
BOMEN
OMHELZEND
anthologie
Iris Van de Casteele
Daar de boom in de aarde wortelt, zijn takken
echter naar de hemel wijzen, is hij net als de mens een tot twee werelden
behorend, tussen boven en onder bemiddelend wezen. Niet alleen werden in vele
oude culturen bepaalde bomen -of een heel heilig bos- vereerd als door
bovennatuurlijke wezens (goden, elementaire geesten) bewoond, ook werd de boom
vaak gezien als wereldas waar de kosmos omheen is gegroepeerd. Boomsymboliek en
boomverering houden tenslotte een rest vast van de oude natuurreligie, waarin
bomen niet alleen hout betekenden, maar ook bezielde, en door elfachtige nimfen
bewoonde wezens waren, waarmee de mens een gevoelsmatige relatie had.
De boom is de synthese van hemel, aarde en water; dynamisch leven tegenover het
statische leven van steen. Allebei een imago mundi en axis mundi, 'de boom in
het midden' de drie werelden verenigend en communicatie tussen deze mogelijk
makend, ook toegang gevend tot solaire kracht; een omfalos; een wereldcentrum.
Hij symboliseert ook het vrouwelijke principe, het voedende, beschuttende,
beschermende, ondersteunende aspect van de grote moeder, de matrix en de macht
van de onuitputtelijke en vruchtbaarheid brengende wateren die ze beheert;
bomen worden vaak afgebeeld in de vorm van een vrouwelijke figuur. Geworteld in
de diepte van de aarde, in contact met de wateren, groeit de boom in de wereld
van de tijd, ringen toevoegend om zijn leeftijd aan te geven.
Een altijd groene boom vertegenwoordigt altijddurend leven, niet stervende
geest, onsterfelijkheid. Een boom die zijn loof verliest is de wereld die zich
voortdurend vernieuwt, en regeneratie, sterven om te leven, wederopstanding,
reproductie, het levensprincipe. Beide zijn een symbool van verscheidenheid in
eenheid, de vele takken komen voort uit één wortel en keren terug tot de
eenheid in de potentie van het zaad van de vruchten aan die takken
De kosmische boom wordt soms afgebeeld met takken die zich splitsen en weer
verenigen, of door twee stronken met één wortel en zich verenigende takken. Dit
verwijst naar de universele manifestatie gaande van eenheid naar
verscheidenheid en terug naar eenheid, de vereniging van hemel en aarde; dit
kan ook worden weergegeven door de 'verbonden boom' als twee verschillende
bomen verbonden door één enkele tak waaruit een loot ontspringt, die de eenheid
weergeeft van de complementaire principes, mannelijk en vrouwelijk enz., ook
het androgyne. Twee weerspiegelde bomen hebben dezelfde symboliek.
Als wereldas is de boom geassocieerd met de berg en alles wat axiaal is. De
boom, net als het bos, de berg, de steen en het water, kan op zichzelf de
kosmos in zijn heelheid symboliseren. De kosmische boom wordt vaak afgebeeld
als zich bevindend op de top van een berg. Bomen die levensvoedsel dragen zijn
altijd heilig, zoals de wijnstok, moerbei, perzik, dadel, amandel en sesam.
Wat dwarrelsneeuw lag op een tak
tijdens het nachtelijk uur
had hij zich daar verzameld
de bomen leken uitgeput
vroegen om zon
die eensklaps scheen
meteen verdween het zacht geweld
uit ons gezicht
met druppels poëzie en schuim
beroerden wij
elkaars ontknoppen
we stonden blank en bloot
vol tuinen hing de lucht
vol licht
op onze huid bloeide het mos
we leken op dit uur
bijna volkomen
Als in een landschap van licht
staan de bomen getekend
de helderheid rekent
de dagen uit
nergens een teken van duister
van helledonker
hoor hoe de honingwind zingt
van ergens is hij gekomen
heeft zich gebogen
over de schamele schors
de slak vind haar weg
naar de hals van de wortel
de dag is geplukt
de maan heeft haar tepels met
dauw bevochtigd
haar navel beschilderd
haar heupen bedekt
bloot zijn haar schouders
adembenemend
wat staat te gebeuren.
