KLAPROZEN IN HET LICHT

cursiefjes en vertellingen

 

 

 

         Foto: Krijn Dijsksma

 

 

 

Soms vraagt men zich af waarom iemand die innerlijk sterk is, het altijd zoekt bij de teleurgestelde, de zwakkere, de misdeelde, de opgejaagde, de gekwelde, en bij zoveel mensen méér die het om vele uiteenlopende redenen moeilijk hebben. Waarom niet aanleunen bij de sterke, de gelukzalige, de onbekommerde? Goede vraag. Wellicht is er in elk van die mensen iets dat je aanzet tot nadenken van hoe het ánders zou kunnen. Van hoe je het anders zou willen vooral voor hen.  IVdC

 

 

DE GROTE VERWOESTING

 

Alles staat in de sterren geschreven. Zo stond het ook in de sterren geschreven dat ik gedichten zou schrijven. Deze waarheid ontdekte ik toen ik nog geen negen was. Mijn inspiratie deed ik op gezeten op de stenen rand van het Ede riviertje dat ruisend door het ongeschonden landschap trok.

Het hele gezin was pas verplicht verhuisd, weg uit de bossen van de Zandakkers waar ik het levenslicht zag. Niet alleen de prachtige sparrenbossen werden gekapt waarin ik was opgegroeid; ook de grond eromheen, waar de Hollanders hun veelkleurige tulpen en narcissen kweekten, werd verbeurd verklaard. Een militair vliegveld werd aangelegd. Ons huisje -samen met andere huisjes en boerderijtjes- moest wijken; werd met de grond gelijk gemaakt.

Na zoveel jaren ervaar ik dat nog altijd als de grootste verwoesting in mijn leven. Nooit kwam ik ze echt te boven. Wij kregen een voorlopige woonplaats toegewezen en kwamen op de afgelegen Campelberg terecht. Gedurende jaren heb ik heimelijk geweend en getreurd om mijn sparappels, mijn paddestoelen en mijn paasbloemen. Hoe ik ook telkens weer voedsel weigerde en bleekjes en graatmager werd, het heeft niet geholpen, ze bleven voorgoed weg.

Troost zoekend bij het riviertje ben ik beginnen dichten. Zijn water is wel heel diep in mijn hart blijven ruisen, want later schreef ik nog drie gedichten met de veelzeggende titels Winterbeek, De zoete Beke, en Binnenwater. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mijn leven een zoektocht is geworden naar een onachterhaalbare bron. Het werd een langzame, moeizame verkenning van vreemde bochten en kronkels, waarbij ik meer dan eens gehavend en gekneusd uit het avontuur kwam. 

Ik kwam terecht op de vreemdste plaatsen, verbleef een tijdje onder de vreemdste mensen, tot ik weer verder gedreven werd. De drang werd dwang. Een uitputtende, onophoudelijke zoektocht. Boeken verslond ik met hopen, tot ik op zekere dag besefte, dat er verder niets in te lezen stond dan hetgeen ik onderwijl aanvoelde, tegelijk beseffend dat niets opweegt tegen vrijheid van geest, spontaniteit en creativiteit. Dingen waarmee ik mij kan vereenzelvigen.

Op een paar uitzonderingen na, heeft het gedachtegoed van anderen weinig invloed gehad op mijn manier van denken en leven. Wel boeit mij in hoge mate de leefwijze van mensen die, volgens Westerse begrippen, minder ontwikkeld zijn. Lang en diep heb ik nagedacht over de verbetenheid waarmee zij kampen om hun identiteit te bewaren. Wie het geluk heeft te mogen leven aan de zijde van één der geniale vertolkers van de ziel van een volk dat alle aderlatingen schijnt te kunnen overleven, weet zijn zelfbewustzijn gesterkt.

Er bestaan nog volkeren waarin ik mij herken; volkeren die tot in het diepste van hun wezen vergroeid zijn met een boomwortel, een steen, een drop water, een zandkorrel. Ze voelen zich één en verbonden met alles wat hen omringt. In het geheim van hun oeroude culturen ligt het geheim van het leven. Meer naar de eigen wortels tasten betekent meer mens worden. Maar ook het woord ‘mens’ heeft veel van zijn betekenis ingeboet want alles wijst erop dat het niet langer de goden zijn die bevelen, verminken en uitroeien. Hoe verder de mens zich van het primaire tijdperk verwijdert, hoe meer destructieve krachten hij ontwikkelt.

Sparappels en paddestoelen ontstaan en vergaan nog altijd op dezelfde wijze als ontelbare eeuwen geleden. De mens in zekere zin allicht ook. Het verschil zit in de groei. Bomen en planten blijven zoeken naar het licht. De moderne mens denkt het niet meer nodig te hebben. In deze donkere tijden verzaakt hij zelfs aan de wegwijzende toorts van degenen die ons zijn voorafgegaan.

 

Iris Van de Casteele, 1989

 

 

 

 

DE PIJN VAN PIJNBOMEN

 

 

De bossen van de Zandakkers zijn voorgoed verdwenen. Alleen mensen van mijn leeftijd kunnen zich wellicht nog dit prachtig stukje natuurgebied herinneren dat zich uitstrekte tot aan de grens van Eetvelde. Sparrenbossen; zover het oog van een kind kan reiken. Daarnaast planterijen en velden vol tulpen en narcissen. Hier en daar een werkmanshuisje en een kleine boerderij: kostbare juweeltjes, glanzend als lichtvlekken op donker tafelhout. Kromme wegels, die overal naartoe schenen te lopen, gaven de bosbewoner een heerlijk gevoel van vrijheid.

Het leven werd gezaaid en uitgedragen op het ritme van de opgaande en ondergaande zon. Wat daartussen lag was de eeuwigheid. De volmaakte oneindigheid. Het bos leefde zoals elk ander levend wezen. Het paste zich aan de seizoenen aan. Na vorst, koude en krakend ijs, tooide de lente zich voorzichtig met jonge knoppen. Voorzichtig; want zelfs tot begin mei konden wind en nachtvorst nog lelijk huishouden. Eindelijk schudde het bos de lethargie van zich af. De pijnbomen stonden in volle meibloei. Het mulle zand op de wegels lag te blaken in de zon. Het roodgele kleed van tulpen en narcissen lag als een zijden sjaal rond de hals van de wereld. Die van de bosbewoner. De mijne.

Toen reeds was ik tot in het diepst van mijn ziel getekend en vergroeid met alles wat ik gadesloeg. Zelf jong scheutje opduikend uit de humus naast paddestoelen, varens en andere planten. Het naar lichtzoekende kleine ding dat de nodige kracht haalde uit de dunne zonnestralen om ze door te geven aan de groeiende wortels. Het was in die tijd dat ik mij begon te interesseren in de leefgewoonten van de dieren, vooral in deze van de insecten. Degene die mij het meest boeiden waren de spin en de mier. De spin om haar oneindig geduld en haar grote gave in het weven van kunstwerken. De sjouwende mier die nooit opgaf, zelfs als er obstakels op haar weg lagen; haar vindingrijkheid scheen onuitputtelijk.

Uren achtereen kon ik stilzitten en kijken hoe alles om mij heen bewoog: het fladderen van vogels, het wiegen van de takken, het kruipen van de insecten. Geluiden die ik opving uit het bos bleven nagalmen en nazinderen in mijn diepste ik. Eén met de elementen aarde, lucht, water en vuur was ik microkosmos van de macroschepping. Zelf aarde, ademde ik lucht, dronk water, liep op blote voeten over het gloeiend zand van de landwegels. Acht jaar. Mensje. Scheutje. Pijnboompje.

Geen weet hebben van wat er zich achter de horizon afspeelt. Geen andere kennis dan deze van het bos, van het dier; van zijn natuurlijke wreedheid en grootheid. Doden om in leven te blijven. Eten om te kunnen leven. Ik zag hoe alle wezens op elkanders leef- en groeiwijze afgestemd waren. Niets scheen mij te ontgaan. Ik was, samen met alles wat mij omringde, als het ware volkomen vergroeid.

Helaas. Niet langer zou ik leven in volle harmonie met mezelf en met mijn omgeving. Het bos werd gekapt en vertrappeld. De pijnbomen lagen rug aan rug op de vochtige bodem. Gekneusd. De vele vogels verdwenen. De spin zocht haar toevlucht onder het afdak van een nog rechtopstaande varen. De velden werden vernield. De raffia, waarmee de bloemen bijeen gebonden werden, kreeg een heel andere betekenis. Hij was niet langer een vezel die tuiltjes lentevreugde bijeenhield, veel meer werd hij het symbool van verwoesting. Een andere wereld -een technische- was in wording. In een tijdspanne van enkele weken verdween alles wat zich tot dan toe harmonisch samengevoegd had. De jonge scheut werd verplant. Groeide groot. Bleef in leven. Als door een wonder had ze de helende kracht van het bos in zich opgezogen.

Nu groeit er, diep in het land, een alleenstaande pijnboom waarin de specht tot op het spint de scherpe bek heeft geboord. Soms, als de wind over de Zandakkers waait, voel ik hoe zwaar de pijn van de pijnbomen zich neerlegt op mijn gemoed. Dan zoek ik met bevende vingers een klein toefje mos; het laatste dat zich vasthecht aan een verregende muur.

 

Iris Van de Casteele, 1990

 

 

 

 

EEN PAAR RODE KLOEFKES

 

Communiefeesten roepen bij mij een niet mis te duiden nostalgie op, want ook ik liep ooit in een lang, wit kleed. Elf was ik. Daarvan kon ik er mij acht herinneren tijdens dewelke ik altijd mijn uiterste best had gedaan om bij de vlijtigsten en de eersten te zijn. Dat was mij niet slecht gelukt: er zaten vele beduimelde punten in het houten kistje, diep in de schoolbank. Daar wist ik ze veilig. Het jaar dat ik mijn plechtige communie zou doen zaten er nog een hoop meer in dan gewoonlijk.

De hele winter was ik elke morgen - op mijn rode kloefjes- naar de eerste mis gerend: een half uur heen, een half uur terug, vlug een boterham binnengeslikt dan naar school. Weer een half uur rennen. Tussen de middag nog eens over en weer en om vier uur voor de laatste keer dezelfde weg. Alles bijeen zes keer een half uur door de bitterste koude op zeer jonge en zeer kleine benen. Offers moest men brengen. Verstervingen doen. Vasten. Af en toe deed ik ongezien het kistje open. De punten voelden warm aan. Dat deed mijn kinderhart ongelooflijk veel deugd. Het gaf mij een gevoel van bemind zijn. Niet alleen door het Zusterke maar ook door Iemand die we met blijheid bezongen als "onze beste Vriend": de Eerste en de meest Onvoorstelbare. Het Mysterie was binnengeslopen in mijn jonge ziel.

De dag brak aan dat ik Hém plechtig op de tong en in het hart zou ontvangen. De dag van het lange, witte kleed. Eén dagje zou ik er uitzien als de onschuldige engel die ik was. De grote kartonnen doos werd van moeders kleerkast gehaald. Het communiekleed, ooit nieuw gekocht, en vijf jaar voordien gedragen door mijn oudste zus, zag er pasabel uit. Mooi was anders. Het vergeelde wit deed me een traantje wegpinken doch er stonden ons grotere tegenslagen te wachten. De eerste ramp heette "brood".

Na lang en veel zorgzaam ziften hadden mijn ouders het witte meel aan de bakker toevertrouwd. Brood van bij de bakker -al ging het om ons eigen meel- was veel feestelijker dan dat uit eigen oven. Nooit vergeet ik moeders geschrei en geween de dag voor het feest zou beginnen. Toen mijn oudste broer de versgebakken broden uit de jutezak schudde, rolden ze over de vloer en braken in twee. Wat we zagen waren donkere brokken, waar niet het minste beetje wit aan te pas kwam. De bakker had het meel voor zichzelf behouden en ons bedot met boekweitbrood. Moeder, die de zondag daarop ons jongste broertje ter wereld zou brengen, bleef met roodgeweende ogen de hele dag ontroostbaar.

Het was volop oorlog. Met één schoenenbon viel niet te kiezen. Het werden bruine schoenen, voor 's anderdaags, voor de maandagmis, en voor alle zondagen die daarop zouden volgen. Een lang opgeschoten buurmeisje leende me gewillig haar witte, vergeelde schoenen die al twee jaar op een uitstap stonden te wachten. Ze pasten wonderbaar bij het geel verschoten kleed. Met dikke wattenproppen op de teentoppen vertrok ik naar de kerk. Alleen. Nadat ik ontelbare keren op het té lange kleed had getrapt, met de té grote schoenen, schoot er een grote brok in mijn keel. Ik dacht aan de verzamelde punten waarvoor ik me zo hard buiten adem had gerend. Ik dacht met weemoed aan mijn rode kloefkes.

Hoe ik ze met grote opluchting in de hoek had gesmeten; geruild had voor een paar grote, opzichtige, witte schoenen die niets anders deden dan moeizaam tjiftjaffen. Hoezeer miste ik het ritme en het gekleffer van het warme hout. Hoe hevig verlangde ik opeens naar het felle rood met de witte bloem erin gesneden. Mijn dierbare, rode kloefkes, die ik op de mooiste dag van mijn leven verraden had.

In de namiddag ging het opnieuw kerkwaarts. Weer alleen. De grote, witte schoenen stonden stijf in hun kartonnen doos onderaan de trap. De kloefkes (klompjes of klobberkes) stonden er bovenop. Hun felle blos verrichtte wonderen. In mijn lang, geel verschoten wit kleed, en met mijn bruine schoenen aan, voelde ik mij opeens oneindig rijk, denkend aan de bijeen gespaarde punten, diep in de schoolbank.

Veel van mijn wilskracht heb ik wellicht aan het kistje met de beduimelde punten te danken. En veel van mijn innerlijke warmte aan de klompjes; aan het vuurrode, warme, levende hout.

 

Iris Van de Casteele, 1990

 

 

 

 

EEN SAFFRAANGEEL VEERTJE

Tussen al mijn kostbaarheden bevindt zich een saffraangeel veertje dat ik als een relikwie bewaar. Het lijkt wel of de dorst van het vogeltje er zijn weg heeft in gevonden. Vogelveertjes zijn voor mij een symbool van tederheid, van zuiver zingen en snavelen. Ja, snavelen, of gezellig omgaan met uitzonderlijke mensen; met vrienden, die een aparte plaats in mijn hart bekleden.

Degenen die mij kennen weten van de vogelblijdschap die mijn hart bewoont. Ik denk dat ze iets te maken heeft met de zalige uren die ik in mijn prilste jeugd aan grootvaders zijde mocht doorbrengen. Zittend op een mals tapijt van jonge grassprieten, keek ik toe hoe hij achter paard en ploeg in de dampende voren stapte.

In mijn vroegste kindertijd bestonden nog weidse, lange zomers met blakende zon en af en toe een warme regenvlaag. Wanneer de hemel opklaarde gingen de vogels aan het fluiten met velen tegelijk, het wemelde langs alle kanten en het was geen zeldzaamheid een leeuwerik te zien opstijgen die ik met verlangende ogen nakeek.

Grootvader hield van vogels. Hij deed niets liever dan hun zang nabootsen en met hen wedijveren. Op het middaguur gingen we naar huis voor de warme maaltijd om kort daarop terug te keren naar de kleine akker waar het zwaar labeur herbegon. Terwijl de vers opengebroken aarde geurde en herademde, liep ik langs de vochtige grachten en plukte zurkel, deed de smakelijke groente in een netzak en wachtte geduldig tot grootvader, precies om vier uur, naar de zon zou kijken, luidkeels het paard toeroepend âââûûw.

In de schaduw van een elskant mocht het zijn welverdiende rust genieten. Grootvader kwam naast me zitten, daar, waar we de akker konden overzien. Hij haalde uit de reticule de lauwe aluminium koffiekan, wikkelde de boterhammen uit het bruin papier en gaf me mijn deel. We aten smakelijk en zwegen, overweldigd van het schone uitzicht dat Onderdijke ons bood.

De koffiekan lag naast ons in het gras, het papier was opgevouwen en grootvader kauwde op een grasspriet. Dat was het moment waarop ik onrustig werd, want grootvader zou vertellen over de vogels; hij zou hun namen noemen, mij leren kijken naar hun stijgen en dalen en naar hun wijde vleugelslag wanneer ze over ons hoofd wegscheerden in rakelingse vlucht.

Daarna zou hij fluiten. Soms kort en schril, soms langgerekt met hoge en afwisselende tonen. Van de koekoek zou hij vertellen, mij wijzen op het speeksel in het gras, tot de sensuele stilte die tussen ons twee hing langzaam zou verdampen. Lang zou ik kijken naar de gekauwde grasspriet van grootvader en naar het speeksel van de koekoek tot zich iets vochtigs en warms in mij ging nestelen, soms in mijn diepste binnenste, maar meestal in mijn ogen, omdat die nog steeds glansden van de morgendauw.

Af en toe zou ik een veertje vinden, ermee in mijn kleine handen naar grootvader lopen, hem vragend tot welke soort het behoorde. Hij nam de tijd, gunde het paard was rust, en vertelde van de ene of andere vogel, wanneer en waar hij broedde, of zijn eitjes gespikkeld waren of niet. Van windeieren bracht hij me op de hoogte en van geroofde nesten. Van de kloppende specht vertelde hij het liefst. Hoe hij, een gat in de boom borend, om zich heen keek, schichtig, tot hij zijn taak had volbracht.

 

Deze onuitwisbare herinneringen bewaren en ze vereeuwigen op de ene of andere manier, lijkt mij een heilige opgave. Alsof ze nooit uit mijn leven verdwenen zijn, denk ik dikwijls aan grootvader en aan zijn vele zomervogels; mijn onvervangbare, verre vrienden. Soms valt er een veertje uit de lucht, zomaar in mijn hand, alsof het mij wil wijzen op de tederheid die me ooit bewoonde, die er ergens nog is, maar soms geen nestje meer vindt.

 

Iris Van de Casteele, 1991

 

 

 

 

PORTRET VAN EEN VROUW


Met herinneringen ophalen uit hun kinderjaren hebben de meeste mensen geen moeite tenzij ze volgepropt zitten met allerhande pillen in allerhande homes. Maar bij wie er zelfs niet aan denkt zich bij die ouderen te zullen (moeten) voegen, komen de beelden des te levendiger tevoorschijn. Al naargelang je een heldere geest bezit zijn ze waarneembaar: het dorp, de buurmeisjes, de schooljongens, de school, de leraressen, de leraars. Je hebt het allemaal gekend, en je weet nog precies hoe de dingen eruit zagen bijna zeven decennia geleden.

Je herinnert je hoe je er zelf uitzag: klein en ondervoed. Doch dat ondervoed zijn had je aan jezelf te danken. Doodsimpel lagen de dingen. Je lustte geen aardappelen met ajuinsaus; de reuk alleen al wurgde er alles meteen weer uit. En je kreeg geen snede brood voorgezet omdat je die aardappelen liet staan. Wat je 's middags niet at, werd 's avonds koud uit de inbouwkast gehaald. Je had twee keuzes: ofwel at je dat bord leeg, ofwel ging je hongerig naar bed. Je koos altijd voor een lege maag, die bezorgde je heel wat minder last.

Goed dat je langs de velden naar school liep en er 's winters rapen en wortelen te eten vielen, en 's zomers in de gaarden appelen, peren en pruimen. Soms plukte je stiekem een paar aardbeien, ze groeiden binnen handbereik Je zou zelfs tomaten eten maar er echt van houden zou je niet. Nee, verhongeren kon je niet. Aan honger went men. En wat mijn eigen honger betrof: die was komen opduiken toen de bossen van de Zandakkers werden gekapt. Toen ik één klap mijn kinderwereld vernietigd werd. Ik hoefde geen aardappelen, ik had teveel verdriet om mijn sparappelen. Nooit heb ik kunnen achterhalen waarom ik die twee dingen tegen elkaar heb afgewogen.

Toen mijn kinderleed één van zijn hoogtepunten had bereikt, was de tijd gekomen om van Juffrouw Marja les te krijgen. Ze sloot me meteen in haar hart. Ze herkende allicht veel van haar eigen humor die ik als kind al aan de dag legde. Niet dat ze dat met zoveel woorden zou gezegd hebben, nee. Gesproken werd over die dingen niet. Was ook niet nodig. Je kon de genegenheid zo van haar ogen aflezen; ze spraken boekdelen. Ze had een goedgeefs hart voor ál haar leerlingen. En hoé ze ons verwende! Zo kreeg ze het gedaan dat we, van zodra de warme dagen aanbraken, naar buiten mochten. Niet gaan spelen op de schoolkoertje, nee. Ze deed het achterpoortje open, langs daar mochten we mee met haar naar de Watergang, en langs daar naar de veldwegels, waar we ons buiten adem renden, en zo hard riepen en lachten dat horen en zien verging.

Doch mooie liedjes blijven niet duren. Juffrouw Marja werd té graag gezien, en dat 'graag gezien worden' werd beschouwd als zonde. De lerares had zich aan te passen, en haar leerlingen tuchtvol binnen te houden. Van een strenge Moeder Overste kreeg ze de volle lading, terwijl wij beteuterd in een andere richting keken. Ik denk dat ik toen, op dat precieze moment, voor het eerst kennis gemaakt heb met een gevoel dat vernedering heet. Niet dat het mezelf betrof, maar je kon na dit voorval de pijn zó aflezen van het gezicht van onze lerares. Na zoveel jaren kan ik mij haar vochtige ogen nog heel goed herinneren.

Toch zouden er weldra gouden dagen aanbreken; voor mij althans brak een heel andere tijd aan. Ik bezocht niet langer de dorpsschool maar een hoger gequoteerde school in een aanpalende gemeente. Gedaan met koude aardappelen en ajuinsaus.

Zielsgelukkig was ik wanneer ik in het chique salon, bij de juffrouw thuis, voor de glanzende zwarte piano mocht gaan zitten, en een paar noten spelen, doch verder dan een paar do-re-mi-fa-sol-klanken heb ik het nooit gebracht.

