laat, bereikten we de aanlegplaats waar een blauwwitte natievlag ons vanuit te verte verwelkomde. Z. E. de Ambassadeur wachtte de laatkomers op met aan zijn zijde de kapitein. Naast elk van hen vier officieren die bij het scheepssein -een loeiende sirene- de officiersgroet brachten. Mijn man liep voorop, groetend als ware hijzelf één van de officieren, om daarna de hand te reiken aan de tien heren die ons hadden opgewacht.

Drie meter achter hem aanlopend, op het meest ongeschikte moment, en op de meest ongeschikte plaats, zou het gebeuren. Daar, op het einde van het smalle loopbrugje dat opeens gevaarlijk heen en weer bewoog, temeer voor iemand met hoge hakken. Met één hand greep ik het dikke touw dat als leuning dienst deed, in mijn andere hand hield ik mijn handtasje geklemd. Precies toen het mijn beurt was om aan de ambassadeur te worden voorgesteld hoorde ik mijn eigen dof smeken: ‘ayudame...ayudame’.
Help me... help me. Mijn echtgenoot keek niet om, hij had het te druk met handen schudden. Ik voelde hoe mijn wijde, zijden plissérok langs mijn nylons naar beneden gleed en zo op het brugje terechtkwam. Met moeite kon ik op het laatste nippertje nog een strook stof vastgrijpen.

 

Zo stond ik daar, als aan de grond genageld, beduusd en beschaamd tegelijk, tot ik de glimlach op het gelaat van de ambassadeur en de officieren bemerkte, (eigenlijk was het een ingehouden schaterlach). Toen werd het ook mij opeens vrolijk om het hart. Met mijn linkerhand mijn handtasje en een paar plooien van mijn plissérok vasthoudend, gaf ik de ambassadeur mijn rechterhand. Iris Van de Casteele de Aguirre hoorde ik mezelf zeggen. Ha... zei hij. Zijn ‘ha’ sprak boekdelen. Zijn ogen tintelden, precies alsof hij toen al wist dat er tussen ons een duurzame vriendschap zou groeien. Hij boog zich naar me toe en fluisterde: Ga maar vlug naar beneden daar zult u geholpen worden. Zijn warme handdruk en zijn vriendelijke, lachende ogen logen er niet om.

 

Nadat ik ook de kapitein een hand had gegeven, en naar de officieren geknikt, verliet ik het dek langs een ijzeren trap om mij naar de benedenruimte te begeven. Niemand kwam mij helpen tot ik er zelf iets op vond. (Gelukkig zijn nylons ook bruikbaar om een rok in de taille vast te klemmen). En zo gebeurde het dat ik de hele leefruimte van de officieren voor mij alleen had. Daarin bevond zich zoveel kostbaar hout dat ik geen ogen genoeg had om het te strelen. Het oude patina op deuren en wanden scheen zijn warme glans op mij over te brengen. Ik voelde mij heel gelukkig, want zo een fijn gevoel overvalt mij wanneer edel hout tot mij begint te spreken, zoals dat van mijn eerste schat; een cederhouten sigarenkistje dat ik koesterde toen ik een kleuter was.

 

Het feest verliep zoals verwacht, met alle goeds dat elke Uruguayaan zijn gasten telkens weer zal aanbieden; met naast drankjes en voedsel, de heerlijke milonga- en tangomuziek van zijn gastvrij land. En zo gebeurde het dat mijn man, laat op de avond, en tot middernacht, het beste van zichzelf gaf, op een oude gitaar, eigendom van één van de officieren. Het daverend applaus loog er niet om. En om het geheel nog feestelijker af te ronden was er het éénstemmig gezang van de op dreef gekomen officieren dat we hoorden tot op de kade.

 

Bij het afscheid schonk de barman, een donkere marinero, mij als aandenken een foto van de ‘Captitán Miranda’. Op de achterzijde stonden geschreven groeten vanwege de voltallige crew ‘voor Hiris, met veel genegenheid’. De geleende toespeld waarmee ik de rest van de avond mijn rok had ophouden, mocht ik van één van de aanwezige dames behouden: mijn loopbrug avontuur had de ronde gedaan als een lopend vuur. Doch de hartelijkheid waarmee we op het schip ontvangen waren (en een dubbele whisky) deden me vergeten dat ik gedurende een halve minuut een uitstekend mikpunt was geweest voor een of andere verborgen camera.

 

 

 

Iris Van de Casteele

De Poëzietuin 10 september 1996

 

 

 

 

HOU JIJ VAN PICASSO?

