De Genneweg

Blekkersgat

 

Prachtige dreef die tot in de Murkel loopt

De Molenstraat richting Oosteindeke

 

 

 

ADĺOS ADINGAHEM

EXTRA MUNDANUM

 

 

Iris Van de Casteele

 

 



Grenskruis

De pastorij

 

De prachtige Hunselodreef

Onderdijke vanuit d' Helle

 

Hier stond vroeger het station van Adegem

Het kruis van Jezus Christus

 

 

Met dank aan David STORM
voor het welwillend ter hand stellen van de Adegemse winterfoto’s.

 

Wetenswaard

 

De gemeente Adegem die decennia geleden als deelgemeente bij de gemeente Maldegem werd gevoegd, is een zeer oude plaats. Het is één van de meest oud gekende plaatsen van het district Eeklo.

Het dorp of villa bestond reeds ten tijde van Sint Amand. De Merovinger Dagobert, koning van Austrasie en Neustrie, regerende tussen 623-639, had het hem voor bewezen diensten geschonken. Sint Amand, één van de oudste verkondigers van het christendom hier te lande, zou het later in het bezit stellen van de Sint-Pietersabdij van Gent.

Het klooster Blandinium te Gent, waar Sint Amand verbleef, was gesticht op de plaats waar vroeger een Oud-Germaans heiligdom had gestaan. Er bestaat reden genoeg om aan te nemen, dat het zevental Sint Amandbomen oorspronkelijk een zevental Wodan-eiken waren. Verder moet onder de benaming villa een dorp of gehucht worden verstaan, met alles erop en eraan. Een plaats die een of ander voorrecht genoot: voorrecht die een villa om die reden, onderscheidde van andere dorpen of gehuchten.

 

Rex Dagobertus dedit sancto Amando villam de Hadeghem et alias terras quae in circuiti adjacent monasterio Blandiniensi, cuam villam et cuas terras praefatus sanctus Amandus dedit praefato monasterio perpetuo possidendas.

 

Voorwoord

De bundel Adíos Adingahem (extra mundanum) bevat gedichten geschreven tussen de jaren 1964 en 2004. Ze lagen - op enkele uitzonderingen na - al jaren als kladschrift in een lade opgeborgen. Ze werden me ingegeven door de liefde die ik koester zowel voor mijn dorp, als voor de inwoners van dit dorp, dat - uit hoofde van zijn vroegere afzonderlijke ligging - ook "Adegem buiten de wereld" wordt genoemd. Adíos Adingahem betekent zoveel als 'Vaarwel Adegem'.
De gedichten kunnen beschouwd worden als een voorgoed afscheid nemen. Ze zijn vooral gewijd aan mijn familieleden, en aan de dorpsmensen die ik sinds mijn vroegste jeugd heb gekend. Velen ervan zijn intussen overleden. Hun naam opdiepen is hen welverdiende eer en liefde betuigen.
Ten allen tijde heb ik mij bekend tot de Adegemse gemeenschap waartoe ik behoor; waartoe de eeuwenoude boerenfamilies behoren van wie ik wederzijds afstam. Daarom werd ook de bodem van het land zelf in deze gedichten niet vergeten, omdat de aarde voortbrengt wie en wat we zijn.
Ik vergelijk mezelf graag met een boom wiens kruin bijna tot aan de hemel reikt. Met takken die naar alle windrichtingen groeien. Met altijd nieuwe blaren die waaien, doch met de tijd verwaaien en vergaan. Maar met wortels die ademen en groeien in de grond waarin hij gezaaid of geplant werd. Wie een boom begrijpt en herkent zal ook een mens begrijpen die zijn geboortegrond, met alles wat daarbij hoort, als de zijne blijft beschouwen.
We weten het allemaal: er zijn bomen die zich maar al te graag laten uitgraven en zich graag verplant weten. Die zelfs de taal van de zomerwind liefst zo vlug mogelijk vergeten, al heeft hij vaak hun bladeren doen ruisen als waren het liefdesliederen. Tot deze soort symbolische bomen behoort mijn innigste wezen niet.