(Maria De Baets 1910 – 1955)

Iris Van de Casteele - De Poëzietuin 1990

Uit het autobiografisch boek ‘De slagen zijn geteld’ 2003.

 

OUDE TIJD EN PUBERTEIT

Toen ik al bijna dertien was, en van de gemeenteschool naar een hoger gequoteerde ging, schreef ik nog steeds naar Nonkel Bob. Deze kindervriend verzorgde zijn Kinderhoekje in het Gentse weekblad
De Landwacht (subtitel: Kopblad van De Gentenaar voor de buitenmensen) !!!
Hij bezat een foto van mij en kende mijn hele levensverhaal en mijn zielshunkeringen.

Nadat hij een gedichtje van mij gepubliceerd had, begon hij mij persoonlijk aan te schrijven omdat ik met dertien te oud was geworden voor het Kinderhoekje. Hij schreef me om me te troosten, maar vooral om me aan te moedigen. Bij hem kon ik al mijn zorgen kwijt.
Al mijn hoop op beter lag toen in die briefvriendschap besloten. Bij één van zijn brieven stak een foto. De tijd van verliefd worden was aangebroken. Nonkel Bob was de eerste die mijn onschuldig hart binnendrong, of liever datgene wat op de foto te zien was: een goeduitziende jonge man.

Nu had ik eindelijk iets waaraan ik mij kon hechten. Iets, of liever iemand, waarop ik tot over de oren verliefd werd. Hij schreef een brief waarin stond dat er de volgende zondagnamiddag een feest zou doorgaan, in Ledeberg bij Gent, waartoe alle kinderen uitgenodigd waren. Mijn hart klopte razendsnel bij dat goede nieuws. Hoe het aan boord leggen dat ik daarheen mocht? Ik wist bij voorbaat dat het niet zou mogen, daarom zweeg ik wijselijk en zocht naar een uitweg.

Omdat ik aangesloten was bij een jeugdvereniging, en er af en toe op zondag vergaderd werd, leek het een oplossing. Mijn eerste noodleugen kwam er aan.
Ik zou naar vespers en lof gaan, daarna naar de vergadering, dat kon uren duren. Moeder vond het goed. Naar juffrouw Amanda’s vergaderingen mocht ik altijd. Ze was niet alleen de leidster van een groep jonge meisjes, maar tevens een wijze, beminnelijke lerares, geliefd door iedereen in het dorp.


De dag van de grote reis brak aan. 30 kilometer met de stoomtrein die bij elk station stopte, én er diende dan overgestapt in Gent. Mijn hart klopte van vreugde en verwachting; zelden had ik mij zo gelukkig gevoeld. Neuriën deed ik toen ik uit het wagonraampje keek.
Helaas, de reis duurde oneindig lang. Het was al laat in de namiddag toen de trein in de Gentse Damppoort zijn eindstation had bereikt. Tweeënhalfuur had hij er over gedaan om 25 km. af te leggen. De schrik sloeg mij om het hart. Ik voelde de slagen al op mijn hoofd neersuizen.


Ik rekende uit. Het zou nog uren duren eer ik thuis zou komen; naar Ledeberg verder reizen was uitgesloten. Het werd wachten op de volgende trein en moedig de terugreis aanvatten. Toen ik van de trein stapte was het 20u en donkere winteravond. Vespers, lof en vergadering duurden hoogstens drie uur doch nu was ik al zes volle uren onderweg. Met bonzend hart naderde ik de voordeur. Doodsangst uitstaande riep ik vanop de straat, zo luid ik kon:
Bedankt, Amanda, goeienavond.
Ik wachtte een paar seconden en ging daarna binnen.

Moeder keek op en vroeg:
Naar wie waart gij daar aan het roepen?
Naar Amanda, moeder.
Waarom hebt gij haar niet mee binnen gevraagd?
Omdat het laat geworden is, ze moet nog een ander meisje naar huis begeleiden.

Mijn tweede noodleugen op één dag; het moge mij vergeven worden, mij jonge zondares. Moeder las verder in haar spannend Ivanovke; haar geliefd wekelijks romannetje. Er viel een zware steen van mijn hart. Er wachtten mij brood en kaas op tafel en hete koffie op de stoof.

 
Iris Van de Casteele - 1989




GEWORTELD IN HET MEETJESLAND


Het is een mooie, warme lentedag en vroege namiddag. Het groen kruipt zacht vanonder de jonge varens. Er is alweer ten allen kante vogelgekwetter en getsjirp. Terwijl de zon aan het dalen is rijden duizenden auto’s terug naar de stad, weg van de kust. Er is haast mee gemoeid. In tegenovergestelde richting ligt de brede autosnelweg als verlaten.

 

Na de afrit Aalter komt het knooppunt met aan de ene kant Ursel. Langs de andere kant gaat het naar Lotenhulle en Tielt. Er moet gekozen worden. Het wordt Ursel met zijn geschonden bossen en zijn omver gewaaide bomen, want de storm heeft de laatste dagen ook hier hevig gewoed. De reuzen liggen geveld door geweld. Voor een ontwortelde mens een zielig zicht.

De uitgerukte wortels lijken zonnewielen, het is alsof ze een vlucht willen wagen naar het volle licht eer de memel een onhoorbaar einde zal maken aan wat nu nog stevig hout is. Binnen enkele jaren zal er van de weggevreten reuzen niets overblijven dan vruchtbare humus; allerhande klein gedierte zal er zijn weg in vinden. Ze hebben bij het omvallen, dankbaar voor het schone leven dat ze geleefd hebben, hun ineengestrengelde wortels de hemel toevertrouwd.
In volle overgave liggen ze naar de zon gekeerd. Winterse aarde klampt er zich aan vast. De geur ervan laat zich door lentegeruis vertederen en verwarmen.

Diep in de aarde ontstaat alweer nieuw leven. Een dun scheutje van een omgevallen boom vecht zich een plekje vrij, onopvallend, voorbij aan wilde kamperfoelie en ginster. Hoe wonderbaarlijk en aangrijpend toch dit nietig ding dat zich zal moeten proberen te handhaven tussen eik en beuk. Het vertoont nog niet eens de vorm van boom of struik, maar binnen een halve eeuw zal het boven de weiden en de akkers uitkijken; zeewaarts en landinwaarts. Het zal zich vrijgevochten hebben.

 

Het gasthof gonst van het volk: boeren en dichters. Hier hebben ze hun plek. Gezegend land waar nog plaats is voor boom en mens, al dan niet gekneusd. Een eind verderop begint de wandeltocht. Tussen oude karrensporen en halfvergane bermen wordt het moeilijk lopen. Plots komt een kleine waterplas in zicht. Een kleine oase achter omvergewaaide en nog rechtopstaande bomen. Hier wordt wankel evenwicht hersteld tussen verleden en toekomst. Langs veldbaan, beemdgras en hofstede besnuffelt een mens zijn verleden; wordt speurneus. Op zoek naar wat? Naar de eigen wortels?

Aalter, Ursel, Adegem, Sint-Laureins, Eeklo: het Meetjesland trekt atavistische sporen. Niet aan de wegwijzers moet men zich houden maar aan de groei van bomen. Kijken moet men langs de stam, hem bevoelen. Die éne kruin ontdekken tussen de vele andere kruinen. In gedachten de jonge Egidius zien ploegen, je eigenste oudste, laatst achterhaalde oerovergrootvader. Hem vijfhonderd jaar terug zaad zien zaaien. Hem aarde en hemel zien groeten. Zich in hem herkennen. Weten waar de zon opgaat. Wanneer het maanlicht wandelt. Waarheen de sterren reizen. Weten wanneer de aarde moet worden geploegd. Weten wanneer het zaad dient gezaaid.

 

Het bos staat open voor iedereen. Tijdens de wandeling wordt nagedacht over het komen en gaan van bos en mens. Soms wandelt men alleen. Een enkele keer getweeën. Nog even een hap vooraleer de terugweg aan te vatten. De rode wijn maakt de tongen van de wandelaars los. Het Oost-Vlaams dialect, rijk aan accenten, rijt oude wonden open. Waar zijn de vaders? Ze roepen ons, de doden. Het zal laat worden vannacht eer de bossen zullen zwijgen. En de bomen? Luistert iemand?

 

 

Iris Van de Casteele, 1990

 

 

 

 

EMMA’S LANGE LIJDENSWEG

Grootmoeder, het wordt de hoogste tijd dat ik jouw naam opnieuw in herinnering breng. Het wordt de hoogste tijd dat je gewaden van glanzende zijde gaat dragen: lichtblauwe, knalrode, zachtgele, kies jij maar uit. Dat die zware klompen voorgoed aan de nagel worden gehangen. Dat de donkere lompen waarin je gekleed ging verbrand worden, na bijna een halve eeuw uitgebuit en geestelijk verkracht door het leven te zijn gegaan. Moge de zomerwind de as van jouw armoedig plunje naar de vier windstreken verwaaien en zich verliezen in de tijd.


Wie beter dan ik kent jouw verhaal? Wie beter dan ik kan zich inleven in alles wat je hebt moeten doorstaan? Jouw agonie duurde langer dan een halve dag en de daaropvolgende nacht waarin je je laatste kind zou baren; je had uitzicht op niets dan op een lange lijdensweg die je alleen zou moeten gaan. Wat ging er in je om de laatste maanden vooraleer het laatste van jouw vijf kleine kinderen werd geboren? Heb je je in jezelf gekeerd toen jouw naaste buurman jouw geliefde kippen allemaal de nek omwrong omdat ze een graantje pikten op zijn erf? Kromp je daarom ineen? Heb je hem kunnen vergeven? Is er een andere verklaring waarom je jouw pasgeboren kind niet voeden wou?

Je wou geen gesprekken, je wou je verdriet alleen verwerken, je dacht jezelf te kunnen regenereren. Je kreeg er de tijd niet voor. In een krankzinnigengesticht werd je ingeleverd; de handtekening van de onwetende, ongeschoolde dorpsdokter volstond. Meegenomen werd je door hem. Je zou een tijdje worden ‘vastgezet’: een term die de gemeentebeambte in het grote logboek schreef. Een paar weken rust zouden je goed doen werd jullie verzekerd: jou en grootvader. Jullie kwamen allebei b
edrogen uit. Het werd, en het bleef, ‘Vastzetten’.

Na vier weken opsluiting vroeg je grootvader of je mee mocht naar huis. Het mocht niet. Men had je onder voogdij van de Staat geplaatst; hij, de oppermachtige, de genadeloze, de tot vlees en bloed geworden papiermolen. Hij plette je tot minder dan het stof dat alle nutteloos papier om vrijstelling deed opwaaien. De eerste oorlog kwam er aan. Men verhuisde je naar een verre plek waar zelfs geen boemeltrein heen voerde. Het systeem vergat je. De dorpsdokter vergat je. Uitbesteed werd je aan boeren terwijl jouw eigen vijf kleine kinderen zonder jouw liefde en zorgen moesten opgroeien; één ervan mijn geliefde vader die toen amper zeven was.

Tussen twee wereldoorlogen in zat je geklemd tussen zeven kinderen die de jouwe niet waren. Je bracht ze allemaal groot. Je hanteerde het mes en je sneed brood. Je bewees zware taken op de boerderij aan te kunnen; een bewijs van je herstel dat weggewuifd werd. Je eigen kinderen zou je nooit mogen voeden. Het zouden meer dan vijfenveertig lange jaren worden van uiterlijke miserie en innerlijke nood, ondanks het sporadisch bezoek van je geliefden.

Vaak heb ik aan je gedacht, heel vaak de pijn en het onrecht meegeleden die jou werden aangedaan.
Alsof ik jou geworden ben, alsof ik jou ben, zo onontwarbaar voel ik me met jou verbonden. Aan jouw lange lijdensweg kwam uiteindelijk een einde toen je stierf, nu al meer dan een halve eeuw geleden. Niemand heeft de diepte van je ziel kunnen peilen die tegelijk met jouw geest een korte tijd in nevel was gehuld. Jouw leven als jonge vrouw werd voorgoed de bodem ingeboord toen jouw kakelende huisvrienden, een onbegrijpelijke, gewelddadige dood moesten sterven. Toen de liefde die je voor hen voelde met blote handen werd gewurgd, jij tegelijk de adem werd afgesneden ofschoon je hoogzwanger was.

Zevenendertig was je. Zachtzinnig. Gedwee. Onderworpen ging je de kalvarieberg op. Ofschoon je geest en je ziel de nevel waren ontstegen vergat het ‘systeem’ je jouw vrijheid terug te geven; de verantwoordelijken ‘vergaten’ je. 
Ver van allen die je blijven beminnen stierf je.
Grootmoeder, leer mij jouw kwelgeesten vergeven.

Emma en kleinkind Lea

 

Iris Van de Casteele, 2007

 

 

 

 

POËZIE EN CREATIE 

Is het mogelijk poëzie te verklaren? Er bestaat een anekdote die aan haikudichter Basho wordt toegeschreven, die deze vraag misschien voor een deel beantwoordt.
Heel mijn leven heb ik Zen uitgelegd, en het lijdt geen twijfel dat ik Zen nooit begrepen heb.
En, antwoordde zijn gesprekspartner, hoe kunt u iets uitleggen wat niet bestaat?
Oh, antwoordde Basho, moet ik dat ook nog uitleggen?


Is poëzie definiëren een onmogelijkheid, een utopie, iets wat niet uit te leggen valt? Kun je het leven definiëren? Kun je de dood, de muziek, de liefde definiëren? Pedro Salinas meende dat alle commentaar omtrent poëzie verwijst naar bijbehorende elementen: stijl, vorm, taalbeheersing, gevoelens, maar nooit naar de poëzie zelf. Hij noemt het een tocht naar het Absolute.

Uit een dialoog tussen de Argentijnse dichter Roberto Juarroz en zijn gesprekspartner Guillermo Boido stamt volgend fragment: “De uitleg van wat niet begrijpelijk is, in dit geval de poëzie zelf, is enkel en alleen begrijpelijk langs een uniek verschijnsel om, namelijk dit van het creëren zelf. Het gecreëerde kan enkel verkaard worden door het gecreëerde zoals de liefde enkel te verklaren valt door de liefde. De enige manier om een creatie te ontvangen, eertijds al geschreven, is ze opnieuw creëren, misschien zichzelf creëren tegelijk met haar.”

Ik ben van mening dat poëzie tot op zeker niveau wél te verklaren valt, maar dan moet het avontuur naar het absolute intens beleefd worden door de schepper zelf. Een avontuur dat bestaat uit symbolische bergen bestijgen en symbolische kloven overwinnen, die een mens tijdens zijn levenstocht op zijn weg vindt, met alle inspanningen die daartoe behoren. Vooral uithoudingsvermogen speelt een grote rol tijdens die tochten, die vaak meer een kruisweg gelijken dan een weldoende wandeltocht. Tijdens die ontdekkingstocht naar het ontstaan van wat binnen ons denkvermogen valt, komt langzaam het grote onbekende in zicht; het raadsel kan beetje bij beetje ontraadseld worden. 

Dat de poëzie (niet het dichten zelf) in het oersacrale geworteld zit kan niet ontkend worden. Voor de oningewijde blijft ze een raadsel, een mysterie. Men zou haar kunnen vergelijken met een kostbare diamant die in een filigranen omlijsting dient geplaatst te worden. Vooraf zal die omlijsting precies uitgemeten moeten worden, op minder dan een duizendste van een millimeter na, zodat de steen er veilig in geborgen kan worden. De edelsmid weet dat iemand hem is voorafgegaan; een diamantslijper die de ruwe diamant tot schitterende facetten heeft geslepen, zodat hij nu datgene uitstraalt wat altijd al in zijn kern aanwezig was.

Dat de edelsmid hier de dichter is hoeft geen betoog. Dat hij de ongeëvenaarde diamantslijper noch van naam noch van gezicht kent doet niets ter zake; het zal wel om een buitenaards wezen gaan dat zich niet aan iedereen openbaart. Voor de edelsmid is het van groot belang dat de edelsteen - die ingepast dient te worden in het kader van zijn kunnen - loepzuiver is. Misschien er nog aan toevoegen dat je hem geen valse diamanten voor ogen moet houden; hij zal meteen het echte van het onechte onderscheiden.
 I

 

  Kunstwerk: Bazart - Jet Crielaard

 

 

 

 

OOIT AL GEHOORD VAN KAKASD?

Er zijn dagen heb dat ik er geen zin in heb om te zijn wie ik ben. Eigenlijk zou het moeten heten, ‘dat ik geen zin heb om te zijn wat de andere denkt dat ik ben, of datgene denkt te kennen wat ik ben’. Dat zijn momenten waarop de onzichtbaarheid in mij wakker wordt; dat ze woorden in mijn handen legt zonder ze uit te spreken. Dat ze in mij leeft en beweegt terwijl ze zich een uit weg zoekt om dat verstikkende omhulsel -dat lichaam heet- te kunnen verlaten.

 

Datgene, wat geen naam heeft, geeft me andere ogen, andere oren en een totaal ander gezicht. Niemand bemerkt daar wat van. Alleen ik weet wat er aan de hand is want ik voel me een boom worden die met zijn genetisch geheugen naar zijn wortels tast. Hoeveel dat te maken heeft met de plaats waar ik miljarden jaren voor het eerst geboren werd, weet ik niet. Het woud is er nog steeds, dat weet ik zeker. Ik zag het met mijn eigen ogen. Niemand hoeft mij te geloven. Ik vertel zo maar iets; iets om mezelf te overtuigen dat ik niet gedroomd heb; dat ik echt beleefd heb hetgeen ik ga vertellen over een plek die ik nooit eerder had bezocht.

Luister: ik zag ze, ongelooflijk groene, uitgestrekte dalen. De mensen die er woonden waren niet talrijk daarom leefden ze dicht bij elkaar. Het land waarin de dalen lagen was onmetelijk groot. Om de twee uiteinden van dit land met elkaar te verbinden waren er twee huizen gebouwd, aan ieder uiteinde van het land een huis. Ze waren heel speciaal. Het leken tweelingen. Ze samenvoegen was onmogelijk, daarom liet men een bouwheer komen wiens geest een onuitputtelijke verbeelding bezat.

Een geniale geest, die tussen de tweelingen andere huizen en gebouwen liet ontstaan om de mensen allemaal met elkaar te verbinden. Hij bedacht alle soorten vormen, en de bewoners bouwden alles met hun blote handen, meestal met hout als materiaal, maar ook met leem gemengd met stro. Tussen de woonhuizen stonden huizen met torens, waarin de mensen gingen bidden, en huizen met hoog boven het dak staande een halve maan en een zon als wijzer, waar de mensen samenkwamen om over hun verschillende afstamming te spreken.

 

Het was alsof de huizen zich in het landschap nestelden; alsof ze zo de eeuwigheid wilden ingaan. Niet één bezat de vorm die wij aan onze huizen geven. Eén leek op een arend, wiens wijd gespreide vleugels uit houten veren bestonden, en die de punt van zijn open snavel op het voetpad liet rusten; een open snavel als ingangspoort. Nog een huis leek op een reusachtige borstholte; alle ribben lagen bloot en waren van warm en glanzend hout.

Een ander huis was een reuzenlong waarin de aanwezigen konden afscheid nemen van hun geliefde doden. De stoelen waren navenant; ze hadden allemaal de vorm van een zittende mens. Er was ook een watertoren. Hij geleek op een enorme paddestoel die altijd weer opduikt in fabels en vertellingen. Nog een ander huis bestond uit twee helften van een hart. Door de splitsing kon men naar binnen gaan. Het hart scheen te ademen en alles ademde hout.

 

In dit mysterieuze land van demonen en fabelwezens voelde ik me thuis. Ik ging binnen langs de geopende snavel van de arend en raakte alle aanwezigen aan met mijn ogen. Iedereen was blij met mijn komst; ik was teruggekeerd naar de plaats waar ik miljarden jaren geleden geboren werd, om van daaruit te gaan zwerven, soms als een glanzend herfstblad, soms als op zee dobberend wrakhout.

Wie me niet gelooft kan gaan kijken. Hij zal datgene zien hetgeen zijn ogen in staat zijn te kunnen waarnemen; niets meer en niets minder. De plek met de halve maan en de zon ligt in een geheimzinnig land. Wie de aarde en haar wouden liefheeft is er welkom. De zonnemensen en de halvemaanmensen vormen er één grote familie. Alles is er écht, zelfs de naam van de plek. Ik geloof dat ze Kakasd heet, doch mijn hoofd zou ik er niet durven op verwedden.

 

 

Iris Van de Casteele - 1990

 

 

 

 

BEDELEN OM VRIENDSCHAP

 

Elke mens heeft wel eens de neiging de moed te verliezen, niemand schijnt daar een uitzondering op te maken, ook niet diegenen die zich ver boven het aardse wanen. Wat we echter heden ten dage kunnen vaststellen is méér dan ontmoediging, het is bij velen pure wanhoop. Vooral onder de jongeren breidt de plaag zich uit: zelfmoord wordt groot geschreven. Wie de ogen en de oren open houdt vangt seinen op die onmiskenbaar als hulpkreten te duiden zijn.

In onze huidige consumptiemaatschappij wordt de mens als individu tot de wegwerpgoederen gerekend en verrekend. Hij wordt in de rol van automaat gedrongen: na-apen en I.Q. op nul zetten, is de boodschap. Degene die zich daarvan bewust is, en probeert er iets aan te doen, heeft niet alleen te kampen met de onvrijwillige onverschilligheid van de overgrote meerderheid, die aan het verval van het gezonde denken en handelen onnadenkend meewerkt, maar ook met de druk en de stress die het eigen nadenken over deze zaken met zich meebrengt.

