|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Iris Van de Casteele
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Met dank aan David STORM
voor het welwillend ter hand stellen van de Adegemse winterfoto’s.
De gemeente Adegem die decennia geleden als
deelgemeente bij de gemeente Maldegem werd gevoegd, is een zeer oude plaats.
Het is één van de meest oud gekende plaatsen van het district Eeklo.
Het dorp of villa bestond reeds ten tijde van Sint
Amand. De Merovinger Dagobert, koning van Austrasie en Neustrie, regerende
tussen 623-639, had het hem voor bewezen diensten geschonken. Sint Amand, één
van de oudste verkondigers van het christendom hier te lande, zou het later in
het bezit stellen van de Sint-Pietersabdij van Gent.
Het klooster Blandinium te
Gent, waar Sint Amand verbleef, was gesticht op de plaats waar vroeger een
Oud-Germaans heiligdom had gestaan. Er bestaat reden genoeg om aan te nemen, dat het zevental
Sint Amandbomen oorspronkelijk een zevental Wodan-eiken waren. Verder moet
onder de benaming villa een dorp of gehucht worden verstaan, met alles
erop en eraan. Een plaats die een of ander voorrecht genoot: voorrecht die een villa
om die reden, onderscheidde van andere dorpen of gehuchten.
Rex Dagobertus dedit sancto
Amando villam de Hadeghem et alias terras quae in circuiti adjacent monasterio
Blandiniensi, cuam villam et cuas terras praefatus sanctus Amandus dedit
praefato monasterio perpetuo possidendas.
Voorwoord
De bundel Adíos Adingahem (extra mundanum) bevat
gedichten geschreven tussen de jaren 1964 en 2004. Ze lagen - op enkele
uitzonderingen na - al jaren als kladschrift in een lade opgeborgen. Ze werden
me ingegeven door de liefde die ik koester zowel voor mijn dorp, als voor de
inwoners van dit dorp, dat - uit hoofde van zijn vroegere afzonderlijke ligging
- ook "Adegem buiten de wereld" wordt genoemd. Adíos Adingahem
betekent zoveel als 'Vaarwel Adegem'.
De gedichten kunnen beschouwd worden als een voorgoed afscheid nemen. Ze zijn
vooral gewijd aan mijn familieleden, en aan de dorpsmensen die ik sinds mijn
vroegste jeugd heb gekend. Velen ervan zijn intussen overleden. Hun naam
opdiepen is hen welverdiende eer en liefde betuigen.
Ten allen tijde heb ik mij bekend tot de Adegemse gemeenschap waartoe ik
behoor; waartoe de eeuwenoude boerenfamilies behoren van wie ik wederzijds
afstam. Daarom werd ook de bodem van het land zelf in deze gedichten niet
vergeten, omdat de aarde voortbrengt wie en wat we zijn.
Ik vergelijk mezelf graag met een boom wiens kruin bijna tot aan de hemel
reikt. Met takken die naar alle windrichtingen groeien. Met altijd nieuwe
blaren die waaien, doch met de tijd verwaaien en vergaan. Maar met wortels die
ademen en groeien in de grond waarin hij gezaaid of geplant werd. Wie een boom
begrijpt en herkent zal ook een mens begrijpen die zijn geboortegrond, met
alles wat daarbij hoort, als de zijne blijft beschouwen.
We weten het allemaal: er zijn bomen die zich maar al te graag laten uitgraven
en zich graag verplant weten. Die zelfs de taal van de zomerwind liefst zo vlug
mogelijk vergeten, al heeft hij vaak hun bladeren doen ruisen als waren het
liefdesliederen. Tot deze soort symbolische bomen behoort mijn innigste wezen
niet.