 

Mijn gesprekspartner en ik hadden het over een dame die naam probeert te maken in onze, door opportunisten, bijna aan diggelen gegooide dichterswereld. De twintig bundels 'dichtwerk', die ze tot op heden uitgaf, vinden hun weg niet naar het grote publiek. Zelfs haar naam is zo goed als onbekend. Toch is vermeende dichteres overal te vinden waar ze hoopt haar bundels te kunnen verkopen. Soms zijn er minder dan vijf belangstellenden die naar haar voordrachten komen luisteren, maar toch zet ze door, daarbij flink geholpen door de hoge toelagen van het Ministerie van de Vlaamse Cultuur.

 

Dat ze een schoolvoorbeeld is van lettrisme, probeerde ik mijn gesprekspartner duidelijk te maken. Onnodig eraan toe te voegen dat ik dit deed met volle overtuiging, ja, met vuur en vlam, want de vonken sloegen over. De 'dichteres' in kwestie behoort tot de ouder wordende generatie, die het gepast vindt met de Franse jongeren uit de naoorlogse jaren te wedijveren; degenen die toen zo mooi het 'lettrisme' uitknobbelden; een modeverschijnsel dat ooit furore maakte en in zover zin had, dat het de oubolligheid van het dichten te lijf ging, later verwaterde, en nu nog slechts bij een snobistisch  publiek een paar aanhangers telt.

 

Ook de dame in kwestie experimenteert met taal. Zo doet ze aan klanknabootsingen in wat zij noemt gedichten, die totaal ontbloot zijn van elke zin. Als lettriste publiceert ze geschriften al dan niet van letterkundige waarde. In hoever dit iets te maken heeft met poëzie? Lettristen geven zich in alle ernst over aan cerebraal maakwerk; het 'woord-om-het-woord-samengevatte'. Het zijn meestal bekwame samen-voegers. Maar mooie zinnen maken met mooie woorden, heet nog geen dichtkunst. De essentie ontbreekt.

Wanneer ik een gedicht lees, weet ik of het al dan niet poëzie bevat, en wanneer ik er een schrijf weet ik dat eveneens. Als hogeschooldocente maakt ze misbruik van haar macht. Genres in leven roepen of in leven houden, die met dichtkunst geen uitstaans hebben, is onheil stichten. Hoeveel echt talent gaat verloren door de miskenning van het ware gedicht? Dichters en dichteressen die zich voeden aan oerbronnen vinden bijna nergens gehoor. Omwille van de zuivere en hogere tonen die hun gedicht bevat, worden ze als het ware uitgestoten. Toch zijn lettristen goed voor iets: door hun waardeloos goedje aan te prijzen tonen ze aan hoe gemakkelijk het is bedrog te plegen. Vooral in snobistische kringen worden ze, als een soort salondichters, toegejuicht en op handen gedragen.   

 

Toen ik tijdens het verhitte gesprek beweerde dat poëzie in verband staat met de kosmos, met de aarde, met de wortels van alles wat leeft en ademt, met de steen, met oerontginning, en mt nog veel meer, was het hek van de dam. Voor haar had poëzie alles te maken met woorden. Om mij tot overgave te dwingen, moest ik voor schut worden gezet, want in de hevigheid van de discussie werd me opeens, en zonder enige herkenbare reden, een strikvraag gesteld:

Hou jij van Picasso?

Omdat ik afkomstig ben van het platteland werd mijn algemene ontwikkeling en mijn i.q.op nul ingeschat. Het scheelde weinig of ik had haar vraag met een strikvraag beantwoord.

Hou jij van Torres Garcia? 
Doch ik vond het niet nodig haar te testen, ze had haar onwetendheid inzake poëzie bewezen, en ik hoefde niet te bewijzen dat ik geworteld zit in de aarde met een kruin die reikt tot in de wolken.

Van Pablo Picasso houd ik niet als mens, daarvoor was hij een te grote huistiran. Wel houd ik van zijn werk.
Van Joaquin Torres Garcia houd ik al was het maar omdat hij Alba Roballo indringend geportretteerd heeft. Zijn sculpturen, keramiek, figurines, graveringen, fresco's en andere schilderijen, hebben mij niet nodig om hun wereldwijde weg te vinden. Noch minder heb ik het nodig mijn vurige ziel bloot te leggen in de schoot van iemand die beter kan omgaan met letters dan met gevoelens.

 

Joaquin Torres-García
Montevideo 1874-1949

Iris Van de Casteele 

De Poëzietuin, 4 juni 1993

 

 

 

 

EVA EN HAAR GESCHRIFTEN

Het gaat niet om Eva uit het aards paradijs die Adam het hoofd op hol bracht. Het gaat ook niet om Eva de Perron die door de arme mensen van haar land aanbeden werd. Er zijn nog andere vrouwen en meisjes die de mooie naam Eva dragen, bekende en onbekende. Om over een onbekende iets te schrijven moet je alles bijeenzoeken en bijeenvergaren wat je over haar kunt ontdekken. Achteraf voeg je alles samen en krijg je een beeld.