Men noemt u afgod boom
men snijdt uw wortels weg
men rooit het bos
men trekt u levend uit de grond
men gooit u naast de witte os
stuk hout
stuk romp
ik hoor uw verre zang
hervind uw kruin uw bladerdak
ik geef u adem boom
ik ben
wij zijn
in een verlaten tuin
de aangevreten kerk
gij in haar schaduw
maar in uw hout
de verre vogels zingen
hoger dan lucht kan stijgen
boom ik vind u schoon
zo schoon dat ik zeg god
hoe gij mij raakt
hoe gij in mij kerft uw geheim
mij sprekend maakt mij ingewijde
Rib
romp
relikwie
essentie
iedere vezel
geen gelaat
alleen gezicht
zicht
op het spint
op de kern
op de ringen
gehavend stamhout
ontbolsterd geheugen
ontrafeld licht
Niets dan een struikboompje
amper anderhalf meter hoog
uitschietend hier en daar
wat loof
daartussen takken
waarvan het schorre kraken
een roepen is om sap.
Is dit de zin van hun bestaan
dat elke afgebroken tak
iets van de vlecht ontknoopt?
Mysterieus
is het wezen der vrouw
zwaar torst zij de wolken
als een boom zijn kruin
in haar handpalmen rustend
het schild van de zon
uit haar vertakte hart
groeit een nieuwere boom
weer een nieuw wezen
wie het liefheeft
zal torsen de regen
man zal hij zijn
binnen de vrouw
één zullen ze wezen
Naveltekens
Tussen miljoenen ammonieten
zoek ik mijn verste huis.
Vinder ben ik tussen fossielen.
Van wie? Van wat?
Ben ik het binnenruim der dingen?
Ben ik het korstmos op de stam?
Ben ik het warkruid dat zich uit?
Mij merken zoveel naveltekens
dat ik van wier kon zijn
of van de draad de vezel
of van het zaad de cel.
Ben ik versplintering der stilte?
Ben ik bezinking van het al?
Ik die mezelf herken
in vuurpad en in purpervlinder.
Boomgeruis
Je zei me
dat het ruisen van de bomen
je soms zo diep ontroerde
dat je er stil van werd
dat je dan vol was
van die zang
die je niet duiden kon
dat je soms kleine vogels
daarin hoorde:
de ene riep de andere toe -
wie zo van boomgeruis
en vogelzang kan houden
hoeft niet te spreken
elk woord is haast teveel
het ruisen van een boom
kan soms volstaan
om in gedachten
naar de andere toe te gaan
Nooit zo omzichtig
omschreven dit:
dauw op een blad
hoor
hoe fluistert de boom
hoe zijn hart
haast begeeft
hoe zijn bloed
tot de groeiwortel spreekt
één druppel licht
op de dauw:
hoor hoe het blad
zich vertakt
hoe de zang der cicaden
het geheugen der nerven
ontbolstert
hoe de cirkel zich sluit
hoe anders vertalen
dan huiverend
de taalkracht
van een boom
Bonsai
Zie
zegt het boompje
het heeft jaren geduurd
eer ik verstond
waarom bij het snoeren
mijn zacht verweer
mijn hout heeft gekromd
nu weet ik
alleen verkreupeld
kan ik blijven ontroeren
Doe mij geen pijn
zegt de boom
bij snikhete zomers
zochten zwervers
en vogels
mijn schaduw
zogen het sap
uit mijn twijgen
braamstruik en distel
lieten ze staan
kerf in mijn schors
die verdorst
geen seizoenen
geen namen
Skelet
Tot op het naakt
gegeseld
de hals een touw
het strottehoofd
een knal
tot op het bot
bezeerd
verteerd
de nerven bloot
diep in zijn hout
leeft hij zijn dood
bijna volmaakt
is de boom
Figuranten
Als bomen
staan we te wuiven
als schichtig licht
storten we neer
als bronnen
willen we klateren
tot onze angst
verdooft
in elke druppel
gebons
in elke draaikolk
bulderen
schateren
Gesel
Overeind
na
de storm
wat weten
bomen
van wind
niets
denk ik
niets
Eindvonnis
Hoe zij ook lachen
of huilen
de wortels
nooit zullen zij
anders
dan onder de aarde
de wolken bezitten
nooit erin schuilen
De liefhebbende
Toen ze haar arm lei
om één van de stoelen
ervan de leuning zocht
erin ruggegraat vond
leek de tuin een oase
met kleine geluiden
van kabbelend water
waar bamboe groeide
in hel zomerlicht -
op één van de stoelen gezeten
schreef ik diep in de avond
dit liefdesgedicht
Liebeserklärung
(an meine großfüßigen
Freunde)
Nichts ist so hold
wie das maßlose singen der Bäume.