Loont het de moeite zich in te zetten voor een betere wereld? Kan men de pletmachine nog stoppen? Kan men nog halt toeroepen aan de reclame die een eenzijdig gedragspatroon dicteert zonder rekening te houden met de behoeften van de mens? Allemaal vragen waarmee men zich bezighoudt en die niet meteen van de kaart kunnen geveegd worden. Vooral vrouwen krijgen het hard te verduren. Parfumeer je, slank af, verf je haren blond, laat de rimpels uit je gezicht weghalen, laat de huid van je buik strak aanspannen, laat je borsten vergroten of verkleinen, doe aan sport, eet vetloze kaas, let op de letters light, eet light hoe smakeloos het ook is, doe aan jogging (onze pakken staan het leukst), etc. etc.

 

Vrouwen die nooit zullen beantwoorden aan het huidig ideaalbeeld van de jonge, slanke, hoogbenige blondine, doen er goed aan te luisteren naar de wijze raad van mensen die het kunnen weten. Geniet van het leven, zoek een man die van dikkerds houdt, van donkerharige, van bonenstaken. Loop, als de nood het hoogst is, eens een roomijswinkel binnen en stop de maag vol met roomsoezen en lekker ijs, chocolade en slagroom, drink een kopje naamloze geurige koffie of een helder glas water regelrecht uit de waterkraan. Denk er aan, het uiterlijk was nog nooit bepalend voor de waarde van een mens.

 

Maar vooral lach! Lach om de verdwazing die de reclamespots elke dag opnieuw als scherpe pijlen op je afvuren, lach je gezond. Maak er een nieuwe trend van. De mannen mogen meelachen. Dikke of kale, oude of jonge, met korte of kromme benen. Alles mag want eens de druk weggenomen van de stomende, plettende reclamemachine kan er veel gebeuren. Het kan zijn dat de mens eindelijk weer zichzelf wordt. Dat hij weer gaat hunkeren naar vriendschap. Dat hij waarde gaat hechten aan goede buren, minder dure auto’s, aan eenvoudige dingen. Dat hij moedig de terugweg aanvat naar de oase van verdraagzaamheid. Dat hij zich eindelijk bezint en de dolle razernij de rug toekeert die het beste in hem dreigt te verstikken.

Wanhoop zal nooit volledig overwonnen worden omdat er geen mirakelremedies tegen ongeneeslijke ziektes of verlatenheid bestaan. Wat er wel bestaat zijn mensen met een luisterend oor en een gevend hart. Ze zijn nooit veraf, wel moet men zelf de moed en de kracht willen of kunnen opbrengen om een vragende hand uit te strekken, ook al komt dit neer op bedelen om vriendschap.
Niemand zou daarvan verstoten mogen blijven.
 

 

Iris Van de Casteele, 1999

 





ZWIJG MAAR...

 

Onlangs las ik in een literair tijdschrift een artikel met de veelzeggende titel ‘ZWIJG MAAR’ waarin de aandacht gevestigd wordt op het feit dat we vroeger te zwijgen hadden: ‘In verband met het werk, en ook met de kerk, mocht niemand vrijelijk zijn tegengedacht zeggen, want dan werd hij betiteld als een rebel, een dwarsligger, een tegenwroeter, een ketter, en wat al niet meer.’ Deze woorden zullen wel op waarheid berusten voor wie het ondervonden heeft.

 

Verder staat er in: ‘Babbelaars, bluffers, kletsmajoors, alweters, mondhelden, blaaskaken, lasteraars en tastenaars, roddelaars en appelwijven, bluffers en luiedenkers, vindt men niet onder de dichters en prozaschrijvers. Minder glad van tong weten zij zich veel beter op papier uit te drukken. En dat doen ze weldoordacht, zonder scrupules, realistisch expressief overeenkomstig de waarheid waar zij niet buiten kunnen.’  Het klinkt bombastisch en het verbaast je in hoge mate dat iemand zo’n hoge dunk van de schrijverswereld heeft.

Hoe ook: dichters en prozaschrijvers hebben, zoals alle mensen, een aantrekkelijke en een minder aantrekkelijke kant. Hun gedichten zijn hun spiegelbeeld. Ze komen waarachtig over of niet. Ze zijn beduidend voor de een en/of onbeduidend voor de ander. Ze bezitten, zoals iedereen, goede en minder goede eigenschappen. Dat maakt dat hun babbeltaal kan boeien of vervelen, alnaargelang de intensiteit of de inhoud van het gesprek, en de ingesteldheid van de luisteraar.

 

Dat je je algauw gaat vervelen bij hen die van zichzelf beweren ‘dat ze een god zijn wanneer ze dichten’, is begrijpelijk. Je zegt toch van je buurvrouw ook niet dat ze een godin is, wanneer ze bakmeel en andere ingrediënten samenperst tot deeg, om er koekjes mee te bakken die iets hebben van gehaakte kunstwerkjes. Of het zal nooit in je hoofd opkomen een boer een god te noemen omdat hij de kunst verstaat een dagmaat meterhoog gras om te toveren tot een hoopje samengeperst hooi. Iedereen is op zijn eigen manier een kunstenaar.

 

Er zijn geen twee gelijke mensen, laat staan twee gelijke dichters. Sommigen onder hen zijn zwijgers. Ze hebben nood aan maanden, ja zelfs jaren, afzondering om tot verzenschrijven te komen. Anderen hebben genoeg aan een inspirerende avond- of nachtstilte, of aan een innig diepgaand gesprek, om hun verzen te creëren.

Het is bijna hopeloos om de helende kracht van poëzie aan te tonen en te stimuleren. Poëzie wordt steeds minder vaak ‘aangevoeld’, ‘gepalpeerd’, ‘doorgegeven’. Té dikwijls wordt ze verward met een brouwsel van woorden en zinnen waaruit geen greintje poëzie te puren valt. Doch wat het dichten zelf betreft: het meest opbeurende daaraan is dat het de dichter in staat stelt zich gedurende enkele momenten boven stof en stank van de afgevlakte wereld te verheffen. En verder is het een machtig hulpmiddel om de diepste lagen van je eigen wezen te doorgronden.

 

Misschien is dit nog het meest zinvolle: kunnen zwijgen wanneer anderen hun hart willen luchten, en praten om mensen uit hun uitzichtloze eenzaamheid proberen te bevrijden. Zo krijg je twee kansen: één om te leren en één om te helen. Bij degenen die het niet de moeite vinden je beter te leren kennen maak je nooit kans op begrip: ze begrijpen niet dat je buitenkant en binnenkant totaal verschillend zijn en toch evenredig bij je hele wezen horen. Beide kanten kun je hen niet tegelijk tonen, evenmin als je een bloedrode maan kunt gaan plukken bij volle noen. Je hebt er waarlijk een héél lange ladder voor nodig.

 

 

 

Iris Van de Casteele  -  1997

 

 

 


BINNEN DE MAGISCHE CIRKEL

 

Transcendente belevenissen, wat betekenen ze? Fritjof Capra, natuurkundige en metafysisch filosoof, vertelt: Op een zonnige middag aan het strand, ‘zag’ ik plots alles om me heen als in een kosmische dans. Ik 'zag' vanuit de ruimte krachtstromen neerkomen, waarin moleculen, in een ritmische beweging, gevormd en weer vernietigd werden. Ik 'zag' de atomen van de elementen en die van mijn lichaam mee bewegen in die kosmische dans van krachten.’

Als kind van acht had ik een soortgelijke ervaring. Op een lenteochtend liep ik naar school toen de zon door de nevel brak. Opeens ‘zag’ ik op mijn handen dansende, doorschijnende, ronde, glinsterende vlekjes. Ze leken op de ontelbare pareltjes dauw op het door de zon beschenen struikgewas. Er kwam een onbeschrijflijk gevoel over mij; alsof ik onstoffelijk meegelokt werd met die dansende lichte dingen. Ik bevond me niet langer op een landwegel. Ergens was ik, in een onbeschrijflijk oord, waar het hemels en tegelijk beangstigend was.

Later heb ik vaak teruggedacht aan dit fenomeen. Langzaam kreeg ik het vermoeden dat dit de dag moet geweest zijn dat zich iets buitenaards in mij geopenbaard heeft, 'iets' dat mij de genade van het dichten zou verlenen; het ‘zien’. Een zending die zou gepaard gaan met grote vreugde alsook met veel te verwerken leed. Met gezond verstand alleen valt dit 'zien' niet te verklaren. De rationeel redenerende heeft er moeite mee. Hij vraagt zich af op welke pilaar dit 'zien' steunt. Omdat het intuïtieve bij de moderne mens reeds voor een goed deel verloren is gegaan, blijkt het voor velen moeilijk aan bovennatuurlijke verschijnselen enige betekenis te hechten, of er enig nut uit te trekken. Voor hem is transcenderen een verzinsel.

Bij het heel jonge kind is het waarnemingszintuig nog onbelast. Na verloop van tijd krijgt het zijn eerste deuken. Door de toenemende negatieve invloed van de buitenwereld raakt het meer en meer in onbruik. Het wordt niet gevoed. Langzaam verkommert de aangeboren intuïtie. Bij vele volwassenen blijft er niets van over dan af en toe een klein signaal waaraan geen aandacht geschonken wordt. Aanvoelingsmogelijkheden werden in de kiem gesmoord. Verstarde of verwrongen gevoelsuitingen nemen de plaats in van de spontaniteit en van het intuïtieve. De ondefinieerbare aantrekkingskracht van het buitenaardse werd gesloopt.

Moet men transcenderen om metafysische gedichten te kunnen schrijven? Worden ze daarom als mystiek beschouwd? Degene die ontvankelijk is voor poëzie zal ze als een spiegel beschouwen waarin de eigen ziel, naast die van zijn evenmens, teruggekaatst wordt. Zich één voelen met wat de andere voelt, aanduidt, ‘ziet’, is een bovennatuurlijk communiceren. Het woord religie, stammend van het Latijnse woord 'religare' (sterk verbinden) zegt het zelf. Alles is en blijft opgenomen in de magische cirkel. Alles wat leeft en alles wat bestaat weeft voortdurend mee aan het kosmisch (vang)net zodat alles sterk met elkaar verbonden blijft.

Transcendente belevenissen kan men in verband brengen met innerlijke zoektochten die te maken hebben met verwondering en lang en diep nadenken. Deze meditaties monden vaak uit in poésie pure; in het onaantastbare, dat de dingen een ziel schenkt, om ze achteraf te herbergen in mysterieuze verzen. Het metafysisch gedicht heeft daarom alles te maken met het bovennatuurlijke. Het kan dan ook niet anders als dat het sacraal is.

 

Om af te sluiten nog even een paar woorden aanhalen van Fritjof Capra: natuurkundigen hebben geen nood aan mystici, en mystici hebben geen nood aan natuurkundigen, maar de mensheid heeft hen allebei nodig.


 




Iris Van de Casteele  -  1994

 

 

 

 

BLOEMEN IN EEN WIJNKRUIKJE

 

Oedelem. Dorpskern. Knesselarestraat. Het is maar een boogscheut ver voor hen die dicht bij de Nederlandse grens wonen. Zelf moet je al een hele rit afleggen eer je er bent. Maar dat doe je graag. Je weet dat het een reis zal worden van grote betekenis. Degene door wie je wordt verwacht ken je al een beetje. Je ontmoette hem al eerder op zijn tentoonstellingen. Je denkt hem zelfs tamelijk goed te kennen want je zag zijn beelden, en dat volstaat om een vermoeden te hebben van hoe de mens is die er een stuk van zijn ziel in achterliet.

 

Georges Steel. Kunstschilder. Tekenaar. Beeldhouwer. Boetseerder. Een kunstenaar, zoals Vlaanderen er nog maar weinig voortbrengt. De meest vreemde landen heeft hij bezocht en bewoond, tot hij huwde en een vaste stek vond in het Spaanse Granada waar hij bijna een halve eeuw zou vertoeven. Waar zijn zoon zou opgroeien die zich later zou ontpoppen tot een boeiend zij het tragisch dichter, even talentvol als zijn vader: een andere kunsttak omhelzend weliswaar, maar toch nauw aansluitend bij die van zijn vader.

 

Bij iemand die uit zijn penselen poëzie weet te toveren is het eenvoudig zich thuis te voelen. Om de tuin te bezoeken, gaan we langs de achterdeur naar buiten. De gastheer zet een brede vilten hoed vol pluimen op. Pluimen van zijn eigen dieren, die hij vindt op zijn erf. Een fantastische hoed. Het is er precies één zoals je hem geschilderd zou willen zien. Lachend zegt de kunstenaar: ‘omdat ik van niemand een pluim krijg steek ik er zelf af en toe een op mijn hoed’. Hij meent het niet, zijn ogen lachen. Maar zijn gevoel voor humor doet de zon nog warmer schijnen.

 

Achter de verzorgde prachtige rozentuin begint een andere wereld. Er is een vijver met lokkend water voor de eenden, en in de weide daarachter lopen parelhoenders hun onrust te kakelen; alsof ze je willen laten verstaan: wat wil die vreemde binnen onze omheining. Er is een pauw die het vertikt zijn precieuze staart open te spreiden. Misschien moet hij vooraf wennen aan het bezoek en aan de vreemde stem. Er valt zoveel te bekijken: een jonge kip met kuikentjes, verder een nest met vers gelegde eieren die meteen verdwijnen in de vestzak van de eigenaar. Rondvliegende vogels, grazende schapen, enfin, je voelt je zoals je je voelde heel lang geleden, toen je op het erf van je grootvader rondliep. Amper een jaar of zeven was je toen schapen- hoender- en koeiendrek nog bij je leven hoorden. Zalig!

Vanaf het poortje aan de wei tot aan een oud bijgebouw loopt een wegeltje.
Langs daar word je binnengeleid in een andere wereld. In een wat rommelig vertrek, misschien ooit een hooischuur, wie weet. Het atelier van een kunstenaar -vooral een omgewerkt vervallen pand- blijft altijd boeien. Het hart van Oedelem. Zo nabij en tegelijkertijd zo ver verwijderd van de grote dingen die er gebeuren. Misschien wordt er gewacht tot poëzie weer in waarde gaat stijgen. Tot er weer mensen opduiken die de schoonheid naar waarde weten te schatten van een beschilderd doek: een tot leven gewekt stuk linnen dat licht bevat: kracht, warmte, vuur, sensualiteit.

 

Na de heerlijke koffie, het krentenbrood en de luchtige crèmetaart wordt nog wat naverteld. De gedichten van zijn zoon komen ter sprake. Weemoed en tragiek vullen de kamer. Er valt nog zoveel te doen: zich inleven, begrijpen, vertalen, meeleven. Je kwam omzeggens met lege handen en je verlaat de woning met de armen vol geschenken. Pas de deur uit begint het zachtjes te regenen. De eerste druppels vallen op het doek dat je tegen je boezem aangedrukt houdt als je naar je wagen rent; een bos onopvallende bloemen in een wijnkruikje, die heel wat vertellen over kunstschilder Georges Steel.

Zou het geen aparte pluim op zijn hoed zijn, denk je, om deze bijzondere mens heel even naar je toe te halen en hem verwennen met een lof- en dankwoord. Een paar geschreven woorden die de wind niet zomaar zal verwaaien. Doen. Nu meteen. Hij kan ze later lezen.


 

 
Aquarelle: Georges Steel


Iris Van de Casteele - 1995

 

 

 

 

EEN OPGEDOLVEN BEEN

Wij waren destijds een van de eerste bewoners die op één van de kavels bouwden in Wolfrot; een straat genoemd naar een wijk waar eertijds wolven samentroepten. De dreef, met haar reusachtige beuken die naar het landgoed liep, is nu een geasfalteerde straat, met veel afgevlakte boomstronken waar mieren een thuis gevonden hebben. Met resten van afgezaagde bomen, waarboven kabeltelevisie- elektriciteit- en telefoondraden gevaarlijk doorbuigen en bij het minste beetje wind gaan bengelen.

De onderbroken voetpaden, die de kavels begrenzen, zien er bij elke buur anders uit: verwilderd of verzorgd, met graszoden begroeid of met bloembakken bevolkt. De nieuwe bewoners houden zich

met tegenzin aan de voorgeschreven verplichte plaveiing, alhoewel zij ook daarin onovertrefbaar zijn wat kleur, maat en vorm betreft: zij zijn de kampioenen van het voetpadplaveisel: grote tegels, kleine tegels, rode, grijze, ovale, ronde, lange, korte, smalle, brede, dure, goedkope, alles mag, alles kan. Hoe bonter hoe liever, hoe meer chaos hoe beter.

Omdat de nieuwkomers voor de bestaande riolering niet hoeven te betalen, iets waar de eerste bewoners wél toe verplicht werden, moet elke nieuwe eigenaar zijn stuk voetpad zelf bekostigen: één meter twintig centimeter breedte móet, tot drie meter breedte mag. De eerste neergestreken vogels die er twintig jaar over deden om de dure betonnen afwateringsbuizen af te betalen, mogen hun voetpad in natuurlijke staat laten: met graszoden begroeid of met kluiten aarde bedekt, of ze bestrooien met grind of grijze keien, soms ook met witte of rode, ieder volgens eigen smaak of beurs.
 
De voetpaden van de wolvenwijk worden door veel honden belopen waar ze heel wat te besnuffelen hebben. Op drie meter afstand van hun troeteldier lopen de buurtbewoners, de leiband stevig in de hand. Zelf gebruiken ze de gevaarlijke straat als voetpad. Liever parkeren ze hun auto op de verplicht geplaveide strook. Dat vergemakkelijkt de doorgang voor haastige chauffeurs die geen oog hebben voor deze bizarre straat, met haar wondere naam waarin een paar wondere mensen wonen.


Elke dag staat iets anders op de buitenmodelse trottoirs. Soms zijn het dure verplichte vuilniszakken of zakken met afgedragen kleren, dan weer bakken met oud ijzer of kartonnen dozen met te recycleren papier, soms zijn het afgedankte televisie- of huishoudtoestellen of nog bruikbare meubelen, dan weer glas dat apart wordt ingezameld.
Tuinafval komt ook aan de beurt. Weinig bewoners zijn bereid een plekje van hun elegante siertuin op te offeren om het snoeisel uit hun tuin een rustplekje te gunnen. Alles vindt zijn weg naar de grote afvalpoort waar het doorgesluisd wordt naar hitteverspreidende verbrandingsovens die meer en meer in de mode komen, niet alleen voor tuin- of huishoudelijk afval.

Vooral geen doden meer in de grond stoppen waarvan de beenderen zouden kunnen opgedolven worden, al was het maar door een verwilderde of nieuwsgierige hond.
En we zijn al met zoveel zielen op deze zielige aardkluit waar het systeem geen weg mee weet. Dat ook honden en katten een ziel hebben zal door hun baasje niet in twijfel getrokken worden. Weldra zijn ook zij met miljarden. De vraag is: mag men ze verder in de grond blijven stoppen of moeten er ook voor hen ovens gebouwd worden?

Een tijd geleden liep een hond weg met een been dat hij ergens in de wolvenwijk opgegraven had. Vlak voor mij bleef hij staan, keek me een paar seconden indringend én veelzeggend aan, alsof hij mij attent wou maken op wat me nog te wachten staat, en zette daarna zijn weg voort. Of het nu aan dat been ligt dat ik de hele dag aan wolfskuilen heb zitten denken? En dat been, van wie is het afkomstig ? Van één van de vroegere wolven?

Om zich af te vragen of het een hond egaal is vanwaar hij zijn knabbelpret vandaan haalt, want tweehonderd meter van deze vredige woonwijk vandaan worden de doden begraven. Wie haalt het in zijn hoofd om op een plek te gaan wonen waar roedels wolven samenrotten, en waar tegelijk kuilen in de aarde worden gegraven voor de doden. Er zit zeker nog iets bizars in mij dat naar een uitweg zoekt.

 


hondje met been


Iris Van de Casteele
29 februari 1996


 

 

UN GRAIN DE FOLIE


Mensen zoals ik lijden af en toe aan dat rare tikje dat in hoofd en hart zijn gangen gaat. Ze zijn als het ware bezeten van dat niet te omschrijven beetje buitensporigheid. Zelfs de meest normale enkelingen durven toegeven dat een tikkeltje onbezonnenheid, ‘un grain de folie’, iets is dat bij het leven hoort. Dat denkt ook Mireille. Ze doet er soms nog een korreltje zout bovenop.

Een tijdje geleden, toen we eeuwenoude gebouwen aan het bekijken waren waarin ontzaglijk grote vensters, waarin enorme ruiten, was ik me aan het afvragen hoe die ruiten eeuwen geleden in die vensters geplaatst werden. Met een hijskraan, zei mijn man, of was het haar man?
Hoe ook, er werd geantwoord. Ik moest het zelf maar uitkienen.

Mireille speelde met andere gedachten, ze liet zich plots ontvallen: Weten jullie wat ik zou willen? Een grote steen werpen door één van die ruiten.
Toen we haar ongelovig aankeken ging ze verder. Al jaren zou ik een grote steen willen werpen door een enorme ruit, om het even waar, of om het even welk gebouw, als ik maar niemand zou kwetsen.

Dat was helemaal Mireille, niemand kwetsen, doch dat ook zij met een tikkeltje buitensporigheid behept is, was nooit in me opgekomen. Op de vraag waarom ze die grote steen door ene of andere ruit zou willen gooien bleef ze mij het antwoord schuldig. Alleen dit ene wist ze: hebben we niet allemaal ‘notre grain de folie’? 

Dat zei langs haar neus weg de welopgevoede, fijnbesnaarde, kunstminnende, gevoelvolle Mireille, die na haar huwelijk la douce France had verlaten om zich te vestigen in het karaktervolle landhuis dat zich op het einde van de vroegere beukendreef bevindt. Met niets dan vreemde, gesloten dorpsmensen om zich heen, maar met veel bomen, bos en landerijen.

Un grain de folie ! Het werpen van een enorme steen in een enorme ruit! Zou dit niet op hetzelfde neerkomen als hopen verse lucht in een gesloten ruimte binnen willen laten? Misschien wil je je eigen surrealistisch huis eens toetakelen om te zien of het overeind zal blijven? Misschien wil je weten of de schade te herstellen valt? Misschien wil je door de vrijgekomen gaten je dromen de vrije vlucht geven?