Het kan best zijn dat een mens niet altijd een uitweg ziet in het uitzichtloze dat de moderne tijd met zich meebrengt. Te weinig echte vrienden. Geen aandacht van degenen die achteloos aan je voorbijgaan. Te weinig begrip voor je problemen die niet opgelost kunnen worden in een korte tijdsperiode. Daarin herken je Eva die al geruime tijd heel wat van je gedachten en gevoelens in beslag neemt.

Eva is iemand die nergens zou opvallen ware het niet dat ze haar kommer en kwel, en haar kortstondige momenten van geluk, samenvat in geschriften. Ergens in Zeeuws-Vlaanderen moet ze wonen, in een gezellig huurhuisje, daar waar de klaproos nog niet helemaal uitgestorven is, en waar de regenboog af en toe schittert boven het poldergebied; dingen die haar bijzonder lief zijn. Hetgeen ze te vertellen heeft slaat ze op in haar pc en dat is niet weinig. Ze stelt zich niet de vraag of haar voortbrengselen literaire waarde hebben. Ze schrijft. Je zou bijna gaan denken dat ze niet anders doet dan schrijven.

Doch niets is minder waar. Eva steekt veel meer tijd in het observeren van dingen dan in haar geschriften. In het waarnemen van toestanden waarin ze zich al dan niet kan vinden blinkt ze uit. Verder klaagt ze steen en been wanneer de rekeningen van water en elektriciteit de pan uitswingen, hetgeen gepaard gaat met bijval van degenen die dezelfde opdoffer krijgen van de op grove winst rekenende water- of elektriciteitsbonzen. En dat ze telkens weer dure zakken voeder koopt om de vele vogels te voederen die elke dag haar tuin bevolken, is ook iets dat Eva tot eer strekt omdat ze niet berekent hoeveel blijdschap die vogels haar zullen brengen.

Uit haar geschriften valt heel wat te leren. Hoe ze er soms moedeloos gaat bijzitten. En hoe het moet voelen als één tegen allen te moeten optornen tegen een tekort aan zelfbewustzijn; een karaktertrek die ten onrechte beschouwd wordt als een gebrek. Hoe haar ingeprent wordt hoe ze meer moed aan de dag moet leggen. Hoe ze niet altijd alle kwaad van de wereld op haar schouders moet laden. Hoe ze best wat minder aan zichzelf zou gaan twijfelen; meer zelfzekerheid zou moeten opbrengen. Er wordt haar heel wat ingeprent. Al dat ingeprente goedje vindt een uitweg in Eva’s woorden die langs nederlands.nl op het computerscherm verschijnen. Het is veel wat haar geplaagde hersenen moeten verwerken.

Doch er moet méér zijn aan deze Eva dat je zo begaan bent met het wel en wee dat haar overkomt; dat haar woorden je zo diep kunnen raken. Hetgeen aan haar te ontdekken valt is moeilijk te omschrijven ofschoon het in een paar zinnen samen te vatten valt: Eva is humaan. Eva is oprecht. Eva is genereus. Eva is zichzelf gebleven ondanks de harde slagen die het leven haar heeft toegebracht. Ze schrijft dingen van zich af en ze schrijft dingen naar zich toe. Eva geeft niet op; ze worstelt zich door het leven.

Wat vooral opvalt is haar ongeschonden ziel die ze in haar geribbelde geschriften telkens weer blootlegt. De lezer kan er alle kanten mee uit: hij negeert ze of hij puurt er de nectar uit zoals sommige vogels nectar puren uit de meest zeldzame bloemen.

 

Foto: polderstreek Adegem-Maldegem

Iris Van de Casteele, 21 juli 2008



 

EEN KLEIN WIT MASKER

 

 

Hoe ouder mensen worden hoe meer sommige er zelf gaan toe bijdragen om zich jong van hart te voelen. Hun levensfilosofie is ook de mijne, al lees ik mijn  jeugd niet af aan de schrifttekens in mijn hart. Hetgeen eruit te lezen valt houd ik liever nog een tijdje veilig opgeborgen achter slot en grendel.
De kraaipoten om mijn ogen vertellen al evenmin iets over dat bestendig jeugdig gevoel in mij. Nog minder doen het de rimpels in mijn gezicht of in mijn hals. Windvlagen en andere onvriendelijke luchtgeesten teisterden bij pozen de gevel van het surrealistisch huis dat ik sinds mijn geboorte bewoon. Ofschoon het heel wat heeft ingeboet aan stevigheid is het nog lang niet bouwvallig.