Hör’ ich die Birke dann heißt es:
kein Weiß trägt sich schöner
als das Weiß dieser Braut eh sie sich
mit den Himmel vermählt.
Seh’ ich die Linde, das heilige Holz,
schlägt mir das Herz bis tief in die Kehle.
Umfass’ ich die Eiche mit lieblicher Geduld
weis ich sie stark meine sanftmütige Seele.
Mensch sein und Baum, wie die Weide,
männlich und weiblich zugleich.
Wähle mich aus, nenne mich wie Du willst :
Eiche, Linde, Birke.
Nenne mich Weide wenn Du mich brauchst.
Onheil
Een kleine tak vreugde
dit wou ik zijn
die het goed had
dicht bij de vogels
het gewieg
het gezang
bleven uit
men gooide met stenen
men kapte de bomen
Spint
Ik ben de berk
door hoeveel handen sneeuw
ben ik gegaan
zovele handen
die in het witte van mezelf
alleen de schors herkenden
nooit zochten
naar het spint
nooit dooiden
als ze zich warmen mochten
Collagebeeld
Die nacht waarin de boom me zag
mij vinden liet wat zich in hem verborg
was hij er wezenlijk.
Niet echt van hout.
Ik was van algodón
zoals van zijde was de maan
Ik had de schorheid in mijn stem
van de cicade en hopen gras
waren in mij vergaan tot hooi.
Dit was de waarheid: soms was ik sap
en steeg tot in de krop, soms was ik
regen en lei de wortels bloot.
De boom en ik en het cicadevolk
dat zijn concerten geeft.
Wie kijkt ze aan?
Wie luistert nog?
De dag verslindt de nacht en slokt
de
stilte op. Ik pluis mijn eigen vezels uit:
een lapje stof: een restje algodón.
Geboomte
Tussen kernhout en bast
het mildere spint
kringen van jaren
toen we net nog niet
waren verhard
in de stevige stam
toen we nog dachten
dat heesters elkander
niet konden bezeren
Regen
Wit staan de berken
langzame regen
laat tederheid toe
ondergronds windt zich
zijn ruisen rond wortels
zaaiend het leven
voltooit hij zijn zang
tot koude hem schopt
door de winter
ongenadig
rijm op zijn borst
sneeuw op zijn vlerken
Impotentie
Vriesblauw
houdt regen gekooid
jouw blinde vogel
lippen verzachten
niet langer de pijn
handen zijn glas
schaduw de ogen
alleen nog de bomen
doen denken
aan armen vol woud
Kruin en tak
De kruin
wijde boog omheen de stam
hoe ze zich spiegelt
in haar blaren
hoe ze haar macht ontvouwt
breedheupig
ontkomt ze de jaren
wurgend mijn hals
zoekt ze haar sap
zo behoedt ze haar schors
voor verval
tak zijn en vlam
van haar weerbarstig hout
Mijmering
Diep in het land
staat een boom
een beuk op jaren
soms ga ik zitten
vlak onder hem
de handen gevouwen
de ogen gesloten
wat mij ontroert
zijn de wortels
hopen
verstrengelde knoten
als ik ontwaak
zijn ze over mijn tenen
terug in de aarde
gekropen
Perspectief
Verwaaid staan
gekromd als de bomen
van vincent van gogh
het gras zien verschroeien
en achter de zon
het wassende water vermoeden
naar het licht zich bewegen
na gehak van de bijl
van vallende vogels
de kreten verstaan
zien hoe de kruin zich verzet
hoe de tak zich herkent
in aangemaakt vuur
Verkilling
Soms willen zijn
naakt als een boom
niets dan skelet
opvangen winterse zon
drijven een wig
door het witte gebeuren
sluiten deuren
dicht bij het haardvuur
onderhuids rillen
Wachttijd
Naderen
het niet te omschrijven
moment
voelen de spanning
de steeds uit te dagen
bezwering
in de rinde
de bast
langs de bast
de regen
in het gras de steen
onbeweeglijk
