BOMEN OMHELZEND


anthologie

Iris Van de Casteele

 

 

 

 

Het mysterie der dingen, waar bevindt zich dat? 
Waar is het, dat het zich niet laat zien

Althans om te tonen dat het mysterie is?

Wat weet de rivier hiervan en wat de boom?

En ik, die niet meer ben dan zij, wat weet ik ervan?

 

Fernando Pessoa

 

 

 

 

 

BOOMSYMBOLIEK



Daar de boom in de aarde wortelt, zijn takken
echter naar de hemel wijzen, is hij net als de mens een tot twee werelden behorend, tussen boven en onder bemiddelend wezen. Niet alleen werden in vele oude culturen bepaalde bomen -of een heel heilig bos- vereerd als door bovennatuurlijke wezens (goden, elementaire geesten) bewoond, ook werd de boom vaak gezien als wereldas waar de kosmos omheen is gegroepeerd. Boomsymboliek en boomverering houden tenslotte een rest vast van de oude natuurreligie, waarin bomen niet alleen hout betekenden, maar ook bezielde, en door elfachtige nimfen bewoonde wezens waren, waarmee de mens een gevoelsmatige relatie had.

De boom is de synthese van hemel, aarde en water; dynamisch leven tegenover het statische leven van steen. Allebei een imago mundi en axis mundi, 'de boom in het midden' de drie werelden verenigend en communicatie tussen deze mogelijk makend, ook toegang gevend tot solaire kracht; een omfalos; een wereldcentrum.

Hij symboliseert ook het vrouwelijke principe, het voedende, beschuttende, beschermende, ondersteunende aspect van de grote moeder, de matrix en de macht van de onuitputtelijke en vruchtbaarheid brengende wateren die ze beheert; bomen worden vaak afgebeeld in de vorm van een vrouwelijke figuur. Geworteld in de diepte van de aarde, in contact met de wateren, groeit de boom in de wereld van de tijd, ringen toevoegend om zijn leeftijd aan te geven.

Een altijd groene boom vertegenwoordigt altijddurend leven, niet stervende geest, onsterfelijkheid. Een boom die zijn loof verliest is de wereld die zich voortdurend vernieuwt, en regeneratie, sterven om te leven, wederopstanding, reproductie, het levensprincipe. Beide zijn een symbool van verscheidenheid in eenheid, de vele takken komen voort uit één wortel en keren terug tot de eenheid in de potentie van het zaad van de vruchten aan die takken

De kosmische boom wordt soms afgebeeld met takken die zich splitsen en weer verenigen, of door twee stronken met één wortel en zich verenigende takken. Dit verwijst naar de universele manifestatie gaande van eenheid naar verscheidenheid en terug naar eenheid, de vereniging van hemel en aarde; dit kan ook worden weergegeven door de 'verbonden boom' als twee verschillende bomen verbonden door één enkele tak waaruit een loot ontspringt, die de eenheid weergeeft van de complementaire principes, mannelijk en vrouwelijk enz., ook het androgyne. Twee weerspiegelde bomen hebben dezelfde symboliek.

Als wereldas is de boom geassocieerd met de berg en alles wat axiaal is. De boom, net als het bos, de berg, de steen en het water, kan op zichzelf de kosmos in zijn heelheid symboliseren. De kosmische boom wordt vaak afgebeeld als zich bevindend op de top van een berg. Bomen die levensvoedsel dragen zijn altijd heilig, zoals de wijnstok, moerbei, perzik, dadel, amandel en sesam.
 



Genese

 

 

In den beginne was er niets dan

het geruis der zeeën en alles wat

bewoog was oor. Het alom luisterende oor,

de meest bebloede aller schelpen, waarin op

zekere dag een inktvis werd geboren.

 

Hij scheidde af zijn vocht. Verfde het water

donker. Hij maakte dat het ebbenhout werd

duurste soort. Een golf ontsteeg de zee.

Joeg schuim en schicht op naar het licht.

Juichte. Zeeg neer.

 

Vanuit het ongemeten ruim

bleven de winden komen. Vonden

het hout. De boom. Zij hielpen hem bij het

ontvouwen van zijn blaren. Ze splitsten

elke tak tot twee. Dauwdruppels zongen.

 

En zo ontstond waarvan oertijden nadien

de eerste mens zou leven.

Gekreun. Geruis. Een blad. Een dubbele tak.

En vastgezogen het weekdier in het oor.

De eerste regen was geboren.

 

 

 

 

 

Embryonaal

 

 

Er was de boom.

Het wortelvolk greep om zich heen.

Sylfides kreunden.

 

De zon versloeg

haar meteoren. Equinoctiaal

staken de stormen op.

 

Er was de nacht. De buit.

Het ondoorwaadbaar wad.

De donkere vleermuis. Het embryo.