Waaraan ik mijn bloeiende jeugd aflees? Juist. Aan de wijze waarop ik de laatste tijd met persoonlijke voornaamwoorden omga. Niet met tegenzin, zoals vroeger het geval was, maar eerder gewillig gebruik ik in de schrijftaal de je in plaats van ‘ge’, en de jij in plaats van ‘gij’. Een geweldig compromis voor iemand die de liefste dingen ter wereld nog steeds met gij en u blijft aanspreken.

 

Deze ommezwaai is er niet zomaar ineens gekomen. Het heeft tijd gekost. Naarmate ik naar meer intimiteit en wederliefde ging verlangen, ging de plechtige aura, die de 'gij' omgeeft, zich als een dwarsbalk over mijn gevoelens leggen, mijn gedachtegang hinderen, mijn spontaniteit blokkeren. De eerbetonende 'gij' begon, beetje bij beetje, meer een struikelblok te lijken dan op een reddingsgordel. Wanneer je je vader, de liefste man ter wereld, gedurende meer dan veertig jaar met gij hebt aangesproken, heb je voortdurend het gevoel dat slechts dit ene woord, en geen ander, toepasselijk is op diegenen die hem in oprechtheid, geduld en liefde evenaren. Maar je vader is dood, al jaren.

Op een warme nacht in de maand mei, toen de vogels allemaal tegelijk zwegen, gaf hij het op. Hij gaf het op voorgoed. Hij moést wel. De oude keukenstoel, van waarop hij in de groentenhof zijn duiven en duivinnen kon gadeslaan, ging langer mee dan zijn  spierwit zondagshemd waarin hij als een goede geest ten hemel steeg, al leek hij meer op een neergekogeld dier dat het onderspit moest delven na een lange klopjacht. Je vraagt je af waar zijn lichte zwarte klompen zijn gebleven en die bruine stoel waarop hij zijn melancholische overpeinzingen zat te overpeinzen.

Met elke dag die voorbijgaat begin je meer en meer op hem te gelijken. Naast zijn lach heb je ook zijn melancholie geërfd. Je durft soms ook wel eens de vlerken laten hangen. Vooral datgene wat je het meeste mist speelt je de grootste parten, al kan je dat gemis niet precies omschrijven, veel minder nog erover praten. Zolang je zelf niet weet wát het is, of wié het is, kan het euvel niet uit de wereld geholpen worden. Misschien mis je de moed om je te tonen zoals je in werkelijkheid bent? Misschien mis je de moed om anderen te vragen zich te tonen zoals ze in werkelijkheid zijn? Dat raar en benepen gevoel, dat mensen zich voortdurend verstoppen achter een masker, laat je niet los. Van zo'n ding valt nochtans een heleboel af te lezen - bij jezelf en bij anderen - als je maar genoeg geduld bezit.

 

Van zodra je iemand ontmoet die je heel wat méér dan zo maar een heel klein beetje gevoelswarmte spendeert, zet je je masker op. Een klein wit masker, waarvan niemand zou vermoeden dat het zoveel te verbergen heeft. Natuurlijk blijft het onbewogen want het heeft geen spieren, geen zenuwen, geen poriën, geen huid, geen beenderen, geen vlees, maar het leeft, zoals de dingen leven die erachter verscholen zitten, en het peilt naar ogen die het oprecht en diep bekijken. Eens dit masker opgezet ga je praten en praten, zoveel dat je je in je eigen woorden verslikt, en lachen, heel hardop lachen, zodat je er zelf van opschrikt. Maar als je goed luistert hoor je, dat je je zwijgen niet uit zijn slaap hebt gewekt, en dat van je gesprekspartner al evenmin. Het slaapt verder tot een mirakel gebeurt.

 

Tot je de vraag zal hebben beantwoord die je bent. Tot je de vraag zal hebben ontcijferd waardoor je voor duizend andere vragen zult komen te staan; de vraag die je uit je dualiteit zal bevrijden. Die éne, vraag, die je steeds opnieuw voor onoplosbare raadsels stelt.
Een mirakel? Je wilt erin geloven. Je gelooft erin. Je moét wel.

 


Jeune femme au masque blanc 

Iris Van de Casteele - 1992

 

 

 

 

 

EEN VEILIGE THUISHAVEN

In vroegere tijden kregen krankzinnigen in ons land het heel hard te verduren. Ze werden een eeuw geleden nog behandeld als boosdoeners die licht of zwaar dienden bestraft te worden. Vaak werden ze aan kettingen gelegd om per binnenschip vervoerd te worden, anderen lagen dagenlang gebonden op een vochtige, koude vloer. Ook werden ze in de psychiatrie gebruikt als cobaye; als proefkonijn.

Nog andere, die beschouwd werden als zachtzinnig en ongevaarlijk, werden door beheerders van staatsinstellingen als werkkrachten uitgeleend om zich krom te werken op boerderijen als onbetaalde, slecht gevoede en in lompen geklede slaven, zonder het minste beetje vrijheid. Na meer dan een eeuw gepalaver tussen dokters en staatsbeambten heeft de moderne psychiatrie uiteindelijk een einde kunnen maken aan deze verschrikkelijke wantoestanden.