Sapgang
Soms is regen
niets anders
dan zingen van wind
bomen staan
naar de groei
van hun wortels
te kijken
scheutenschietende
scheppende vaders
vertederde eiken
Appelwit
Hoe hij daar zit op die tak
gereed om te slapen
die merel
hoort hij het kraken
diep in de kruin
zit er een takje los
er rijpt een appel
na dagenlang blaken
valt hij geblutst
in het gras
zijn binnenste wit
splijt wonderlijk open
Volmaking
Wolken belanden
in wachtende grachten
knotwilgen vullen
hun holten met licht
hagen volmaken
hun gaten
altijd weer anders
wordt alles gedicht
Communiceren
Fluisteren
zoals een takje doet
met een vogel
zoals een sneeuwklokje
doet met het licht
horen zuchten
meer dan één harptoon
in één schelpje
Wie zich in blauw verliest
In het diepst van mijn gemoed
ben ik een boom
omvatten kunnen mij alleen
die armen die wijder zijn dan wijd
wie zal mijn wortels voeden
het laatste restje regen
schonk ik de morgenzon
het avondlicht
en het in slaap gewiegde gras
degene die me aanraakt
degene die in mij kerft zijn gemis
degene die mij splinter koestert
groei ik als vreugde tegemoet
als Dali's duim ben ik een droom
mijn diepste blauw
is mijn verborgen tuin
mijn alle lippen zijn van zijde
mijn alle wortels zijn van vlees
maar wie gelooft een boom
die zich in blauw verliest
in het wandelbos
aan een eik leunend de stok
van lopen verlost
gezien in het bos
een heerlijk plekje stilte
met daarin wat mos
languit in de wei
ligt een jonge fruitboomtak
daaronder sterft gras
een boomblad waait op
als de herfstwind gaat liggen
vindt het een takje
het roodborstje zingt
één na één op de vuurdoorn
rijpen de bessen
Aanraking
Op de tast
naar de bast
van bomen
zoeken naar
een zacht
verstaan
lippen op
de warme schors
luisteren met
vingertoppen
sap vermoeden
aarzelen
huiveren
Bomen zingen
onhoorbaar
boven de wind
weg van hun blaren
recht naar hun wortels
giganten
waarvan men na eeuwen
de groeikracht
in het zachte
van bladaarde vindt
Schors verweert
mos troost bomen
het begint te dooien
wind doet wat hij wil
haalt de takken
overhoop
vogels doen
alsof ze slapen
onbezeerd
Zo zacht was winter toen
twee egels sliepen
in de regen
het bos lag vol
met eikenblaren
er zaten takken los
wind draaide naar noord
een dier bevroor
de stenen zwegen
Huiver
Hoe winter krijtwit schrijft
tekens in de duisternis
der dagen
voor licht gezwicht
getekend in de tijd
al wat overblijft
doodsbeenderboom
en takken
hert en zijn gewei
Ze gaven je een bestemming
waar je niet om vroeg
ze gooiden je bij een hoop
afgedankt goed
roestige nagels
doorboren je spint
geslagen gaten
verwijzen naar ijzer
met punt
helende regen
wordt toeverlaat
van een omzwachtelde wolk
de verzachtende regen
Mijn dokter en ik
en de bomen
van de groeselenberg
we geven iets door aan elkaar
we ademen iets uit
waar de wereld beter van wordt
we praten met elkaar
de dokter en ik
we stellen ons vragen
maar het zijn de bomen
de ontzaglijke bomen
die in hun winterse naaktheid
uiteindelijk
alles verklaren
De inkerving
Wat je kerfde in de boom
was een hart
niet het kerven deed pijn
wel de wonde
waarin onze initialen nooit
zichtbaar zullen worden
wat je tastbaar maakte
was de bast
misschien zullen jouw vingers
er af en toe langs gaan
