KLAPROZEN IN
HET LICHT
cursiefjes en vertellingen

Foto: Krijn Dijsksma
Soms vraagt men zich af waarom iemand die innerlijk sterk
is, het altijd zoekt bij de teleurgestelde, de zwakkere, de misdeelde, de
opgejaagde, de gekwelde, en bij zoveel mensen méér die het om vele
uiteenlopende redenen moeilijk hebben. Waarom niet aanleunen bij de sterke, de
gelukzalige, de onbekommerde? Goede vraag. Wellicht is er in elk van die mensen
iets dat je aanzet tot nadenken van hoe het ánders zou kunnen. Van hoe je het
anders zou willen vooral voor hen. IVdC
Alles
staat in de sterren geschreven. Zo stond het ook in de sterren geschreven dat
ik gedichten zou schrijven. Deze waarheid ontdekte ik toen ik nog geen negen was.
Mijn inspiratie deed ik op gezeten op de stenen rand van het Ede riviertje dat
ruisend door het ongeschonden landschap trok.
Het hele gezin was pas verplicht verhuisd, weg uit de bossen van de Zandakkers
waar ik het levenslicht zag. Niet alleen de prachtige sparrenbossen werden
gekapt waarin ik was opgegroeid; ook de grond eromheen, waar de Hollanders hun
veelkleurige tulpen en narcissen kweekten, werd verbeurd verklaard. Een
militair vliegveld werd aangelegd. Ons huisje -samen met andere huisjes en boerderijtjes-
moest wijken; werd met de grond gelijk gemaakt.
Na zoveel jaren ervaar ik dat nog altijd als de grootste verwoesting in mijn
leven. Nooit kwam ik ze echt te boven. Wij kregen een voorlopige woonplaats
toegewezen en kwamen op de afgelegen Campelberg terecht. Gedurende jaren heb ik
heimelijk geweend en getreurd om mijn sparappels, mijn paddestoelen en mijn
paasbloemen. Hoe ik ook telkens weer voedsel weigerde en bleekjes en graatmager
werd, het heeft niet geholpen, ze bleven voorgoed weg.
Troost
zoekend bij het riviertje ben ik beginnen dichten. Zijn water is wel heel diep in mijn hart blijven
ruisen, want later schreef ik nog drie gedichten met de veelzeggende titels
Winterbeek, De zoete Beke, en Binnenwater. Het is dan ook niet verwonderlijk dat mijn leven een
zoektocht is geworden naar een onachterhaalbare bron. Het werd een langzame,
moeizame verkenning van vreemde bochten en kronkels, waarbij ik meer dan eens
gehavend en gekneusd uit het avontuur kwam.
Ik kwam
terecht op de vreemdste plaatsen, verbleef een tijdje onder de vreemdste
mensen, tot ik weer verder gedreven werd. De drang werd dwang. Een uitputtende,
onophoudelijke zoektocht. Boeken verslond ik met hopen, tot ik op zekere dag
besefte, dat er verder niets in te lezen stond dan hetgeen ik onderwijl
aanvoelde, tegelijk beseffend dat niets opweegt tegen vrijheid van geest,
spontaniteit en creativiteit. Dingen waarmee ik mij kan vereenzelvigen.
Op een
paar uitzonderingen na, heeft het gedachtegoed van anderen weinig invloed gehad
op mijn manier van denken en leven. Wel boeit mij in hoge mate de leefwijze van
mensen die, volgens Westerse begrippen, minder ontwikkeld zijn. Lang en diep
heb ik nagedacht over de verbetenheid waarmee zij kampen om hun identiteit te
bewaren. Wie het geluk heeft te mogen leven aan de zijde van één der geniale
vertolkers van de ziel van een volk dat alle aderlatingen schijnt te kunnen
overleven, weet zijn zelfbewustzijn gesterkt.
Er
bestaan nog volkeren waarin ik mij herken; volkeren die tot in het diepste van
hun wezen vergroeid zijn met een boomwortel, een steen, een drop water, een
zandkorrel. Ze voelen zich één en verbonden met alles wat hen omringt. In het
geheim van hun oeroude culturen ligt het geheim van het leven. Meer naar de
eigen wortels tasten betekent meer mens worden. Maar ook het woord ‘mens’ heeft
veel van zijn betekenis ingeboet want alles wijst erop dat het niet langer de
goden zijn die bevelen, verminken en uitroeien. Hoe verder de mens zich van het
primaire tijdperk verwijdert, hoe meer destructieve krachten hij ontwikkelt.
Sparappels
en paddestoelen ontstaan en vergaan nog altijd op dezelfde wijze als ontelbare
eeuwen geleden. De mens in zekere zin allicht ook. Het verschil zit in de
groei. Bomen en planten blijven zoeken naar het licht. De moderne mens denkt
het niet meer nodig te hebben. In deze donkere tijden verzaakt hij zelfs aan de
wegwijzende toorts van degenen die ons zijn voorafgegaan.

Iris
Van de Casteele, 1989
De
bossen van de Zandakkers zijn voorgoed verdwenen. Alleen mensen van mijn
leeftijd kunnen zich wellicht nog dit prachtig stukje natuurgebied herinneren
dat zich uitstrekte tot aan de grens van Eetvelde. Sparrenbossen; zover het oog
van een kind kan reiken. Daarnaast planterijen en velden vol tulpen en
narcissen. Hier en daar een werkmanshuisje en een kleine boerderij: kostbare
juweeltjes, glanzend als lichtvlekken op donker tafelhout. Kromme wegels, die
overal naartoe schenen te lopen, gaven de bosbewoner een heerlijk gevoel van
vrijheid.
Het
leven werd gezaaid en uitgedragen op het ritme van de opgaande en ondergaande
zon. Wat daartussen lag was de eeuwigheid. De volmaakte oneindigheid. Het bos
leefde zoals elk ander levend wezen. Het paste zich aan de seizoenen aan. Na
vorst, koude en krakend ijs, tooide de lente zich voorzichtig met jonge
knoppen. Voorzichtig; want zelfs tot begin mei konden wind en nachtvorst nog
lelijk huishouden. Eindelijk schudde het bos de lethargie van zich af. De
pijnbomen stonden in volle meibloei. Het mulle zand op de wegels lag te blaken
in de zon. Het roodgele kleed van tulpen en narcissen lag als een zijden sjaal
rond de hals van de wereld. Die van de bosbewoner. De mijne.
Toen
reeds was ik tot in het diepst van mijn ziel getekend en vergroeid met alles
wat ik gadesloeg. Zelf jong scheutje opduikend uit de humus naast paddestoelen,
varens en andere planten. Het naar lichtzoekende kleine ding dat de nodige
kracht haalde uit de dunne zonnestralen om ze door te geven aan de groeiende
wortels. Het was in die tijd dat ik mij begon te interesseren in de
leefgewoonten van de dieren, vooral in deze van de insecten. Degene die mij het
meest boeiden waren de spin en de mier. De spin om haar oneindig geduld en haar
grote gave in het weven van kunstwerken. De sjouwende mier die nooit opgaf,
zelfs als er obstakels op haar weg lagen; haar vindingrijkheid scheen
onuitputtelijk.
Uren
achtereen kon ik stilzitten en kijken hoe alles om mij heen bewoog: het
fladderen van vogels, het wiegen van de takken, het kruipen van de insecten.
Geluiden die ik opving uit het bos bleven nagalmen en nazinderen in mijn
diepste ik. Eén met de elementen aarde, lucht, water en vuur was ik microkosmos
van de macroschepping. Zelf aarde, ademde ik lucht, dronk water, liep op blote
voeten over het gloeiend zand van de landwegels. Acht jaar. Mensje. Scheutje.
Pijnboompje.
Geen
weet hebben van wat er zich achter de horizon afspeelt. Geen andere kennis dan
deze van het bos, van het dier; van zijn natuurlijke wreedheid en grootheid.
Doden om in leven te blijven. Eten om te kunnen leven. Ik zag hoe alle wezens
op elkanders leef- en groeiwijze afgestemd waren. Niets scheen mij te ontgaan.
Ik was, samen met alles wat mij omringde, als het ware volkomen vergroeid.
Helaas.