Gedicht voor Adegem
Ik die de bomen heb beroerd
toen mijn verdriet nog jong
over de velden liep
op zoek naar wonderkruid
voor kleine wonden
de scharen van de ploeg
sneden mijn ogen open en
langs
de scherpte van de zeis werd
weggemaaid de korte
kindertijd
het koren groeide in mijn
hart
zo diep dat ik aan stenen
soms bange vragen had
van stof en meel
waren de gouden dagen
dat wist de molenaar
die op de uitkijk stond
aan bloemen gaf ik water
doch op de rug van paarden
schuurde mijn tere huid
nog weet ik hoe ik vroeger
de aarde aan de lippen bracht
hoe ik dan rusteloos
het warme leven droomde
ver van het veilig nest
er was een dorp vol mensen
die naar me wuifden toen de
wind
mijn eerste verzen schreef
zo nu en dan hoor ik een stem
ik loop voorbij de
Spanjaardshoek
en dan de straat de Calle
de laatste meters naar het
huis
waar ik me wist geborgen
als kind van Adegem.
Voorbij Cromwege lag er een
kleine wei
daarachter een stuk land vol
keien
waarin ik onkruid wiedde op
blote knieën.
Hoog groeide er de rogge en om
het jaar
bloeide er ook de taaie
boekweitplant.
Wat verderop het erf, de mesthoop,
de waterpomp, het moegewerkte paard
en een paar koeien waaronder Bles
die ik nooit meer vergat.
Hoe ik haar wachten ging tot ze op zekere
dag mij naar de klaver trok, hals over kop,
zij ogend naar het groen gewas
ik hangend aan het zeel
zij sleurend mij over de brede sloot.
Soms lag ik heel alleen op een verhoogde
berm, een kleine heuvel, negen was ik.
Toen zou het muzikaal gehoor voor alles
wat zich voortbewoog ver van de huizen
zich nestelen in mij.
Ik hield van tonen:
getsjirp van krekels in het gras,
het roekoeken van tortelduiven,
en het gepiep van muizen
in het vertrouwde karrenspoor.
Brief aan onze schoolmeester
Toen ik mijn eerste versjes schreef liep er
een jong gelukkig paar langs Adegemse wegen.
Ze gaven zich het jawoord en
hielden woord.
De jaren zijn vergaan. De tijd dat Meester Pieter
in de jongensklas zijn lessen gaf is lang voorbij.
’k Herinner mij hoe hij aan het gemeentehuis
een babbel sloeg, hoe ik hem gadesloeg.
Ik was pas zeven. Ik hoor het schelle bellen nog
wanneer zijn fietsbel rinkelde, en altijd had hij
een goed woord voor iedereen.
Zijn ogen zaten steeds vol zon en om zijn mond
lag vaak een lach, en dat hij keuvelen kon
vertelde mij mijn vader die hem in ’t harte droeg.
Het leven van een mens die zich geheel de
kinderen wijdde: wie vat het samen? Er zijn geen
woorden goed genoeg, er zijn geen verzen sterk
genoeg om dit te doen. De Meester. Zoals hij was
is hij gebleven. Een halve eeuw in hecht en trouw.
Zijn dorp, zijn kinderen en
zijn vrouw. Hoe diep
weet hij me te ontroeren, hij die haast tachtig is.
Dag Meester! Als ik langsheen de bane rijd zie ik u
zitten in uw zetel. Misschien ziet gij dat kind in mij
dat langs de wegels liep en naar u wuifde als gij de
Callestraat passeerde. Een klein gedicht meer heb ik
niet om u te zeggen hoe geliefd gij in uw dorp en
van dit ouderwordend kind gebleven zijt.
Ter nagedachtenis van Pieter Van Cleemput
Nog leven in mij de geluiden
van het
dorp uit mijn jeugd:
fladderende vogels
's zomers, als het koren groeide
en
rijpte, babbelend water in
beekjes,
gedommel van diertjes in
hagen: geluiden...
Uit mijn hart niet te roeien
de mannengesprekken, als ik
mee mocht
met vader naar de smidse,
waar de smid, pikzwart en
graatmager,
met de blaasbalg het vuur
hevig aanblies,
diep ademhalend en kuchend:
geluiden...
