HET ZOUT DER
AARDE
Het regent pijpenstelen. Precies op het moment dat je naar de kapster wil gaat
het stortregenen. Het is een bui zoals er zelden één uit de hemel valt, met van
dat water dat achteraf in de plassen blaasjes ligt te blazen, die zeven
opeenvolgende dagen regen voorspellen. Ver weg ben je met je gedachten, daarom
deins je terug wanneer je de voordeur opentrekt. Niet alleen regen maar ook een
felle windvlaag slaan je in 't gezicht. 't Zal weer een dagje gaan worden. Eén
van die dagen waarin je 't gevoel hebt de hele bloeiende lente en de hele
daarop volgende heerlijke zomer te zullen verzuimen. Een schoon vol jaar,
waarin weeral eens niets zal gebeuren.
De kapster stelt dé vraag. Wat 'n weer, hé? Ja, 't regent geweldig. Een
langdradig antwoord heeft ze niet verwacht want ze draait zich om en zoekt de
spelden bijeen voor de permanent wave. Zelf rommel je wat in een stapeltje
tijdschriften. Omdat geen gesprek op gang komt, begin je te lezen, o.a.
lezersbrieven: die interesseren je. Eén ervan bevestigt datgene wat algemeen
geweten is; namelijk dat heel wat manwijven hun gepijnigde wederhelft geregeld
een pandoering geven. Hetgeen je echter niét wist onthult een gynaecologenmedisch
seksuoloog. Ze beweert dat mensenparen boven de vijftig nog een lang en
gelukkig seksleven beschoren is. Aangezien de medisch betrouwbare bron een
vrouw is die een dokterstitel op zak heeft, en het haarfijn uitlegt, zou je
haar moeten geloven. Maar je gelooft haar niet.
Je bladerde te vlug want vlak daarvoor staat een artikel afgedrukt over zout
waar je helemaal in opgaat. Eindelijk een geschrift waarmee je iets kunt
aanvangen want zout geeft, zoals iedereen weet, pit aan de vlam, en behoedt voor
bederf. Zout zijn, is smaakgever zijn in een soms smaakloze en fletse
samenleving, zo staat het er. Zout zijn? Smaakgever?
Wat ik weet is dat zout de mens leert omgaan met pijn. Van zodra de korrels op
de open wonde zijn gestrooid, staan ze voorgoed in je geheugen gegrift. Wie als
kind zijn ontstoken keel heeft moeten gorgelen met pekel, zal zich later wel
meer dan één beeld vormen van zout.
Zoals dat ene beeld dat je je herinnert alsof 't gisteren zou zijn gebeurd. Je
was een jaar of negen. Terwijl je langs beken en grachten de waterkikvors en
soms een salamandertje observeerde, was er altijd wel één van de buurjongens
die het geweldig vond met een handvol zout voor de dag te komen. Terwijl je,
als zomerse tijdverdrijving, nietsvermoedend een maagdelijk kroontje van biezen
en madeliefjes vlocht, waren een paar kwajongens keukenzout in hun broekzak aan
het vergaren. Daarmee kwamen ze dan voor de dag wanneer je geen zin had om
plezierige spelletjes met hen te spelen, zoals haasje-over springen, of rennen
om ter vlugst tot aan de eerste van de twee eiken vlak bij het sparrenbos.
Ze gingen dan heel dicht in de buurt van je eigen gezelligheid zitten, alsof ze
er op uit waren je te betrekken bij dingen die je achteraf in snikken deden
losbarsten. Van zodra ze het slijmspoor van de slakken ontdekten, kon je er van
op aan dat je snotterend en wenend naar huis zou lopen. Nog eer je het in de
gaten had vloog een grote waaier zout over de dierenlijfjes. En of dat nog niet
volstond bestrooiden ze de tere ruggen nog eens extra. Je zou voor minder
madeliefjes en biezen in de steek laten. Misschien hebben de boze manwijven hun
wrok ooit bij zulke kwajongens opgedaan?
Het krachtig zout deed zijn best. Wanneer je 's anderdaags de slakken in je
eentje ging begraven vond je niet veel meer dan een taai uitgedroogd vel. Niets
bleef over van hun glanzende huid noch van hun uitstekende horentjes. 't Was
zielig om te zien. Je voelde het zout branden daar waar de traantjes liepen; op
je gloeiende wangen en op je stukgebeten lippen. Ze lieten heel wat sporen na.
Onzichtbare.
© Iris Van de Casteele