Zou het kunnen betekenen dat je eigen huid te eng wordt en je eruit zou willen springen? Allemaal vragen die niet zomaar te beantwoorden zijn. Ze verder uitdiepen heeft hier geen zin al heeft elke gekke gedachte een goede reden van bestaan. Ze omzetten in woorden is een redelijke daad stellen. Ze omzetten in daden? Daaraan durft Mireille waarschijnlijk niet denken.

Toen ik haar verklapte dat ik één van mijn eigen gekke gedachten in daden had omgezet keek ze me verrast aan. Jawel, gedurende maanden en jaren had ik de behoefte gevoeld de kant van de aanpalende straat van de onze links op te rijden, zonder omheen het verplicht verkeerseiland te toeren dat een vluchtheuvel voor kwetterende mussen gelijkt. Levensgevaarlijk natuurlijk.

In een oogwenk was het gebeurd. Sindsdien leef ik rustiger, vrediger, alsof ik eindelijk een punt heb geplaatst achter alles wat ik ooit ten uitvoer had willen brengen maar waarin ik nooit ofte nimmer zal slagen. Vooral het begrip ‘verboden’ staat sinds deze roekeloze daad heel wat duidelijker afgetekend in het geheugen van mijn met illusies bezaaid verwachtingsgebied.

Maar om tot zoveel inzicht te komen heb je iemand als Mireille nodig. Misschien waagt ze het ooit een grote ruit in te gooien. Zomaar, al was het maar om zichzelf dit buitenissig plezier te gunnen. Want hoe je het ook bekijkt: een ruit en een baksteen. Meer heb je niet nodig om, tussen de scherven zoekend, jezelf als een vernieuwde mens terug te vinden.





Iris Van de Casteele
29 februari 1996

 

 

 

 

DAKDEKKERS ZIJN KUNSTENAARS

Er zijn veel mensen die geesteloze of afstompende arbeid verrichten, vooral degenen die in een bandsysteem gekneld zitten; ze hebben geen keus, ze moeten wel. Zelf heb ik als jong fabrieksmeisje ondervonden hoe je telkens dat ene ding voor de neus geschoven krijgt, af te werken hebt en door te geven; het ging toen om gloeilampen. Uit ervaring weet ik hoe stresstoestanden ontstaan waarin de mens zelf tot een ding dreigt te verworden. Moderne bandsystemen zijn nog fijner uitgekiend dan vroeger. Alles wordt uitgerekend zelfs verloren seconden. Om zich af te vragen of daar nooit verbetering in zal komen.

Toch stel ik mij de vraag of iemand mij zou kunnen uitleggen hoe het komt dat ik altijd een voorliefde heb gehad voor handenarbeiders. Ofschoon ik na mijn jeugdjaren al heel vlug ondergedompeld werd in een andere wereld, en veel omgegaan ben met mensen die een intellectueel beroep uitoefenden, blijft me dat van handenarbeider het meeste boeien. Hoogst waarschijnlijk is dit te wijten aan de schrijnwerker, de kloefkapper, de molenaar, de bakker, de huisschilder, de smid; allemaal stielmannen die ik als kind van dichtbij heb mogen gadeslaan. Daarnaast waren er ook de boeren van wie ik niet alleen het bloed en het gezond verstand, maar ook de liefde voor het land, geërfd heb.

Dat ik tijdens mijn kinderjaren niet één dakdekker heb kunnen gadeslaan bij het dakdekken is te wijten aan de oorlog; er werd toen omzeggens niet gebouwd in onze streek. Gelukkig heb ik mijn schade op latere leeftijd kunnen inhalen toen ik iemand leerde kennen die ik algauw als kunstenaar ging beschouwen, maar dan wel één voor wie handenarbeid gelijk stond met de verheffing van de ziel. Vreemd dat ik dat pas later begreep. Later, toen deze dierbare mens al overleden was, besefte ik zijn weldoordachte benadering van materiële en immateriële dingen.
 

Soms kon hij een dakpan bevoelen en betasten alsof hij zich één voelde met die gebakken aarde, zelfs wanneer ze na een tijdje zwaar op de hand ging wegen. En hoe hij dan, op een paar millimeter na, pan na pan in elkaar schoof tot er een waar kunstwerk ontstond. Een dak, waar meer dan één voetganger bleef naar staan kijken. Uitschuiven deed hij niet, wel balanceren tussen klimmen en vallen. Zelfs wanneer een torentje diende hersteld met schalies, maakte hij er een kunstwerk van. Niemand hoefde hem uit te leggen hoe je een kronkel of versiering maakt met leien, het ging allemaal instinctief en als vanzelf. Omtrent de leien zelf stelde hij zich vragen. Uit welke groeve waren ze gehaald en door wie? Hoeveel hard labeur stak daarachter? En rietdaken: wat vertelde en verklapte hem het riet?

Eén keer bevond mijn kunstenaar dakdekker, zich boven op een dak toen onverwacht een hevige storm opstak. Terwijl zijn staande ladder op de grond plofte kon hij niets anders dan naar de hemel kijken, of naar de put waarin een hoop achtergebleven zavel lag. Urenlang klampte hij zich vast aan pannen en pannenlatten. Het was afwachten tot iemand langs zou komen al kon het de hele nacht en de volgende dag duren. Hij kon ook de sprong wagen.

Toen het valavond werd nam hij een besluit. Hij mikte nauwkeurig de put en waagde de sprong van zeven meter. Ongedeerd erin terecht gekomen nam hij een handvol zavel, bekeek hem aandachtig en bracht hem dankbaar aan de lippen. Toen hij mij het verhaal vertelde begreep ik hem ten volle. Hij had precies hetzelfde gedaan hetgeen ik als kind van zes met een aardklompje had gedaan, toen mijn hoofdje vantussen de smeedijzeren staven van een hekken werd bevrijd nadat ik, schreeuwend om hulp, doodsangst had uitgestaan.

 

 

Iris Van de Casteele, 2008

 

 

 

 

BLOOTSVOETS ONDERWEG

Goede kindertijd zou men kunnen vergelijken met een kostbare bloemenruiker. Een tijdlang zal hij bloeien. Zijn indringend parfum zal zich in het geheugen nestelen. Later, wanneer de gedroogde ruiker boven ons hoofd, aan één van de kreunende balken van onze woning zal hangen, zullen we ons herinneren. Vele dingen zullen we kunnen oproepen waar we mettertijd achteloos aan voorbij zouden zijn gegaan. We zullen gewapend zijn tegen vergetelheid.

Er zijn heel wat volwassenen die zich na de kindertijd nergens meer thuis voelen, hoe sterk ze als kind ook aan hun plek gehecht waren. Die geplaagd zitten met heimwee waartegen geen kruid gewassen is. Voor hen is thuis nergens en overal. Het betekent naar palmbomen verlangen en zich tegelijk als wilg geworteld weten. Het is je thuis verlaten en blootsvoets verten verkennen, alles en iedereen achterlatend.

De vraag is waarom de verte een zo ongelooflijke aantrekkingskracht heeft. Altijd andere aarde willen betreden die tegelijk overal dezelfde is. Zij de moeder die de armen legt omheen al haar kinderen, terwijl ze uitgeput toekijkt hoe haar hart en nieren leeggepompt en leeggeroofd worden. Terwijl de kaalslag verder gaat, boom na boom. Terwijl het zoveelste woud ten dode staat opgeschreven: het allerheiligste dat mens en dier gegeven werd.

Thuiskomen en zich goed voelen: wie wenst zich dat niet? Toch is er voor velen nergens een ware thuis mogelijk. Wie door omstandigheden in een andere wereld terecht is gekomen, en zich zijn geboortegrond als de plaats van gelukzaligheid voorgesteld heeft, komt bedrogen uit. Wanneer de geliefde geboorteplek eindelijk terug kan betreden worden slaat de vervreemding toe. Niets is meer als vroeger. De nabij gewenste plek brengt ontnuchtering en ontgoocheling. Men heeft zich gevoed met herinneringen in de hoop dat er hart- en zielsrust zal komen. Doch men raakt niet verlost van de voortdurende hunker.

Misschien helpt af en toe een steen oprapen, luisteren of hij iets van zijn geheimen zal willen prijsgeven. Proberen ontraadselen waarom alleen de mens het zo graag elders gaat zoeken, en van alle scheppingen alleen hij niet tevreden is met de hem toegewezen plek. Of misschien een boom omhelzen, want ook die weet heel wat af van de verzuchtingen van de mens die blootsvoets en vaak blindelings langs hem heen loopt. Er soms uitgestrekt onderaan gaat liggen eer ook hij het begeeft.




Iris Van de Casteele, 1990
uit Galeano schrijvend omhelsd

Herwerkt op 6 oktober 2008





DAGBOEKPAGINA I


(Vrijdagnacht, 29.10.1999)

Even noteren waarom vandaag zo’n rotdag was voor mij. Drie mensen, nee, vier, hebben me opgebeld. Vier gesprekken, gespreid over de gehele dag, die samen geen half uur hebben geduurd. Ik kreeg het op mijn donder van Thera, de vrouw naast mij: ‘Zoveel telefoons, wees stil, spreek niet zoveel’. Koppig keek ze van me weg en zweeg. En ik? Ik haakte in.
Zij kreeg haar zin. Ik toonde weer de zwakste kant van mijn karakter. Ik gaf weer toe zoals ik altijd doe. Haar zus komt elke dag van twaalf tot achttien uur. Babbelt de hele tijd non-stop. Eet hier haar soep en broodjes. Daarbovenop krijgt ze van mij nog fruit en cake.

Soms krijgt Thera bezoek van al haar vrouwenbondvriendinnen; ze komen in groep, allemaal tegelijk. Ze kakelen voortdurend door elkaar. Thera zwijgt, neemt aan het feest geen deel. Stoelen en zetels staan achteraf zowat overal gezaaid; zijn van hun vaste plaats verdwenen. Een ramp voor mij. Nadat de visiteuses zijn gegaan moet ik me zien vast te grijpen aan om het even wat, wanneer ik even op wil staan voor wat beweging. Maar ik vertik het iets te zeggen. Ik zwijg en doe alsof ik slaap.
Doodmoe ben ik van al dat vrouwvolk. Een hoop gekakel en geen eieren, zegt men bij ons. Met hoogstens drie bijeen zijn ze misschien nog te genieten. Maar wat Thera betreft: ik deed acht dagen lang mijn best. De vrouw fleurt zienderogen op. En ik ben weer de hond waarnaar met stokken wordt geworpen.

Nee, gesmeten.

(Zaterdagmiddag 30.10.1999)
Tussen Thera en mij is alles weer goed gekomen dank zij Marie-Luce. Als rebel ben ik de dag begonnen met heftig drukken op de bel. In plaats van met een krop in mijn keel, zoals gisteren, had ik een gloeiende kop. Ik schoot in een Franse colère en zei gebiedend: ‘IK WIL mijn zes pijnstillers. METEEN. Nu weet ik het, mijn arts heeft mij gezegd dat hij er mij zes per dag heeft voorgeschreven. Ik lig hier al tien dagen helse pijnen te lijden en krijg er geen. Niet één. Zo gaat dat hier.’
De verpleegsters stonden als aan de grond genageld, zo onvriendelijk klonk mijn stem. Niet één van hen sprak me tegen. Meteen brachten ze mij 60 pijnstillers. Jawel, dacht ik, hier moet je stevig op je benen staan (of doen alsof) om iets gedaan te krijgen. Ik had weeral iets bijgeleerd. Het vrouwtje Thera zei ik geen bonjour, ik antwoordde niet. Ik gaf geen kik. Nooit spreek ik nog met haar, dacht ik.  En zo verliep de morgen: twee vrouwen zwijgend in hun bed en ik maar wenen, wenen, wenen. Tot een verpleegster kwam, een harde. Die spelde mij de les. Thera en ik zouden gescheiden worden. Zij bij een oude zeur, en ik zou hier alleen liggen of bij ik weet niet wie.
Toen spraken we tegelijk. Allebei. Niet met elkaar, maar wel dezelfde woorden.
Nee, nee, ik wil geen andere kamer. Ik wil geen andere vrouw naast mij. Het waait wel over.
De harde trok haar schouders op en ging.
Maar toen opeens was Marie-Luce er weer; een ingoede vrouw die mij een week geleden een paar krukken heeft bezorgd. Na dagen zoeken in de kliniek had ze er een paar voor mij gevonden. Marie-Luce zat op mijn bed, legde haar wang tegen mijn wang. Ze nam mijn handen in haar handen. Mijn kleine oorlog was gestreden. Tussen de beide bedden ging het gordijn weer open.

 


(uit: Dagboek van een kankerzieke)

Iris Van de Casteele  -  1999

 

 

DAGBOEKPAGINA II

Woensdagmiddag, 3.11.1999.

Indien die babbelkous nu eens niet kwam opdagen zou ik een heleboel interessante dingen kunnen opschrijven. Straks valt ze weer binnen als een haar in de soep. Elke namiddag zijn Thera en ik het slachtoffer van haar babbelzucht. Zo vertelde ze mij dat ze haar man onlangs verloor. Gestorven is hij onlangs, hiér, in deze kliniek. Een opbeurend verhaal, nietwaar. Ik had onmiddellijk een goede kijk op wat mijn nabije toekomst zou kunnen zijn.
Ze had nog een ander, niet minder opbeurend verhaal. Ze vertelde, terwijl ook Thera uitgeput lag te luisteren. ‘Mijn schoonzoon oefent het beroep van croque-mort uit. Hij is een groot, modern gebouw aan het zetten waarin negen dodenkamers met koeling. Bovenaan die dodenkamers richt hij zich een luxueus appartement in’. Een echte croque-mort dus. Eén die er zijn beroep van maakt de doden te kraken en op te peuzelen, figuurlijk dan. Maar Thera en ik, we weren ons, we zijn er nog.

Croque-morts, begrafenisondernemers, lijkenslikkers? Omdat je zelf je dode lijf in de grond niet kunt stoppen blijf je aangewezen op hen, vooral na je dood. Achter hun lijkbiddergezicht bloeit welig hun talent van pure commerçant. Die kerels worden stinkend rijk, vooral als jouw as na de verbranding ook nog aan hen wordt toevertrouwd.
En onze bezoekster maar vertellen over hoeveel rouwbloemen, bloemenkransen en eetfestijnen er voor de doden worden betaald. Een ongelooflijke bom geld, bijna niet te geloven. Bij mij zal er niet veel te halen vallen, dat zweer ik. Goed dat ik veel humor heb. Nu vertik ik het zeker om dood te gaan, al was het maar om de croque-morts een stap vóór te blijven.

 

Woensdagavond, 3.11.1999.

Jammer dat de doden over niets kunnen beslissen. Wat er met mijn dode lijf (lijk) moet gebeuren is simpel. Ik schrijf het hier neer als een soort testament dat nooit zal uitgevoerd worden omdat de Belgische wet het verbiedt. Toch geef ik mijn wensen te kennen.

Misschien is er iemand die me zal begraven in de Chaco boreal, in Paraguay, onder een levende boom, een samoe’oe, of bij de panters, de boa’s, de poema’s, bij de ene of andere jaguar, of bij de uitgehongerde honden. Ongekist. Een kist wil ik niet.

Misschien is er iemand die me zal wikkelen in een linnen lap, een grote, een indigoblauwe. Niet de kleur van de grootgrondbezitters. Zij de verantwoordelijken van de erbarmelijkste toestanden. Zij die op de armen spuwen en hen vertrappelen, verbrokkelen, verbrijzelen, om hen achteraf -levend of dood- in de Paranarivier te gooien waar ze opgevreten worden door ene of andere krokodil.
Wikkel me liever in indigoblauw: het blauw van een heldere lucht, het blauw van een zuivere zee, het blauw van mijn vaders ogen. Leg me neer, ergens in een greppel, of langs de weg in een zandput, omdat ik vrees dat in ons belgenlandje het zoveelste onvoorstelbaar onzinnig verbod -na de verplichte edelhouten doodskisten- zal afgekondigd worden. Het zal nog zover komen dat men onder een levende boom niet begraven mag worden.




 
(uit Dagboek van een kankerzieke)

Iris Van de Casteele, 1999

 

 

 

 

HET DOORGEGEVEN VUUR

In ons tovenaarsland sterven heksenmeesters en toverheksen langzaam uit. ‘t Is precies of de duivel er zich mee bemoeit. 't Is allemaal voorbij: de vertelsels die we als kind te horen kregen, het geheimzinnig fluisteren over rondwarende geesten terwijl we, benauwd en benieuwd tegelijk, aan de lippen hingen van de tovenaar die ons af en toe in de late avonduren kwam bezoeken. Altijd in het putje van de winter, toen alle kinderen rond de roodgloeiende kachelpot zaten terwijl buiten de wind gierde en de sneeuw meters omhoog woei.

Hier en daar duikt soms een toverheks op die de brandstapel overleefd heeft. Ongelovig wordt dan de vraag gesteld: is dit een toverheks? Op een geheime plaats wordt er vergaderd. Wanneer ze het allen eens zijn, en er hevig ja geknikt wordt, wordt de straf uitgesproken die zal opgelegd worden. Soms probeert men haar te beroven van haar bezem want dat breekt al haar macht, doch meestal komt het tot levenslange verbanning. Weeral een toverheks minder die geen woordenwonderen meer zal verrichten.

Soms stel ik mij de vraag: ben ik een toverheks? Het antwoord luidt: misschien. Met zekerheid zou ik het niet durven beweren alhoewel én bossen, én kruiden, én vuur, me geweldig boeien. Vooral het vuur blijft me in zijn macht houden. Dat vele vuur in mij, dat onblusbare sprankelende vuur, waarmee ik de dingen verdicht. Sommige toverheksen bezitten, naast hun bezem, een wonderhouten potlood. De veer heeft het moeten afleggen. In Holland was er een tovenares die haar woorden neerschreef met een ravenveer.
Ja mijnheer. Ik schrijf u met de ravenveer.

Hoe ook, onbenullige woorden zijn oneindig belangrijk geworden, ze nemen overal de eerste plaats in. Miljoenen, ja, miljarden woorden in onze oren, voor onze ogen. Onze brievenbussen pulken uit van reclame, letterzetters kunnen het werk niet meer aan. Van faxtoestellen rolt onophoudelijk het bedrukte papier. Aanplakborden en verkeersborden beloeren ons met argusogen en... o wee... als we alles niet vliegensvlug gelezen en begrepen hebben. Overal dwingende, schreeuwerige, gebiedende, hersenenspoelende woorden. Overal achtervolgen ze ons, overal, nergens zijn we veilig, zelfs niet voor de virtuele.

Woorden als allesoverheersende goden die hun bliksemstralen op ons hoofd doen neerkomen, om serieus schrik van te krijgen. Lettertekens die geen mens meer begrijpt, klanken die geen mens meer verstaat, zinnen die ons achtervolgen door het dolle en het onnozele heen. Woorden die ons denken aantasten omdat er tegen deze hersenenpijnigende kwaal geen kruid gewassen is. Nee, ik vergis me, remedies bestaan doch worden niet meer geduld, want liefhebbende, blije, tedere, opbeurende woorden zijn uit den boze. Ook degene die omfloerst zijn met een vleugje geheimzinnigheid of een beetje diepzinnigheid moeten het ontgelden.

Nooit ofte nimmer hoor of zie je een schamel woord zoals gortepap. Gortepap! Het woord valt hemels op mijn tong, nu, zo maar opeens terwijl het mijn eigen woordenvloed aan het stuiten is. Het woord is al zo oud dat het misschien nergens meer gebruikt wordt en de gortepap niet meer gegeten. Eigenlijk wou ik iets vertellen over de laatste heidense vrouwen die het sacrale vuur in hun handen bewaren en het doorgeven. Dat ik één van deze ingewijden ben daarvan ben ik overtuigd. Of ik daarom een toverheks ben zal de tijd moeten uitwijzen.

 

 



Iris Van de Casteele, 1989
omgewerkt en ingekort op 08.09.2008

 

 

 

 

SHIKI DE BERGKOEKOEK

Toen ik Shiki ontmoette, gebeurde dat op een tijdstip dat ik een afkeer had van haiku, of liever, van datgene wat onder deze noemer wekelijks op een gewestelijke Vlaamse zender te beluisteren viel. Er gebeurde echter plotseling iets waardoor ik door het haikuvirus gebeten werd. Ik hoorde Shiki, de Bergkoekoek. Hoelang zijn roep reeds weerklonk weet ik niet. Maar toen ik hem hoorde ging een vreemde poort voor me open. Het was alsof ik meegelokt werd naar een buitenaardse maan. Shiki riep me; hij moest het zijn, hij was het want nooit eerder hoorde ik een koekoek bij maneschijn roepen.

toen de maan opkwam

woei avondwind door het gras

waar de koekoek riep

 

Van begin af aan hield ik van deze haikudichter, al wist ik toen zo goed als niets af van hem af. Dat hij me riep voelde ik intuïtief. De naam Shiki beviel me meteen en wel om de klinkers. Dan ontdekte ik in een boek een paar gegevens. Shiki betekent bergkoekoek: de Japanse koekoek, veelbezongen om zijn muzikale roep, wiens snavel vanbinnen rood is, omdat hij volgens de legende zingt tot hij bloedt.

 

En bloeden deed hij, de snavel van onze Bergkoekoek. Zei Masaoka Shiki (1867-1902) niet zelf: ‘nu ik zo hopeloos bezeten ben door de haikuduivel kan niets me meer van hem verlossen.’  Toen Shiki stierf was hij één van de pilaren waarop de haikudichtkunst nog heden ten dage rust. Zeer kritisch en begaafd, verzette hij zich tegen de traditionele, stilzwijgend aanvaarde, geijkte opvattingen omtrent haiku. Hij weerde zich fel tegen het kleinburgerlijke en tegen het onechte van de literatuur van zijn tijd. In het tijdschrift Hototogisu publiceerde hij vele bijdragen over de hervorming van haiku. Hij was zeer begaan met het lot van de minstbedeelden en rebelleerde tegen onrecht. Kranten waaraan hij meewerkte werden keer op keer verboden om zijn scherpe veroordeling van bestaande wantoestanden.