Zo diep in mijn wezen
geworteld het beeld
van die smid die de hamer hanteerde,
het gebonk, het gesis, de
slagen;
altijd opnieuw vlam en vuur:
het beslaan van de paarden,
het rammelen van vaten,
het gewet op de zeisen:
geluiden...
Terwijl ik schrijf over
vroeger
stijgen ze op de geluiden:
niet de zang van de vogels,
niet het babbelen van water,
niet het dommelen van muggen,
maar de stem van de smid die
zacht was
als sneeuw als hij sprak van
het vuur,
en het kind dat ik was een
lach schonk:
geluiden... geluiden...
geluiden...
Ter nagedachtenis van Julien Rombaut
Ik ben te groot voor mijn
geboortedorp.
Ik ben het karrenspoor
ontgroeid,
de zomertarwe, de ligusterhagen,
het blauwbloem blonde vlas,
de rapen
die ik at, de biezen die ik
vlocht.
Ik ben te wijd geworden voor
d’enge rok
die ik als bakvis droeg, te
zwaar voor elke
gracht waarop ik 's winters
gleed en zo
mijn rode kloefkens op
hoogglans bracht.
Het kleine bos dat ik bezocht
heeft mij
doen hunkeren naar het woud.
Het
water van de beek heeft mij
doen zoeken
naar de stroom en deze naar
de bron.
Ik ben niet meer het kind dat
graag
naar vlinders keek omdat hun
vleugels
aan verten denken deden, niet
meer de
speelse guit die iedereen
lachen deed.
Ik ben te wijs geworden om in
dit
dorp van mij dit deel van mij
te zoeken
dat niet meer vindbaar is. Ik
ben te oud
geworden om er in dood te
gaan.
Doch ieder jaar opnieuw
wanneer de
lente de sapgang van de bomen
regelt,
herleef ook ik. Dan groet ik
met een klein
gedicht de mensen van mijn
dorp die mij,
na al die jaren, nog steeds
genegen zijn.
‘t Is avond
‘t is heel stil in huis
het grasperk in de mist
doet denken aan een herfst
heel lang geleden
waarin datgene opging
wat ik sindsdien
het meeste mis:
bolders
het rinkelen van een fietsbel
geluid van paardenhoeven
op kasseien
de wind langsheen de vaart
die ‘t al uiteenwoei
stemmen
gebaren
gezichten
Ter nagedachtenis van Laurent D’Havé
Pas
jaren later kon ik haar eindelijk voorgoed
bevrijden.
Pas nadat ik een gedicht las over
een
achter tralies opgeborgen tevergeefs
zwaaiende
man. Pas dan.
Pas dan
had ik de kracht om er tegenaan
te gaan.
Tegen hetgeen haar het uitzicht
belemmerde,
haar bewegingen beperkte:
donkere
staven. Verwrongen van de vele
keren
dat ze er tussenin zat geklemd.
Nooit
zou ze zichzelf kunnen bevrijden.
Nooit
gaf ze het op. Telkens weer ánders
ondernam
ze de vruchteloze poging. Soms
stonden
haar vingers dagenlang krom van haar
lot dat
ze om wou buigen. Soms wurgde ze
zichzelf
tot aan het licht dat haar alles zou
schenken
behalve een volmondig leven.
Grootmoeder,
denk ik nu. Hoe waarachtig heb
jij jouw
verhaal ingebed. Niet gekerfd in bomen.
Niet
getekend in zand. Maar langs jouw bloed
is het
tot mij gekomen, heb ik het tot mij
genomen.
Zingt het in mij als een zuivere litanie:
een
nooit ophoudend, verlossend gebed.
Ter nagedachtenis van mijn grootmoeder Emma Van de Bossche
In goede aarde het ontstaan
van deze wortel die nog
blijft
nadat de vaders zijn
herschapen
tot klompen bruine aarde
in deze aarde ook de nood
van een uiteengedreven stam
die eens zijn stempel heeft
gedrukt
op Onderdijkse bodem
nog zijn de weiden zomers
groen
nog gaat het vee de stallen
in
en niets schijnt er veranderd
ook ging die éne niet teloor
één wortel van de oude stam
die aan de bruine klompen
kleeft
en Onderdijke ziet ontwaken.