 

 


Gedicht voor Adegem

 

 

Ik die de bomen heb beroerd

toen mijn verdriet nog jong

over de velden liep

op zoek naar wonderkruid

voor kleine wonden

de scharen van de ploeg

sneden mijn ogen open en langs

de scherpte van de zeis werd

weggemaaid de korte kindertijd

 

het koren groeide in mijn hart

zo diep dat ik aan stenen

soms bange vragen had

van stof en meel

waren de gouden dagen

dat wist de molenaar

die op de uitkijk stond

 

aan bloemen gaf ik water

doch op de rug van paarden

schuurde mijn tere huid

nog weet ik hoe ik vroeger

de aarde aan de lippen bracht

hoe ik dan rusteloos

het warme leven droomde

ver van het veilig nest

 

er was een dorp vol mensen

die naar me wuifden toen de wind

mijn eerste verzen schreef

zo nu en dan hoor ik een stem

ik loop voorbij de Spanjaardshoek

en dan de straat de Calle

de laatste meters naar het huis

waar ik me wist geborgen

als kind van Adegem.

 

 

 

 

 

Kindertijd

 

 

Voorbij Cromwege lag er een kleine wei

daarachter een stuk land vol keien

waarin ik onkruid wiedde op blote knieën.
Hoog groeide er de rogge en om het jaar

bloeide er ook de taaie boekweitplant.

 

Wat verderop het erf, de mesthoop,

de waterpomp, het moegewerkte paard

en een paar koeien waaronder Bles

die ik nooit meer vergat.

 

Hoe ik haar wachten ging tot ze op zekere

dag mij naar de klaver trok, hals over kop,

zij ogend naar het groen gewas

ik hangend aan het zeel

zij sleurend mij over de brede sloot.

 

Soms lag ik heel alleen op een verhoogde

berm, een kleine heuvel, negen was ik.

Toen zou het muzikaal gehoor voor alles

wat zich voortbewoog ver van de huizen

zich nestelen in mij.

 

Ik hield van tonen:

getsjirp van krekels in het gras,

het roekoeken van tortelduiven,

en het gepiep van muizen

in het vertrouwde karrenspoor.

 

 

 

 

 

Brief aan onze schoolmeester


Toen ik mijn eerste versjes schreef liep er
een jong gelukkig paar langs Adegemse wegen.

Ze gaven zich het jawoord en hielden woord.
De jaren zijn vergaan. De tijd dat Meester Pieter
in de jongensklas zijn lessen gaf is lang voorbij.

’k Herinner mij hoe hij aan het gemeentehuis
een babbel sloeg, hoe ik hem gadesloeg.
Ik was pas zeven. Ik hoor het schelle bellen nog
wanneer zijn fietsbel rinkelde, en altijd had hij
een goed woord voor iedereen.

Zijn ogen zaten steeds vol zon en om zijn mond
lag vaak een lach, en dat hij keuvelen kon
vertelde mij mijn vader die hem in ’t harte droeg.

Het leven van een mens die zich geheel de
kinderen wijdde: wie vat het samen? Er zijn geen
woorden goed genoeg, er zijn geen verzen sterk
genoeg om dit te doen. De Meester. Zoals hij was
is hij gebleven. Een halve eeuw in hecht en trouw.

Zijn dorp, zijn kinderen en zijn vrouw. Hoe diep
weet hij me te ontroeren, hij die haast tachtig is.

Dag Meester! Als ik langsheen de bane rijd zie ik u
zitten in uw zetel. Misschien ziet gij dat kind in mij
dat langs de wegels liep en naar u wuifde als gij de
Callestraat passeerde. Een klein gedicht meer heb ik
niet om u te zeggen hoe geliefd gij in uw dorp en
van dit ouderwordend kind gebleven zijt.

 

Ter nagedachtenis van Pieter Van Cleemput

 

 

 

 

 

Denkend aan de dorpssmid

 

 

Nog leven in mij de geluiden van het

dorp uit mijn jeugd: fladderende vogels

's zomers, als het koren groeide en

rijpte, babbelend water in beekjes,

gedommel van diertjes in hagen: geluiden...

 

Uit mijn hart niet te roeien

de mannengesprekken, als ik mee mocht

met vader naar de smidse,

waar de smid, pikzwart en graatmager,

met de blaasbalg het vuur hevig aanblies,

diep ademhalend en kuchend: geluiden...

 

Zo diep in mijn wezen geworteld het beeld

van die smid  die de hamer hanteerde,

het gebonk, het gesis, de slagen;

altijd opnieuw vlam en vuur:

het beslaan van de paarden,

het rammelen van vaten,

het gewet op de zeisen: geluiden...
 