Niet langer zou ik leven in volle harmonie met mezelf en met mijn omgeving. Het
bos werd gekapt en vertrappeld. De pijnbomen lagen rug aan rug op de vochtige
bodem. Gekneusd. De vele vogels verdwenen. De spin zocht haar toevlucht onder
het afdak van een nog rechtopstaande varen. De velden werden vernield. De
raffia, waarmee de bloemen bijeen gebonden werden, kreeg een heel andere
betekenis. Hij was niet langer een vezel die tuiltjes lentevreugde bijeenhield,
veel meer werd hij het symbool van verwoesting. Een andere wereld -een
technische- was in wording. In een tijdspanne van enkele weken verdween alles
wat zich tot dan toe harmonisch samengevoegd had. De jonge scheut werd verplant.
Groeide groot. Bleef in leven. Als door een wonder had ze de helende kracht van
het bos in zich opgezogen.
Nu groeit er, diep in het land, een alleenstaande pijnboom waarin de specht tot
op het spint de scherpe bek heeft geboord. Soms, als de wind over de Zandakkers
waait, voel ik hoe zwaar de pijn van de pijnbomen zich neerlegt op mijn gemoed.
Dan zoek ik met bevende vingers een klein toefje mos; het laatste dat zich
vasthecht aan een verregende muur.
Iris Van de Casteele, 1990
Communiefeesten roepen
bij mij een niet mis te duiden nostalgie op, want ook ik liep ooit in een lang,
wit kleed. Elf was ik. Daarvan kon ik er mij acht herinneren tijdens dewelke ik
altijd mijn uiterste best had gedaan om bij de vlijtigsten en de eersten te
zijn. Dat was mij niet slecht gelukt: er zaten vele beduimelde punten in het
houten kistje, diep in de schoolbank. Daar wist ik ze veilig. Het jaar dat ik
mijn plechtige communie zou doen zaten er nog een hoop meer in dan gewoonlijk.
De hele winter was ik
elke morgen - op mijn rode kloefjes- naar de eerste mis gerend: een half uur
heen, een half uur terug, vlug een boterham binnengeslikt dan naar school. Weer
een half uur rennen. Tussen de middag nog eens over en weer en om vier uur voor
de laatste keer dezelfde weg. Alles bijeen zes keer een half uur door de
bitterste koude op zeer jonge en zeer kleine benen. Offers moest men brengen.
Verstervingen doen. Vasten. Af en toe deed ik ongezien het kistje open. De
punten voelden warm aan. Dat deed mijn kinderhart ongelooflijk veel deugd. Het
gaf mij een gevoel van bemind zijn. Niet alleen door het Zusterke maar ook door
Iemand die we met blijheid bezongen als "onze beste Vriend": de
Eerste en de meest Onvoorstelbare. Het Mysterie was binnengeslopen in mijn
jonge ziel.
De dag brak aan dat ik
Hém plechtig op de tong en in het hart zou ontvangen. De dag van het lange,
witte kleed. Eén dagje zou ik er uitzien als de onschuldige engel die ik was.
De grote kartonnen doos werd van moeders kleerkast gehaald. Het communiekleed,
ooit nieuw gekocht, en vijf jaar voordien gedragen door mijn oudste zus, zag er
pasabel uit. Mooi was anders. Het vergeelde wit deed me een traantje wegpinken doch
er stonden ons grotere tegenslagen te wachten. De eerste ramp heette
"brood".
Na lang en veel
zorgzaam ziften hadden mijn ouders het witte meel aan de bakker toevertrouwd.
Brood van bij de bakker -al ging het om ons eigen meel- was veel feestelijker dan
dat uit eigen oven. Nooit vergeet ik moeders geschrei en geween de dag voor het
feest zou beginnen. Toen mijn oudste broer de versgebakken broden uit de
jutezak schudde, rolden ze over de vloer en braken in twee. Wat we zagen waren
donkere brokken, waar niet het minste beetje wit aan te pas kwam. De bakker had
het meel voor zichzelf behouden en ons bedot met boekweitbrood. Moeder, die de
zondag daarop ons jongste broertje ter wereld zou brengen, bleef met
roodgeweende ogen de hele dag ontroostbaar.
Het was volop oorlog.
Met één schoenenbon viel niet te kiezen. Het werden bruine schoenen, voor 's
anderdaags, voor de maandagmis, en voor alle zondagen die daarop zouden volgen.
Een lang opgeschoten buurmeisje leende me gewillig haar witte, vergeelde schoenen
die al twee jaar op een uitstap stonden te wachten. Ze pasten wonderbaar bij
het geel verschoten kleed. Met dikke wattenproppen op de teentoppen vertrok ik
naar de kerk. Alleen. Nadat ik ontelbare keren op het té lange kleed had
getrapt, met de té grote schoenen, schoot er een grote brok in mijn keel. Ik
dacht aan de verzamelde punten waarvoor ik me zo hard buiten adem had gerend.
Ik dacht met weemoed aan mijn rode kloefkes.
Hoe ik ze met grote opluchting in de hoek had gesmeten; geruild had voor een paar
grote, opzichtige, witte schoenen die niets anders deden dan moeizaam
tjiftjaffen. Hoezeer miste ik het ritme en het gekleffer van het warme hout.
Hoe hevig verlangde ik opeens naar het felle rood met de witte bloem erin
gesneden. Mijn dierbare, rode kloefkes, die ik op de mooiste dag van mijn leven
verraden had.
In de namiddag ging het opnieuw kerkwaarts. Weer alleen. De grote, witte
schoenen stonden stijf in hun kartonnen doos onderaan de trap. De kloefkes
(klompjes of klobberkes) stonden er bovenop. Hun felle blos verrichtte
wonderen. In mijn lang, geel verschoten wit kleed, en met mijn bruine schoenen
aan, voelde ik mij opeens oneindig rijk, denkend aan de bijeen gespaarde
punten, diep in de schoolbank.
Veel van mijn
wilskracht heb ik wellicht aan het kistje met de beduimelde punten te danken.
En veel van mijn innerlijke warmte aan de klompjes; aan het vuurrode, warme,
levende hout.

Iris Van de Casteele, 1990
EEN
SAFFRAANGEEL VEERTJE
Tussen al mijn kostbaarheden bevindt zich een saffraangeel veertje dat ik als
een relikwie bewaar. Het lijkt wel of de dorst van het vogeltje er zijn weg
heeft in gevonden. Vogelveertjes zijn voor mij een symbool van tederheid, van
zuiver zingen en snavelen. Ja, snavelen, of gezellig omgaan met uitzonderlijke
mensen; met vrienden, die een aparte plaats in mijn hart bekleden.
Degenen die mij kennen weten van de vogelblijdschap die mijn hart bewoont. Ik
denk dat ze iets te maken heeft met de zalige uren die ik in mijn prilste jeugd
aan grootvaders zijde mocht doorbrengen. Zittend op een mals tapijt van jonge
grassprieten, keek ik toe hoe hij achter paard en ploeg in de dampende voren
stapte.
In mijn vroegste kindertijd bestonden nog weidse, lange zomers met blakende zon
en af en toe een warme regenvlaag. Wanneer de hemel opklaarde gingen de vogels
aan het fluiten met velen tegelijk, het wemelde langs alle kanten en het was
geen zeldzaamheid een leeuwerik te zien opstijgen die ik met verlangende ogen
nakeek.
Grootvader hield van vogels. Hij deed niets liever dan hun zang nabootsen en
met hen wedijveren. Op het middaguur gingen we naar huis voor de warme maaltijd
om kort daarop terug te keren naar de kleine akker waar het zwaar labeur
herbegon. Terwijl de vers opengebroken aarde geurde en herademde, liep ik langs
de vochtige grachten en plukte zurkel, deed de smakelijke groente in een netzak
en wachtte geduldig tot grootvader, precies om vier uur, naar de zon zou
kijken, luidkeels het paard toeroepend âââûûw.
In de schaduw van een elskant mocht het zijn welverdiende rust genieten.
Grootvader kwam naast me zitten, daar, waar we de akker konden overzien. Hij
haalde uit de reticule de lauwe aluminium koffiekan, wikkelde de boterhammen
uit het bruin papier en gaf me mijn deel. We aten smakelijk en zwegen,
overweldigd van het schone uitzicht dat Onderdijke ons bood.