Opgedragen aan mijn voorouders, afstammelingen Egidius Van de Casteele
Het wegsterven
En dat ik dit mag zijn
een levend teken van de boom
die naar zijn sterven neigt
dat ik zijn deelgenote ben
dat ik in hem mag
voortbestaan
terwijl zijn hart voor altijd
zwijgt
in rakelings gescheerde
takken
dat ik zijn ziel mag zijn
terwijl hijzelf wordt
weggeveegd
mee met de tranen van de wind
mee met het lied van duizend
vogels
dat ik zijn herfst ben en
zijn zomer
dat ik zijn winter verder
leef
terwijl hij door de lagen
tast
van opgestapeld merg en been
dat ik de aarde ben
die hem voortdurend zal
omarmen
dat ik met humushanden
zijn laatste blad vergaren
zal
om mij aan vast te klampen
nadat hij is gegaan
Ter nagedachtenis van mijn dooppeter Cyriel Van de Casteele
Gesloten
luiken
rozenkransen
kleinkind zijnde
zo vaak beloond
schuif ik als kind
tot aan het raam
de beelden
komen los:
de witte
zandweg
de groene haag
de campelberg
en grootvader
hoe hij daar lag
in doodse
stilte
het is alsof hij
heel omzichtig
zijn tabakspijp
een laatste keer
zal stoppen
speciaal voor mij
met mos
Meetje
Zoals je daar zat
in de namiddagzon
mij toewuivende
in je gebloemde schort:
een ontroerend gezicht
dat mij bijblijven zou
bij ieder bezoek
kwam ik je nader
jij die me droeg
langs bevroren velden
naar doopvont en water
ik boreling nog
alsof jij toen al weet had
van mijn latere dorst
hoe intens wist ik
te houden van jou
jij die me gaf wat ik bij
mijn moeder ontbeerde
jij die me leerde
hoe de dagen te klaren
jij die jouw goedheid
niet vergeefs mij schonk
als een hostie troon je
in de kelk die ik ben
Ter nagedachtenis van mijn doopmeter Marie Matthys
Mijn moeder
was geen heilige vrouw
eerder een zondares
met pikzwart haar en donkere ogen
waarin het vuur regeerde
als zij haar lichaam keerde
ten volle naar de roos
mijn moeder wist wat wroeten was
ze zorgde voor haar kroost
een wijfjesdier met oerinstinct
een moer die ieder huilend jong
het pas geschonden lijf ontwrong
en zo voor leven koos
mijn moeder was een steen waaraan
zich meer dan één gestoten heeft
omdat ze ongestraft
meedogenloos haar gang kon gaan
er zat ook tederheid
in wat ze mij ooit schreef
mijn moeder was vooral een mens
met visie in het hoofd
ze was nog van het oude ras
dat zeggen kon met zekerheid
dat binnen water lucht en aarde
het wakker vuur nooit dooft
Moeders die met brede heupen
over zomervelden wiegden
en de volle borsten deelden
met een piepjong windelkind,
die een bed van gras verkozen
boven sterren, boven rozen,
die de benen languit strekten
in het hete zomerzand.
Moeders die een lijf bezaten
waaraan men een houvast had,
die emancipatie kenden
in de heupen, in de lenden,
die met vrolijk knettervuur
pijlen schoten uit hun ogen
die als volle zoete druiven
aan gods wijnstok werden
rijp.
Moeders die de zon aanbaden
die met verre echo’s lachten
als de lang verwachte regen
eindelijk zijn werk volbracht,
gulzig waren dan de monden
onverstoorbaar in hun zonden
waren zij naast plant en dier
onvervalste brok natuur.