Terwijl ik schrijf over vroeger

stijgen ze op de geluiden:

niet de zang van de vogels,

niet het babbelen van water,

niet het dommelen van muggen,

maar de stem van de smid die zacht was

als sneeuw als hij sprak van het vuur,

en het kind dat ik was een lach schonk:

geluiden... geluiden... geluiden...

 

Ter nagedachtenis van Julien Rombaut

 

 

 

 

 

Het karrenspoor ontgroeid

 

Ik ben te groot voor mijn geboortedorp.

Ik ben het karrenspoor ontgroeid,

de zomertarwe, de ligusterhagen,

het blauwbloem blonde vlas, de rapen

die ik at, de biezen die ik vlocht.

 

Ik ben te wijd geworden voor d’enge rok

die ik als bakvis droeg, te zwaar voor elke

gracht waarop ik 's winters gleed en zo

mijn rode kloefkens op hoogglans bracht.

 

Het kleine bos dat ik bezocht heeft mij

doen hunkeren naar het woud. Het

water van de beek heeft mij doen zoeken

naar de stroom en deze naar de bron.

 

Ik ben niet meer het kind dat graag

naar vlinders keek omdat hun vleugels

aan verten denken deden, niet meer de

speelse guit die iedereen lachen deed.

 

Ik ben te wijs geworden om in dit

dorp van mij dit deel van mij te zoeken

dat niet meer vindbaar is. Ik ben te oud

geworden om er in dood te gaan.

 

Doch ieder jaar opnieuw wanneer de

lente de sapgang van de bomen regelt,

herleef ook ik. Dan groet ik met een klein

gedicht de mensen van mijn dorp die mij,

na al die jaren, nog steeds genegen zijn.

 

 

 

 

 

Polderland

 

 

‘t Is avond

‘t is heel stil in huis

het grasperk in de mist

doet denken aan een herfst

heel lang geleden

waarin datgene opging

wat ik sindsdien

het meeste mis:

bolders

het rinkelen van een fietsbel

geluid van paardenhoeven

op kasseien

de wind langsheen de vaart

die ‘t al uiteenwoei

stemmen

gebaren

gezichten

 

Ter nagedachtenis van Laurent D’Havé

 

 

 

 

 

Emma’s gevangenschap

 

Pas jaren later kon ik haar eindelijk voorgoed

bevrijden. Pas nadat ik een gedicht las over

een achter tralies opgeborgen tevergeefs

zwaaiende man. Pas dan.

 

Pas dan had ik de kracht om er tegenaan

te gaan. Tegen hetgeen haar het uitzicht

belemmerde, haar  bewegingen beperkte:

donkere staven. Verwrongen van de vele

keren dat ze er tussenin zat geklemd.

Nooit zou ze zichzelf  kunnen bevrijden.

 

Nooit gaf ze het op. Telkens weer ánders

ondernam ze de vruchteloze poging. Soms

stonden haar vingers dagenlang krom van haar

lot dat ze om wou buigen. Soms wurgde ze

zichzelf tot aan het licht dat haar alles zou

schenken behalve een volmondig leven.

 

Grootmoeder, denk ik nu. Hoe waarachtig heb

jij jouw verhaal ingebed. Niet gekerfd in bomen.

Niet getekend in zand. Maar langs jouw bloed

is het tot mij gekomen, heb ik het tot mij

genomen. Zingt het in mij als een zuivere litanie:

een nooit ophoudend, verlossend gebed.

 

Ter nagedachtenis van mijn grootmoeder Emma Van de Bossche

 

 

 

 

 

Onderdijke

 

 

In goede aarde het ontstaan

van deze wortel die nog blijft

nadat de vaders zijn herschapen

tot klompen bruine aarde

 

in deze aarde ook de nood

van een uiteengedreven stam

die eens zijn stempel heeft gedrukt

op Onderdijkse bodem

 

nog zijn de weiden zomers groen

nog gaat het vee de stallen in

en niets schijnt er veranderd

 

ook ging die éne niet teloor

één wortel van de oude stam

die aan de bruine klompen kleeft

en Onderdijke ziet ontwaken.