Dat psychiatrische patiënten mensen zijn met een zieke geest wordt in onze moderne samenleving algemeen aanvaard. Doch er is meer. Kan men het hart, de ziel en de geest van elkaar scheiden? Moeten ze niet alle drie samen tegelijk verzorgd worden? Ontegensprekelijk zijn ze eng met elkander verbonden; bepalend voor het wezen dat we zijn. Wanneer men uiterst diep bedroefd is zal het hart pijn doen, de ziel zal geen kik geven en de geest zal niet werken.
Alles valt in een knoop. Het gaat dan ook bij deze patiënten om hart, geest en ziel tegelijk.

Men zou het zo kunnen stellen dat vanuit ons diepste binnenste signalen worden doorgeseind; signalen waardoor wij ontvankelijk worden voor de ondefinieerbare aantrekkingskracht die sommige personen, dieren of dingen op ons uitoefenen. De aangetaste of zieke ziel krimpt weg in deze ruimte en maakt plaats voor lethargie. De zieke komt te verkeren in een toestand van geestelijke ongevoeligheid zodat deze niet langer ontvankelijk is voor die ondefinieerbare aantrekkingskracht.

Zolang de ziel zich kan regenereren kunnen we er het helderste licht in ontwaren en er de tederste warmte uit putten. Wanneer deze warmtebron, en tegelijk lichtgeleider, onvoldoende haar taak vervult sterft iets af in het levend wezen waarin ze schuilt; een groot deel van het ontvankelijkheidvermogen gaat verloren.

Iedere mens bezit en bewoont een surrealistisch huis. De ene moet er een leven lang aan bouwen, of het herstellen, om er zijn plek te kunnen in vinden en te behouden, de andere schenkt er geen aandacht aan, verwaarloost het en laat het vervallen. Vaak is dit ‘laten vervallen’ te wijten aan depressieve toestanden waar voldoende signalen aan vooraf gegaan zijn. Alle aandacht voor wie of wat men is heeft zich toegespitst op het zich waardeloos voelen. Zodoende verkrijgt de zieke een duister en negatief beeld van zichzelf; een vervormd beeld waardoor hij of zij nog hopelozer wordt.

 

Gevoelige mensen trekken zich graag een tijdje terug in de stillere kamers van hun surrealistisch 'binnenhuis' waarin ze zich de tijd gunnen om zich op te laden met licht en warmte. Dat deze gezonde, weloverwogen afzondering soms omslaat in afwijzing heeft te maken met het zich schaven aan de ruwe kant van de buitenwereld: aan liefdeloosheid, boosaardigheid, dwaasheid, onverschilligheid, afgunst en/of onbegrip.

Het is bewezen dat de meest kwetsbare mensen de zwaarste deuken te verwerken krijgen. Ook zij worden soms gerekend tot de gestoorden; hun verstand wordt in twijfel getrokken, terwijl de rationele, nuchtere doordrijvers het gros uitmaken van wat de normale mens genoemd wordt. Doch waar ligt de grens tussen normaal en abnormaal? En wie trekt die?

Veel kan verholpen worden door meer liefde en aandacht te schenken aan degenen die zich een tikkeltje te ver verwijderd hebben van hun veilige thuishaven, en ergens in de schemering, in niet te omschrijven eenzaamheid, verdoold zijn achtergebleven.


Kunstwerk: Len Dunkelberg


Iris Van de Casteele, 1994

 

 

 

 

WAT VELEN NIET WETEN
 
In vele landen ter wereld wordt door een of ander televisiestation een kookkunstprogramma uitgezonden. Om het even waar men kijkt wordt er gekookt. Overal hetzelfde chique gebeuren, of toch bijna hetzelfde. Voedsel voor de elite of voor verwende papillen van verwende burgers. En de massa kijkt toe, soms watertandend. Soms ook met tegenzin. Wat mezelf betreft: ik heb me vlug afgewend van deze tegen de borst stuitende TV-uitzendingen.

Ooit zag ik hoe een keukenchef een ringvormig recipiëntje aan het ineenknutselen was. Hij gaf zich moeite. Met een lasapparaat vormde hij een stuk blik om tot keukengerief. Het kleine holle ding werd opgepoetst tot het blonk als een ster. Daarna werd het gevuld met voedsel dat als een torentje op het bord bleef staan nadat het recipiëntje voorzichtig weggenomen was. Die voedselophoopseltjes noemt men dan Kunst met een grote K. Het kan niet ontkend worden dat keukenchefs zich moeite geven. Ik veronderstel dat het beetje dat op het bord komt zelden zo goed zal smaken als wat in moeders keuken wordt bereid.