Het maakte deel uit van haar
leven
de hond, de kat, het
kolenvuur
de koeien, varkens en
konijnen
de oude hangk1ok aan de muur
de oude grammofoon, de platen
de foto’s in een schoenendoos
Maria met het kindje Jezus
het porselein vergeeld en
broos
het huisje met de groene
luiken
een halfverdroogde mispelaar
het kleine erf met al de
kreten
van een te grote kinderschaar
het kruisje op ons warme
voorhoofd
de houten bedden twee aan
twee
en het gegiechel op de zolder
tot moeder riep ‘stop er nu
mee’
de lange rijen kinderklompen
van iedereen die slapen was
terwijl zij dan met moede
ogen
een spannend Ivanovke las
het maakte deel uit van haar
leven
het k1eine erf, het groot
gezin
en moeder die haar dromen
droomde
waaraan geen einde noch
begin.
Soms denk ik aan mijn moeders
handen
haar nagels waren kort en
rond
haar trouwring was totaal
versleten
had met de tijd het vlees
verwond
haar vingers waren vlugge
vlinders
steeds overal tezelfdertijd
wanneer ze rond de stoof
hanteerde
wanneer ze breide wat een
vlijt
ze naaide ons verarmde kleren
ze zocht de luizen op ons
hoofd
ze sloeg haar vingers in onze
wangen
als ze was moe en uitgesloofd
ze rolde deeg en bakte broden
ze deed soms urenlang de was
ze bond de schoven van het
koren
maar nooit zag ze een bloem
in 't gras
veel later heb ik pas
begrepen
dat moeders handen waren goed
maar dat ze nooit eens konden
strelen
hetgeen me nog soms huiveren
doet.
Nooit
lag het land
zo
zacht in plooien
als op
die dag
toen
langs de vaart
mijn
klein verdriet
verloren
liep
zoekend
naar een gezicht
taai en
vol rimpels
gesponnen
draden
vezels
van vlas
ik vond
mijn moeder
zacht
in haar hand
zat
mijn verdriet
lichtjes
te schreien
nooit
meer zag ik
mijn
moeder breien
noch
spelden knijpen
in de
was
Een moeder
Als een geschonden maan
viel ze heel traag
in één der vele geulen
zo lag ze daar
temidden van het licht
haar ogen bleven dicht
in de doodsbeenderboom
stak men de kaarsen aan
één voor de lach
waarmee ze had getoverd
één voor de pijn
die ze met trots omging
één voor het uur
van de herinnering
de aarde ruikt naar meel
de stenen pletten graan
een moeder wordt als brood
onder de levenden verdeeld
De wegen die naar jou mij
leiden
vind ik alleen in Adegem
niet in de kroeg of kerk
die je bezocht al naargelang
nieuw leven werd gevierd
of een begrafenis had plaats
niet in je eigen huis
waar stoel en tafel
niet langer meer getuigen
van je aanwezigheid
niet op het oude erf
waar zelfs de mispelaar
heel anders is gaan
fluisteren
nu jij zijn zomers niet meer
telt
zelfs onze tweespraak ging
teloor
en hoe ik ook verberg
het groot gemis
er is geen troost
sinds jij de schaduw hebt
gezocht
van pijnboom en van berk
de wegen die naar jou mij
leiden
vind ik alleen in ogen
van oude mensen
uit mijn geboortedorp
Hoelang is het geleden
dat je het vlakke land
verliet
een handvol aarde in je hand
waarin je eigen vader
zijn noden had gezaaid
akkers vol zand
pijnbomen alom
en jij met negentien
op weg naar een bestaan
de lange reis
van licht naar duister
donkere schachten
geen straaltje zon
hoelang is het geleden
dat je me schreiend hebt
verwekt
tussen het afscheid en het
wennen
tussen het komen en het gaan
hoelang is het nu vader
dat ik een handvol aarde nam
en je heb toegedekt
De meeste uren van de dag
sprak hij zwijgend zijn deel
geen jammerklacht noch zucht
zou zijn verweesd zijn helen
zijn taal ontroerde mij