 

Shiki getuigt in zijn verzen van innerlijke kracht en van besef van vergankelijkheid. Waarneming en ervaring zijn zo intensief, dat hij de diepe betekenis der dingen intuïtief weergeeft. Een Nederlands criticus noemde de dichter misprijzend areligieus; niet religieus dus, zonder enig verband met enige godsdienst. De haikudichter, voor wie het seizoenelement onmisbaar is, is niet areligieus, hij is oerreligieus. Het oerreligieuze, het verbindende, schuilt zo diep in de mens dat het niet te achterhalen is hoe of wanneer het er gekomen is. Wie het verwart met godsdienst dwaalt af van het essentiële. En essentieel betekent: alles wat bestaat verbonden weten met alles.

 

Wanneer ik op de beeldbuis een leeuw aan de voet van een boom zie zitten, uitkijkend over de savanne, denk ik dat hij bidt zoals sommige mensen bidden. Mensen zoals Shiki, die oerreligieuze verzen dichten, of gewoon maar zitten te peinzen of te mediteren. Zulke mensen recueilleren zich overal: op een berg, in het woud, op een vlakte, aan een bron, naast een rietstengel, achter een ploegend paard, naar de maan kijkend. Ze doen het met hun ziel in plaats van met hun lippen; ze doen het soms tot ze bloedt. 

Sinds de roep van de bergkoekoek tot in het hart van de dennennaalden hoorbaar is, slaap ik lichter, bang dat de klank ervan me zou kunnen ontgaan. Af en toe schrijf ik iets neer. Een gewaarwording. Een trilling. Een zindering. Al deze dingen probeer ik samen te ballen tot bestaansbesef: tot haiku


zacht avondgeluid

dat doet denken aan stilte

er klept een klokje


Iris Van de Casteele, 1996

 

 

 

 

DE MOERBEITOPPEN RUISCHTEN

Er bestaan nog heerlijke boomgaarden. Wie deze van Anton kent weet dat daarachter, op een stuk hofland, een gezellige woning ligt die in haar witheid, vooral rond deze tijd van het jaar, doet denken aan een gezellige sfeer van vroeger: Leuvense stoof, koekenbak en kerstverhalen. Een lange oprit, bestraat met kasseistenen, geeft het geheel de sfeer van een oud boerenhof; een gedoe, zoals er vroeger heel wat waren maar die nu aan het uitsterven zijn.

Anton heeft mij uitgenodigd, samen met mijn man rijden we er heen. We nemen Frans mee die ongelooflijk blij is Anton persoonlijk te mogen leren kennen. Mijn man filmt. Ik weet het; ik zal lelijk op de film staan zoals op bijna alle foto’s die hij van me maakt. Het baat niet dat ik aandring mij niet altijd van op tien centimeter afstand te fotograferen. Ik krijg stilaan het vermoeden dat hij een liefhebber van de schilderijen van Botero moet zijn. Erger is dat mijn babbelen ook te horen zal zijn wanneer we de film zullen bekijken. Omdat ik oneindig veel van stilte houd zal deze mijn vervormd uiterlijk weergeven en niet mijn trillende binnenste. Maar je praat en praat want tijdens de gesprekken denk je daarover niet na. 't Was me altijd al een raadsel waarom zoveel woorden uit mijn mond rollen wanneer ik mij tussen warmhartige mensen bevind.

Mogen we de moerbeiboom eens gaan bekijken? Jazeker, het mag. Anton werpt vlug een wollen sjaal om zijn hals en zo, zonder mantel en zonder zijn vertrouwd hoofddeksel, loopt hij met ons de tuin in die aan de zijne paalt, beter gezegd, een tuin die in de zijne overloopt en hem overlapt. Het is deze van zijn tweelingbroer Filemon die we jammer genoeg niet zullen te zien krijgen. Een chaotische tuin, die zichzelf ieder seizoen opnieuw schijnt te ordenen; een stukje paradijs om meteen verliefd op te worden: overwoekerde losgeslagen takken van oude bomen, planten en plantjes in alle hoeken, ten allen kante mos, varens, bramen, klimop, modderpaadjes, een hoopje brandhout. Een stukje in toom gehouden wildernis met in de lucht ver motorengeluid van een vliegtuig en in de verte het aanhoudend geblaf van een hond.

 

Opeens zien we hem: de moerbeiboom. Heilig hout. Een levende relikwie. Daar sta je dan, als met verstomming geslagen. Je zou het niet voor mogelijk houden zoals hij daar ligt, op het eerste gezicht een dode boom, overwoekerd en overgroeid met klimop en met mos. Maar we vergissen ons: hier gaat het om een kranige negentigjarige die, moe van het vele vruchten dragen, zich zachtjes naar beneden liet glijden, en op zijn rug languit liggend uitrust en ademt. Het is hem aan te zien dat hij zijn sap regelt al naargelang zijn behoeften want er zit leven in de toppen van zijn takken. Zo laat in de herfst al en toch zoveel levenskracht nog. Hij weet hoe het moet, zoals degenen die hem hebben geplant, verzorgd en bezongen. 

We rapen wat takjes op en een toefje mos om te bewaren. Of we de kraai willen zien? Jawel. Het is een grote zwarte, zittend in een hok waarvan ze de kippendraad al een flink stuk kapot gebeten heeft, want af en toe verkiest ze de vrijheid boven haar veilig onderkomen, dan gaat ze zitten op de top van een boom. Toch keert ze telkens terug. Hoé ze ons doet schrikken! Ze blaft! Ja, werkelijk, ze blaft, precies als honden op boerenhoven kunnen blaffen.

Ruim twintig jaar leeft ze reeds in dit kraaienhok. Vroeger woonde ze bij een boerenfamilie, daar heeft ze wellicht het geblaf van de hofhond leren nabootsen, zegt Anton. Geboeid staan we naast haar te genieten van deze bijzondere verrassing, lachend als blijde kinderen. Het was geen hond die we de hele tijd gehoord hadden maar een geweldige kraai. Ze had zolang geblaft tot we naar haar toe gingen. Tot ze eindelijk gehoor kreeg. Zou mijn kinderlijk babbelen ook een lokmiddel zijn om gehoor te krijgen?



Iris Van de Casteele, 1995

 

 

 

 

VAN VLAAMS NAAR GLOBISH

 

Paul Snoek, één van mijn meest geliefkoosde dichters, schreef: ‘de boeren betalen de pacht aan de Heren/ de vliegen vallen dood op tafel’. Wat hij daar allemaal mee bedoelde gaan we nu niet proberen achterhalen. Ik zou het willen betrekken op wat er met de Vlaamse taal aan het gebeuren is. Dood, hartstikke dood, vallen onze klanken één na één op de harde tafel van het televisiegebeuren.

 

Nadat soap en andere plagen ietwat uitgeroeid schenen, zouden we eindelijk ons hart kunnen ophalen -dachten we- want aangename en leerrijke uitzendingen hoeven niet persé tegen elkaar in te druisen. Spelletjes kunnen ook met gezond verstand en humor gespeeld worden, en prijzen winnen doet iedereen graag. De vraag is: tot hoever wil ik mij laten vernederen eer ik met mijn vijf gewonnen kookpotten het podium verlaat. Het begint erop te lijken dat we binnenkort even zo ver zullen staan als de slimmeriken van boven de grote overzeese plas. Dat we in een mum van tijd niet meer zullen weten waarheen met de dwaasheid die we voorgeschoteld krijgen, gratis jawel. En die we afhalen, want opgedrongen worden we niets. Straks gaan we daarmee de grootste leeghoofden nog overtreffen.


Op sommige Vlaamse scholen is het na-apen van en het gorgelen met de Hollandse "G", én het stuntelen met de eigen prachtige rollende "R", een ramp. Er ontstaat een koeterwaals waar men het hoofd gaat bij schudden. Waar blijft het zangerig Vlaams? Onlangs werd ik op mijn plaats gezet door een Vlaming omdat ik zeg dat ik Vlaams spreek. ‘Nederlands’ verbetert hij mij vlug, want hij schaamt zich in mijn plaats. ‘Vlaams’ herhaal ik nadrukkelijk. We zouden uren kunnen redetwisten, het zou geen aarde aan de dijk brengen. Voor mijn part mogen ze mijn taal om de twintig jaar herdopen, voor mij is en blijft ze Vlaams.

Ons zuiders gezang moet de doofpot in. Uit het prachtig lijster- en nachtegalenras probeert men nu eksters en papegaaien te kweken. Onze schoolkinderen hoeve(n) geen strafregels meer te schrijve(n) als ze de N weglaten op het einde van een woord: ze moge het verzuime, het vertikke, het wegblaze, het negere; kortom, ze moge de letter N weglate. Wel worden ze verplicht om de letter H aan te blaze. Het lijkt erop dat we zullen moeten leren in waterplassen leven, lijk kwakende kikkers. We zullen voortdurend moeten blazen in plaats van te ademen.

De groene lindeboomtakken, waarop we fluitend zaten, worden afgezaagd. Is er dan nergens een Uilenspiegel die ons kan redden? Diezelfde Vlaming -die er mij belerend op wees dat ik Nederlands spreek- schreef mij dat woorden als: ginds, ik houd, medebrengen, ermede, meiske, lieveke, koppeke, enz. ‘zeer ouderwetse taal’ is. Dit is antieke taal, voegde hij er nog aan toe. Allemachtig, denk ik, waaraan zou dat te wijten zijn dat al onze gedegen Vlaamse woorden nu opeens niet meer deugen. Dat ons geschrijf, van zodra het naar Vlaams ruikt, als antiek geweerd wordt, vooral bij Nederlandse uitgevers. (Zijn er nog andere in Vlaanderen?)

De overkoepelende Taalcommissie zal wel uitleggen hoe het moet ofschoon, ze zich al meer dan één keer schromelijk vergist heeft, en niet alleen met
haar ‘ruggengraat’. Ik heb het opgegeven om al haar grillen te volgen. Eerlijkheidshalve dient gezegd dat er ook Vlamingen zijn die hun dooddoende zeg willen hebben, want de Nederlandse tak van die commissie hield het bij de laatste aanpassingen voor bekeken, en de Vlamingen volgen de Nederlandse Commissie ook niet meer in hun dwaasheid. Ze zullen wel uit hetzelfde hout gesneden zijn.

Binnen afzienbare tijd zijn we alweer een taal verder, dan zullen we verplicht Globish moeten parlesanten. Waarover zou ik mij dan zorge(n) make(n), nietwaar? Volgende keer ga ik mijn landgenoot antwoorden ‘I speak English’. Of  hij zich dan ook over mij zal schamen?


Iris Van de Casteele, 16 november 1990

Verschenen in De Poëzietuin,
aangepast op 8 oktober 2008

 

 

 

 

MOZARTBOLLEN EN PAARDEKROLLEN

 

De tijd van de salondichters is voorbij. De tijd dat dichters op een voetstuk werden geplaatst ook. Gelukkig maar. Misschien heeft men in de Republiek der Letteren eindelijk begrepen dat dichters geen goden zijn. Met deze idee in het achterhoofd heb ik het ooit gewaagd een satirisch gedicht te declameren naar aanleiding van de viering van een literair tijdschrift. Als abonnee werd ik uitgenodigd mee te komen luisteren en te vieren.

Een andere dichteres -eveneens abonnee- pikte mij op om samen de vijftig kilometer af te leggen die ons van het feestgebeuren scheidden. De heen-en-weer draaiende wijsvinger van een voorbijrijdende autobestuurder -die de vijzen van zijn eigen voorhoofd scheen aan te schroeven- kon haar niet van haar stuk brengen: ze vertikte het om het slakkentempo van haar karretje te verhogen. Na veel getoeter van voorbijstekende wagens, bereikten wij veilig de plek. Ofschoon al een twintigtal bestuur- en andere leden aanwezig waren, werden wij door niemand begroet; geen welkom, geen drankje, geen bloemetje, geen kaarsje, geen glimlach. Niets. De onverschilligheid waarmede wij ontvangen werden zette meteen een domper op ons goed humeur.

Wie zich had laten inschrijven mocht een paar gedichten voordragen. De namen werden alfabetisch afgeroepen. Na de letter J. werd even pauze gemaakt. Niemand had de naam van de ingeschreven dame D. afgeroepen. Zenuwachtig begon ze verdrietig en teleurgesteld rond te kijken. Omdat ik het zelf al op de heupen gekregen had door het verwaand gedoe van de inrichters, wonk ik de voorzitter nabij en vroeg fluisterend, en een beetje beschaamd, ‘of men niet vergeten was mevrouw D. af te roepen?’ Met misprijzende blik mat hij mij van kop tot teen. Hoe durfde ik het wagen het woord te richten aan één zo grote Meneer die het hele gebeuren onder controle had. Ik voelde mij nog kleiner worden dan mijn anderhalve meter, terwijl hij nog een paar centimeter groter groeide dan hij al was.

 

Dame D. werd enkel getolereerd als dichteres in zijn bestuursclubje omdat ze zich al geruime tijd uitsloofde. Het driemaandelijks tijdschrift inpakken, adressen op de omslagen schrijven, postzegels plakken, achteraf de zware pakken naar het postkantoor brengen. Een hele karwei. Daarvoor was ze in orde, verder paste ze niet bij deze halfgoden. Ze paste ook niet meer in het afgeroepen alfabet, doch na veel over en weer praten, kreeg ze eindelijk de toestemming om voor te dragen; uitleg waarom haar tijdig opgegeven naam niet op de lijst stond kreeg ze niet. Op een papiertje moest ze vermelden: naam, pseudoniem, leeftijd, beroep, gewonnen prijzen, uitgegeven bundels, hobby, enfin de hele rompslomp. Na de pauze zou haar naam afgeroepen worden; zou ze mogen voordragen.

Zelf had ik me niet laten inschrijven om voor te dragen omdat het niet in mijn bedoeling lag. Doch op aandringen van mevrouw D., en tegelijk uit ergernis om zoveel geleuter en hoogmoed, vroeg ik ook een papiertje, vulde de gestelde vragen in, en gaf het netjes geplooid de ‘ceremoniemeester’.

Beroep? Self-made woman.
Pseudoniem? Geen.
Leeftijd? Grenzeloos.
Gewonnen prijzen? Geen enkele.
Uitgegeven bundels? Geen idee. 
Hobby? Mensenharten verwarmen.

Toen na meer dan twee volle uren eindelijk de victorieuze V in zicht kwam, was het mijn beurt. Nadat ik met omfloerste stem een gedicht voorgedragen had, greep ik de kans en declameerde triomfantelijk -voor een groot publiek en met bonzend hart- het prachtigste koldergedicht dat ik ooit schreef: ANTIGEDICHT!  Nadat het lange hekelgedicht traag en zonder haperen was voorgedragen bleef het doodstil in de zaal. Geen applausje. Geen gekuch.
Geen geschuifel van stoelen. Niets. Stokstijf bleef ik staan. Doch eensklaps overweldigde mij een ongelooflijk goed gevoel. Daar zie! Nu hadden de inrichters van hetzelfde laken een broek! Ze hadden het zelf gezocht.

In een verre hoek brak plots applaus los gevolgd door daverend applaus van overal in de zaal. Een jonge dichteres, mij toen nog onbekend, fluisterde mij nadien in het oor: ‘Hetgeen u durft had ik al lang willen doen; eindelijk komaf maken met ijdelheid en verwaandheid.
Ja, mevrouw, ik bewonder u!’ 
Mijn rechtvaardigheidsgevoel en mijn strijdlust waren beloond. De Limburgse jonge dame die het applaus op gang gebracht had, stuurde mij later enkele humorvolle gedichten. Aan ‘In de Keuken’ beleefde ik heel veel pret. Ze schreef er nog andere vrolijke o.a. ‘De Bril’, en iets over de Mozartstad:  ../... Mozartbollen/  paardekrollen...  Wie zei -of schreef- dat dichters alleen maar klagen en wenen?

 

Iris Van de Casteele, 1989





ZEG HET MET BLOEMEN

Ik loop er al dagen mee rond. Er brabbelt iets in mijn binnenste dat naar een uitweg zoekt. Wat het precies is weet ik niet. Het doet me denken aan kleine bronnen die zich een weg banen door vochtige weiden. Hun dun straaltje water kwelt dag en nacht. Het zoekt onverpoosd zijn weg tot het een piepklein riviertje gaat vormen. Zo'n bronnetje moét je gezien hebben. In heuvelachtige landschappen, waar schapen en geiten nog tussen gelukkige koeien grazen, bestaan ze nog. Na een lange wandeling krijg je dorst. Om die te lessen volstaan je beide handpalmen. Het water laat zich heel gedwee opscheppen. Het maakt nauwelijks geluid.
 
Geluid valt er ook weinig waar te nemen in kloostertuinen. Wie af en toe zo'n tuin bezoekt, weet hoe een mens erin tot rust kan komen. Licht en schaduw vullen elkaar aan, volgen elkaar op. Niet de mensen hoor je er praten maar de bomen. En de irissen. Geen kloostertuin of je vindt er de iris in. Ontegensprekelijk is het één van de tederste bloemen. Jammer dat de taal van de bloemen de mensen niet meer schijnt aan te spreken. Of is het mogelijk dat ze hun spraakvermogen verloren hebben? De iris niet. Om met haar in gesprek te komen hoef je niet te praten. Je hoeft alleen te kijken en te mediteren. Hoe bedroevend dat dit ongekunsteld natuurwezen de weg schijnt te zullen moeten opgaan van de roos.

De roos, uitgeroepen tot schoonheidskoningin ziet zichzelf ontaarden. Geënt, verbasterd, overrompeld, verpoot, leidt ze een gedwongen dubbelleven. In de étalages van moderne bloemenwinkels staat ze zieltogend in een kegelvormige metalen kan, met als achtergrond een zwart fluwelen doek dat overduidelijk de toon aangeeft. Gekweekt in een of andere glazen behuizing, van haar wortels afgesneden, krijgt ze zoveel bemest water toegemeten om het een paar dagen vol te houden. Tijd om de bot te laten ontknoppen wordt haar niet gegund. Nog eer ze het licht ziet gaat het snijmes door de stengel. Ook het schraapmes komt er aan te pas, want een doorn op een stengel is als een vlieg op de boter. Weg ermee. Weg met alles wat op natuurlijke wijze bloemt en siert. Ondanks alles zet de roos koppig haar weg voort. Doornloos. Reukloos. Langbenig. Perfect. De hoogte van de stengel precies afgemeten. Je moet het maar kunnen. Je moet het maar kunnen volhouden én overleven.

Naast de iris en de roos is er de sleutelbloem. Nog vóór de iris, en lang vóór de roos, staat deze lentebelofte in bloei. Ze staat in het encyclopedisch woordenboek vermeld als symbool voor eerste liefde, met tussen aanhalingstekens ‘ik heb niemand lief gehad dan jou’. Een beetje vergezocht? Wie slechts één keer kan beminnen is er erg aan toe. Hoeveel beter is het je liefde met beide handen als zaad te verstrooien. De zomerwind kan het dan onder zijn vleugels een poosje koesteren. Hij weet waarheen ermee. Pas later merk je hoeveel plantjes er overal om je heen opgeschoten zijn. Hoeveel er dorsten naar licht en warmte. Zoveel eenzame wezentjes die het goed zullen hebben zolang je maar energie en licht spendeert.

Vreemd hoe de kleinste dingen inwerken op je hunkerend gemoed. Het wellen van een kleine bron. Water dat de lange tocht aanvat naar de wereld van de bloemen en hun taal. Moet je Guido Gezelle heten om er aandacht aan te besteden? Ach, wie zal het zeggen? Wellicht volstaat het de deur van je hart wijdopen te gooien om alle geuren, kleuren, waterdruppels en geluiden, die in en om de bloemen aanwezig zijn, doorgang te verlenen. Misschien is het voldoende af en toe met hen naar het zonlicht te kijken, zo, als waren zij je enige vrienden, om te beseffen dat je nooit helemaal alleen bent. Nooit helemaal écht alleen.
 

Foto: irisbloem in onze tuin in Ganshoren-Brussel

Iris Van de Casteele, 1993

 

 

 

       

HET FABELKE VAN DE KLANKEN

 

Of de mensen het verschil zien tussen een fabelke en iets dat echt gebeurd is? Die vraag stelde ik mij toen de tovenares met haar wonderhouten potlood in mijn kamer verscheen. Ze kwam vandaag op bezoek, knipoogde naar de vele brieven en vellen papier die op mijn schrijftafel lagen.

Ze betastte er enkele, keek een beetje rond en nam de potloden in haar hand waarvan aan enkele de punt ontbrak te wijten aan het vele schrijven.
Er waren er veel, allemaal rood gekleurd cederhout, want die doen het vuur vlammen. Ze onderzocht de sterke, eiken balk waaraan een bos verdroogde bloemen hing, met een kaartje waarop grootmoeders naam. Met haar lange, dunne vingers bevoelde ze de bloemen. Die ga ik betoveren, zei ze.

 

Toen ze weg was nam ik een bloem uit het boeket, heel zachtjes, om de andere niet te beschadigen. En zie, het duurde niet lang of de bloem begon te zingen; een heel klein kinderliedje. Daarom waren het alleen maar blije klanken die te horen waren. Ze vielen als dauwdruppels uit de hemel op het puntje van de tong van de bloem, tot diep in het kelkje van haar bevend hartje. Heerlijk hoe ze nu zong, steeds hoger stegen de klanken tussen de huizen en de bomen

Sommige klanken vleiden zich neer in het kristalheldere water van de smalle beekjes. Tot in de verste uithoeken van het land vloeiden ze mee naar zee. Verder waren er klanken die zich vastgrepen aan het stuifmeel dat overal rondvloog en zich een weg baande naar een verrukkelijke tuin waar alleen de allermooiste bloemen en planten verwend werden door zon en maan. Waar de nachtegaal vertoefde, waar de wind zich herstelde van de ergste stormen, waar het ruisende riet boog maar nooit brak.