 

Opgedragen aan mijn voorouders, afstammelingen Egidius Van de Casteele

 

 

 

 

 

Wachttijd


Het eindeloos
wachten
der dreven
sinds eeuwen

het trappelgeluid
van het vee
trommelt alles bijeen
eikels en blaren

verhard ligt de lange
levende weg
geen ploeg
keert hem om

op het einde
ligt breed in de zon
vruchtbare aarde


 

 

 

Het wegsterven

 

 

En dat ik dit mag zijn

een levend teken van de boom

die naar zijn sterven neigt
dat ik zijn deelgenote ben

 

dat ik in hem mag voortbestaan

terwijl zijn hart voor altijd zwijgt

in rakelings gescheerde takken

 

dat ik zijn ziel mag zijn

terwijl hijzelf wordt weggeveegd

mee met de tranen van de wind

mee met het lied van duizend vogels

 

dat ik zijn herfst ben en zijn zomer

dat ik zijn winter verder leef

terwijl hij door de lagen tast

van opgestapeld merg en been

 

dat ik de aarde ben

die hem voortdurend zal omarmen

dat ik met humushanden

zijn laatste blad vergaren zal

om mij aan vast te klampen

nadat hij is gegaan


Ter nagedachtenis van mijn dooppeter Cyriel Van de Casteele

 

 

 

 

 

Grootvaders tabak

 

 

Gesloten luiken
rozenkransen
kleinkind zijnde 
zo vaak beloond
schuif ik als kind
tot aan het raam


de beelden
komen los:

de witte zandweg
de groene haag
de campelberg
en grootvader
hoe hij daar lag

in doodse stilte

het is alsof hij
heel omzichtig
zijn tabakspijp
een laatste keer
zal stoppen

speciaal voor mij

met mos

 

Ter nagedachtenis van mijn grootvader Camiel Matthys

 

 

 

 

 

Meetje


Zoals je daar zat
in de namiddagzon
mij toewuivende

in je gebloemde schort:
een ontroerend gezicht
dat mij bijblijven zou

bij ieder bezoek
kwam ik je nader

jij die me droeg

langs bevroren velden
naar doopvont en water
ik boreling nog
alsof jij toen al weet had
van mijn latere dorst

hoe intens wist ik
te houden van jou

jij die me gaf wat ik bij
mijn moeder ontbeerde
jij die me leerde
hoe de dagen te klaren
jij die jouw goedheid
niet vergeefs mij schonk


als een hostie troon je
in de kelk die ik ben

Ter nagedachtenis van mijn doopmeter Marie Matthys

 

 

 

 

 

Mijn moeder

 

 

Mijn moeder was geen heilige vrouw
eerder een zondares
met pikzwart haar en donkere ogen
waarin het vuur regeerde
als zij haar lichaam keerde
ten volle naar de roos

mijn moeder wist wat wroeten was
ze zorgde voor haar kroost
een wijfjesdier met oerinstinct
een moer die ieder huilend jong
het pas geschonden lijf ontwrong
en zo voor leven koos

mijn moeder was een steen waaraan
zich meer dan één gestoten heeft
omdat ze ongestraft
meedogenloos haar gang kon gaan
er zat ook tederheid
in wat ze mij ooit schreef
 
mijn moeder was vooral een mens
met visie in het hoofd
ze was nog van het oude ras
dat zeggen kon met zekerheid
dat binnen water lucht en aarde
het wakker vuur nooit dooft

 



 

Moeders

 

 

Moeders die met brede heupen

over zomervelden wiegden

en de volle borsten deelden

met een piepjong windelkind,

die een bed van gras verkozen

boven sterren, boven rozen,

die de benen languit strekten

in het hete zomerzand.

 

Moeders die een lijf bezaten

waaraan men een houvast had,

die emancipatie kenden

in de heupen, in de lenden,

die met vrolijk knettervuur

pijlen schoten uit hun ogen

die als volle zoete druiven

aan gods wijnstok werden rijp.

 

Moeders die de zon aanbaden

die met verre echo’s lachten

als de lang verwachte regen

eindelijk zijn werk volbracht,

gulzig waren dan de monden

onverstoorbaar in hun zonden

waren zij naast plant en dier

onvervalste brok natuur.