want niet zijn mond
maar wel zijn ogen
leerden mij uit te spreken
niet uit te spreken leed
zo menig keer was hij gezeten
daar op die hoge til
de duif zat in zijn hand
hoe hij de pennen streek
hoe hij het kopke streelde
met zoveel kennis en geduld
met zoveel tederheid
ze liggen op mijn hand
de pennen van de dood
ik strijk ze glad ik denk aan
wol
en hoe ze beeft in prikkeldraad
jaagt
er een sneeuwstorm om het huis
dat jij en ik zo lang
bewoonden
de laatste kaarsen zijn
gedoofd
het vuur houdt ons niet
langer warm
en op de ruiten troont een
bloem
in al haar ijzigheid
ook onze tweespraak ging
teloor
en hoe ik ook tracht om te
buigen
het haast ondraaglijke
van veel te scherp verdriet
het lukt me niet
de slagen zijn geteld
de winters banen zich een weg
langs wortels van gevelde
bomen
ik weet niet vader
hoe het nu verder moet
waar ik ook kijk
zie ik de schaduw van uw dood
Vaders klompen
Waar
eertijds vaders klompen zongen
het
alledaagse klein refrein
klinken
de stappen van de mensen
die
niet van onze wereld zijn
het ouderhuis
is veel veranderd
de
vreemden gaan er in en uit
ze
nemen mee wat vader lief was
het is
een troosteloze buit
het
scheermes en de oude hangklok
een
brok van onze kindertijd
toen
het was goed naar huis te komen
we
wisten niets van wrok of nijd
toen
hadden we één grote kamer
voor
onze lach en ons verdriet
al
kenden we van vele dingen
de
harde kern der waarheid niet
nu
blijven vaders klompen zwijgen
ze
wachten tevergeefs op hem
hij is
gegaan op blote voeten
heel
zachtjes met een requiem
Hoe hij zich ingroef.
Hoe hij dan lag te luisteren
tot de zon de nevel doorboorde
met licht.
Hoe het dan spatte
uit duizend geweren,
hoe de vogels verbloedden
in het klaprozenrood.
Papavers. Een veld vol papavers.
Zoveel schrijnende wonden.
Zoveel gloeiende ogen.
Zoveel aarde ontwricht.
Nooit sprak mijn vader van dood.
Jaren later werd hij begraven
met de schreeuw in zijn keel
die zijn leven zozeer had verkort.
Papavers. Zoveel papavers.
Mijn ogen verkennen de Westhoek
met de angst om mijn vader
in elk beetje rood.
Zaaigoed
Met liefde ingebed
in de tuin van mijn hart
de ziel van mijn broer
wit als een winterroos
hem missen
hij die in de groeven
van mijn gelaat
een rustplaats vond
de schaduw van de
donkere raaf
voorgoed gekneld
tussen zijn doodstrijd
en het requiem
van zijn begrafenis
Tina
Je kijkt me aan en
alles om me heen wordt donker
donker en wazig
omdat de diepte van jouw ogen
mij voor een raadsel plaatst
vragende blikken
die niet begrijpend naar me kijken
geven mij te verstaan
hoe jij vanbinnen bent
hoe jij gevangen in jezelf
ook zonder jij het weet
steeds dichter bij de sterren komt
laat mij een lichtpunt zijn
op de verschraalde weg
waarlangs jij strompelen moet
laat mij het tintelend klokje zijn
dat jou laat horen
dat ik in jouw nabijheid ben
wees niet bevreesd want er zijn
ruimten waar elke ziel van elke mens
uiteindelijk bevrijding vindt
Tina lief meisje jouw lijdensweg
steekt als een doorn in dit gedicht
laat mij een rozenblaadje zijn
op jouw ontroerend zacht gezicht
Wanneer ik zal gestorven zijn
bedek mijn graf met bladeren
o zomereik zodra november komt
jij die daar even naakt zal
staan
als ik daar lig
doch samen delen met jouw wortels
zal ik de donkere aarde
wijden zal ik mijn geest aan
hem
die wist dat ook zijn dood
zou een gedicht zijn
laat nu zijn verzen
rond mijn rustplaats waren
