DENKEND AAN
ADRIËN
Soms weet je niet goed hoe
een cursiefje beginnen. Je hoofd zit vol gedachten. Het lijken wel tingelende
klokjes. Hun muziek kan je soms aardig in stemming brengen. Van zodra er ééntje
zijn toon boven de andere verheft heb je de draad beet. In je hoofd gaat het
bloeien, een gedachtewolk stijgt in je op. Je denkt aan appelbomen en aan
forsythia’s die in volle bloei staan. Er vloeit zoveel licht door de gaarden
dat je jezelf als een lichtvlek ziet. Alles is zo helder alsof er geen gure
wintervingers over je hart gingen. Alsof er geen bijtende koude bestond
waartegen je optornen moest.
Wat lente
allemaal vermag. Je neemt je wagen, je haalt een paar dames op, en je toert er
de hele namiddag mee rond. Je gaat een ijsje eten. Je praat over alles en nog
wat. Je zingt zelfs nu en dan een kleine strofe omdat het lente is. Zo beland
je bij de appels, en bij een vreemde vogel die met je gedachten speelt. Hij
brengt je naar een ingebeelde appelboomgaard waarin een vrouw die niet weet of
de fruitplukker ooit nog voorbij zal komen. Het ziet er niet naar uit.
Waarschijnlijk zullen de appels, precies als vorige jaren, in het gras
terechtkomen om er weg te liggen rotten.
Al zou je aan niets anders dan aan appels en appelbomen willen denken, je moet
je gedachten bij de auto houden. Er moet bijgetankt worden en de houder van je
achteruitkijkspiegel dient dringend hersteld. Je stopt bij de twee
benzinepompen. Ze zijn weg, ook de eigenares. De garage en de garagist zijn er
goddank nog. Hoe de man heet? Hij zegt, Adrien. Je ziet meteen dat hij een
goede ziel is. Hij rekt zijn moe gewerkt lijf nog eens extra uit om die
spiegelhouder te bekijken. Terwijl hij daar zo staat te peinzen denk je: hoe komt
het dat die man alles afweet van zo'n spiegelhouder. Aan een wagen zitten
duizenden vijzen en onderdelen waar hij op de hoogte moet van zijn.
Moet er een
nieuwe spiegel komen? Hoeveel gaat dat kosten? Een paar honderd euro? Ik maak
me zorgen want ik heb ze niet op zak. Maar Adrien kan gedachten lezen. Hij gaat
naar zijn werkbank en wenkt me naderbij. Hij zal de houder repareren. Terwijl
ik het ding stevig met beide handen vasthoud, boort hij een gaatje dwars door
het pvc en draait er een vijsje in. Hij vertelt over de benzinepompen en over
de vroegere bazin die er tegelijk met hen vandoor ging. Ik luister aandachtig
terwijl hij verder werkt.
Je kijkt naar die moegewerkte man; naar zijn gekneusde handen waaraan oliën en
vetten kleven. Je zou ze uit pure naastenliefde graag even willen vasthouden
opdat hij zou begrijpen dat zijn bekommernissen en zijn grieven je niet
onverschillig laten. Van zijn eerlijk verweerd gezicht lees je zijn kopzorgen
af, maar zijn ogen kijken vriendelijk. Hij doet je denken aan een appel waarin
je zou willen bijten tot op het klokhuis, want daar moet zijn gouden hart zo
ongeveer zitten.
De spiegel wordt
netjes aangeschroefd. Alles past prima. Je ademt opgelucht. “Hoeveel ben ik je
schuldig?" vraag je. 'Niets' zegt hij. Je gelooft je oren niet. 'Niets',
herhaalt hij nadrukkelijk. Je denkt aan het verbruik van zijn lampen, aan de
elektriciteit van zijn boor, aan het vijsje, aan de sleet van zijn overall. Je
denkt aan zijn onbetaalde overuren, vooral aan zijn handen vol eelt, en aan zijn
vermoeide rug die hij nog eens extra voor je recht trok om je uit de nood te
helpen. Je weet niet goed hoé of met wat of wanneer je hem zult vergoeden, maar
je neemt je voor het niet té lang te zullen uitstellen.
De reis zit er
op. Je kreeg water aangeboden en je hebt water gedronken. Eén ding zou je wel
heel vlug moeten leren: hoe drink je water zonder aan bloeiende appelgaarden of
aan blozende appels te denken? Want van zodra dat éne klokje in je hoofd gaat
tingelen zijn ze er weer die bloesems en die lentekriebels. Misschien zal één
van die andere duizenden klokjes je ooit vertellen hoé en wannéér je uit die
boomgaard best zou gaan verhuizen. Intussen doe je maar alsof je heel normaal
bent, ook al duizelen duizend duizelingen tegelijk in je hoofd.
© Iris Van de Casteele