De koffiekan lag naast ons in het gras, het papier was opgevouwen en grootvader
kauwde op een grasspriet. Dat was het moment waarop ik onrustig werd, want
grootvader zou vertellen over de vogels; hij zou hun namen noemen, mij leren
kijken naar hun stijgen en dalen en naar hun wijde vleugelslag wanneer ze over
ons hoofd wegscheerden in rakelingse vlucht.
Daarna zou hij fluiten. Soms kort en schril, soms langgerekt met hoge en
afwisselende tonen. Van de koekoek zou hij vertellen, mij wijzen op het
speeksel in het gras, tot de sensuele stilte die tussen ons twee hing langzaam
zou verdampen. Lang zou ik kijken naar de gekauwde grasspriet van grootvader en
naar het speeksel van de koekoek tot zich iets vochtigs en warms in mij ging
nestelen, soms in mijn diepste binnenste, maar meestal in mijn ogen, omdat die
nog steeds glansden van de morgendauw.
Af en toe zou ik een veertje vinden, ermee in mijn kleine handen naar
grootvader lopen, hem vragend tot welke soort het behoorde. Hij nam de tijd,
gunde het paard was rust, en vertelde van de ene of andere vogel, wanneer en
waar hij broedde, of zijn eitjes gespikkeld waren of niet. Van windeieren
bracht hij me op de hoogte en van geroofde nesten. Van de kloppende specht
vertelde hij het liefst. Hoe hij, een gat in de boom borend, om zich heen keek,
schichtig, tot hij zijn taak had volbracht.
Deze onuitwisbare herinneringen
bewaren en ze vereeuwigen op de ene of andere manier, lijkt mij een heilige
opgave. Alsof ze nooit uit mijn leven verdwenen zijn, denk ik dikwijls aan
grootvader en aan zijn vele zomervogels; mijn onvervangbare, verre vrienden.
Soms valt er een veertje uit de lucht, zomaar in mijn hand, alsof het mij wil
wijzen op de tederheid die me ooit bewoonde, die er ergens nog is, maar soms
geen nestje meer vindt.

Iris Van de Casteele, 1991
PORTRET VAN
EEN VROUW
Met herinneringen ophalen uit hun kinderjaren hebben de meeste mensen geen
moeite tenzij ze volgepropt zitten met allerhande pillen in allerhande homes.
Maar bij wie er zelfs niet aan denkt zich bij die ouderen te zullen (moeten)
voegen, komen de beelden des te levendiger tevoorschijn. Al naargelang je een
heldere geest bezit zijn ze waarneembaar: het dorp, de buurmeisjes, de
schooljongens, de school, de leraressen, de leraars. Je hebt het allemaal
gekend, en je weet nog precies hoe de dingen eruit zagen bijna zeven decennia
geleden.
Je herinnert je hoe je er zelf
uitzag: klein en ondervoed. Doch dat ondervoed zijn had je aan jezelf te
danken. Doodsimpel lagen de dingen. Je lustte geen aardappelen met ajuinsaus;
de reuk alleen al wurgde er alles meteen weer uit. En je kreeg geen snede brood
voorgezet omdat je die aardappelen liet staan. Wat je 's middags niet at, werd
's avonds koud uit de inbouwkast gehaald. Je had twee keuzes: ofwel at je dat
bord leeg, ofwel ging je hongerig naar bed. Je koos altijd voor een lege maag,
die bezorgde je heel wat minder last.
Goed dat je langs de velden naar
school liep en er 's winters rapen en wortelen te eten vielen, en 's zomers in
de gaarden appelen, peren en pruimen. Soms plukte je stiekem een paar
aardbeien, ze groeiden binnen handbereik Je zou zelfs tomaten eten maar er echt
van houden zou je niet. Nee, verhongeren kon je niet. Aan honger went men. En
wat mijn eigen honger betrof: die was komen opduiken toen de bossen van de
Zandakkers werden gekapt. Toen ik één klap mijn kinderwereld vernietigd werd.
Ik hoefde geen aardappelen, ik had teveel verdriet om mijn sparappelen. Nooit
heb ik kunnen achterhalen waarom ik die twee dingen tegen elkaar heb afgewogen.
Toen mijn kinderleed één van zijn
hoogtepunten had bereikt, was de tijd gekomen om van Juffrouw Marja les te
krijgen. Ze sloot me meteen in haar hart. Ze herkende allicht veel van haar
eigen humor die ik als kind al aan de dag legde. Niet dat ze dat met zoveel
woorden zou gezegd hebben, nee. Gesproken werd over die dingen niet. Was ook
niet nodig. Je kon de genegenheid zo van haar ogen aflezen; ze spraken
boekdelen. Ze had een goedgeefs hart voor ál haar leerlingen. En hoé ze ons
verwende! Zo kreeg ze het gedaan dat we, van zodra de warme dagen aanbraken, naar
buiten mochten. Niet gaan spelen op de schoolkoertje, nee. Ze deed het
achterpoortje open, langs daar mochten we mee met haar naar de Watergang, en
langs daar naar de veldwegels, waar we ons buiten adem renden, en zo hard
riepen en lachten dat horen en zien verging.
Doch mooie liedjes blijven niet
duren. Juffrouw Marja werd té graag gezien, en dat 'graag gezien worden' werd
beschouwd als zonde. De lerares had zich aan te passen, en haar leerlingen
tuchtvol binnen te houden. Van een strenge Moeder Overste kreeg ze de volle
lading, terwijl wij beteuterd in een andere richting keken. Ik denk dat ik
toen, op dat precieze moment, voor het eerst kennis gemaakt heb met een gevoel
dat vernedering heet. Niet dat het mezelf betrof, maar je kon na dit voorval de
pijn zó aflezen van het gezicht van onze lerares. Na zoveel jaren kan ik mij
haar vochtige ogen nog heel goed herinneren.
Toch zouden er weldra gouden dagen aanbreken; voor mij althans brak een heel
andere tijd aan. Ik bezocht niet langer de dorpsschool maar een hoger
gequoteerde school in een aanpalende gemeente. Gedaan met koude aardappelen en
ajuinsaus.
Zielsgelukkig was ik wanneer ik in het chique salon, bij de juffrouw thuis,
voor de glanzende zwarte piano mocht gaan zitten, en een paar noten spelen,
doch verder dan een paar do-re-mi-fa-sol-klanken heb ik het nooit gebracht.

(Maria De Baets 1910 – 1955)
Iris Van de Casteele - De
Poëzietuin 1990
Uit het autobiografisch boek ‘De
slagen zijn geteld’ 2003.
OUDE TIJD EN
PUBERTEIT
Toen ik al bijna dertien was, en van de gemeenteschool naar een hoger
gequoteerde ging, schreef ik nog steeds naar Nonkel Bob. Deze kindervriend
verzorgde zijn Kinderhoekje in het Gentse weekblad De Landwacht (subtitel: Kopblad van De Gentenaar voor de
buitenmensen) !!!
Hij bezat een
foto van mij en kende mijn hele levensverhaal en mijn zielshunkeringen.
Nadat hij een gedichtje van mij gepubliceerd had, begon hij mij persoonlijk aan
te schrijven omdat ik met dertien te oud was geworden voor het Kinderhoekje.
Hij schreef me om me te troosten, maar vooral om me aan te moedigen. Bij hem
kon ik al mijn zorgen kwijt. Al mijn hoop op beter lag toen in die briefvriendschap
besloten. Bij
één van zijn brieven stak een foto. De tijd van verliefd worden was
aangebroken. Nonkel Bob was de eerste die mijn onschuldig hart binnendrong, of
liever datgene wat op de foto te zien was: een goeduitziende jonge man.
Nu had ik eindelijk iets waaraan ik mij kon hechten. Iets, of liever iemand,
waarop ik tot over de oren verliefd werd. Hij schreef een brief waarin stond
dat er de volgende zondagnamiddag een feest zou doorgaan, in Ledeberg bij Gent,
waartoe alle kinderen uitgenodigd waren. Mijn hart klopte razendsnel bij dat
goede nieuws. Hoe het aan boord leggen dat ik daarheen mocht? Ik wist bij
voorbaat dat het niet zou mogen, daarom zweeg ik wijselijk en zocht naar een
uitweg.