 

 

 

 

 

De ware dingen

 

 

Het maakte deel uit van haar leven

de hond, de kat, het kolenvuur

de koeien, varkens en konijnen

de oude hangk1ok aan de muur

 

de oude grammofoon, de platen

de foto’s in een schoenendoos

Maria met het kindje Jezus

het porselein vergeeld en broos

 

het huisje met de groene luiken

een halfverdroogde mispelaar

het kleine erf met al de kreten

van een te grote kinderschaar

 

het kruisje op ons warme voorhoofd

de houten bedden twee aan twee

en het gegiechel op de zolder

tot moeder riep ‘stop er nu mee’

 

de lange rijen kinderklompen

van iedereen die slapen was

terwijl zij dan met moede ogen

een spannend Ivanovke las

 

het maakte deel uit van haar leven

het k1eine erf, het groot gezin

en moeder die haar dromen droomde

waaraan geen einde noch begin.

 

 

 

 

 

Moeders handen

 

 

Soms denk ik aan mijn moeders handen

haar nagels waren kort en rond

haar trouwring was totaal versleten

had met de tijd het vlees verwond

 

haar vingers waren vlugge vlinders

steeds overal tezelfdertijd

wanneer ze rond de stoof hanteerde

wanneer ze breide wat een vlijt

 

ze naaide ons verarmde kleren

ze zocht de luizen op ons hoofd

ze sloeg haar vingers in onze wangen

als ze was moe en uitgesloofd

 

ze rolde deeg en bakte broden

ze deed soms urenlang de was

ze bond de schoven van het koren

maar nooit zag ze een bloem in 't gras

 

veel later heb ik pas begrepen

dat moeders handen waren goed

maar dat ze nooit eens konden strelen

hetgeen me nog soms huiveren doet.

 

 

 

 

 

 

Vlasvezels

 

 

Nooit lag het land

zo zacht in plooien

 

als op die dag

toen langs de vaart

mijn klein verdriet

verloren liep

 

zoekend
naar een gezicht

taai en vol rimpels

gesponnen draden

vezels van vlas

 

ik vond mijn moeder

zacht in haar hand

zat mijn verdriet

lichtjes te schreien

 

nooit meer zag ik

mijn moeder breien

noch spelden knijpen

in de was

 

 

 

Een moeder

 

 

Als een geschonden maan

viel ze heel traag

in één der vele geulen

zo lag ze daar

temidden van het licht

 

haar ogen bleven dicht

in de doodsbeenderboom

stak men de kaarsen aan

 

één voor de lach

waarmee ze had getoverd

één voor de pijn

die ze met trots omging

één voor het uur

van de herinnering

 

de aarde ruikt naar meel

de stenen pletten graan

een moeder wordt als brood

onder de levenden verdeeld

 

 

 

 

 

Vader

 

 

De wegen die naar jou mij leiden

vind ik alleen in Adegem

niet in de kroeg of kerk

die je bezocht al naargelang

nieuw leven werd gevierd

of een begrafenis had plaats

 

niet in je eigen huis

waar stoel en tafel

niet langer meer getuigen

van je aanwezigheid

 

niet op het oude erf

waar zelfs de mispelaar

heel anders is gaan fluisteren

nu jij zijn zomers niet meer telt

 

zelfs onze tweespraak ging teloor

en hoe ik ook verberg

het groot gemis

er is geen troost

sinds jij de schaduw hebt gezocht

van pijnboom en van berk

 

de wegen die naar jou mij leiden

vind ik alleen in ogen

van oude mensen

uit mijn geboortedorp

 

 

 

 

 

Ode aan een mijnwerker

 

 

Hoelang is het geleden

dat je het vlakke land verliet

een handvol aarde in je hand

waarin je eigen vader

zijn noden had gezaaid

 

akkers vol zand

pijnbomen alom

en jij met negentien

op weg naar een bestaan

 

de lange reis

van licht naar duister

donkere schachten

geen straaltje zon

 

hoelang is het geleden

dat je me schreiend hebt verwekt

tussen het afscheid en het wennen

tussen het komen en het gaan

 

hoelang is het nu vader

dat ik een handvol aarde nam

en je heb toegedekt

 

 

 

 

 

Vaders nalatenschap

 

 

De meeste uren van de dag

sprak hij zwijgend zijn deel

geen jammerklacht noch zucht

zou zijn verweesd zijn helen

 

zijn taal ontroerde mij

want niet zijn mond

maar wel zijn ogen

leerden mij uit te spreken

niet uit te spreken leed

 

zo menig keer was hij gezeten

daar op die hoge til

de duif zat in zijn hand

hoe hij de pennen streek

hoe hij het kopke streelde

met zoveel kennis en geduld

met zoveel tederheid

 

ze liggen op mijn hand

de pennen van de dood

ik strijk ze glad ik denk aan wol

en hoe ze beeft in prikkeldraad

 