 

Enkele klanken, de schreeuwerige, kwamen terecht in de goot. Daar bleven ze liggen tot het avond werd en morgen, tot het dag werd en nacht; vele lange dagen, maar ze zongen niet. Het waren wanklanken die de hemel ontsierden. Daarom stuurde de betoverde bloem al deze klanken naar de goot, daarlangs zouden ze verdwijnen in een vergaarbak vol zuiver water; ze zouden er hun helderheid en frisheid terugbekomen.

Doch de regen was koppig en wou niet stromen; hij liet de klanken over aan hun vreselijk lot. Daar in de goot, hijgend en droog, wachtten de wanklanken op de echo van hun eigen valse tonen, helaas, niet één was er te horen. Af en toe sprong een blad van een tak, legde zich plat op het dak, dacht aan zijn sterke nervatuur, terwijl het de wanklanken aankeek, zolang, tot het herfst werd en alle blaren van die ene, fiere eik op het dak terechtkwamen; niet allemaal tegelijk: een na een zakten ze neer in de goot en bedolven om beurt een wanklank, tot ze stikten en wegstierven.

 

Een herfstwindje woei langs de huizen en vertelde, aan iedereen die het horen wou, dat het een goede winter zou worden, zonder stormen en vlagen, zonder ijs dat harten en monden bevroor. De regen fluisterde tegen de ramen of liet zich glijden in de goot waar voorheen het felle gevecht had plaats gevonden. Het hele dorp verkneukelde zich als de belleman de boodschap bracht dat de schreeuwerige klanken het onderspit hadden moeten delven tegen de eikenblaren.

Iedereen had er zijnen deun in, en er werd nog lang en veel naverteld en gemonkeld over de kakofonie van de wanklanken en het vrolijk geritsel van de eikenblaren. Deze heuglijke gebeurtenis, die alleen in ons wonderland te beleven valt, zou de komende generaties nog lang en deugdelijk doen lachen, daaraan viel niet te twijfelen.

De bloem begon opnieuw te zingen: een helder, betoverend liedje waaruit de naam van het kindje zou opstijgen, want daarom ging het tenslotte: de hemel zuiveren van alle boosheid en lelijkheid vooraleer het water op zijn hoofdje terecht zou komen. Opeens voelde ik in mijn handen het beven van de bloem. Moe was ze, oneindig moe, van de diepe betovering die ze had moeten uitstralen.

Ik legde haar voorzichtig op een toefje mos; een heerlijk bedje, waarin ze voorgoed dromen en slapen kon. Ook ik was doodmoe, uitgeput en uitgeloogd, door de angst die ik had uitgestaan om haar, want bij iedere beweging van mijn hand was de bloem dunner geworden, bijna doorschijnend, zoals irisbloemen soms doorschijnend kunnen zijn vooraleer ze sterven.

 



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 




Iris Van de Casteele, 1991

 

 

 

 

HET GROTE ONBEKENDE

 

 Dat ik kinderlijk aanhankelijk ben gebleven besef ik maar al te goed. Beste bewijs daarvan is mijn bewaard poëzieboek uit mijn jongemeisjesjaren. Heel wat mensen hebben er een stukje van hun lyrische ziel in blootgelegd. Hoe abstract die ook moge wezen: je raakt er niet op uitgekeken. Elkeen is gekomen, gaf het beste van zichzelf, en is daarna weer gegaan, zodat je verrijkt werd en tegelijk met heel wat vragen achterbleef.

De kraaipoten om mijn ogen vertellen niets over het bestendig kinderlijk gevoel dat me voorwaarts drijft naar het grote onbekende. Niets over de zoektocht die ik onverminderd voortzet. Nog minder doen het de rimpels in mijn gezicht. Windvlagen en onvriendelijke luchtgeesten teisterden bij pozen de gevel van het surrealistisch huis dat ik sinds mijn geboorte bewoon. Ofschoon het heel wat heeft ingeboet aan frisheid is het nog lang niet bouwvallig. Het heeft veel binnenkamers waar het goed vertoeven is.

Dat ik geworden ben zoals ik ben heb ik grotendeels te danken aan mijn vader die mij heeft gevormd tot wie en wat ik ben. Op een warme nacht in de maand mei, toen de vogels allemaal tegelijk zwegen, gaf hij het op. Hij gaf het op voorgoed. Hij moést wel. Hij zal wel geweten hebben dat hij zijn taak tot een goed einde had gebracht.

De oude keukenstoel, van waarop hij in zijn groentenhof zijn duiven en duivinnen gadesloeg, ging langer mee dan zijn spierwit zondagshemd waarin hij als een goede geest ten hemel steeg, al leek hij meer op een neergekogeld dier dat het onderspit moest delven na een lange klopjacht. Je vraagt je af waar zijn lichte klompen zijn gebleven, en die bruine stoel waarop hij zijn melancholisch filosofische overpeinzingen zat te overpeinzen.

Met elke dag die voorbijgaat gelijk je meer en meer op hem. Naast zijn lach heb je ook zijn melancholie geërfd. Je durft soms ook wel eens de vlerken laten hangen. Vooral datgene wat je het meeste mist speelt je de grootste parten, al kun je dat gemis niet precies omschrijven, nog veel minder erover praten. Misschien mis je de moed om in je diepste binnenste te laten kijken wanneer iemand geneigd is je beter te leren kennen? Misschien mis je de moed om de andere te vragen zich als gelijkgezinde op te stellen om dieper op de dingen te kunnen ingaan?
 

Bij degenene die je méér dan zo maar een heel klein beetje gevoelswarmte spenderen komt je spontaniteit meteen bovendrijven, die tegelijk je zwakkere kant betoont. Daarom toon je alleen maar je buitenkant al denk je vluchtig: bekijk aub ook een keertje mijn binnenkant. Eens dit vriendelijk masker opgezet ga je praten, zoveel dat je je in je eigen woorden verslikt, en lachen, zodat je er zelf van opschrikt. Maar als je goed luistert hoor je, dat je je zwijgen niet uit zijn slaap hebt gewekt, en dit van je gesprekspartner al evenmin, ook al stelde je hem de vraag: “Als ik zou doodgaan deze zomer zou ik dan genoeg antwoord zijn?”

Het zwijgen slaapt verder tot Het Grote Onbekende zich openbaart of zich kenbaar zal maken. Tot de vraag zal beantwoord zijn die je gesteld hebt. Tot je de vraag zal hebben beantwoord die je bent. Misschien kom je dan tot het besef dat het leven vraag en antwoord tegelijk is, en dat alle gemis -samen met vele andere nog te ontwarren draden- erin verweven zit.

 

 

Iris Van de Casteele, 1993

 

 



HET CURSIEFJE


Ik denk niet dat iemand ooit door het woord cursiefje een meer dan vreemde ervaring heeft meegemaakt. Mij overkwam het en wel verleden nacht. Het begon daarmee dat ik aan het overpeinzen was wat een cursiefje eigenlijk inhoudt, en of ik er wel één of meer geschreven had. Ik vroeg me af onder welke noemer het onder te brengen was. Onder essay? Onder recensie? Onder beschouwing? Onder artikel? Onder column? Onder kolom? Onder colonne?

Nee, dat laatste kon niet, dat woord had betrekking op het weekblad waarin ik mijn literaire vruchten -en die van andere dichters- kon onderbrengen. Drie colonnes werden het, elke week gedurende 17 lange jaren, met nu en dan een schrikkelweek; een week waarin mijn colonnes bezet werden door een heel blad publiciteitsaankondigingen of door om het even wat. Terloops gezegd: er bestaan ook schrikkeljaren doch ook die gaan voorbij.

Toen ik in bed lag hoorde ik een vreemde stem in mijn hoofd ‘cursiefje, cursiefje’. Dan werd het stil. Ik dacht dat het de hoogste tijd was in te slapen doch de stem herhaalde ‘cursiefje, cursiefje’. Zo ging dat door, meer dan een kwartier, om de twee minuten herhaalde het woord cursiefje dwingend zichzelf. Het werd zelfs een liedje op de wijze van “cachito cachito” dat Nat King Cole in het Spaans
- met duidelijk accent - gezongen had. Hoe zou men daar te slaap kunnen vatten? Ofschoon bijna middernacht werd het een gedwongen opstaan, samen met de poes die aan mijn voeten was komen liggen; zij die ook de slaap niet kon vatten vanwege de onrust die mij te pakken had gekregen.

Toen ik de trap afdaalde verdween het cursiefje: het liet zich niet meer horen. Ik maakte licht aan boven mijn schrijftafel, sloeg een woordenboek open en las: cursiefje is een cursief lettertje of een stukje in een krant in cursief schrift. Zoveel was zeker; nooit was er een cursief stukje van mij in een krant verschenen, wel heel veel stukjes, vooral poëtische, waarin hier en daar zinnen in het licht werden gerukt door ze cursief aan te duiden, maar nooit een cursiefje in zijn geheel.

Nu ik de ware betekenis van het woord tot diep in mij had laten doordringen zou ik kunnen slapen, doch eerst nog even kijken of er geen bericht of een brief was, ofschoon mijn elektronische brievenbus de laatste tijd schaars gevuld is. Als een boodschap zomaar uit de hemel gevallen las ik iets dat moest wijzen naar de afzender, en naar een ingesloten langere brief:
Als de tijd achter de maan verdwijnt, voordat de zon weer schijnt... Ik hoefde verder geen verklaring te zoeken. Het cursiefje had me teruggebracht in de tijd, en naar iemands woorden naar dewelke ik al enkele jaren tevergeefs had uitgekeken.

Teruggebracht werd ik naar de tijd toen ik me heel sterk verbonden had gevoeld met de maan. En tegelijk werd ik ook teruggebracht naar een dierbare zielsgenoot die ik liefkozend Sun noem en die, evenals ik, heel wat poëtische regels -en andere- aan het papier heeft toevertrouwd, alsook aan het wereldwijde web.
Aan het begin van zijn langverwachte brief herkende ik hem meteen:
Waar verdriet, vissen en oude verhalen samen komen
daar dansen wij in het ondermaanse meer van weleer
want gedachten verdwijnen niet zomaar

Nee, gedachten verdwijnen niet zomaar. Uitzonderlijke mensen van wie we houden en die tegelijk van ons houden zullen er steeds deel van uitmaken. Niet alleen van onze gedachten, veel meer nog zullen ze het eelt van ons hart verwijderen, onze ingehouden emoties ontladen, onze herinneringen ontbolsteren, tot we opnieuw geheel en geheeld, een zoveelste lastig stuk bergbeklimming in ons eentje aankunnen.

Dankjewel cursiefje. Nu weet ik waar je thuishoort.

Dankjewel, Sun, ik ben je méér dan een dagje zon in mijn leven verschuldigd.

 

 

Bloem van mijn samoe’oe - 2007

Iris Van de Casteele, 22 maart 2007

 

 

 

EEN MANIER VAN OMHELZEN

Schrijven is voor mij een manier om anderen te omhelzen en eigenlijk ook om door anderen omhelsd te worden. Deze woorden stammen van Eduardo Galeano. Ze zijn niet alleen op hem toepasselijk. Alsof de schrijver ervoor terugschrikt zijn verzuchtingen en onmacht op de lezer over te dragen gebruikt hij zijn woorden als omhelzingen. Hij omhelst de lezer. Zelf wil hij ook omhelsd worden: hij wil gelezen en begrepen worden.

Alle schrijvers zoeken bij de lezer genegenheid en/of erkenning vooral diegenen die met hun woorden een reusachtige poncho weven waarmee ze de minstbedeelden verwarmen en beschermen. Een onzichtbare schouderdeken, geweven met draden van medegevoel, gespreid over de ellende van de hele wereld. Een mantel van universele liefde waaronder de zachtmoedigen liggen, de gekneusden, de machtelozen die luisteren naar de vertellingen van hen die nog niet bevangen zijn door onverschilligheid.

Er is heel wat barmhartigheid nodig om je schrijfvermogen in dienst te stellen van de naaste; van de grote broedervriendschap waarin alle mensen worden opgenomen, zelfs misdadigers. Die worden opgenomen en hun misdaden worden hen vergeven, alhoewel dit niet altijd de juiste manier van handelen is; het verleden heeft dat bewezen. Boosdoeners bestaan en zullen blijven bestaan. Ze woekeren als distels. Maar ook distels hebben iets dat ons zou moeten doen nadenken. Toen ik jonger was schonk ik geen aandacht aan distels, tot ik op zekere dag, in een Zuid-Amerikaans lied het woord 'cardones' hoorde; en soort grote distel of cactus.

De woorden van het lied kan ik me niet precies herinneren maar de personificatie van de distels is me altijd bijgebleven: distels als star en pal staande soldaten, door de dominerende macht tot orde en gehoorzaam gedwongen. Distels die daar staan te staan in hun eigen beangstigende stijfheid, in hun uitgestreken strakheid, door niets bewogen; geen briesje, geen windstoot ontroert of raakt hen. Gekwelden die niet kunnen of mogen omarmen of strelen, en die het moeten stellen met plagerijen van lastige zandkorrels en stekelige bijen. Ze groeien op de meest onmogelijke plekken en blijven in leven door zich vast te bijten in hun eigen onbewogenheid.

Als goed gedrilde soldaten staan ze daar te staan. Ze wuiven niet naar de bomen en nog minder naar mensen. Ze zingen niet vaak. Af en toe persen ze een paar vreugdeloze tonen vantussen hun stekels; een lied dat hun triestig bestaan wat kleurt. Distelgod Eleggua schijnt de distels overvloedig uitgezaaid te hebben vooral in de amste landen van de wereld. Er zijn er zoveel dat ze alles overwoekeren zodat geen ruimte meer vrij blijft voor de Niemanden. ‘De Niemanden: de nietsen, de gekleineerden, de armoezaaiers die het leven sterven, de gepesten, de verschoppelingen’, zegt Galeano.
Wie als distel uitgezaaid wordt zal als distel geboren worden en zal als distel sterven. Zo denk ik na over het lot van de distel dat niet te benijden is.

 
 
Iris Van de Casteele, 1989




VOGELVRIJ VERKLAARD

Dat een te bewerken papieren poëzietuin steeds meer en meer je gedachten in beslag neemt is niet verwonderlijk. Bergen nog te verzetten werk doemen op in je slaap. Je krijgt er zelfs nachtmerries van. Hoe dapper je ook probeert de paadjes niet te laten overwoekeren, toch heb je het gevoel het weldra te zullen moeten opgeven. Na je vingers wond te hebben gewroet heb je geen overzicht meer, zelfs geen innerlijke voldoening, want je vraagt je af voor wie of voor wat je eigenlijk zoveel tIjd en energie in je geschriften blijft steken


Nadat je telkens vol nieuwe moed je wekelijkse column in een regionaal weekblad inhoud gaf lijkt de fut eruit. Je bent er al jaren mee bezig. Je begint je steeds minder te ergeren aan wantoestanden en aan kortzichtige mensen. Het liefst zou je alles op zijn beloop willen laten. Van je verbeten inzet en inspanningen draag je de sporen. Er werd naar je gegooid met kluiten klei, en je beste jas kwam onder lelijke vlekken te zitten nadat hij werd bekogeld met pollen slijkgras. Wie Ida Gerhardt's gedicht ‘VOGELVRIJ’ naar waarde kan schatten, weet hoe boosaardig mensenkinderen kunnen zijn. Maar je vergeeft en je vergeet en je begint opnieuw.

In je columns klaagde je de grootste verschrikkingen aan. Verder nam je het op als één tegen allen voor de verdrukten die nooit of nergens hun stem mogen laten horen. Je deed het met zoveel vuur dat je zelf als opgebrand lijkt. Laat andere idealisten zich nu maar ergeren aan 's werelds eeuwige kwalen en erover schrijven. Laat groenere jongens en meiden nu maar opkomen voor de gepesten, verdrukten, gefolterden, ontheemden, verwaarloosde dieren, onthoofde bomen, gekapte wouden; niet te overzien waarvoor het
loont zich in te zetten.

De jongeren moeten zich nu maar inspannen, jij houdt het intussen voor bekeken. En wat poëzie betreft: die kom je niet alleen in geschonden bomen of in klaterend water tegen. Je vindt ze overal en elkeen moet maar weten wat hij ermee aanvangt. Zelf heb je het mooi voor mekaar. Af en toe een gedicht schrijven en af en toe een bundel publiceren. Meer hoeft niet.

Tot je een papiertje in je brIevenbus vindt waarop o.m. staat ‘poëzie dient tot niets’. Er tingelt meteen één van die fameuze inspirerende klokjes in je hoofd waarover je het kort geleden nog had. Want wat daar geschreven staat raakt je diep. Zo diep, dat je niet de nodige tijd neemt om je verwarde gedachten te ontwarren. Opeens heb je haast. Zo een dooddoende snipper kun je niet zomaar in de prullenmand werpen. Je wilt kwijt hetgeen je te zeggen hebt. De woorden wellen op alsof het om water uit een woudbron zou gaan. Je schrijft
.

Poëzie dient om gelezen te worden, om gezien te worden, om beluisterd te worden, om verteld te worden, om je naaste te verwennen, om jezelf te verwennen. Poëzie dient tot troost, tot gebed, tot berouw, tot beminnen, tot bezielen, tot herkennen, tot prevelen, tot bezinnen. Zeg ze op, spreek ze uit, geef ze weg, draag ze mee, doe wat je denkt ermee te moeten doen. Draag ze op, teken er kronkels mee, schrijf ze neer in het zand, sla ze aan als muzieknoot, proef haar als hostie, drink haar als wijn, noem haar steen, noem haar tondel, noem haar heuvel, noem haar dal, noem haar rots. Poëzie-dient-tot-niets is een zinloze zin, is een hol gezegde, is een vat zonder bodem. Poëzie dient tot alles. Als je écht wil leven, is ze dauw, is ze adem. Ze is brood, ze is zout, voor wie écht oprecht van het warme leven houdt.

Je hebt je zeg gehad. Laat anderen nu maar dichten, schrijven, aanklagen. Jij eet intussen wel een lekker ijsje op het terras waar de fuchsia’s in hun fuchsiarood staan te gloeien. Ze laten nu en dan een belletje vallen. Je raapt ze op. Ze hebben een mooie kleur met hier en daar een vlekje. Misschien werden ook zij aangerand door hun soortgenoten toen ze hogerop wilden? Hogerop naar het licht natuurlijk. Was het ooit anders bedoeld? De gevallen belletjes leg je dicht bij elkaar op het ademende hout van de vensterbank. Dienen Ze tot iets?

 

 

Foto: fuchsias

Iris Van de Casteele, 1995





HET WISSEN MANDJE

 

Je moet het maar doen: je als een waaghals gedragen en er dan nog heelhuids van afkomen. Geen schram noch bluts, geen ingedeukte schokdempers, geen hangende koplampen, geen verwrongen motorkap, geen buil op je hoofd, geen bloedende neus, geen gekneusde benen, geen geschonden handen. Geen fatale afloop na de waaghalzerij. Bovendien moet je dan vliegensvlug jezelf achter het stuur opporren; je als een soort mirakel beschouwen na een slippartij op de spiegelgladde baan.

Deze gebeurde een paar winters geleden bij het naar huis rijden. 't Was bijna middernacht. Na een zware bonk tegen het voetpad aan de overzijde links, en een geweldige zwaai terug tegen het trottoirband rechts, kwam je zigzaggend over de hele baan, weer op je vier wielen terecht. Een paar seconden nadien was je al opnieuw onderweg. Diep tegen de rugleuning aangedrukt legde je de volgende twintig kilometer af als in trance.
Toen je de garagepoort inrolde wist je je eindelijk veilig.

 

Je had het al zolang beloofd. Je zou Agnes gaan bezoeken; haar onafgewerkte gedichten wat helpen bijwerken. Je stelde het telkens uit. Opnieuw een onbekende die zou proberen een plaatsje -hoe klein ook- in je leven te bemachtigen. Het nadien zou willen inrichten als een veroverd eigendomsplekje, je eigen gezelligheid eruit wegwerkend. Op dat gebied had je ervaring. Je keek er niet naar uit naar mensen die zich vasthechten als klitten. Die je aanklampen, inpalmen, meetronen om het beste uit je te halen, om je meteen te laten stikken van zodra ze op eigen benen kunnen staan. Je wou niet luisteren naar je intuïtie. Je medelijden haalde het altijd op je gezond verstand. ' t Waren ervaringen waaruit je leerde.

Een verdrietige stem aan de telefoon hakte eindelijk de knoop door. Denkend aan het gekwetst gemoed van Agnes begaf je je op weg. Het was nog vroeg op de avond. Het miezelde een beetje; wat straaltjes dunne regen die meteen op het wegdek verhardden. Een klein half uurtje dacht je de vrouw te spenderen, haar een beetje opbeuren, haar wereld een beetje opfleuren want haar ‘Sneeuwgedicht’ had een harde klap gekregen van FF; zoveel als nul op tien. De straat waar ze woonde glansde alsof ze pas was geboend. Lieveheer, dacht je opeens, laat het nu opnieuw geen vrekkig mens zijn.

Goed ingeduffeld zocht je het huisnummer. Je hoorde de hakken van je laarzen klakken tegen de bevroren trottoirstenen.
Toen de deur opendraaide schrok je een beetje. Zo klein had je het vrouwtje met de sneeuwwitte haren en het grote uithoudingsvermogen niet gedacht. Ze hing je sjapka aan de kapstok en gaf je prompt drie zoenen, plus hetgeen drie maanden voordien als eindejaarsgeschenk bedoeld was geweest, mooi verpakt met rood lintje en alles wat erbij hoort. Een fles dure portwijn die je eigenlijk niet aannemen wou, omdat je daarnet nog over de grote zonde gierigheid had nagedacht terwijl je haar huis aan het naderen was.