misschien zullen jouw lippen
de zachtheid bewaren
die blootgelegd werd
laat me boom zijn
jij die beter dan wie ook weet
dat alle verweerde wezens
aan humus doen denken
laat me zijn wat ik ben
ingekerfde materie
waarmee jij onontkoombaar
verbonden werd
kervende
Vervreemding
Voor de vervreemding
mij ontzielt
wil ik het moe geworden hart
tussen twee bomen planten
en kijken hoe de maan
de moederkoek verteert
en horen hoe de wind
het laatste blad vernielt
Selva
Een land te ver
een stroom te veel
nu weer begane grond
maar dan wel humusgrond
waarop het maanlicht
zich voortbeweegt
misschien zal iemand fluisteren
misschien dat zich het licht
vermenigvuldigt
de afstand mildert
tussen de wentelende maan
en het verwonde woud
misschien komt er een tijd
dat alle dieren fluisteren
als niemand meer verstaat
het wonder van hun spraak
behalve selva
Het wegsterven
En dat ik dit mag zijn
een levend teken van de boom
die naar zijn sterven neigt
dat ik zijn deelgenote ben
dat ik in hem mag voortbestaan
terwijl zijn hart voor altijd zwijgt
in rakelings gescheerde takken
dat ik zijn ziel mag zijn
terwijl hijzelf wordt weggeveegd
mee met de tranen van de wind
mee met het lied van duizend vogels
dat ik zijn herfst ben en zijn zomer
dat ik zijn winter verder leef
terwijl hij door de lagen tast
van opgestapeld merg en been
dat ik de aarde ben
die hem voortdurend zal omarmen
dat ik met humushanden
zijn laatste blad vergaren zal
om mij aan vast te klampen
nadat hij is gegaan
Boom in november
Wanneer ik zal gestorven zijn
bedek mijn graf met bladeren
o zomereik zodra november komt
jij die daar even naakt zal staan
als ik daar lig
doch samen delen met jouw wortels
zal ik de donkere aarde
wijden zal ik mijn geest aan hem
die wist dat ook zijn dood
zou een gedicht zijn
laat nu zijn verzen
rond mijn rustplaats waren
zodat ik worden kan
moge de avonddauw verenigen
wat was en is
moge uit bladerval en dichtersloof
een symfonie ontstaan
met diep erin een wolkenfeest
van verre vogels
boom in november
jouw naam is zomereik
bedek mijn graf met wintersneeuw
die op jouw takken vallen zal
zodra het laatste blad zal zijn
vergaan
Lichtjaren later
Ooit had de één
de andere bevat
zoals iedere leegte
de volle ruimte
zoals iedere wolk
voer elkeen zijn vracht
van te snijden water
beroering van tepels
van ijs
aan de bomen
dooi
die van elk van hen
stukken schors meenam
Na hoger stijgen
raakt stof
uiteindelijk grond
lichtjaren later
eeuwen nadien
neemt aarde het op
in haar schoot
diep in het water
wordt het gekoesterd
wordt het gewekt
een boom misschien
kruid of wier
een mens
een dier
Opgedragen aan Jet Crielaard
Bomen staan in de kijker.
Omzwachtel er één.
Kruisig er één. Behang er één met
toeters en
bellen. Beschilder er één. Beplak
een andere met
twee siliconen oren. Hak een stuk
uit zijn hart. Doe
alsof de boom ervan geniet. Ze
noemen het Kunst.
Ik noem het: “wat hun ‘kunst’ de
boom aandoet”.
Onlangs zag ik een boom die me
denken deed aan
een vrouw die heel wat van bomen
afweet.
Bij die onaangeraakte boom bleef
ik staan.
Ik zag een kraan, een waterkraan,
die bij de schors
van de boom was gedacht. Niet
aangebracht,
niet aangekleefd, niet ingeboord.
Een
wachtende kraan vertoevende dicht bij de stam.