 

 

 

 

De slagen zijn geteld


Sinds er geen zomers meer bestaan

jaagt er een sneeuwstorm om het huis

dat jij en ik zo lang bewoonden

 

de laatste kaarsen zijn gedoofd

het vuur houdt ons niet langer warm

en op de ruiten troont een bloem

in al haar ijzigheid

 

ook onze tweespraak ging teloor

en hoe ik ook tracht om te buigen

het haast ondraaglijke

van veel te scherp verdriet

het lukt me niet

 

de slagen zijn geteld

de winters banen zich een weg

langs wortels van gevelde bomen

 

ik weet niet vader

hoe het nu verder moet

waar ik ook kijk

zie ik de schaduw van uw dood





Vaders klompen

 

 

Waar eertijds vaders klompen zongen

het alledaagse klein refrein

klinken de stappen van de mensen

die niet van onze wereld zijn

 

het ouderhuis is veel veranderd

de vreemden gaan er in en uit

ze nemen mee wat vader lief was

het is een troosteloze buit

 

het scheermes en de oude hangklok

een brok van onze kindertijd

toen het was goed naar huis te komen

we wisten niets van wrok of nijd

 

toen hadden we één grote kamer

voor onze lach en ons verdriet

al kenden we van vele dingen

de harde kern der waarheid niet

 

nu blijven vaders klompen zwijgen

ze wachten tevergeefs op hem

hij is gegaan op blote voeten

heel zachtjes met een requiem

 

 

 

 

 

Een veld vol papavers

 

 

Hoe hij zich ingroef.
Hoe hij dan lag te luisteren
tot de zon de nevel doorboorde
met licht.

Hoe het dan spatte
uit duizend geweren,
hoe de vogels verbloedden
in het klaprozenrood.

Papavers. Een veld vol papavers.
Zoveel schrijnende wonden.
Zoveel gloeiende ogen.
Zoveel aarde ontwricht.

Nooit sprak mijn vader van dood.
Jaren later werd hij begraven
met de schreeuw in zijn keel
die zijn leven zozeer had verkort.

Papavers. Zoveel papavers.
Mijn ogen verkennen de Westhoek
met de angst om mijn vader
in elk beetje rood.

 

 



 

Zaaigoed


Gestadig
trekt het paard
de diepe voren
de aarde ademt
de bodem zwelt

in dit gezegend land
van lage lucht
gaat niets verloren

zaad dat gij zaaide
hoe groei ik nader u
in elke plant

als wintervrucht
zult gij mij oogsten
vader
 

 

 
 
 
In memoriam Remigius

 

 

Met liefde ingebed

in de tuin van mijn hart

de ziel van mijn broer

wit als een winterroos

 

hem missen

hij die in de groeven

van mijn gelaat

een rustplaats vond

 

de schaduw van de

donkere raaf

voorgoed gekneld

 

tussen zijn doodstrijd

en het requiem

van zijn begrafenis

 

 

 

 

 

Tina


Je kijkt me aan en
alles om me heen wordt donker
donker en wazig
omdat de diepte van jouw ogen
mij voor een raadsel plaatst

vragende blikken
die niet begrijpend naar me kijken
geven mij te verstaan
hoe jij vanbinnen bent
hoe jij gevangen in jezelf
ook zonder jij het weet
steeds dichter bij de sterren komt

laat mij een lichtpunt zijn
op de verschraalde weg
waarlangs jij strompelen moet
laat mij het tintelend klokje zijn
dat jou laat horen
dat ik in jouw nabijheid ben

wees niet bevreesd want er zijn
ruimten waar elke ziel van elke mens
uiteindelijk bevrijding vindt
Tina lief meisje jouw lijdensweg
steekt als een doorn in dit gedicht
laat mij een rozenblaadje zijn
op jouw ontroerend zacht gezicht

 

 

 

 

 

Boom in november

 

 

Wanneer ik zal gestorven zijn
bedek mijn graf met bladeren
o zomereik zodra november komt

 

jij die daar even naakt zal staan
als ik daar lig
doch samen delen met jouw wortels
zal ik de donkere aarde