Omdat ik aangesloten was bij een jeugdvereniging, en er af en toe op zondag
vergaderd werd, leek het een oplossing. Mijn eerste noodleugen kwam er aan. Ik zou naar vespers en lof
gaan, daarna naar de vergadering, dat kon uren duren. Moeder vond
het goed. Naar juffrouw Amanda’s vergaderingen mocht ik altijd. Ze was niet
alleen de leidster van een groep jonge meisjes, maar tevens een wijze,
beminnelijke lerares, geliefd door iedereen in het dorp.
De dag van de grote reis brak aan. 30 kilometer met de stoomtrein die bij elk
station stopte, én er diende dan overgestapt in Gent. Mijn hart klopte van
vreugde en verwachting; zelden had ik mij zo gelukkig gevoeld. Neuriën deed ik
toen ik uit het wagonraampje keek. Helaas,
de reis duurde oneindig lang. Het was al laat in de
namiddag toen de trein in de Gentse Damppoort zijn eindstation had bereikt.
Tweeënhalfuur had hij er over gedaan om 25 km. af te leggen. De schrik sloeg
mij om het hart. Ik voelde de slagen al op mijn hoofd neersuizen.
Ik rekende uit. Het zou nog uren duren eer ik thuis zou komen; naar Ledeberg
verder reizen was uitgesloten. Het werd wachten op de volgende trein en moedig
de terugreis aanvatten. Toen ik van de trein stapte was het 20u en donkere
winteravond. Vespers, lof en vergadering duurden hoogstens drie uur doch nu was
ik al zes volle uren onderweg. Met bonzend hart naderde ik de voordeur.
Doodsangst uitstaande riep ik vanop de straat, zo luid ik kon:
Bedankt, Amanda, goeienavond.
Ik wachtte een paar seconden en ging daarna binnen.
Moeder keek op en vroeg:
Naar wie waart gij daar aan het roepen?
Naar Amanda, moeder.
Waarom hebt gij haar niet mee binnen gevraagd?
Omdat het laat geworden is, ze moet nog een ander meisje naar huis begeleiden.
Mijn tweede noodleugen op één dag; het moge mij vergeven worden, mij jonge
zondares. Moeder las verder in haar spannend Ivanovke; haar geliefd wekelijks
romannetje. Er viel een zware steen van mijn hart. Er wachtten mij brood en
kaas op tafel en hete koffie op de stoof.
Iris Van de Casteele - 1989
Het is een mooie, warme lentedag en vroege namiddag. Het groen kruipt zacht
vanonder de jonge varens. Er is alweer ten allen kante vogelgekwetter en
getsjirp. Terwijl de zon aan het dalen is rijden duizenden auto’s terug naar de
stad, weg van de kust. Er is haast mee gemoeid. In tegenovergestelde richting
ligt de brede autosnelweg als verlaten.
Na de afrit Aalter komt het
knooppunt met aan de ene kant Ursel. Langs de andere kant gaat het naar
Lotenhulle en Tielt. Er moet gekozen worden. Het wordt Ursel met zijn geschonden bossen en zijn omver
gewaaide bomen, want de storm heeft de laatste dagen ook hier hevig gewoed. De
reuzen liggen geveld door geweld. Voor een ontwortelde mens een zielig zicht.
De uitgerukte wortels lijken zonnewielen, het is alsof ze een vlucht willen
wagen naar het volle licht eer de memel een onhoorbaar einde zal maken aan wat
nu nog stevig hout is. Binnen enkele jaren zal er van de weggevreten reuzen
niets overblijven dan vruchtbare humus; allerhande klein gedierte zal er zijn
weg in vinden. Ze hebben bij het omvallen, dankbaar voor het schone leven dat
ze geleefd hebben, hun ineengestrengelde wortels de hemel toevertrouwd. In volle overgave liggen ze naar de zon gekeerd. Winterse aarde klampt er zich aan vast. De geur ervan
laat zich door lentegeruis vertederen en verwarmen.
Diep in de aarde ontstaat alweer nieuw leven. Een dun scheutje van een
omgevallen boom vecht zich een plekje vrij, onopvallend, voorbij aan wilde
kamperfoelie en ginster. Hoe wonderbaarlijk en aangrijpend toch dit nietig ding
dat zich zal moeten proberen te handhaven tussen eik en beuk. Het vertoont nog
niet eens de vorm van boom of struik, maar binnen een halve eeuw zal het boven
de weiden en de akkers uitkijken; zeewaarts en landinwaarts. Het zal zich
vrijgevochten hebben.
Het gasthof gonst van het
volk: boeren en dichters. Hier hebben ze hun plek. Gezegend land waar nog
plaats is voor boom en mens, al dan niet gekneusd. Een eind verderop begint de
wandeltocht. Tussen oude karrensporen en halfvergane bermen wordt het moeilijk
lopen. Plots komt een kleine waterplas in zicht. Een kleine oase achter
omvergewaaide en nog rechtopstaande bomen. Hier wordt wankel evenwicht hersteld
tussen verleden en toekomst. Langs veldbaan, beemdgras en hofstede besnuffelt
een mens zijn verleden; wordt speurneus. Op zoek naar wat? Naar de eigen
wortels?
Aalter, Ursel, Adegem,
Sint-Laureins, Eeklo: het Meetjesland trekt atavistische sporen. Niet aan de
wegwijzers moet men zich houden maar aan de groei van bomen. Kijken moet men
langs de stam, hem bevoelen. Die éne kruin ontdekken tussen de vele andere
kruinen. In gedachten de jonge Egidius zien ploegen, je eigenste oudste, laatst
achterhaalde oerovergrootvader. Hem vijfhonderd jaar terug zaad zien zaaien.
Hem aarde en hemel zien groeten. Zich in hem herkennen. Weten waar de zon
opgaat. Wanneer het maanlicht wandelt. Waarheen de sterren reizen. Weten
wanneer de aarde moet worden geploegd. Weten wanneer het zaad dient gezaaid.
Het bos staat open voor iedereen.
Tijdens de wandeling wordt nagedacht over het komen en gaan van bos en mens.
Soms wandelt men alleen. Een enkele keer getweeën. Nog even een hap vooraleer
de terugweg aan te vatten. De rode wijn maakt de tongen van de wandelaars los.
Het Oost-Vlaams dialect, rijk aan accenten, rijt oude wonden open. Waar zijn de
vaders? Ze roepen ons, de doden. Het zal laat worden vannacht eer de bossen
zullen zwijgen. En de bomen? Luistert iemand?

Iris Van de Casteele, 1990
EMMA’S LANGE
LIJDENSWEG
Grootmoeder, het wordt de hoogste tijd dat ik jouw naam opnieuw in herinnering
breng. Het wordt de hoogste tijd dat je gewaden van glanzende zijde gaat dragen:
lichtblauwe, knalrode, zachtgele, kies jij maar uit. Dat die zware klompen
voorgoed aan de nagel worden gehangen. Dat de donkere lompen waarin je gekleed
ging verbrand worden, na bijna een halve eeuw uitgebuit en geestelijk verkracht
door het leven te zijn gegaan. Moge de zomerwind de as van jouw armoedig plunje
naar de vier windstreken verwaaien en zich verliezen in de tijd.
Wie beter dan ik kent jouw verhaal? Wie beter dan ik kan zich inleven in
alles wat je hebt moeten doorstaan? Jouw agonie duurde langer dan een halve dag
en de daaropvolgende nacht waarin je je laatste kind zou baren; je had uitzicht
op niets dan op een lange lijdensweg die je alleen zou moeten gaan. Wat ging er
in je om de laatste maanden vooraleer het laatste van jouw vijf kleine kinderen
werd geboren? Heb je je in jezelf gekeerd toen jouw naaste buurman jouw
geliefde kippen allemaal de nek omwrong omdat ze een graantje pikten op zijn
erf? Kromp je daarom ineen? Heb je hem kunnen vergeven? Is er een
andere verklaring waarom je jouw pasgeboren kind niet voeden wou?