Drie volle uren luisterde je aandachtig. Je gaf goede raad die Agnes meteen opschreef terwijl je zelf kleine dingen in je opnam. Dingen waaraan velen niet de minste aandacht zouden schenken. Manden bijvoorbeeld. Hoe komt iemand erbij over manden te praten? Gevlochten manden daar had je een zwak voor.
Alle soorten manden uit wis, teen, bast, twijg, riet, rotan, bamboe, het doet er niet toe. Als het maar een mandje was waarin je dingen kon opbergen die om adem vroegen. Zoals brood. Of bloemen. Als het maar een mand of een mandje was, gevlochten met vezels van ene of andere plant die nog wat verder ademen wou.

Zal ik je mijn sleutelbloemen tonen? Ze stonden voor een piepklein venster waar het nodige licht hen precies kon bereiken zodat hun prachtvolle kleuren tot hun volste recht konden komen. Het mandje waarin ze zich geborgen wisten, dat klein vertederend ding, liet je niet los. Meer nog dan de bloemen nam het al je aandacht in beslag. Je had het zo binnen je handpalmen willen koesteren. Je had het tegen je hart willen aandrukken. Het meenemen naar huis. Het vertroetelen. Het de zaligste plek van je huis willen geven.

Net op tijd slikte je de vraag in of je het mandje niet mocht verwisselen tegen de dure portwijn. Hoe had je daar gestaan? Als iemand die met het beste niet tevreden is; veel erger nog, als iemand waar de hebzucht van afdruipt. Brrrr vreselijk.

 

Foto: Iris & Agnes in Nederland, na bezoek bij Nel Veerman.

 

Iris Van de Casteele, 1995

 

 

 

 

JE BENT WIE JE BENT


Een paar dagen geleden herlas ik een oudere brief van de succesvolle schrijver/dichter Dirk van Babylon waarin hij me dingen vertelt die ik al meermaals doordenkend las; een brief die ik al jaren zorgvuldig bewaar. Onder meer schreef hij mij het volgende:

 

‘Ik vond eens een boekje op een Amsterdamse rommelmarkt. Het heet ‘The lazy man's guide to enlightenment’. De titel geeft exact weer wat het is: een gids voor luie mensen op zoek naar verlichting. Ik las het en ik was verlicht, en ik kan het sindsdien nergens meer vinden. Een voorbeeld ging als volgt: je hebt mensen die licht zijn en mensen die zwaar zijn. De natuurlijke neiging van de lichte mensen is naar boven te streven en de zware mee omhoog te krijgen. De natuurlijke neiging van de zwaren is degenen die hoger stijgen terug naar beneden trekken, omdat ze het maar niets vinden al dat stijgen naar het licht en omdat iedereen even ongelukkig moet zijn als ieder ander.

Als je licht uitstraalt dan zal het vaak gebeuren dat anderen daar kritiek op hebben. Je natuurlijke neiging is dan om te verzwaren en een stukje te dalen naar de duisternis. Je krimpt samen, waardoor je soortgelijk gewicht verhoogt. Die neiging kun je overstijgen, door je niet van je stuk te laten brengen, te beseffen waarom die ander zo reageert, namelijk op grond van ingebouwde reflexen die niet noodzakelijk de ziel weerspiegelen, en door een manier te vinden om de ander mee naar omhoog, mee naar het licht te voeren. Zo dobberen wij ons hele leven op en neer, beste Iris, nu eens omhoog dan weer omlaag, maar mensen die op zoek zijn naar verlichting zoeken het omhoog; zoeken naar het licht’.

Tot daar deze verrijkende uiteenzetting van Dirk; een bijzondere vriend waaraan ik al heel wat steun heb gehad, vooral tijdens de voorbereidingen van het Brussels Distelbloemenfeest waaraan vele dichters een uitstekende herinnering hebben bewaard. Hij heeft het bij het rechte eind. Stijgen en dalen, hoogtepunten en dieptepunten: het leven van een mens lijkt uit niets anders te bestaan. En toch. Alhoewel het lichte en het zware veel te maken hebben met krachten die van buitenaf op ons inwerken, hebben deze twee dingen ook te maken met onze positieve of negatieve ingesteldheid.

Er zijn mensen die de neiging bezitten je het licht in de ogen niet te gunnen, en andere die zelfs een kaarsje zouden ontsteken opdat het je goed of beter zou gaan. Nochtans ben en blijf je altijd dezelfde mens. Bij de enen kom je niet goed aan en bij de anderen wel. Je daarvan bewust zijn, en dit kunnen relativeren, werkt positief op je doen en laten. Je zou natuurlijk ook kunnen vleien opdat de negatief ingestelden je zouden mogen, maar zo steek je niet ineen.

Je bent wie je bent. Liever laat je het negatieve terzijde en probeer je zo zelden als mogelijk samen te krimpen, of je naar beneden te laten halen. Af en toe wat gezonde humor spenderen -of toegespeeld krijgen- is een uitstekend hulpmiddel tegen elke verlammende zwaarte.

Zelf probeer je altijd je soortelijk gewicht in evenwicht te houden. Je prent vooral die ene zin in je hoofd en hart: de natuurlijke neiging van de lichten is naar boven te streven en de zware mensen mee omhoog krijgen. Bij die lichte mensen wil je horen. Je zou nooit, evenmin als zij het zouden willen, op niets of niemand zwaar willen doorwegen. Laat staan dat je anderen naar beneden zou proberen te halen, of hen het licht in de ogen niet zou gunnen.

Soms heb je de indruk dat positieve ingesteldheid kleine wonderen kan bewerken, zoals een lieveheersbeestje een zware dag kan goedmaken wanneer je er méér dan één seconde tijd en vriendschap aan besteedt, wanneer het onverwacht op bezoek komt.
 

 

Iris Van de Casteele, 2008

 

 

 

 

KINDERJAREN

 

 

Eén van de dingen die ik me goed herinner is de zomertijd; vooral die van mijn eerste leerjaar toen ik de kleuterschool verlaten had. Op zekere dag, toen vader en moeder op het veld aan het werken waren, zouden mijn twee broers en ik ‘winkeltje spelen’.

We namen twee stoelen, legden er een plank overheen waarop wij
[J.J.1] zure, onrijpe appelen uitstalden die mijn broers opgeraapt hadden, nadat ze die met veel moeite en met stokken van de appelboomtakken hadden staan slaan. Zij zouden het geld innen. Ik moest zorgen voor de verkoop en de wandelaars aanspreken. Altijd waren er die langs onze straat naar het bos toegingen. Ze konden niet anders dan langsheen ons kraampje passeren.

Ofschoon één wandelaar onze appelen goed had bekeken hadden wij niets verkocht, niet één appel. Vader vloekte een paar
[J.J.2] miljardedju; hij was kwaad omdat al die appelen nu tot niets meer dienden, onrijp en klein als ze waren. Daarbij kwam nog dat we maar één appelboom bezaten (en één perenboom). Opeens bezon vader zich en gooide alle appelen voor de varkens die er een lekkere maaltijd aan hadden.

Mijn broers haalden nog andere kwajongensstreken uit. Zo vonden ze het heerlijk ondiepe putten in de bospaadjes te graven. Daar overheen legden ze twijgjes en bladeren. Daarna lagen ze op de loer, kijkend of één of andere wandelaar in het putje zou trappen. Het gebeurde hoogst zelden, maar als het al een keer lukte gierden mijn broers het uit en kromden zich van de slappe lach. Achteraf vertelden ze mij het hele verhaal want dit soort streken uithalen zat er bij mij niet in. Stel je voor dat iemand zijn voet brak.

Af en toe moest mijn oudste zus -die vijfenhalf jaar ouder is dan ik- een paar broden kopen bij de bakker. Ze werden in een reticule gestopt. We namen elk een oor van de zak beet en zwierden hem een paar keer rond in de lucht. Een keer gebeurde het dat een brood uit de zak vloog, recht in een plak koeiendrek. We wasten het voorzichtig in de drinkbak van de dieren, tot er geen stipje drek meer te bespeuren viel. Daarna keken we elkaar medeplichtig aan daarbij een schaterlach onderdrukkend om het nadien uit te proesten.

Meer dan één keer kwamen we thuis van school met een brood dat vanbinnen grote gaten had. Onderweg hadden we een stukje van de harde korst verwijderd, om daarna het kruim uit het brood te peuteren dat we smakelijk opaten. Moeder zou dan wat kijven, we kregen een berisping, maar verder gebeurde er niets.

Het was ook in die tijd dat ik stiekem een bosje narcissen of tulpen plukte voor de eerstejaars lerares. Allebei soorten bloemen die bloeiden op het veld rondom ons huisje tot aan de rand van het bos. De bloembollen werden er geplant door ‘de Hollanders’, want zo noemen wij de mensen van over de grens. De bloemen werden in de lente geplukt, telkens per twaalf stuk bijeengebonden met raffia, en weggevoerd. Ik schonk speciale aandacht aan de raffia, meer nog dan aan de bloemen. Niet alleen omdat er een vreemde naam in doorklonk, maar ook omdat hij in niets geleek op de koorden en touwen die vader gebruikte.

(leesstukje uit het autobiografisch boek ‘De slagen zijn geteld’)


Ons huisgezin 1939 – Iris in het midden vooraan.

 

Iris Van de Casteele, 2004

 

 

 

 

OMTRENT ZURKEL EN KATTEN

Het is soms maar één woord doch het werkt als een sleutel. Een sleutel waarmee je de schatkist kunt openen waarin je hele woordenschat geborgen zit. Nog geen minuut geleden toverde ik uit diezelfde kist heel onverwacht het woord zurkel. Misschien omdat ik onlangs het woord ‘oseille’ hoorde, hetgeen in de Franse volkstaal neerkomt op “kluiten” of op “poen”, soms ook “duimkruid” genoemd.


Zurkel lijkt me een echt Vlaams woord, of het elders dan in onze streken ganbaar is weet ik niet. In het woordenboek prijkt het als een zelfstandig naamwoord. Zurkel wordt ook vermeld als klaverzuring, oxalis, inzonderheid de witte. Doch de zurkel waarover ik het wil hebben is groen, donkergroen zoals spinazie, soms een beetje glanzend rood achteraan, en ze smaakt nog veel lekkerder, en ze groeit vooral langs sloten en grachten.

Of misschien ondergaat de zurkel af en toe een gedaanteverwisseling; een metamorfose zoals de kameleon er soms ondergaat? In boekhandelantiquariaten vind je ze in alle talen: zurkel, surelle, sorrel, sauerampfer, acetosa, acedera.
De meest bekende zuringvariant is veldzuring of rumex acetosa, ook zurkel of braksuiker genoemd, die bijna onvindbaar geworden is, de échte dan. En zeggen dat er onwetende tuinmannen zijn die zurkel te lijf gaan, nog erger dan ze doen met de distel die al zoveel ezels heeft gevoed.


Of het telkens om mijn goedbedoelde, lekker smakende, Vlaamse donkergroene zurkel gaat? Ik zal het moeten uitzoeken, iets bijleren kost niets. Misschien verwisselt ze van kleur om mij op het verkeerde been te zetten? Misschien stuurt het woordenboek mij van de haver naar de klaver of van de klaver naar de zurkel? Het is als kauwen op een grasspriet. Je herkauwt en herkauwt het woord zurkel tot er smaak in zit; tot er pit in zit. Je herkauwt zelfs een blaadje zurkel tot er niets meer van overblijft dan wat kleine bladnerven die je in de gracht uitspuwt. Kinderjaren!

Er bestaan niet veel sloten en grachten meer daar waar ik als kind thuishoorde. Waar ik vaak met de réticule op weg was naar om er een grote portie zurkel in te stoppen terwijl de zon haar hoogste lied zong. De grachten puilden toen uit van de lekkere groente, je had maar je hand uit te steken, en te trekken of te plukken zoveel als je er hebben wou. Thuis werd de zurkel netjes gewassen, bovenop de geschilde aardappelen gelegd, verrijkt met wat spekbrokjes, en daarna aan de kook gebracht. En wij maar smullen; alle de elf te vullen monden die er waren. Af en toe vulde ik ook een réticule voor mijn peter die toen, samen met grootvader, een huisje bewoonde in de Kattenhoek.

Ik zou nu van de hak op de tak willen springen en het over katten willen hebben, doch een innerlijke stem zegt mij dat ik bij de zurkel moet blijven. Waarom zegt ze niet. Ik denk er het mijne van. Het zal wel zo zijn dat ze mij erop wil wijzen dat er heel wat groen aan mij is blijven kleven van al dat zurkeltrekken en zurkeleten; dat ik nog geen sikkepitje vergrijsd ben zoals mijn gedragen jaren het graag zouden willen.

Over katten en hun dierengewoonten kan ik het altijd nog hebben. Ik heb er heel wat ervaring mee, want al heb ik er nu slechts twee, ooit had ik er zeventien tegelijk te verzorgen. Misschien hoor ik thuis bij de katachtigen? Wie zal het zeggen. Maar of die zurkel eten betwijfel ik.

 

 

Iris Van de Casteele, mei 2010

 

 

 

 

KRABBELPOOTJES

Omdat we af en toe eens in een zure appel moeten bijten hoeven we daarom niet rond te lopen met een zuur gezicht, ofschoon zure dingen soms een aangename bijsmaak kunnen hebben. Met het oog op het wegwerken van stroop en honing kunnen we best eens een portie zuur en bitter op tafel zetten: augurken en olijven vallen goed te combineren. Zo krijgen we wat pit in hetgeen we te slikken krijgen.

Leven is een kunst, voor sommigen zelfs een grote kunst. Er dienen heel wat diep en ondiep water doorzwommen eer de bestemming in zicht is. Niet iedereen heeft een brede armslag; een sterke crawl. Vele zwemmers moeten zwemmen zoals jonge hondjes zwemmen die hun krabbelende pootjes voortdurend in beweging houden; zwemkunst is niet aan hen besteed.

Toch bereiken vele van die krabbelaartjes hun doel. Dit hebben ze te danken aan hun enorm uithoudingsvermogen. Omdat ze zich niet meten aan de sterke zwemmers krijgen ze nooit het gevoel alleen maar wat rond te ploeteren. Allicht ook omdat ze altijd recht voor zich uit kijken en zich niet storen aan wie rechts of links aan hen voorbij zwemt, en sneller vooruit komt.

 

Levenservaringen opdoen lijkt heel wat op zwemmen. Bij de ene gaat het vlug, bij de andere traag. De ene houdt het vol, de andere niet. Velen geven het op vlak voor de aankomst, of lang vooraleer ze het zinvolle begrepen hebben dat ze met die voor- en tegenslagen kunnen aanvangen. Verslagen zitten ze dan moedeloos voor zich uit te staren.

Er zijn krabbelaartjes die op een handige manier tewerk gaan om veilig aan te komen zonder dat ze al te zwaar uitgeput geraken. Na de vele grote inspanningen gaan ze gewoon op hun rug liggen. Als een papieren bootje dobberen ze verder, het kost helemaal geen kracht. Heerlijk! Het loont de moeite het eens echt te proberen. De ogen sluiten. Niets zien.

 

Niets zien van hoe gluiperds met de ellebogen werken om je van je plek weg te duwen. Hoe er een stok naar je geworpen wordt als naar een hond. Hem niet beschouwen als een stok maar als een speelding. Hem stevig tussen de tanden klemmen en verder dobberen. Luisteren naar de stem van de wind die altijd draait zoals de haan op de toren. 0p tijd voelen vanwáár hij komt. Blijven geloven in het zachte, jonge briesje dat de avondlucht koelt. Nooit indommelen want het kan best gebeuren dat de meeuw vlak boven je hoofd iets kwijt wil.

Daarom moeten krabbelaartjes voortdurend op hun hoede zijn. Ze dienen rekening te houden met vele gevaren, niet alleen met de draaiende wind, die niet verraderlijk snel zijn doel wijzigt maar ook zijn tempo. Vooral wanneer hij op kop komt te zitten dient er hard gezwommen. Dan doen we er goed aan het dobberend bootje een tijdje te vergeten. Het wordt dan weer krabbelen tot de storm vanzelf gaat liggen.

Gehaaide zwemmers hebben de neiging veel water te doen opspatten om de krabbelaartjes het zicht te belemmeren, gelukkig is hun adem veel te kort om het geniepig spel vol te kunnen houden.
De krabbelaartjes doen alsof ze de dwarsliggers niet zien. Ze weten dat ze hun zwemroute niet uit het oog mogen verliezen, en bij gevaar op tijd moeten kunnen duiken.
Uiteindelijk komen die kleintjes veel verder, en wel omdat ze een pientere kijk hebben op wat hun zwemmen werkelijk inhoudt: namelijk vaste bodem onder de voeten krijgen.


 

Iris Van de Casteele.1990
herwerkt en ingekort op 3 november 2008





POEZIËPARELS OF POËZIETRANEN?

Flaubert zei het al: niet de parels maken het halssnoer, wel het snoer. En niet iedereen kan het echte van namaak onderscheiden, omdat de lezer of de luisteraar door datgene wat hem raakt - soms één enkel woord - ontroerd wordt. Daartegenover staat dat niet alles wat ontroert een gedicht is waaruit poëzie te puren valt. De kunst bestaat erin parels te rijgen, doch alleen de ware dichter bezit het snoer.


Het zachte tedere is een bron van inspiratie. Niemand blijft onbewogen wanneer een pasgeboren kindje de ogen opent, wanneer men het mag aanraken. Niet alleen de dichter, maar bijna iedere mens zoekt naar het schone, het zuivere, het tedere. Dichten is en blijft een mysterie. Niets of niemand kan verklaren waarom sommige woorden op de juiste plaats komen te staan - tegelijk andere woorden naar voren halend - wanneer een gedicht ontstaat. Waarom klinkers en medeklinkers botsen, elkaar raken. De dichter doet ze ritmisch klinken. Hij stelt zich geen vragen. Hij creëert.

Poëzieparels vindt men ook in de muziek; noten die de componist zo weet te schikken dat de muziek verrukkelijk in de horen klinkt. Avondrood, sneeuw, dauw, groen en heldere rivieren spreken bijna iedereen aan, anders wordt het wanneer leed, gruwel en wreedheid in poëtische beelden of klanken opgeroepen worden. Om daarvan de enormiteit op het spoor komen, moet men al heel wat leed ervaren hebben.

De lezer of luisteraar kan niet zomaar meteen een sprong wagen in het diepste der diepten, zelfs de dichter niet. Ook hij moet zijn gevoelens onder controle krijgen eer hij de verschrikking in een paar woorden kan weergeven. Niets is gemakkelijker dan wegglijden in het sentimentele. Het mes op de wonde plek zetten betekent telkens opnieuw pijn ervaren.

Soms wordt de vraag gesteld, of men al dan niet de biografie van de dichter moet kennen om zich in zijn of haar poëzie te kunnen inleven. Dat blijkt niet altijd het geval te zijn. Anders wordt het bij hen die als het ware gedoemd zijn om met chaotische gebeurtenissen geconfronteerd te worden, waaronder soms de meest gruwelijke, die ze achteraf in hun verzen uitschreeuwen of uitschreien.

Eén van deze dichters was Victor Jara, tevens componist, musicus en zanger. Tijdens de Chileense staatsgreep werden alle vingers van zijn beide handen afgehakt met een nooit eerder geziene barbaarsheid. In protestliederen had hij het onrecht en het machtsmisbruik in zijn land aangeklaagd. Nooit meer zou hij zijn gitaar bespelen. Verminkt zong hij verder voor zesduizend lotgenoten die met hem in het Santiago voetbalstadion opgesloten zaten. Vooraleer hij neerzeeg, doorzeefd van kogels, stak hij zijn bebloede stompen in de lucht. Als blinde vogels zochten ze de ruimte.

Diep ontroerd schreef ik een gedicht voor hem. Ik wou op mijn manier een steentje bijdragen om zijn naam levend houden. Groot was mijn verbijstering te moeten vaststellen dat het gedicht, door de redacteur van een literair tijdschrift, naar de prullenmand verwezen werd. Hij had waarschijnlijk nooit iets over Victor Jara gelezen.

Het is ook mogelijk dat verschrikkelijke gebeurtenissen hem niet raken. Dat hij niet aangegrepen wordt door onmenselijk leed; dat hij niet bewogen wordt door hetgeen de poëzie in hem probeert wakker te maken. Nochtans werd en wordt leed door velen herschapen tot kunst, zoals
Pedro Almodovar het aangrijpend levensverhaal van Victor Jara tot ware kunst zou verheffen.

 

 

 Foto: Victor Jara
                                                                                                                          

Iris Van de Casteele, 1990

 

 

 

 

BUITENPOST HEEN EN TERUG

Voor het eerst sinds geruime tijd zou je reizen: Friesland heen en terug. Om 10u vertrekken en om 16u aankomen was precies hetgeen je zocht. De hele dag was er om het uur een trein met aansluitingen, en dit eveneens voor de terugreis, 6 u. onderweg, beter kon je het niet wensen.

Mooi zo'n treinreis, veel minder vermoeiend dan een halve dag met de wagen rijden. Brussel, Antwerpen, Roosendael, Rotterdam Centraal: je was al een heel eind gevorderd. Er was een uurtje tussenstop, tijd om op een terras een koffie te drinken gezeten in de najaarszon. Een stuk appeltaart met slagroom mochten niet ontbreken.
Nog voor je het wist was je al opnieuw onderweg. Drie uren later stapte je uit de trein, in Leeuwarden. Opnieuw een trein genomen. Een half uur later was je in Buitenpost. Een paar seconden keek je om je heen: daar stond één van jouw zeldzame, meest dierbare vrienden: Atze van Wieren: dichter in hart en nieren.