 

wijden zal ik mijn geest aan hem
die wist dat ook zijn dood
zou een gedicht zijn
laat nu zijn verzen
rond mijn rustplaats waren
zodat ik worden kan

 

moge de avonddauw verenigen
wat was en is
moge uit bladerval en dichtersloof
een symfonie ontstaan
met diep erin een wolkenfeest
van verre vogels

 

boom in november
jouw naam is zomereik
bedek mijn graf met wintersneeuw
die op jouw takken vallen zal
zodra het laatste blad zal zijn vergaan

 

 

 

 

 

De omhelzing

 

 

Alsof het nooit herfst was geworden

alsof de lente nog in de struiken zong

of zich verborg in een nog groene appel

die onder de boom voor het oprapen lag

 

de bodem had zichzelf week geweekt

aardkluiten waren verstorven hoe vaak

was het gras al beneveld sinds die

verschrikkelijke morgen nabij de sloot

 

we waren alweer oktober

najaarslicht had zijn intrede gedaan

met zicht op de winter zou er worden

gepreveld tot aan valavond toe

 

hoelang was het nu al geleden

dat er sneeuw onder de hagen lag

dat de vaartdijk altaar was geworden

waarop de liefde van twee jonge mensen

ongenadig geslachtofferd werd

 

in de deuropening van een kleine woning

waarin het gebeeldhouwde hout iets sacraals

omhelsde een man een ouderwordende

vrouw terwijl in haar eigen woning de eerste
sneeuwvlokken smolten op glas-in-lood

 

 

 

 

 

De inkerving

 

 

Wat je kerfde in de boom

was een hart

niet het kerven deed pijn

wel de wonde

waarin onze initialen nooit

zichtbaar zullen worden

 

wat je tastbaar maakte

was de bast


misschien zullen jouw vingers

er af en toe langs gaan

misschien zullen jouw lippen

de zachtheid bewaren

die blootgelegd werd

 

laat me boom zijn

jij die beter dan wie ook weet

dat alle verweerde wezens

aan humus doen denken


laat me zijn wat ik ben

ingekerfde materie

waarmee jij onontkoombaar

verbonden werd

kervende

 

 

 

 

 

Indachtig een vriend


De dood
en hoe hij ons ontnam
een deel van de adem
waarop wij bewogen

soms even trilden
als pluimen van riet

die andere adem
die ons deed leven
ruimer
intenser

hij is er niet meer
die andere mens
die zin heeft gegeven
aan ons bestaan

toch ademt hij voort
in onze gedichten
in wat we omschrijven
als te verwerken verdriet

de dood neemt niet alles
echt niet alles met zich mee


 

 

 

Liefste


Als ik er niet meer ben
deel me dan uit als brood
onder de levenden

en weet
tussen de klaproos
en de korenbloem
stond ik te wuiven
als graan

gedenk mij
wanneer de halmen rijpen
of als de leeuwerik
ten hoogsten hemel stijgt
aanhoor de elegie
van pijnboom en plataan
denk hoe ik was genegen
het zachte oeverlis

onthoud de vuurdoorn
de zonnebloem
de goudenregen
en... liefste...
vergeet het wonder
van groeiend mos
tussen de stenen niet

 

 

 

 

Curriculum vitæ


Toen ik werd geboren
was het hoog seizoen voorbij
maar op de zolder lag het graan
in korrels bij elkaar
zo weet ik dat het ooit bestond
het koren

wat van papavers overbleef
werd gloed bij avond
vroeg ging ik houden van rood
nog eer ik wist
dat deze kleur zou kleven
aan mij zoals ze kleeft
aan vuur en dood

want allen zijn gegaan
die in mijn wijde armen woonden
het kind de vader en de hond
gekapt het bos de bomen

mij is gebleven
het fluisteren van gras
op mijn nu koele huid
het droppelen van water

het water -ach- het water
waarvoor ik zoveel verzen schreef
dat zich met levend wier omgaf
terwijl het zong zijn raadsels
vanuit de diepte der bron

 

 

Op weg naar Egidius

Ooit zal ik naar Egidius gaan,
zolang al roept hij mij.
Ik hoor hem... hoor hem
diep in mij.

Naar verre heuvels lokt hij mij,
naar dageraad,
naar blije bomen,
naar zomervogels' liefdesliederen,
met heel zijn wezen lokt hij mij.