Je wou geen gesprekken, je wou je verdriet alleen verwerken, je dacht jezelf te
kunnen regenereren. Je kreeg er de tijd niet voor. In een krankzinnigengesticht
werd je ingeleverd; de handtekening van de onwetende, ongeschoolde dorpsdokter
volstond. Meegenomen werd je door hem. Je zou een tijdje worden ‘vastgezet’:
een term die de gemeentebeambte in het grote logboek schreef. Een paar weken
rust zouden je goed doen werd jullie verzekerd: jou en grootvader. Jullie kwamen
allebei bedrogen uit. Het werd, en het bleef,
‘Vastzetten’.
Na vier weken opsluiting vroeg je grootvader of je mee mocht naar huis.
Het mocht niet. Men had je onder voogdij van de Staat geplaatst; hij, de
oppermachtige, de genadeloze, de tot vlees en bloed geworden papiermolen. Hij
plette je tot minder dan het stof dat alle nutteloos papier om vrijstelling
deed opwaaien. De eerste oorlog kwam er aan. Men verhuisde je naar een verre
plek waar zelfs geen boemeltrein heen voerde. Het systeem
vergat je. De dorpsdokter vergat je. Uitbesteed werd je aan boeren terwijl jouw
eigen vijf kleine kinderen zonder jouw liefde en zorgen moesten opgroeien; één
ervan mijn geliefde vader die toen amper zeven was.
Tussen twee wereldoorlogen in zat je geklemd tussen zeven kinderen die
de jouwe niet waren. Je bracht ze allemaal groot. Je hanteerde het mes en
je sneed brood. Je bewees zware taken op de boerderij aan te kunnen; een bewijs
van je herstel dat weggewuifd werd. Je eigen kinderen zou je nooit mogen
voeden. Het zouden meer dan vijfenveertig lange jaren worden van uiterlijke
miserie en innerlijke nood, ondanks het sporadisch bezoek van je geliefden.
Vaak heb ik aan je gedacht, heel vaak de pijn en het onrecht meegeleden die jou
werden aangedaan. Alsof ik jou geworden ben, alsof ik jou ben, zo
onontwarbaar voel ik me met jou verbonden. Aan jouw lange lijdensweg kwam
uiteindelijk een einde toen je stierf, nu al meer dan een halve eeuw geleden.
Niemand heeft de diepte van je ziel kunnen peilen die tegelijk met jouw geest
een korte tijd in nevel was gehuld. Jouw leven als jonge vrouw werd voorgoed de
bodem ingeboord toen jouw kakelende huisvrienden, een onbegrijpelijke,
gewelddadige dood moesten sterven. Toen de liefde die je voor hen voelde met
blote handen werd gewurgd, jij tegelijk de adem werd afgesneden ofschoon je
hoogzwanger was.
Zevenendertig was je. Zachtzinnig. Gedwee. Onderworpen ging je de kalvarieberg
op. Ofschoon je geest en je ziel de nevel waren ontstegen vergat het ‘systeem’
je jouw vrijheid terug te geven; de verantwoordelijken ‘vergaten’ je.
Ver van allen
die je blijven beminnen stierf je.
Grootmoeder, leer mij jouw kwelgeesten vergeven.

Emma en kleinkind Lea
Iris Van de Casteele, 2007
POËZIE EN
CREATIE
Is het mogelijk poëzie te
verklaren? Er bestaat een anekdote die aan haikudichter Basho wordt
toegeschreven, die deze vraag misschien voor een deel beantwoordt.
Heel mijn leven heb ik Zen uitgelegd, en het lijdt geen twijfel dat ik Zen
nooit begrepen heb.
En, antwoordde zijn gesprekspartner, hoe kunt u iets uitleggen wat niet
bestaat?
Oh, antwoordde Basho, moet ik dat ook nog uitleggen?
Is poëzie definiëren een onmogelijkheid, een utopie, iets wat niet uit te
leggen valt? Kun je het leven definiëren? Kun je de dood, de muziek, de liefde
definiëren? Pedro Salinas meende dat alle commentaar omtrent poëzie verwijst
naar bijbehorende elementen: stijl, vorm, taalbeheersing, gevoelens, maar nooit
naar de poëzie zelf. Hij noemt het een tocht naar het Absolute.
Uit een dialoog tussen de Argentijnse dichter Roberto Juarroz en zijn
gesprekspartner Guillermo Boido stamt volgend fragment: “De uitleg van wat niet
begrijpelijk is, in dit geval de poëzie zelf, is enkel en alleen begrijpelijk
langs een uniek verschijnsel om, namelijk dit van het creëren zelf. Het
gecreëerde kan enkel verkaard worden door het gecreëerde zoals de liefde enkel
te verklaren valt door de liefde. De enige manier om een creatie te ontvangen,
eertijds al geschreven, is ze opnieuw creëren, misschien zichzelf creëren
tegelijk met haar.”
Ik ben van mening dat poëzie tot op zeker niveau wél te verklaren valt, maar
dan moet het avontuur naar het absolute intens beleefd worden door de schepper
zelf. Een avontuur dat bestaat uit symbolische bergen bestijgen en symbolische
kloven overwinnen, die een mens tijdens zijn levenstocht op zijn weg vindt, met
alle inspanningen die daartoe behoren. Vooral uithoudingsvermogen speelt een
grote rol tijdens die tochten, die vaak meer een kruisweg gelijken dan een
weldoende wandeltocht. Tijdens die ontdekkingstocht naar het ontstaan van wat
binnen ons denkvermogen valt, komt langzaam het grote onbekende in zicht; het
raadsel kan beetje bij beetje ontraadseld worden.
Dat de poëzie (niet het dichten zelf) in het oersacrale geworteld zit kan niet
ontkend worden. Voor de oningewijde blijft ze een raadsel, een mysterie. Men
zou haar kunnen vergelijken met een kostbare diamant die in een filigranen
omlijsting dient geplaatst te worden. Vooraf zal die omlijsting precies
uitgemeten moeten worden, op minder dan een duizendste van een millimeter na,
zodat de steen er veilig in geborgen kan worden. De edelsmid weet dat iemand
hem is voorafgegaan; een diamantslijper die de ruwe diamant tot schitterende
facetten heeft geslepen, zodat hij nu datgene uitstraalt wat altijd al in zijn
kern aanwezig was.
Dat de edelsmid hier de dichter is hoeft geen betoog. Dat hij de ongeëvenaarde
diamantslijper noch van naam noch van gezicht kent doet niets ter zake; het zal
wel om een buitenaards wezen gaan dat zich niet aan iedereen openbaart. Voor de
edelsmid is het van groot belang dat de edelsteen - die ingepast dient te
worden in het kader van zijn kunnen - loepzuiver is. Misschien er nog aan toevoegen
dat je hem geen valse diamanten voor ogen moet houden; hij zal meteen het echte
van het onechte onderscheiden.
I

Er zijn
dagen heb dat ik er geen zin in heb om te zijn wie ik ben. Eigenlijk zou het
moeten heten, ‘dat ik geen zin heb om te zijn wat de andere denkt dat ik ben,
of datgene denkt te kennen wat ik ben’. Dat zijn momenten waarop de
onzichtbaarheid in mij wakker wordt; dat ze woorden in mijn handen legt zonder
ze uit te spreken. Dat ze in mij leeft en beweegt terwijl ze zich een uit weg
zoekt om dat verstikkende omhulsel -dat lichaam heet- te kunnen verlaten.
Datgene,
wat geen naam heeft, geeft me andere ogen, andere oren en een totaal ander
gezicht. Niemand bemerkt daar wat van. Alleen ik weet wat er aan de hand is
want ik voel me een boom worden die met zijn genetisch geheugen naar zijn
wortels tast. Hoeveel dat te maken heeft met de plaats waar ik miljarden jaren
voor het eerst geboren werd, weet ik niet. Het woud is er nog steeds, dat weet
ik zeker. Ik zag het met mijn eigen ogen. Niemand hoeft mij te geloven. Ik
vertel zo maar iets; iets om mezelf te overtuigen dat ik niet gedroomd heb; dat
ik echt beleefd heb hetgeen ik ga vertellen over een plek die ik nooit eerder
had bezocht.