zodat ik worden kan
moge de avonddauw verenigen
wat was en is
moge uit bladerval en dichtersloof
een symfonie ontstaan
met diep erin een wolkenfeest
van verre vogels
boom in november
jouw naam is zomereik
bedek mijn graf met wintersneeuw
die op jouw takken vallen zal
zodra het laatste blad zal zijn vergaan
Alsof het nooit herfst was
geworden
alsof de lente nog in de
struiken zong
of zich verborg in een nog
groene appel
die onder de boom voor het
oprapen lag
de bodem had zichzelf week
geweekt
aardkluiten waren verstorven
hoe vaak
was het gras al beneveld
sinds die
verschrikkelijke morgen nabij
de sloot
we waren alweer oktober
najaarslicht had zijn intrede
gedaan
met zicht op de winter zou er
worden
gepreveld tot aan valavond
toe
hoelang was het nu al geleden
dat er sneeuw onder de hagen
lag
dat de vaartdijk altaar was
geworden
waarop de liefde van twee
jonge mensen
ongenadig geslachtofferd werd
in de deuropening van een
kleine woning
waarin het gebeeldhouwde hout
iets sacraals
omhelsde een man een
ouderwordende
vrouw terwijl in haar eigen
woning de eerste
sneeuwvlokken smolten op glas-in-lood
De inkerving
Wat je kerfde in de boom
was een hart
niet het kerven deed pijn
wel de wonde
waarin onze initialen nooit
zichtbaar zullen worden
wat je tastbaar maakte
was de bast
misschien zullen jouw vingers
er af en toe langs gaan
misschien zullen jouw lippen
de zachtheid bewaren
die blootgelegd werd
laat me boom zijn
jij die beter dan wie ook
weet
dat alle verweerde wezens
aan humus doen denken
laat me zijn wat ik ben
ingekerfde materie
waarmee jij onontkoombaar
verbonden werd
kervende
Indachtig een vriend
De dood
en hoe hij ons ontnam
een deel van de adem
waarop wij bewogen
soms even trilden
als pluimen van riet
die andere adem
die ons deed leven
ruimer
intenser
hij is er niet meer
die andere mens
die zin heeft gegeven
aan ons bestaan
toch ademt hij voort
in onze gedichten
in wat we omschrijven
als te verwerken verdriet
de dood neemt niet alles
echt niet alles met zich mee
Liefste
Als ik er niet meer ben
deel me dan uit als brood
onder de levenden
en weet
tussen de klaproos
en de korenbloem
stond ik te wuiven
als graan
gedenk mij
wanneer de halmen rijpen
of als de leeuwerik
ten hoogsten hemel stijgt
aanhoor de elegie
van pijnboom en plataan
denk hoe ik was genegen
het zachte oeverlis
onthoud de vuurdoorn
de zonnebloem
de goudenregen
en... liefste...
vergeet het wonder
van groeiend mos
tussen de stenen niet
Curriculum vitæ
Toen ik werd geboren
was het hoog seizoen voorbij
maar op de zolder lag het graan
in korrels bij elkaar
zo weet ik dat het ooit bestond
het koren
wat van papavers overbleef
werd gloed bij avond
vroeg ging ik houden van rood
nog eer ik wist
dat deze kleur zou kleven
aan mij zoals ze kleeft
aan vuur en dood
want allen zijn gegaan
die in mijn wijde armen woonden
het kind de vader en de hond
gekapt het bos de bomen
mij is gebleven
het fluisteren van gras
op mijn nu koele huid
het droppelen van water
het water -ach- het water
waarvoor ik zoveel verzen schreef
dat zich met levend wier omgaf
terwijl het zong zijn raadsels
vanuit de diepte der bron
Op weg naar Egidius
Ooit zal ik naar Egidius gaan,
zolang al roept hij mij.
Ik hoor hem... hoor hem
diep in mij.
Naar verre heuvels lokt hij mij,
naar dageraad,
naar blije bomen,
naar zomervogels' liefdesliederen,
met heel zijn wezen lokt hij mij.