Hoe ook, er wordt veel over voedsel gepraat, zelfs geredetwist over de woekerprijzen die de pan uitswingen. Voor de een is voedsel een noodzaak, voor anderen een bijzaak, nog voor anderen een luxe. Je zou kunnen zeggen: er is voor elk wat wils. Was het maar zo, velen moeten het dagen na elkaar stellen zonder voedsel, en als er dan al iets van de overvloed bij hen terechtkomt is het niet veel meer dan wat afgeknaagde beenderen en beschimmeld brood.

Miljoenen dieren worden elke dag afgeslacht. Graan wordt in zodanige mengen gekweekt dat jaarlijks grote stukken woud verdwijnen, dit om nog meer grasland aan te leggen voor de grazende koeien die niet langer beschouwd worden als vrienden maar als harde valuta. In Paraguay en naburige landen zijn de doden en de verbrande mensen niet meer te tellen; soms zijn er gaten in hun armen en benen gebrand zo groot als een euro. Verbrand als ze zijn door de overvloed aan toxische stoffen die in wolken de lucht ingaan om dan op land en mensen terecht te komen.

Pesticiden worden tonnenwijze op het land gestrooid, met reusachtige sproeimachines of vanuit vliegtuigjes. Soja is de plant die alles aan het verwoesten is. Soja en nog eens soja. Akkers, zo groot als provincies, worden met soja bezaaid en daarna bespoten. Kinderen worden verminkt geboren en groeien op -indien ze niet al in de buik van hun moeder sterven- in de vreselijkste armoede op een paar kilometer afstand van de steenrijke, hardvochtige grootgrondbezitters. Hun landeigendom overschrijdt soms 50.000 hectare. Al die vreselijke dingen worden in het rijke Westen doodgezwegen door de oppermachtige media.

Ik kan mezelf niet veranderen en ik wil het ook niet. Ik zal die dingen blijven in het licht rukken die de ogen en harten kunnen openen van de medemens. Of ik daarmee iets aan de wantoestanden zelf kan veranderen? Nee, zo naïef ben ik niet. Wij, de gewone mensen, staan machteloos tegenover het verschrikkelijk onheil die de opperalmachtigsten op de armste hoofden doen neerkomen.

Zoals men kan zien zijn er nog andere criminelen dan die met de witte boorden. Dragers van grote dure panamahoeden en lederen laarzen -meestal ingeweken Europeanen- zijn uit de criminele voedselwereld niet weg te denken. Ze zijn nog een stuk onverantwoordelijker en nog een groot stuk gretiger en zelfzuchtiger dan de meest harteloze bankmagnaten.



Foto: Paraguayaans kindje verminkt door pesticiden

 

Iris Van de Casteele - 30 november 2008

 

 

 

 

IK HEB NOG HEEL VEEL LIEF

 

Ofschoon je de broeierige eindejaarsfeesten met tegenzin tegemoet ziet doe je toch mee aan het ceremonieel van kaartjes versturen. Dat heeft niet alleen te maken met hartelijk omgaan met de andere maar ook met schuldgevoelens. Zal je deze keer niemand vergeten? Zal zich niemand gekrenkt voelen?

 

Degene die orde hebben stellen lijsten op, waarop naam en adres van diegenen die een wens of groet zullen bekomen. Van hen mag je stellen dat hun kaartjes altijd op tijd verstuurd worden en vroegtijdig ter bestemming aankomen. Ze vergeten nooit iemand. Dagen voordien liggen alle romantische wenskaarten -een winterlandschap met schaatsers of een huisje in de sneeuw- klaar op hun schrijftafel, naast de enveloppes en de vellen te kleven postzegels. Hun wensen zijn stereotypisch: veel geluk en een goede gezondheid! Goed gezien en bedoeld.

 

Naast de ordentelijke zijn er de fantasierijke. Hun wensen zijn nooit banaal en hun wenskaart is vaak een kunstwerkje op zichzelf: je kunt je er een jaar lang op teren. Je bewaart het als een soort relikwie want het gaat om méér dan oppervlakkige genegenheid. Verder heb je de wereldverbeteraars die het op de zogezegde te bekeren heidenen afgezien hebben. Van hen ontvang je een wenskaart waarop een spreuk, waarvan ze denken te weten dat ze uitstekend bij je levensfilosofie past. Staat daar: ‘ik geloof in niets meer, zei zij/ maar ik heb nog heel veel lief;/ wie nog in liefde gelooft,/ gelooft nog in bijna alles/’.