 

Het kryoliet werd stem.

Gesmoorde kreet. Levend geheugen.

 

De aarde was een cel. Insecten

vraten haar kiemwit.

Van tak en tak begon de wandeling.

De spooksprinkhaan bestond.

 

 

 

 

Begin

 

 

Heidens heilig zingen de vrouwen.

Langs de koperdraad levert de zon

een verbeten gevecht. De dag is jong.

De bronnen klagen.

 

De knoop is gelegd. Ineengestrengeld

lopen gesloten de lijnen langs

de ineengesnoerde ovalen.
Drierakelings.

 

Binnen de cirkel ademt de aarde.

De hazelaar bloeit.

 

Wilde alruin in haar poppengestalte

roept haar tweeslachtig geslacht uit

tot reus en reuzin: god en godin.

 

Mandragora. Geen andere was er.

Geen andere wortel duidt aan zo

duidelijk het oerreligieuze begin.

 

 

 

 

 

 

Heidens heilig

 

 

Zij die de diepten peilen,

zich wagen aan de rand

van kraters, hun nagels boren

in de korst van ijzerslakken,

lavablokken, obsidiaan.

Vrouwen. Gezegenden.

 

Soms is hun huid van berk.

Hun kruinen waaien verten open.

Hun splinters maken vonken aan.

 

Hun heldere bast daagt spechten uit.

Vaak zijn het saters die de schors

bespatten, bevlekken. Saters die

Bacchus dienen, dronken voeren.

Vrouwen: wonden vol berkenwijn.

 

Soms is hun huid van mos.

Dan slapen in het bos de saters.

Dan stijgen zilveren nevels op.

Dan klateren de bronnen.

Dan worden ze genomen.

Ingekerfd. Aangeduid.

 

 

 

 

 

 

Als bomen

 

 

Wat dwarrelsneeuw lag op een tak

tijdens het nachtelijk uur

had hij zich daar verzameld

 

de bomen leken uitgeput

vroegen om zon

die eensklaps scheen

meteen verdween het zacht geweld

uit ons gezicht

 

met druppels poëzie en schuim

beroerden wij

elkaars ontknoppen

 

we stonden blank en bloot

vol tuinen hing de lucht

vol licht

op onze huid bloeide het mos

 

we leken op dit uur

bijna volkomen

 

 

 
 
 
Fluïdum

 

 

Als in een landschap van licht

staan de bomen getekend

de helderheid rekent

de dagen uit

nergens een teken van duister

van helledonker

 

hoor hoe de honingwind zingt

van ergens is hij gekomen

heeft zich gebogen

over de schamele schors

 

de slak vind haar weg

naar de hals van de wortel

de dag is geplukt

de maan heeft haar tepels met

dauw bevochtigd

haar navel beschilderd

haar heupen bedekt


bloot zijn haar schouders

adembenemend

wat staat te gebeuren.

 

 

 

 

 

 

Zien

 

 

Wolken waarin
geen vlagen tekeer gaan

wolken waaraan
geen wervelstorm rukt

bewegen zich voort

kruipen

 

laten niets na dan blauw

niets dan de lucht

waaraan de wind zich vergaapt

er gebeurt niets

 

beneden vechten de bomen

met al wat hen eigen is

wortels

halsader

sap

 

vechten zich buiten adem

vechten zich overeind

 

kijk zegt het kind

zie je

zie je die reuzen

zie je

 

 

 

 

 

 

Boombenadering

 

 

Men noemt u afgod boom

men snijdt uw wortels weg

men rooit het bos

men trekt u levend uit de grond

men gooit u naast de witte os

stuk hout
stuk romp

 

ik hoor uw verre zang

hervind uw kruin uw bladerdak

ik geef u adem boom

ik ben
wij zijn

 

in een verlaten tuin

de aangevreten kerk

gij in haar schaduw

maar in uw hout

de verre vogels zingen

hoger dan lucht kan stijgen

 

boom ik vind u schoon

zo schoon dat ik zeg god

hoe gij mij raakt

hoe gij in mij kerft uw geheim

mij sprekend maakt mij ingewijde

 

 

 

 

 

 

Splinter

 

 

Dit zal worden wat het zal zijn.

Splinter. Iets van een boom. Iets van

een wezen zonder gelaat.

Veelzijdig. Taalkrachtig. Iets van wat

altijd al was. Wat zal zijn.

 

Splinter van alles. Splinter van niets.

Van een onzichtbare hand.

Van wat heer heet of aarde of moeder.

Van wat nog moet worden. Van wat reeds is.

 

Van wat zich te kennen geeft.

Ons doet gelijken een nietig schepsel. Wat

zichzelf blijft ontstijgen, zonder naam

noch geslacht. God. Godin. Macht.

 

Deze poging zal worden een onmogelijk

noemen. Een verborgen aanraken.
Een kraken. Geluid. Versplintering.