De dag verliep stralend tussen het gastvrij echtpaar en het toegesnelde vriendenechtpaar Leibbrand, alom gekend als bijzonder begaafde dichter. Het werd een buitengewoon gezellig samenzijn, in een huis dat een ziel bezit en waarin een hart klopt. Er werd verteld over mensen, boeken en dingen. Toen je jezelf toedekte met het donsveren dekbed voelde je je geborgen. Je viel meteen in slaap, niet zonder eerst nog een keertje aan thuis gedacht te hebben. Bij het opstaan vond je de tafel opnieuw mooi gedekt met heerlijke spijzen, teveel om op te noemen. Friezen weten hoé hun gasten te ontvangen.

Kwart voor elf werd je uitgewuifd. Je wuifde dankbaar terug. In Rotterdam Centraal vroeg je een reiziger het nummer van het perron voor de trein naar Brussel: spoor 1, zei de man. Voor alle zekerheid vroeg je het ook nog een stationsbediende. spoor 4, zei hij. Dan maar liever zelf gaan kijken. Op spoor 4 stond Intercity Breda aangeduid. De trein kwam meteen al aangerold terwijl je een meisje vroeg of de trein naar Brussel reed. Ze wist het ook niet.

De trein stopte in Breda. Weifelend bleef je zitten. Een poos later reed hij Tilburg voorbij. Dan begon het te dagen. Er zat niets anders op dan een paar reizigers te vragen of de trein naar Brussel reed. Nee, hij reed naar Duitsland. Intussen naderden we Eindhoven. Daar stapte je noodgedwongen uit, je moest terug vanwaar je gekomen was. Opnieuw trappen op en trappen af, beladen met pak en zak. In Eindhoven telde je de treden, 30 op en 30 af. Er zouden er nog heel wat te tellen vallen eer je uitgetreind was. In Breda moest je overstappen en de trein nemen naar Roosendael.

Je zat al lang niet meer in een eersteklascoupé, het kon je, doodmoe als je was, gestolen worden. Tussen een hoop vermoeide zittende en staande mensen zat je. Je vroeg één van hen hoe het in Breda verder moest. Je moet perron 6 verlaten de trappen af, dan links en dan de trappen op. Onzeker stond je op het perron. Dezelfde jongen die je ingelicht had kwam naar je toe. Hierlangs, zei hij, naar beneden, om de hoek links gaat het naar boven. Hij vergezelde je tot op het ander perron. Een uur wachten eer je aansluiting had. In de brasserie van het station dronk je thee, je at een sandwich, en je schreef een gedicht over dat je eerder op de dag in de trein in het klad geschreven had. Eindelijk kwam de trein eraan: Roosendael-Brussel.

Toen je uitgeloogd in de wagen zat waarmee je afgehaald werd, rekende je uit hoeveel traptreden je opgeklommen en afgedaald was met je bagage. Je vermenigvuldigde 5 x 30 x 2 en je kwam op 300. Je deed er een hele dag over om een stuk over middernacht thuis te geraken. Je was op weg geweest met de Intercity naar Duitsland, misschien wel naar Rusland, zou ook niet slecht geweest zijn want een stevige borrel wodka zou wonderen hebben verricht.

En maar kilometers stappen en gratis reizen in de verkeerde richting. Heel veel liefs en dank, beste vrienden. Eén ding is zeker: Buitenpost werkt ongelooflijk verjongend !


 

 

Iris Van de Casteele, 10 oktober 2004

 

 

 

 

OP WEG NAAR DE SNEEUWTOP

Meer dan een halve eeuw afgelegde weg lijkt mij een niet te verwaarlozen stuk beklimming naar de besneeuwde top van de berg. Af en toe werd er even uitgeblazen, nooit lang; de tijd scheen altijd te kort om even een langere adempauze te maken. Wanneer ik naar boven keek ontdekte ik nooit de top. Hij scheen zo onbereikbaar dat ik meer dan eens wanhoopte hem ooit te zullen achterhalen. Ik wist dat hij daar ergens moést zijn, verborgen achter nevel en wolken; dat hij dáárin schuilde zoals ik soms schuil in mezelf.


Van mijn onvindbare plekjes bewaarde ik lang het geheim. Dit bleken achteraf mijn gedachten en mijn gedichten te zijn. Eerst later, toen het kind genoeg kreeg van keitjes verzamelen, kreeg het oog en oor voor de rivier. Voor het ruisen en het kabbelen van het water, voor de begroeiing van de oevers, voor de levende wezens die in en rond het water vertoefden. Ofschoon ik deze levenskrachten rondom mij nog niet kon duiden, begon de tocht naar omhoog. Omdat ik nog niet geleerd had braamstruiken en doornhagen te vermijden, scheurde ik mijn kleren en schramde mijn huid, soms tot bloedens toe.


Hoe hoger ik klom, hoe vaker ik naar beneden keek. Daar lag het land dat ik liefhad, daar woonden de mensen die mij hadden zien opgroeien, daar lagen de akkers en de weiden. Daar graasde het vee, daar trokken de paarden de ploeg, daar ploegde de ploeg zijn voren. Steeds hoger ging de tocht. Als volwassene begon ik meer en meer naar boven te kijken. Ik vroeg mij af waarom het water naar beneden stroomde terwijl ik naar boven klom.

De te dragen last werd meer dan eens onhoudbaar zwaar. Soms dacht ik dat het eenvoudiger zou zijn mij naar beneden te laten tuimelen, doch ik wist dat ik er niet heelhuids onder vandaan zou komen. Ik moest volhouden; de sneeuwtop was er, ergens, veel hoger; waar zou anders al het water vandaan komen. Deze zekerheid gaf me kracht en moed.

Eindelijk is het mij gelukt in zijn zicht te komen. Ik voel de glinsterende zon. Ik ruik de jonge sneeuw. Ik hoor de roep van de wachtende vogels. Ik zie, als een verre plek, helemaal in de diepte, het land dat ik verlaten heb. Andere kinderen spelen er en verzamelen keitjes. Velen onder hen zullen ook de zware tocht aanvatten. Later, als ze zich zullen vragen stellen over de zin van hun bestaan. Over het mysterie van leven en van dood.

Er valt nog heel wat te klimmen, maar het geheim is bijna ontsluierd. Meer dan een halve eeuw zoeken en zich vragen stellen heeft geleid tot zelfkennis. Tot aanvaarden van de zware last die ons van bij de geboorte opgelegd wordt, om later in het vlekkeloos sneeuwgebied te mogen vertoeven.

Alle doorstane levensangst en eenzaamheid hebben zich als een sluier over het verleden gelegd. De steile bergweg is een brede strook geworden. Af en toe ga ik zitten om energie te putten uit het zonlicht. Ik zie dat er nog andere reizigers onderweg zijn. Sommigen groeten, anderen wenken. Soms probeer ik iemand in te halen. Iemand die meer van de berg schijnt te af te weten dan ik. Soms wordt op mij gewacht en vind ik steun.

Af en toe kijk ik naar beneden, tuimelen wil ik al lang niet meer, wel kijken hoe de paarden verder ploegen, hoe het gras en het graan groeien, hoe het vee de stallen ingaat. Hoe de beenderen van mijn voorvaderen voorgoed in hun vertrouwde omgeving in de aarde rusten. Dan denk ik dat een goed deel van mezelf in mijn geboortedorp gebleven is.

 

Iris Van de Casteele, 1989

 

 

 

 

POSTBEDELINGSPERIKELEN

Eén van de grote problemen in Paraguay is de postbedeling. Hoe en wanneer een brief verzenden kan niemand je vertellen. De hoofdstad Asunción telt slechts één postkantoor en ergens een bijkantoortje. Het hoofdkantoor ligt in het centrum, daar waar geldbanken (om zwart geld te deponeren) woekeren als paddestoelen in een najaarsbos. Die hoofdstad telt bijna één miljoen inwoners en strekt zich 25 kilometer ver uit. Wij wonen op 10 km. van het centrum, in Bárrio Adima. Om maar te zeggen dat je niet zomaar je brieven ergens kwijt kunt. Je moet er veel voor over hebben.

Voor zover ik weet  - van horen zeggen - worden in dat postkantoor heel wat brieven van hun inhoud beroofd. Dikke brieven krijgen het hard te verduren, die kunnen niet zomaar doorgelicht worden. Daarom worden ze brutaal geopend en daarna weggegooid. Zo kreeg ik op een keertje bericht langs de telefoon, dat een dikke brief onderweg was, met veel goed nieuws, vooral met foto’s en andere poëtische dingen waar ik heel gelukkig zou mee zijn. De brief kwam nooit aan. Gelukkig is er een postbode die de resterende brieven ronddraagt. Ik heb hem ooit maar één keer gezien, en nu schijnt hij het voorgoed opgegeven te hebben.

Maar ik heb wel een keer een paar brieven gevonden, welgeteld twee, die onder een heldere tropische hemel, als twee verloren zielen middenin op het grasperk lagen. En als je weet, dat het regelmatig stortregent, dan besef je pas hoeveel geluk je hebt dat je brieven daar nog ongeschonden liggen. Als er dan al een keertje een aankomt mag je al heel blij zijn dat iemand hem welwillend door de tralies van de afsluiting heen geworpen heeft net eender als men de kranten op de grasperken gooit in de USA, ongeacht regen of wind of waterplassen. Je mag hem verwachten daar waar hij ligt te verrotten als je er niet op tijd bij kunt.

Op de vooravond van een lentemorgen reed ik 10 km ver om vier brieven op de post te doen. ‘s Anderdaags kon men zien op tv, dat een opstand was uitgebroken. Welgeteld 203 personen hadden zich in het centrum van de stad verzameld, vlak bij de post. De president moest en zou aftreden. Er werd geroepen en gescholden, er vielen vuistslagen, er kwamen knuppels en bloed aan te pas. Het postkantoor werd vernield: alle ruiten werden ingegooid, alle poststukken werden buiten gegooid en in brand gestoken. Tenslotte vielen er negen doden. De vlieghaven werd gesloten en het internationaal busverkeer werd lam gelegd. En mijn vier brieven? Nooit gehoord dat ze aangekomen zouden zijn.

Kort daarop kwam een gekend politicus naar Bárrio Adima; daar waar wij vroeger woonden, en waar de grootstad ophoudt grootstad te zijn. Santos wenste de inwoners te overtuigen van zijn bekwaamheid, doch niemand was geneigd zijn stem uit te brengen voor hem. Té dikwijls waren ze bedrogen door de politici. Ze hadden er nu echt genoeg van. De vrouwen kwamen samen op het plein en sloegen met deksels, pollepels, tangen en ijzeren staven, op kookpotten en braadpannen, en op alles wat een hels lawaai veroorzaakte.

Santos schreeuwde in een megafoon: Ik kan niet alle beloftes nakomen, dat kan geen enkele politicus, maar ik kan wel dié belofte nakomen die jullie het nauwst aan het hart ligt. Het werd een geroep en geschreeuw van jewelste: queremos un busón… queremos un busón…. queremos un busón… (we willen een postbrievenbus... we willen een postbrievenbus... we willen een postbrievenbus... ).

Zo hard ze konden schreeuwden de vrouwen, het megafoongeluid overstemmend. De mannen hadden zich intussen bij de vrouwen gevoegd om mee te schreeuwen. Santos klom op het podium en riep: ik beloof, op mijn woord van eer, dat jullie een postbrievenbus krijgen. De man hield zijn woord. Naast de dorpskerk werd een week later al een mooie, in het rood geverfde postbrievenbus opgesteld. De mensen waren heel tevreden en stemden allemaal voor hem en hij werd senator. Hij was de eerste politicus in wie ze het volste vertrouwen hadden.

Dit jaar waren er presidentsverkiezingen. Senator Santos, (hij was ooit postmeester in Bárrio Maldos geweest en had het nu - met de stemmen van de Adimanaars - tot senator gebracht ) kwam opnieuw naar Bárrio Adima. Zoveel stemmen uit één dorp kon hij niet zomaar naast zich neerleggen.

En beste mensen, zijn jullie tevreden?
Ik zie dat de brievenbus goed zichtbaar opgesteld is. Jullie kunnen zien dat ik mijn belofte gehouden heb.
Ja, antwoordden de Adimanaars, we zien ze staan. Ze zit boordevol brieven. Ze werd gedurende het hele jaar niet één keer gelicht.  

Het postkantoor van Asunción kreeg nieuwe deuren en ruiten. Senator Santos werd niet tot president verkozen. En wat die roodgeverfde postbrievenbus betreft in Bárrio Adima betreft: die werd op een gele vrachtwagen geladen en weggevoerd. Geen haan die er ooit naar kraaide.
 



Iris Van de Casteele, 2003

 

 

 

 

DE PRUIM DIE ‘HOORNS’ DRAAGT...!
 

Er zijn zoveel namen van bomen en struiken dat je er in verdwalen zou. Om er maar enkele te noemen: zomereik, es, berk, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, els en spork. Marnix seinde mij deze namen door. Hij was de hele namiddag doende geweest een inheemse houthaag te planten. Eén naam eiste meteen mijn aandacht op. Sleedoorn. Of die iets te maken heeft met de vlierstruik?

Vele kilometers van elkaar verwijderd bevonden we ons gedrieën op een virtuele plek waar we het over onze streektaal hadden. Ik had het over het flesje sleedoornjenever dat ik in mijn geboortedorp ten geschenke had gekregen. Algauw zou ik tot mijn eigen schade ervaren dat ik een grote flater had begaan door de sleedoorn te verwisselen met de vlierstruik. Mijn vraag luidde: 'Hoe zeggen we sleedoorn in onze streektaal?' Niemand scheen daarop een antwoord te weten. Niet dat de anderen niet bij machte waren, evengoed als ik, of nog beter, dialect te spreken, integendeel, ze doen niets liever. Maar hoe die sleedoorn genoemd wordt in de volkstaal, dat wisten ze niet.

Opeens dacht ik dat ik het wist. Ik schreef: "Ik denk dat de naam in het dialect 'fliender' is". Jawel, die naam herinner ik mij nog goed. Toen we klein waren dronken we altijd in de winter 'fliendersiroppe'. Een drankje dat goed is tegen hoest en verkoudheid. Het flesje sleedoornjenever zal wel iets te maken hebben met vliendersiroop. Ik ben er omzeggens zeker van dat de benaming "fliender" dialect is voor sleedoorn. Marnix ging niet akkoord: "Vlienderstruik is wat anders, dat is het grootste onkruid dat er bestaat. Ene keer dat je het in huis hebt geraak je er niet meer vanaf… (waar hoorde ik nog zoiets…?) Ik heb liters van dit spul gedronken, je had twee soorten: voor kinderen en voor volwassenen. Dat voor de grote mensen was het lekkerst (was met rum gemaakt)."

Het was al ver over middernacht toen Geert met bewijzen voor de dag kwam; met beschrijvingen en plaatjes uit tuinboeken. Daarin stond zwart op wit, en ook in kleur, dat ik ongelijk had. Hij had een heldere kijk op die dingen: “Moir nieë, jonk! Vliendersarobbe is "Siroop van Zwarte Vlierbessen", da keuë zelfs in Olland in de wijnkels kueben! Ïn Vrankrijk heet dadde "Sirop de Sureau Noir". Mijn moeder mauktege dat altijd oze'k ‘n vallije hoin! Ge keut doir vree van zweten!". Nu ja, wie Oost-Vlaams dialect verstaat - en schrander is - zal hierin zijn weg wel vinden.

Om af te ronden schreef Marnix nog: "Iris, vliendersirobbe komt niet van de sleedoorn, daar staan stekkers aan, ik kan het weten want ik plantte er vandaag een 12-tal. Vliendersirobbe komt van de vlierbesstruik en is heel wat anders. Als ge daar een keer 1000 kg wilt van hebben, hier langs de 'roete' kunt g'er in de zomer emmers vol van plukken.".

Beschaamd om mijn onwetendheid sloot ik de computer af. Maar niet zonder eerst nog een oogje te hebben geworpen op wat die twee mannen onder elkaar nog te vertellen hadden. Alles wat ik nog kon lezen was: de wetenschappelijke naam betekent 'de pruim die doorns draagt'. En Marnix die er nog spitsvondig en sloeberachtig aan toevoegde: “k moest nog lachen met "de pruim die ‘hoorns’ draagt...!”

Van de sleedoorn (met purperen bêêêhrkes) en van de vliender (met zwarte bêêêhrkes) heb ik intussen een idee. Die bêêêhrkes (spreek uit met een lange, open e-klank, of imiteer het geluid van een blatend schaap, daar gelijkt die e-klank nog het best op) zijn eigenlijk bessen, in dichterstaal "bezies" genoemd. En die vlienderstruik zou wel eens vlinderstruik kunnen heten. Maar dat moet nog geklaard worden in een later onderonsje. Of weet iemand van jullie het?

 



Iris Van de Casteele, 2003

 


 

 

KLAPROZEN IN HET LICHT

 


Het valt niet te ontkennen dat mijn grote liefde voor de klaproos de laatste tijd een lichte klap heeft gekregen. Het doet pijn aan het hart vast te moeten stellen dat deze geliefde stilaan uit mijn gedachten aan het verdwijnen is. Misschien komt het omdat ik er al sinds jaren nergens geen heb gezien, tenzij op foto. Zou hun weerbaarheid me nog raken? Zou hun frêle vergankelijke schoonheid en hun fragiliteit me nog tot dichten en schrijven aanzetten? Ik stel me vragen. Zou het kunnen dat ze voorgoed uit mijn gezichtsveld verdwenen zijn?

In mijn kindertijd stonden er zoveel klaprozen tussen het koren dat je er niet naast kon kijken. Altijd stonden ze te bloeien naast de blauwe korenbloem. Vooral in schrale gronden, waar andere planten het veel moeilijker hebben, wist ik ze thuis. Op de zandakkers bijvoorbeeld, daar waar ik geboren ben. Dat mijn tanende liefde niets te maken heeft met de symboliek van deze zo geliefde bloem, daarvan ben ik overtuigd, het zal wel aan mezelf liggen. Wanneer ik me dieper ga buigen over het raadsel zie ik draden die ik zal moeten ontwarren, en andere wegen die ik zal moeten bewandelen.

Waarom wordt er door zoveel mensen zoveel aandacht geschonken aan de vuurrode klaproos? In vele talen worden gedichten aan haar gewijd, en kunstschilders en fotografen brengen haar telkens weer onder onze aandacht. Eén ding mag met zekerheid gezegd worden: de klaproos maakt in elke ontvankelijke ziel gevoelens wakker die omschreven zouden kunnen worden als poëtische vonken. Bekijkt men aandachtig haar zijdeachtige bloemblaadjes dan ziet men er het symbool in van wat tegelijk goed, teder en sterk is.

Ofschoon de bloem bloeit op een tengere stengel kan ze vele windstormen overleven. Ik liet me vertellen dat haar zaden meer dan een eeuw in de grond kunnen rusten eer ze ontwaken en dat van zodra de aarde omgewoeld is en zij in het licht komen te liggen. Het vuurrode klaprozenrood schenkt ons innerlijke warmte en rust. Het is onbegonnen werk haar te willen plukken want zodra ze van haar wortels gescheiden wordt kwijnt ze weg, Gepersonifieerd is ze tegelijk fragiel en sterk, fier en toegankelijk. Haar zwart geblakerde schoot duidt op rouw en verlies. Ze heeft dus alles in zich wat een mens meer mens maakt.

Dat de klaproos aanzet tot nadenken en tot mediteren heb ik al vaak ervaren. Toen ik mij een poos geleden aan het schrijven heb gezet vroeg ik mij af waarom de klaproos niet langer mijn gevoelens en gedachten beheerste. Doch schrijvende over haar heb ik mijn tanende liefde nieuw leven ingeblazen terwijl de poëtische vonk haar werk heeft verricht.

Foto: klaproos in het licht

 

Iris Van de Casteele, 2001

 

 

 

 

 

KLAPROZEN IN HET LICHT

cursiefjes en vertellingen

 

01.   DE GROTE VERWOESTING

02.   DE PIJN VAN PIJNBOMEN

03.   EEN PAAR RODE KLOEFKES

04.   EEN SAFFRAANGEEL VEERTJE

05.   PORTRET VAN EEN VROUW

06.   OUDE TIJD EN PUBERTEIT

07.   GEWORTELD IN HET MEETJESLAND

08.   EMMA’S LANGE LIJDENSWEG

09.   POËZIE EN CREATIE

10.   OOIT AL GEHOORD VAN KAKASD?

11.   BEDELEN OM VRIENDSCHAP

12.   ZWIJG MAAR...

13.   BINNEN DE MAGISCHE CIRKEL

14.   BLOEMEN IN EEN WIJNKRUIKJE

15.   EEN OPGEDOLVEN BEEN

16.   UN GRAIN DE FOLIE

17.   DAKDEKKERS ZIJN KUNSTENAARS

18.   BLOOTSVOETS ONDERWEG

19.   DAGBOEKPAGINA I

20.   DAGBOEKPAGINA II

21.   HET DOORGEGEVEN VUUR

22.   SHIKI DE BERGKOEKOEK

23.   DE MOERBEITOPPEN RUISCHTEN

24.   VAN VLAAMS NAAR GLOBISH

25.   MOZARTBOLLEN EN PAARDEKROLLEN

26.   ZEG HET MET BLOEMEN

27.   HET FABELKE VAN DE KLANKEN

28.   HET GROTE ONBEKENDE

29.   HET CURSIEFJE

30.   EEN MANIER VAN OMHELZEN

31.   VOGELVRIJ VERKLAARD

32.   HET WISSEN MANDJE

33.   JE BENT WIE JE BENT

34.   KINDERJAREN

35.   OMTRENT ZURKEL EN KATTEN

36.   KRABBELPOOTJES

37.   POEZIËPARELS OF POËZIETRANEN?

38.   BUITENPOST HEEN EN TERUG

39.   OP WEG NAAR DE SNEEUWTOP

40.   POSTBEDELINGSPERIKELEN

41.   DE PRUIM DIE ‘HOORNS’ DRAAGT...!

42.   KLAPROZEN IN HET LICHT

 


 [J.J.1] kilo's

 [J.J.2] verdommes