SERENADE VOOR EEN STRAATMUS
Ik ben me aan het afvragen wat er verkeerd zou kunnen zijn aan een straatmus.
Het is een vinnig en wijs vogeltje, het pikt overal een korreltje mee, zo blijft
het in leven, en het staat het leven van een ander niet in de weg. Verder
draagt het een onopvallend pakje zodat het niet als begerenswaardig kleurig
ding meteen in een of andere kooi wordt gelokt.
Mussen kwetteren, jawel, maar dat doen andere vogels ook, soms kwetteren ze om
de aandacht van hun nest jongen af te leiden. Men droeg mij een gedicht op met
de titel ‘Serenade voor een straatmus’, beter kon niet want ik was ermee in de
wolken. De titel van het gedicht groeide zelfs uit tot de titel van een
dichtbundel. Een iemand anders vergeleek mij met straatmus Edith Piaf; de
kleine dappere, voor haar leven vechtende Piaf, door velen verafgood door
anderen verguisd. Een grote eer ermee vergeleken te worden.
Iemand schrijft: De kwalificatie
straatmus is niet op haar plaats voor jou, Iris, maar als je weet dat dit
vogeltje een beschermde status krijgt, omdat de huizenbouw
tegenwoordig steeds minder pannendaken produceert, waar de mus haar onderkomen
heeft, ja dan...”. Leve de straatmus,
zou ik zeggen, hoe nietszeggend ze ook mag schijnen, ze heeft het wel in zich.
Het is al vaker voorgekomen dat een mens vergeleken wordt met een vogel. Of er
al iemand vergeleken werd met een kolibrie? Bij mijn weten niet. Je moet ze
kunnen observeren per tientallen tegelijk eer je een goed beeld van hen bekomt.
In het Spaans heten ze ‘picaflor’ hetgeen ‘bloemenpikker’ betekent. Maar
picaflor pikt de bloem niet mee, hij pikt de nectar uit de bloem. Hoe hij en
zij het doen? Je moet hen maar een tijdje gadeslaan dan weet je het. Ze hangen
onder de bloem te trillen alsof ze er niet meer vandaan zouden kunnen.
Ongelooflijk hoe ze daar in de lucht kunnen blijven hangen zonder dat je iets
van een vleugelslag kunt bemerken. En mooi dat ze zijn, in hun satijnen
glanzend pakje, soms lijken ze uit donkergroen fluweel te bestaan, altijd
volgens het zonlicht of de schaduw waarin ze te trillen hangen.
Het is nu herfst hier in dit tropisch land waar ik de kolibries gadesla. Mijn
samoe’oe, degene waaraan ik een loflied wijdde, staat in volle bloei. Een paar
miljoen bloemen draagt hij waaraan de vogeltjes zich te goed doen. Pas verleden
week kwam er één van die piepkleintjes recht naar me toe gevlogen. Ik kon mijn
geluk niet op, want ze komen nooit naderbij, schuw en voorzichtig als ze zijn.
Des te meer voelde ik me gelukkig met dit onverwacht bezoek. Het diertje
naderde tot op een halve meter, dan ineens draaide het een rondje en weg was
het.
Niet veel later dan een minuut besefte ik wat er was gebeurd. Het vogeltje had
in mij een bloem gezien, niet omwille van mijn naam, maar omwille van de
knalrode glanzende bloes die ik droeg waarin het dacht te prikken. Vliegensvlug
had het zijn vergissing ingezien en had zijn weg verder gezet naar de echte
bloemen waarvan de nectar op hem zat te wachten. In Paraguay krijgt de
zangvogel korochiré veel meer aandacht dan de kolibrie; wij noemen hem
zanglijster. Over hem wil het een graag een andere keer hebben.
Zo is het, beste mensen, de ene moet het hebben van zijn glanzend uiterlijk, de
andere van zijn stemgeluid, en nog een andere van hetgeen in hem of haar
verborgen zit. Zo heeft elkeen iets waaraan zich vast te klampen in tijden van
nood. Het is misschien niet veel meer dan een strohalm, maar hij is er, zolang
je maar weet hoé ermee om te gaan.
© Iris Van de Casteele