 

De afzenders zijn lieve mensen die het goed menen met het heil van je ziel. Ze hebben maar één vurige wens: dat hetgeen waarop zij hun leven opgebouwd hebben je ten goede komt, bang als ze zijn dat je na je dood voor eeuwig in een onaardse hel zult branden. Maar of deze zinnen bij je openhartige leefwijze en ruimschootse zienswijze passen? Heel veel liefhebben? Jawel. Geloven in alles? Liever niet. Liever zo: “Ik geloof niet/ in geloven in niets/ ik geloof in een bes/ die in een verlaten bos/ in donker water valt/ ik geloof dat er bosbessen bestaan/ dat één ervan communiceert/ met mij/ nu/ op dit uniek moment”.

Vreemd dat je nooit iemand tegenkomt die het heeft over begrijpen. Niemand schijnt het te interesseren hoe het gesteld is met die steeds weer te ordenen chaos in je binnenruimte waarmee je al een leven lang worstelt. Van hetgeen je zelf probeert te begrijpen, of meent te begrijpen, hebben ze geen flauw benul. Het verkrachte woordje ‘geloof’ heeft altijd al een averechts effect gehad op je denkvermogen. Geloven in wat? In waarheden? In leugens? Je moet al heel wat water naar zee hebben zien vloeien eer je die twee uit elkaar denkt te kunnen houden, zo verstrengeld zijn ze.

Enfin, er bestaat ook nog zoiets als hoop. Een minder uitgehold begrip, eerder een noodzaak; een staf om op te steunen. Hopen dat het beter zal worden, voor anderen, voor jezelf. Hopen dat er minder kerstbomen zullen gekapt worden zodat het bos kan groeien en ademen. Hopen dat er volgende keer iemand zijn arm om je schouders zal leggen en zeggen: ‘ik begrijp je’, of indien nodig ‘ik vergeef je’. Hopen dat iemand je handen in de zijne of in de hare zal nemen en zeggen: ‘wees en blijf wie en wat je bent, want zo houd ik van je’.


Ver van het protserige eindejaarsvertoon wonen de ware mensen. Mensen zoals mijn lieve Inge, met gevoel voor mooie muziek en een goed gedicht. Mensen die vanuit het diepste van hun hart je het allerbeste wensen, ook wanneer ze tussen de hen toegestuurde wenskaarten de jouwe niet vinden. Mensen die deze regels zullen lezen en zullen weten dat je hen niet vergeet. Dat je hen het allerbeste wenst wat een mens een andere mens kan wensen: heel veel liefde en een goed gevuld vruchtbaar mensenbestaan.


Foto: één enkele bosbes

Iris Van de Casteele, 12 januari 1997




EEN KLEINE DODE VOGEL

 

Poëtische verzen moeten zijn zoals verfrissend regenwater dat blindelings rondzwerft in een wolk, om dan op het ene of andere moment in dorstige aarde terecht te komen. Ze moeten regenereren zodat anderen troost en hoop kunnen putten uit andere levens, al dan niet teneinde geleefde. Een beetje zoals regenwater dat blindelings rondzwerft in een wolk, om dan toch op het ene of andere moment in dorstige aarde terecht te komen.

 

Omdat regenvlagen soms lang op zich laten wachten, vraag je te leen, en krijg je geleend, een groot aantal gedichten: een keuze van wat de laatste jaren in verscheidene literaire tijdschriften, door zeer verschillende auteurs gepubliceerd werd. Opnieuw een groot aantal verzen waar je met spanning naar uitkijkt, ondanks de vorige teleurstelling. Je denkt: al was er maar één bij. Eén vers dat je hele wezen omwoelt. Eén dat je treft als een lichtstraal, of een zweepslag, of als een gloeiende pook, om het even. Zolang je maar voelt dat je hart en hersenen nog uitstekend werken.


Je bent geraakt. En wel door het lezen van het gedicht ‘Onderweg’ van Stefan Hertmans. Het omschrijft hoe een kleine overreden vogel op de weg een mens diep nadenken doet. Alsof je hem adem inblaast gaat hij onmiddellijk in je verder leven. De in beeld gebrachte verlatenheid omschrijft bovendien ook het innigste en diepste wezen van de dichter zelf. Omdat je je inleeft, en meeleeft, word je direct betrokken bij de gebeurtenis, én bij de bebloede dode vogel én bij de vraag die de dichter zich stelt omtrent de dood. Je wordt geconfronteerd met de nietigheid van het leven, tezelfdertijd krijg je meer inzicht.

Hoe valt te verklaren dat ik me soms onredelijk verdrietig voel sinds die kleine vogel mijn gevoelswereld binnengedrongen is. Ligt het aan het gedicht of ligt het aan mezelf? Waarschijnlijk is het te wijten aan de laatste regels van het gedicht waarin alles gezegd is:

Heb je je dode ik ooit

zo verheven in verlopend leven

weten overgaan?