Met volle teugen drinkt hij mij,
als lichte wijn,
als zoete honing,
hoe zacht vervloeien wij.

Ooit zal ik naar Egidius gaan,
naar zijn verblijf buiten de tijd,
zozeer ben ik hem al genaderd
dat ik hem overal herken,
buiten mijn stem,
binnen mijn woning.

In iedere grasspriet huivert hij,
met elke lichtstraal wenkt hij mij,
de volle stilte is hij mij,
Egidius, mijn oudste vader.

Opgedragen aan mijn oergrootvader Egidius Van de Casteele  ° anno ± 1500

 

 

 

 

 

De grafheuvel

 

 

Vanuit de verte kwam een onbekende
naar me toe, het was een avond vol regen,
je zou bijna denken dat het hem daarom
te doen was, om die regen

er schoten beelden doorheen mijn hoofd
grafheuvels doken op uit een niet
achterhaalbaar verleden en hoe ik ooit
één van die heuvels beklommen had die
er niet meer was, niet meer is


ik zag me terug in een zanderige streek
vol dennenbossen waarin de dood
als bezeten te keer was gegaan, wat was
achtergebleven waren stompe bijlen
op het vertrapte mos

zacht werd ik bij de hand genomen,
teruggevoerd in de tijd van mijn huidig
bestaan, alle oerbeelden waren verdwenen

de weg lag niet langer verlaten daar,
een mens had zich over mijn

droefheid ontfermd terwijl ik met hem

naar een bijna vergeten grafheuvel zocht

 

 

 

 

 

Omtrent de ziel van de doden

 

 

Vannacht werd het mij ingegeven. Ik zal
moeten gaan tot aan de plek waar ik ben.
Waar tussen hemel en hel ik zoekende ben.
Ik herinner me niet ooit van die plek
te zijn weggeweest. Teruggaan naar waar je bent.
Hoe ontraadsel je nergens en overal.

Toen ik de zandakkers verliet bleef ik achter
met niets waaraan ik nog herkenbaar zou zijn.
Ik ben er. Ben er niet. Veel valt te verklaren
door de aanwezigheid van mijn elders zijn.
Weet dat ik ben. Zoek me niet.
Als klaproos en distel zal ik bestaan.

Zaad zal ik zijn. Vier windstreken zal ik
omarmen. Er is een begin aan mijn herontstaan.
Ik ben wordende. Gedrenkt ben ik in de schoot
van slijk en bloed. Ronddolend in dodenakkers
ben ik fluisterstem. Niets zal vergaan.

Weldra is elf november. Herfst en trompetgeschal.
Eiken overschaduwen onschendbare grond.
Wortels onthouden de reuk van de aarde. Moge in
elke grond de ziel rust vinden van elke dode van
wie ik ben. Van wie ik geworden ben. Amen.

 

 

 

 
Inhoud

 

04. Gedicht voor Adegem
05. Kindertijd

06. Brief aan onze schoolmeester
07. Denkend aan de dorpssmid
08. Het karrenspoor ontgroeid
09. Polderland

10. Emma’s gevangenschap

11. Onderdijke
12. Wachttijd

13. Het wegsterven
14. Grootvaders tabak

15. Meetje

16. Mijn moeder

17. Moeders

18. De ware dingen

19. Moeders handen

20. Vlasvezels

21. Een moeder

22. Vader

23. Ode aan een mijnwerker

24. Vaders nalatenschap
25. De slagen zijn geteld

26. Vaders klompen
27. Een veld vol papavers
28. Zaaigoed

29. In memoriam Remigius
30. Tina
31. Boom in november

32. De omhelzing

33. De inkerving
34. Indachtig een vriend
35. Liefste
36. Curriculum vitæ
37. Op weg naar Egidius
38. De grafheuvel
39. Omtrent
de ziel van de doden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

C.I.P. Koninklijke Bibliotheek Albert I

B - 1000 Brussel  D/6165/2004/03

Reeks: gedichten - oorspronkelijk

Titel: ADĺOS  ADINGAHEM

EXTRAMUNDANUM
Auteur: Iris Van de Casteele

Uitgever: De Distel   B - 1083 Brussel
tel. 00.32.2.4261470

Foto's kaft: Vergezichten van Adegem

Courtesy: David Storm - Adegem - België