Luister:
ik zag ze, ongelooflijk groene, uitgestrekte dalen. De mensen die er woonden
waren niet talrijk daarom leefden ze dicht bij elkaar. Het land waarin de dalen
lagen was onmetelijk groot. Om de twee uiteinden van dit land met elkaar te
verbinden waren er twee huizen gebouwd, aan ieder uiteinde van het land een
huis. Ze waren heel speciaal. Het leken tweelingen. Ze samenvoegen was
onmogelijk, daarom liet men een bouwheer komen wiens geest een onuitputtelijke
verbeelding bezat.
Een geniale geest, die tussen de tweelingen andere huizen en gebouwen liet
ontstaan om de mensen allemaal met elkaar te verbinden. Hij bedacht alle
soorten vormen, en de bewoners bouwden alles met hun blote handen, meestal met
hout als materiaal, maar ook met leem gemengd met stro. Tussen de woonhuizen
stonden huizen met torens, waarin de mensen gingen bidden, en huizen met hoog
boven het dak staande een halve maan en een zon als wijzer, waar de mensen
samenkwamen om over hun verschillende afstamming te spreken.
Het was
alsof de huizen zich in het landschap nestelden; alsof ze zo de eeuwigheid
wilden ingaan. Niet één bezat de vorm die wij aan onze huizen geven. Eén leek
op een arend, wiens wijd gespreide vleugels uit houten veren bestonden, en die
de punt van zijn open snavel op het voetpad liet rusten; een open snavel als
ingangspoort. Nog een huis leek op een reusachtige borstholte; alle ribben
lagen bloot en waren van warm en glanzend hout.
Een ander huis was een reuzenlong waarin de aanwezigen konden afscheid nemen
van hun geliefde doden. De stoelen waren navenant; ze hadden allemaal de vorm
van een zittende mens. Er was ook een watertoren. Hij geleek op een enorme
paddestoel die altijd weer opduikt in fabels en vertellingen. Nog een ander
huis bestond uit twee helften van een hart. Door de splitsing kon men naar
binnen gaan. Het hart scheen te ademen en alles ademde hout.
In dit
mysterieuze land van demonen en fabelwezens voelde ik me thuis. Ik ging binnen
langs de geopende snavel van de arend en raakte alle aanwezigen aan met mijn
ogen. Iedereen was blij met mijn komst; ik was teruggekeerd naar de plaats waar
ik miljarden jaren geleden geboren werd, om van daaruit te gaan zwerven, soms
als een glanzend herfstblad, soms als op zee dobberend wrakhout.
Wie me niet gelooft kan gaan kijken. Hij zal datgene zien hetgeen zijn ogen in
staat zijn te kunnen waarnemen; niets meer en niets minder. De plek met de
halve maan en de zon ligt in een geheimzinnig land. Wie de aarde en haar wouden
liefheeft is er welkom. De zonnemensen en de halvemaanmensen vormen er één
grote familie. Alles is er écht, zelfs de naam van de plek. Ik geloof dat ze
Kakasd heet, doch mijn hoofd zou ik er niet durven op verwedden.

Iris
Van de Casteele - 1990
Elke mens heeft wel eens de neiging de moed te
verliezen, niemand schijnt daar een uitzondering op te maken, ook niet diegenen
die zich ver boven het aardse wanen. Wat we echter heden ten dage kunnen
vaststellen is méér dan ontmoediging, het is bij velen pure wanhoop. Vooral
onder de jongeren breidt de plaag zich uit: zelfmoord wordt groot geschreven.
Wie de ogen en de oren open houdt vangt seinen op die onmiskenbaar als
hulpkreten te duiden zijn.
In onze huidige consumptiemaatschappij wordt de mens als individu tot de
wegwerpgoederen gerekend en verrekend. Hij wordt in de rol van automaat
gedrongen: na-apen en I.Q. op nul zetten, is de boodschap. Degene die zich
daarvan bewust is, en probeert er iets aan te doen, heeft niet alleen te kampen
met de onvrijwillige onverschilligheid van de overgrote meerderheid, die aan
het verval van het gezonde denken en handelen onnadenkend meewerkt, maar ook
met de druk en de stress die het eigen nadenken over deze zaken met zich
meebrengt.
Loont het de moeite zich in te zetten voor een betere wereld? Kan men de pletmachine
nog stoppen? Kan men nog halt toeroepen aan de reclame die een eenzijdig
gedragspatroon dicteert zonder rekening te houden met de behoeften van de mens?
Allemaal vragen waarmee men zich bezighoudt en die niet meteen van de kaart
kunnen geveegd worden. Vooral vrouwen krijgen het hard te verduren. Parfumeer
je, slank af, verf je haren blond, laat de rimpels uit je gezicht weghalen,
laat de huid van je buik strak aanspannen, laat je borsten vergroten of
verkleinen, doe aan sport, eet vetloze kaas, let op de letters light, eet light
hoe smakeloos het ook is, doe aan jogging (onze pakken staan het leukst), etc.
etc.
Vrouwen
die nooit zullen beantwoorden aan het huidig ideaalbeeld van de jonge, slanke,
hoogbenige blondine, doen er goed aan te luisteren naar de wijze raad van
mensen die het kunnen weten. Geniet van het leven, zoek een man die van
dikkerds houdt, van donkerharige, van bonenstaken. Loop, als de nood het hoogst
is, eens een roomijswinkel binnen en stop de maag vol met roomsoezen en lekker ijs,
chocolade en slagroom, drink een kopje naamloze geurige koffie of een helder
glas water regelrecht uit de waterkraan. Denk er aan, het uiterlijk was nog
nooit bepalend voor de waarde van een mens.
Maar vooral lach! Lach om de verdwazing die de reclamespots
elke dag opnieuw als scherpe pijlen op je afvuren, lach je gezond. Maak er een nieuwe trend van. De
mannen mogen meelachen. Dikke of kale, oude of jonge, met korte of kromme
benen. Alles mag want eens de druk weggenomen van de stomende, plettende reclamemachine
kan er veel gebeuren. Het kan zijn dat de mens eindelijk weer zichzelf wordt.
Dat hij weer gaat hunkeren naar vriendschap. Dat hij waarde gaat hechten aan
goede buren, minder dure auto’s, aan eenvoudige dingen. Dat hij moedig de
terugweg aanvat naar de oase van verdraagzaamheid. Dat hij zich eindelijk
bezint en de dolle razernij de rug toekeert die het beste in hem dreigt te
verstikken.
Wanhoop zal nooit volledig overwonnen worden omdat er geen mirakelremedies
tegen ongeneeslijke ziektes of verlatenheid bestaan. Wat er wel bestaat zijn
mensen met een luisterend oor en een gevend hart. Ze zijn nooit veraf, wel moet
men zelf de moed en de kracht willen of kunnen opbrengen om een vragende hand
uit te strekken, ook al komt dit neer op bedelen om vriendschap. Niemand zou daarvan verstoten mogen blijven.

Iris Van de Casteele, 1999
ZWIJG MAAR...
Onlangs
las ik in een literair tijdschrift een artikel met de veelzeggende titel ‘ZWIJG
MAAR’ waarin de aandacht gevestigd wordt op het feit dat we vroeger te zwijgen
hadden: ‘In verband met het werk, en ook met de kerk, mocht niemand vrijelijk
zijn tegengedacht zeggen, want dan werd hij betiteld als een rebel, een
dwarsligger, een tegenwroeter, een ketter, en wat al niet meer.’ Deze woorden
zullen wel op waarheid berusten voor wie het ondervonden heeft.
Verder
staat er in: ‘Babbelaars, bluffers, kletsmajoors, alweters, mondhelden,
blaaskaken, lasteraars en tastenaars, roddelaars en appelwijven, bluffers en
luiedenkers, vindt men niet onder de dichters en prozaschrijvers. Minder glad
van tong weten zij zich veel beter op papier uit te drukken. En dat doen ze
weldoordacht, zonder scrupules, realistisch expressief overeenkomstig de
waarheid waar zij niet buiten kunnen.’
Het klinkt bombastisch en het verbaast je in hoge mate dat iemand zo’n
hoge dunk van de schrijverswereld heeft.