 

 

 

Iris Van de Casteele, 15 mei 1998

 

 

 

DENKEND AAN MIGUEL HERNÁNDEZ


Iemand vraagt waarom ik zo weinig gedichten lees. Waarom? Ik zou het echt niet weten. Misschien omdat ik er zelf schrijf. Misschien omdat ik er zelden toe aangespoord wordt. Misschien worden sommige dichtbundels te onstuimig door critici bejubeld waarvan de inhoud mij al vaker heeft ontgoocheld.

Doch wellicht heb ik genoeg gehad aan mijn eigen levenservaringen om mij verder in te leven in degene waarmee andere dichters nog aan het worstelen zijn. Ik heb er mij doorheen geploegd, gezwoegd, geploeterd, geschreven, gedicht. Ik dacht dat dit ruimschoots volstond om nu volop te genieten van de mij resterende dagen.

Een ander iemand met een andere vraag. Ze klinkt als een verwijt. Hoe komt het dat jullie dichters altijd zo'n verdrietige gedichten schrijven? Ik blijf het antwoord schuldig, het zou toch uitmonden in nietszeggende woorden. Woorden die je gebruikt om geen polemieken uit te lokken, want verdrietige verzen bestaan eigenlijk niet. Wel bestaan er verzen die verwerkt verdriet aantonen en die de lezer op zichzelf betrekt; die hem aan zijn eigen treurige belevenissen herinneren. Gedichten die de verlatenheid palperen, en wel op zodanige wijze waarbij het ego van de dichter weggecijferd is.

Eén ding weet ik met zekerheid: niet de blijdschap heeft mij tot mijn meest gewaardeerde verzen geïnspireerd, of mij het meest in haar greep gehouden. Eerder pijnigende ellende, o.m. de troosteloosheid van een gekapt bos, of de weerloosheid van een mishandeld dier, maar vooral het niet te harden leed van de medemens dat bijna niet te vatten is in gewone woorden, laat staan in gedichten.
 

Weerloosheid en verlatenheid omzetten in pakkende verzen, schijnt de onoverzichtelijke schrijvende massa niet aan te kunnen. Het draait meestal uit op egocentrisch gejammer en zelfbeklag. Wanneer altruisme en diepere lagen ontbreken heeft het geen zin te blijven boren naar bronwater. Men blijft achter met ongeleste dorst omdat het geschrevene het voornaamste mist, namelijk de essentie die poëzie heet.

Je moet al een soort zesde zintuig bezitten om uitgelezen verzen op het spoor te komen.
Ze moeten als vanzelf naar je toekomen; je zogezegd in de handen vallen. Zoals het gedicht Carta van Miguel Hernández dat mij per ‘toeval’ als vanzelf vond. Nadat ik de biografie van deze dichter las, en zijn veelzijdig dichtwerk, voel ik me sterk verbonden met de man en zijn doorleefde, levensechte, tragische poëzie. Ik voel me diep doordrongen van haar essentie die mijn ziel blootlegt tegelijk met die van Hernández zelf.

Jammer dat hij de tijd niet heeft gekregen om zijn eigen biografie te schrijven, zeker zou ze eveneens ‘De slagen zijn geteld’ geheten hebben.
Nergens een jammerklacht. Nergens gehuil ondanks het leven dat harder toesloeg dan het ooit verwoord zou kunnen worden.


Miguel Hernández,  1910-1942

Iris Van de Casteele -  15 mei 2010

 

 

BERGEN BEKLIMMEN
cursiefjes en vertellingen

01. IK SCHRIJF GOEDE GEDICHTEN
02. IN MEMORIAM CHE SYMI
03. EEN VURIGE ZIEL

04. EEN BEETJE FILOSOFEREN

05. LOFLIED VOOR MIJN SAMOE’OE
06. SERENADE VOOR EEN STRAATMUS

07. DE REIS VAN DE VOGELS

08. DAT ENE STUKJE MOS
09.
PLUK DE ‘BLAUWE’ DAG

10. DICHTERS EN HUN GEDACHTEN

11. HET SUBLIEME VAN HET LELIJKE

12. EEN HUIS DAT LIEFDE HEET

13. VERLIEFD TOT OVER DE OREN
14. WAT EEN TAKJE TIJM VERMAG
15.
VOOR WIE JONG VAN HART
16.
VERLIEFD OP CAPITÀN MIRANDA

17. HOU JIJ VAN PICASSO? 
18.
EVA EN HAAR GESCHRIFTEN
19.
EEN KLEIN WIT MASKER
20.
EEN VEILIGE THUISHAVEN
21. WAT VELEN NIET WETEN
22.
IK HEB NOG HEEL VEEL LIEF
23.
EEN KLEINE DODE VOGEL
24.
DENKEND AAN MIGUEL HERNÁNDEZ