Dorst naar wat heeft de mens?
Naar het sap van
de boom? Naar het altijd hoger
stijgende sap dat
alleen maar te stuiten is door
het gehak van de bijl.
Dorst naar regen? Regen die hem
onthouden blijf
en waarvan hij alleen maar de druppels
kent,
niet de verlossende vlaag.
Er zijn mensen die kijken naar
een waterkraan:
verbijsterd, verslagen, verdorst.
Die niet openen
kunnen wat dicht werd gedraaid
lang voor de boom
met een kraan werd bedacht
waarlangs ongezien
water loopt. Of verondersteld wordt te zullen lopen.
Mensen die hopen. Mensen met dorst, die wachten
op water zoals vogels wachten op brood.
De moerbeiboom
Gedrieën zo stonden we daar
op een late novemberdag,
een klein hoopje mensen
geschaard rond een liggende boom,
niet geknakt door de storm
niet geveld door geweld
maar zachtjes ter aarde gezegen:
een reus die de tijd overwon.
Languit in zijn volle lengte lag
hij
zichzelf her te ontdekken op een
bed van klimop, mos op zijn hoofd
en
op zijn schouders, met om zijn
lenden
wat roestige vochtige bladeren
van het kreupelhout verderop.
Hij ademde nog.
Zelfs het geblaf van een kraai
vanachter
een oud wagenkot kon het ritme
niet
onderbreken van zijn op gang
zijnde sap.
Her en der vanonder de schors
glansde
de bast. Zijn toppen voelden aan
alsof
ze meteen zouden gaan ruisen.
Alsof hij wou slapen zo lag hij
daar.
Ons leek het alsof hij wist dat
hij
zoveel zin nog zou geven aan het
bestaan van ontelbare op zoek
naar de kern zijnde wezens.
Ballade van
het hout
In welke armen zal je rusten,
hout,
wie zal je wiegen aan zijn hart
wie zal zijn liederen aan je
wijden
wiens liefdeslied zal jij
begeleiden
wie zal je uit de boom bevrijden
zal het een hakbijl zijn
wordt het een kettingzaag
of slaat de stormwind toe?
Wie zal je scheppen tot gitaar,
wie zal je vormen tot een harp
wie zal je beitelen tot beeld,
wie zal je tot een totem houwen
hout, noem het maar,
vertel me maar, hoe zal jij
ademen
nadat de boom is dood,
zal jij herschapen tot een zuil
zijn humuslaag beroeren,
zijn ziel beluisteren?
Hout hoor me aan,
wie zal tot schrijn je snijden
waarin jij opheft heel mijn wezen
waar ik in jou geheel zal wezen,
ach, dierbaar dankbaar hout,
als wij verenigd zullen zijn
zal iemand ons verstaan?
WINTERMORGEN
opgedragen
aan Paul Snoek
Verzilverd stijgt de zon
tussen het naakt der bomen
het hout krijgt zoveel glans
dat het de ogen krenkt
een glazen snavel breekt
de bodem is bedekt
met vastgevroren sneeuw
de schittering ervan
doet denken aan een man
die vaak mijn plek bezocht
hij zei kijk iris
als bomen staan zo zwart
en sneeuw ligt daar zo wit
zal ik van water zijn
ik weet het paul zei ik
jij wandelt als een wolk
ik vang hem op de regen
voor als het vriest
en alle druppels zwijgen
PARA
QUE LO SEPAS
MI MUY QUERIDO SAMU’U
SI ME LO PERMITES
PONDRÉ MIS MANOS
ENCIMA
DE TU TRONCO SAGRADO
CLAVANDO MI FRENTE
ADENTRO DE TUS ESPINAS
PARA QUE SEPAS
QUE SIEMPRE
ESTARĒ CERCA DE TÍ
SUFRIENDO COMO TÚ
DE LA INDIFERENCIA
DE LOS PASANTES
Alle
verzen werden ontnomen uit verschillende van mijn dichtbundels, enkele
gedichten zijn onuitgegeven.
De bedoeling is tot een geheel te komen waarin de boom centraal staat.
Iris Van de
Casteele
Asunción del Paraguay, 14 juli 2010