Hoe ook: dichters en prozaschrijvers hebben, zoals alle mensen, een
aantrekkelijke en een minder aantrekkelijke kant. Hun gedichten zijn hun
spiegelbeeld. Ze komen waarachtig over of niet. Ze zijn beduidend voor de een
en/of onbeduidend voor de ander. Ze bezitten, zoals iedereen, goede en minder
goede eigenschappen. Dat maakt dat hun babbeltaal kan boeien of vervelen,
alnaargelang de intensiteit of de inhoud van het gesprek, en de ingesteldheid
van de luisteraar.
Dat je
je algauw gaat vervelen bij hen die van zichzelf beweren ‘dat ze een god zijn
wanneer ze dichten’, is begrijpelijk. Je zegt toch van je buurvrouw ook niet
dat ze een godin is, wanneer ze bakmeel en andere ingrediënten samenperst tot
deeg, om er koekjes mee te bakken die iets hebben van gehaakte kunstwerkjes. Of
het zal nooit in je hoofd opkomen een boer een god te noemen omdat hij de kunst
verstaat een dagmaat meterhoog gras om te toveren tot een hoopje samengeperst
hooi. Iedereen is op zijn eigen manier een kunstenaar.
Er zijn
geen twee gelijke mensen, laat staan twee gelijke dichters. Sommigen onder hen
zijn zwijgers. Ze hebben nood aan maanden, ja zelfs jaren, afzondering om tot
verzenschrijven te komen. Anderen hebben genoeg aan een inspirerende avond- of
nachtstilte, of aan een innig diepgaand gesprek, om hun verzen te creëren.
Het is bijna hopeloos om de helende kracht van poëzie aan te tonen en te
stimuleren. Poëzie wordt steeds minder vaak ‘aangevoeld’, ‘gepalpeerd’,
‘doorgegeven’. Té dikwijls wordt ze verward met een brouwsel van woorden en
zinnen waaruit geen greintje poëzie te puren valt. Doch wat het dichten zelf
betreft: het meest opbeurende daaraan is dat het de dichter in staat stelt zich
gedurende enkele momenten boven stof en stank van de afgevlakte wereld te
verheffen. En verder is het een machtig hulpmiddel om de diepste lagen van je
eigen wezen te doorgronden.
Misschien
is dit nog het meest zinvolle: kunnen zwijgen wanneer anderen hun hart willen
luchten, en praten om mensen uit hun uitzichtloze eenzaamheid proberen te
bevrijden. Zo krijg je twee kansen: één om te leren en één om te helen. Bij
degenen die het niet de moeite vinden je beter te leren kennen maak je nooit
kans op begrip: ze begrijpen niet dat je buitenkant en binnenkant totaal
verschillend zijn en toch evenredig bij je hele wezen horen. Beide kanten kun je
hen niet tegelijk tonen, evenmin als je een bloedrode maan kunt gaan plukken
bij volle noen. Je hebt er waarlijk een héél lange ladder voor nodig.

Iris
Van de Casteele - 1997
Transcendente
belevenissen, wat betekenen ze? Fritjof Capra, natuurkundige en metafysisch
filosoof, vertelt: Op een zonnige middag aan het strand, ‘zag’ ik plots alles
om me heen als in een kosmische dans. Ik 'zag' vanuit de ruimte krachtstromen
neerkomen, waarin moleculen, in een ritmische beweging, gevormd en weer
vernietigd werden. Ik 'zag' de atomen van de elementen en die van mijn lichaam
mee bewegen in die kosmische dans van krachten.’
Als kind van acht had ik een soortgelijke ervaring. Op een lenteochtend liep ik
naar school toen de zon door de nevel brak. Opeens ‘zag’ ik op mijn handen
dansende, doorschijnende, ronde, glinsterende vlekjes. Ze leken op de ontelbare
pareltjes dauw op het door de zon beschenen struikgewas. Er kwam een
onbeschrijflijk gevoel over mij; alsof ik onstoffelijk meegelokt werd met die
dansende lichte dingen. Ik bevond me niet langer op een landwegel. Ergens was
ik, in een onbeschrijflijk oord, waar het hemels en tegelijk beangstigend was.
Later heb ik vaak teruggedacht aan dit fenomeen. Langzaam kreeg ik het
vermoeden dat dit de dag moet geweest zijn dat zich iets buitenaards in mij
geopenbaard heeft, 'iets' dat mij de genade van het dichten zou verlenen; het
‘zien’. Een zending die zou gepaard gaan met grote vreugde alsook met veel te
verwerken leed. Met gezond verstand alleen valt dit 'zien' niet te verklaren.
De rationeel redenerende heeft er moeite mee. Hij vraagt zich af op welke
pilaar dit 'zien' steunt. Omdat het intuïtieve bij de moderne mens reeds voor
een goed deel verloren is gegaan, blijkt het voor velen moeilijk aan
bovennatuurlijke verschijnselen enige betekenis te hechten, of er enig nut uit
te trekken. Voor hem is transcenderen een verzinsel.
Bij het heel jonge kind is het waarnemingszintuig nog onbelast. Na verloop van
tijd krijgt het zijn eerste deuken. Door de toenemende negatieve invloed van de
buitenwereld raakt het meer en meer in onbruik. Het wordt niet gevoed. Langzaam
verkommert de aangeboren intuïtie. Bij vele volwassenen blijft er niets van
over dan af en toe een klein signaal waaraan geen aandacht geschonken wordt.
Aanvoelingsmogelijkheden werden in de kiem gesmoord. Verstarde of verwrongen
gevoelsuitingen nemen de plaats in van de spontaniteit en van het intuïtieve.
De ondefinieerbare aantrekkingskracht van het buitenaardse werd gesloopt.
Moet men transcenderen om metafysische gedichten te kunnen schrijven? Worden ze
daarom als mystiek beschouwd? Degene die ontvankelijk is voor poëzie zal ze als
een spiegel beschouwen waarin de eigen ziel, naast die van zijn evenmens,
teruggekaatst wordt. Zich één voelen met wat de andere voelt, aanduidt, ‘ziet’,
is een bovennatuurlijk communiceren. Het woord religie, stammend van het
Latijnse woord 'religare' (sterk verbinden) zegt het zelf. Alles is en blijft
opgenomen in de magische cirkel. Alles wat leeft en alles wat bestaat weeft
voortdurend mee aan het kosmisch (vang)net zodat alles sterk met elkaar
verbonden blijft.
Transcendente belevenissen kan men in verband brengen met innerlijke
zoektochten die te maken hebben met verwondering en lang en diep nadenken. Deze
meditaties monden vaak uit in poésie pure; in het onaantastbare, dat de dingen
een ziel schenkt, om ze achteraf te herbergen in mysterieuze verzen. Het
metafysisch gedicht heeft daarom alles te maken met het bovennatuurlijke. Het
kan dan ook niet anders als dat het sacraal is.
Om af
te sluiten nog even een paar woorden aanhalen van Fritjof Capra: natuurkundigen
hebben geen nood aan mystici, en mystici hebben geen nood aan natuurkundigen,
maar de mensheid heeft hen allebei nodig.

Iris
Van de Casteele - 1994
Oedelem.
Dorpskern. Knesselarestraat. Het is maar een boogscheut ver voor hen die dicht
bij de Nederlandse grens wonen. Zelf moet je al een hele rit afleggen eer je er
bent. Maar dat doe je graag. Je weet dat het een reis zal worden van grote
betekenis. Degene door wie je wordt verwacht ken je al een beetje. Je ontmoette
hem al eerder op zijn tentoonstellingen. Je denkt hem zelfs tamelijk goed te
kennen want je zag zijn beelden, en dat volstaat om een vermoeden te hebben van
hoe de mens is die er een stuk van zijn ziel in achterliet.
Georges
Steel. Kunstschilder. Tekenaar. Beeldhouwer. Boetseerder. Een kunstenaar, zoals
Vlaanderen er nog maar weinig voortbrengt. De meest vreemde landen heeft hij
bezocht en bewoond, tot hij huwde en een vaste stek vond in het Spaanse Granada
waar hij bijna een halve eeuw zou vertoeven. Waar zijn zoon zou opgroeien die
zich later zou ontpoppen tot een boeiend zij het tragisch dichter, even
talentvol als zijn vader: een andere kunsttak omhelzend weliswaar, maar toch
nauw aansluitend bij die van zijn vader.