Met volle teugen drinkt hij mij,
als lichte wijn,
als zoete honing,
hoe zacht vervloeien wij.
Ooit zal ik naar Egidius gaan,
naar zijn verblijf buiten de tijd,
zozeer ben ik hem al genaderd
dat ik hem overal herken,
buiten mijn stem,
binnen mijn woning.
In iedere grasspriet huivert hij,
met elke lichtstraal wenkt hij mij,
de volle stilte is hij mij,
Egidius, mijn oudste vader.
Opgedragen aan mijn
oergrootvader Egidius Van de Casteele °
anno ± 1500
De grafheuvel
Vanuit de
verte kwam een onbekende
naar me toe, het was een avond vol regen,
je zou bijna denken dat het hem daarom
te doen was, om die regen
er schoten beelden doorheen mijn hoofd
grafheuvels doken op uit een niet
achterhaalbaar verleden en hoe ik ooit
één van die heuvels beklommen had die
er niet meer was, niet meer is
ik zag me terug in een zanderige streek
vol dennenbossen waarin de dood
als bezeten te keer was gegaan, wat was
achtergebleven waren stompe bijlen
op het vertrapte mos
zacht werd ik bij de hand genomen,
teruggevoerd in de tijd van mijn huidig
bestaan, alle oerbeelden waren verdwenen
de weg lag niet langer
verlaten daar,
een mens had zich over mijn
droefheid ontfermd terwijl ik
met hem
naar een bijna vergeten
grafheuvel zocht
Vannacht werd het mij ingegeven. Ik zal
moeten gaan tot aan de plek waar ik ben.
Waar tussen hemel en hel ik zoekende ben.
Ik herinner me niet ooit van die plek
te zijn weggeweest. Teruggaan naar waar je bent.
Hoe ontraadsel je nergens en overal.
Toen ik de zandakkers verliet bleef
ik achter
met niets waaraan ik nog herkenbaar zou zijn.
Ik ben er. Ben er niet. Veel valt te verklaren
door de aanwezigheid van mijn elders zijn.
Weet dat ik ben. Zoek me niet.
Als klaproos en distel zal ik bestaan.
Zaad zal ik zijn. Vier windstreken
zal ik
omarmen. Er is een begin aan mijn herontstaan.
Ik ben wordende. Gedrenkt ben ik in de schoot
van slijk en bloed. Ronddolend in dodenakkers
ben ik fluisterstem. Niets zal vergaan.
Weldra is elf november. Herfst en trompetgeschal.
Eiken overschaduwen onschendbare grond.
Wortels onthouden de reuk van de aarde. Moge in
elke grond de ziel rust vinden van elke dode van
wie ik ben. Van wie ik geworden ben. Amen.
04. Gedicht voor Adegem
05. Kindertijd
06. Brief aan onze schoolmeester
07. Denkend aan de dorpssmid
08. Het karrenspoor ontgroeid
09. Polderland
10. Emma’s gevangenschap
11. Onderdijke
12. Wachttijd
13. Het wegsterven
14. Grootvaders tabak
15. Meetje
16. Mijn moeder
17. Moeders
18. De ware dingen
19. Moeders handen
20. Vlasvezels
21. Een moeder
22. Vader
23. Ode aan een mijnwerker
24. Vaders nalatenschap
25. De slagen zijn geteld
26. Vaders klompen
27. Een veld vol papavers
28. Zaaigoed
29. In
memoriam Remigius
30. Tina
31. Boom in november
32. De omhelzing
33. De inkerving
34. Indachtig een vriend
35. Liefste
36. Curriculum vitæ
37. Op weg naar Egidius
38. De grafheuvel
39. Omtrent de ziel van de doden
B - 1000 Brussel D/6165/2004/03
Reeks: gedichten - oorspronkelijk
Uitgever: De Distel B - 1083 Brussel
tel. 00.32.2.4261470
Foto's kaft: Vergezichten van Adegem
Courtesy: David Storm - Adegem - België