Bij iemand die uit zijn penselen poëzie weet te
toveren is het eenvoudig zich thuis te voelen. Om de tuin te bezoeken, gaan we langs de achterdeur naar
buiten. De gastheer zet een brede vilten hoed vol pluimen
op. Pluimen van zijn eigen dieren, die hij vindt op
zijn erf. Een fantastische hoed. Het
is er precies één zoals je hem geschilderd zou willen zien. Lachend zegt de
kunstenaar: ‘omdat ik van niemand een pluim krijg steek ik er zelf af en toe
een op mijn hoed’. Hij meent het niet, zijn ogen lachen. Maar zijn gevoel voor
humor doet de zon nog warmer schijnen.
Achter
de verzorgde prachtige rozentuin begint een andere wereld. Er is een vijver met lokkend water voor de eenden, en
in de weide daarachter lopen parelhoenders hun onrust te kakelen; alsof ze je
willen laten verstaan: wat wil die vreemde binnen onze omheining. Er is een
pauw die het vertikt zijn precieuze staart open te spreiden. Misschien moet hij
vooraf wennen aan het bezoek en aan de vreemde stem. Er valt zoveel te bekijken: een jonge kip met kuikentjes,
verder een nest met vers gelegde eieren die meteen verdwijnen in de vestzak van
de eigenaar. Rondvliegende vogels, grazende schapen, enfin, je voelt je zoals
je je voelde heel lang geleden, toen je op het erf van je grootvader rondliep.
Amper een jaar of zeven was je toen schapen- hoender- en koeiendrek nog bij je
leven hoorden. Zalig!
Vanaf het poortje aan de wei tot aan een oud bijgebouw loopt een wegeltje. Langs daar word je binnengeleid in een andere wereld.
In een wat rommelig vertrek, misschien ooit een hooischuur, wie weet. Het
atelier van een kunstenaar -vooral een omgewerkt vervallen pand- blijft altijd
boeien. Het hart van Oedelem. Zo nabij en tegelijkertijd zo ver verwijderd van de
grote dingen die er gebeuren. Misschien wordt er gewacht
tot poëzie weer in waarde gaat stijgen. Tot er weer mensen opduiken die de schoonheid
naar waarde weten te schatten van een beschilderd doek: een tot leven gewekt
stuk linnen dat licht bevat: kracht, warmte, vuur, sensualiteit.
Na de
heerlijke koffie, het krentenbrood en de luchtige crèmetaart wordt nog wat
naverteld. De gedichten van zijn zoon komen ter sprake. Weemoed en tragiek
vullen de kamer. Er valt nog zoveel te doen: zich inleven, begrijpen, vertalen,
meeleven. Je kwam omzeggens met lege handen en je verlaat de woning met de
armen vol geschenken. Pas de deur uit begint het zachtjes te regenen. De eerste
druppels vallen op het doek dat je tegen je boezem aangedrukt houdt als je naar
je wagen rent; een bos onopvallende bloemen in een wijnkruikje, die heel wat
vertellen over kunstschilder Georges Steel.
Zou het geen aparte pluim op zijn hoed zijn, denk je, om deze bijzondere mens
heel even naar je toe te halen en hem verwennen met een lof- en dankwoord. Een
paar geschreven woorden die de wind niet zomaar zal verwaaien. Doen. Nu meteen.
Hij kan ze later lezen.
Aquarelle: Georges Steel
Iris
Van de Casteele - 1995
EEN OPGEDOLVEN
BEEN
Wij waren destijds een van de eerste bewoners die op één van de kavels
bouwden in Wolfrot; een straat genoemd naar een wijk waar eertijds wolven
samentroepten. De dreef, met haar reusachtige beuken die naar het landgoed
liep, is nu een geasfalteerde straat, met veel afgevlakte boomstronken waar
mieren een thuis gevonden hebben. Met resten van afgezaagde bomen, waarboven
kabeltelevisie- elektriciteit- en telefoondraden gevaarlijk doorbuigen en bij
het minste beetje wind gaan bengelen.
De onderbroken voetpaden, die de kavels begrenzen, zien er bij elke buur anders
uit: verwilderd of verzorgd, met graszoden begroeid of met bloembakken bevolkt.
De nieuwe bewoners houden zich
met tegenzin aan de voorgeschreven
verplichte plaveiing, alhoewel zij ook daarin onovertrefbaar zijn wat kleur,
maat en vorm betreft: zij zijn de kampioenen van het voetpadplaveisel: grote
tegels, kleine tegels, rode, grijze, ovale, ronde, lange, korte, smalle, brede,
dure, goedkope, alles mag, alles kan. Hoe bonter hoe liever, hoe meer chaos hoe
beter.
Omdat de nieuwkomers voor de bestaande riolering niet hoeven te betalen, iets
waar de eerste bewoners wél toe verplicht werden, moet elke nieuwe eigenaar
zijn stuk voetpad zelf bekostigen: één meter twintig centimeter breedte móet,
tot drie meter breedte mag. De eerste neergestreken vogels die er twintig jaar
over deden om de dure betonnen afwateringsbuizen af te betalen, mogen hun
voetpad in natuurlijke staat laten: met graszoden begroeid of met kluiten aarde
bedekt, of ze bestrooien met grind of grijze keien, soms ook met witte of rode,
ieder volgens eigen smaak of beurs.
De voetpaden van de wolvenwijk worden door veel honden belopen waar ze heel wat
te besnuffelen hebben. Op drie meter afstand van hun troeteldier lopen de
buurtbewoners, de leiband stevig in de hand. Zelf gebruiken ze de gevaarlijke
straat als voetpad. Liever parkeren ze hun auto op de verplicht geplaveide
strook. Dat vergemakkelijkt de doorgang voor haastige chauffeurs die geen oog
hebben voor deze bizarre straat, met haar wondere naam waarin een paar wondere
mensen wonen.
Elke dag staat iets anders op de buitenmodelse trottoirs. Soms zijn het dure
verplichte vuilniszakken of zakken met afgedragen kleren, dan weer bakken met
oud ijzer of kartonnen dozen met te recycleren papier, soms zijn het afgedankte
televisie- of huishoudtoestellen of nog bruikbare meubelen, dan weer glas dat
apart wordt ingezameld. Tuinafval komt ook aan de beurt. Weinig bewoners zijn
bereid een plekje van hun elegante siertuin op te offeren om het snoeisel uit
hun tuin een rustplekje te gunnen. Alles vindt zijn weg naar de grote afvalpoort waar het
doorgesluisd wordt naar hitteverspreidende verbrandingsovens die meer en meer
in de mode komen, niet alleen voor tuin- of huishoudelijk afval.
Vooral geen doden meer in de grond stoppen waarvan de beenderen zouden kunnen
opgedolven worden, al was het maar door een verwilderde of nieuwsgierige hond. En we zijn al met
zoveel zielen op deze zielige aardkluit waar het systeem geen weg mee weet. Dat
ook honden en katten een ziel hebben zal door hun baasje niet in twijfel
getrokken worden. Weldra zijn ook zij met miljarden. De vraag is: mag men ze
verder in de grond blijven stoppen of moeten er ook voor hen ovens gebouwd
worden?
Een tijd
geleden liep een hond weg met een been dat hij ergens in de wolvenwijk
opgegraven had. Vlak voor mij bleef hij staan, keek me een paar seconden
indringend én veelzeggend aan, alsof hij mij attent wou maken op wat me nog te
wachten staat, en zette daarna zijn weg voort. Of het nu aan dat been ligt dat
ik de hele dag aan wolfskuilen heb zitten denken? En dat been,
van wie is het afkomstig ? Van één van de vroegere wolven?
Om zich af te vragen of het een hond egaal is vanwaar hij zijn knabbelpret
vandaan haalt, want tweehonderd meter van deze vredige woonwijk vandaan worden
de doden begraven. Wie haalt het in zijn hoofd om op een plek te gaan wonen
waar roedels wolven samenrotten, en waar tegelijk kuilen in de aarde worden
gegraven voor de doden. Er zit zeker nog iets bizars in mij dat naar een uitweg
zoekt.

hondje met been
Iris Van de Casteele
29 februari 1996
UN GRAIN DE FOLIE