In het oog, in de huid, in iedere vezel,

zo verschrikkelijk aanwezig als

steeds weer te baren pijn.

 

En toch zo onzegbaar heilig:

geheugen van wat ontstond en begon:

vocht tussen wortel en schede.






 

Stof

 

 

En alles wat voltooiing heet bevat het al:

bevat de meest ontvreemde,

de meest ontwijde stof.

 

Uit niets ontstaan

miljarden eeuwen in de leegte

zwevend, zichzelf verkennend,

zich saamvergarend vult ze zich aan.

 

De laatste kraters spuwen vuur.

Het vegetale leven vecht.

Verkreupeld ademen de wouden.

Verkracht omspoelt het water de

felste reus, het rif,

dat heidens zich verheft.

 

En als een boom, wiens wortels

zich met humus voeden, zich hechtend

aan de grond, in zijn verlatenheid

het meest volkomen offer, de uit te

roeien soort, de mens.

 

De weg naar het altaar is vrij.

Niet te verwoesten steen. Graniet.

Grafheuvels. Aarde.

Boomstammen stemloos.

Binnen het schrijn het heilig hout

gekluisterd. Levend. Luisterend.

 

 

 

 

 

Stamhout

 


Rib

romp

relikwie

 

essentie

iedere vezel

geen gelaat

alleen gezicht

 

zicht

op het spint

op de kern

op de ringen

 

gehavend stamhout

ontbolsterd geheugen

ontrafeld licht

 

 

 

 



Imbroglio

 


Niets dan een struikboompje

amper anderhalf meter hoog

uitschietend hier en daar

wat loof

 

daartussen takken

waarvan het schorre kraken

een roepen is om sap.

 

Is dit de zin van hun bestaan

dat elke afgebroken tak

iets van de vlecht ontknoopt?

 

 

 

 

 

 

Boomwezen

 


Mysterieus

is het wezen der vrouw

 

zwaar torst zij de wolken

als een boom zijn kruin

in haar handpalmen rustend

het schild van de zon

 

uit haar vertakte hart

groeit een nieuwere boom

weer een nieuw wezen

 

wie het liefheeft

zal torsen de regen

man zal hij zijn

binnen de vrouw

 

één zullen ze wezen

 

 

 

 

 

 

Naveltekens

 

Tussen miljoenen ammonieten

zoek ik mijn verste huis.

Vinder ben ik tussen fossielen.

Van wie? Van wat?

 

Ben ik het binnenruim der dingen?

Ben ik het korstmos op de stam?

Ben ik het warkruid dat zich uit?

 

Mij merken zoveel naveltekens

dat ik van wier kon zijn

of van de draad de vezel

of van het zaad de cel.

 

Ben ik versplintering der stilte?

Ben ik bezinking van het al?

Ik die mezelf herken

in vuurpad en in purpervlinder.

 

 

 

 

 

 

 

Boomgeruis

 

Je zei me

dat het ruisen van de bomen

je soms zo diep ontroerde

dat je er stil van werd

 

dat je dan vol was

van die zang

die je niet duiden kon

 

dat je soms kleine vogels

daarin hoorde:

de ene riep de andere toe -

 

wie zo van boomgeruis

en vogelzang kan houden

hoeft niet te spreken

elk woord is haast teveel

 

het ruisen van een boom

kan soms volstaan

om in gedachten

naar de andere toe te gaan

 

 

 

 



Perceptie

 

 

Nooit zo omzichtig

omschreven dit:

dauw op een blad

 

hoor

hoe fluistert de boom

hoe zijn hart

haast begeeft

hoe zijn bloed

tot de groeiwortel spreekt

 

één druppel licht

op de dauw:

hoor hoe het blad

zich vertakt

hoe de zang der cicaden

het geheugen der nerven

ontbolstert

hoe de cirkel zich sluit

 

hoe anders vertalen

dan huiverend

de taalkracht

van een boom

 

 





Bonsai

 

 

Zie

zegt het boompje

 

het heeft jaren geduurd

eer ik verstond

waarom bij het snoeren

mijn zacht verweer

mijn hout heeft gekromd

 

nu weet ik

 

alleen verkreupeld

kan ik blijven ontroeren

 

 

 

 

 

 

Boomtaal

 

 

Doe mij geen pijn

zegt de boom

 

bij snikhete zomers

zochten zwervers

en vogels

mijn schaduw

 

zogen het sap

uit mijn twijgen

braamstruik en distel

lieten ze staan

 

kerf in mijn schors

die verdorst

geen seizoenen

geen namen

 

 

 

 

 

 

Skelet


Tot op het naakt
gegeseld

de hals een touw
het strottehoofd
een knal

tot op het bot
bezeerd
verteerd
de nerven bloot

diep in zijn hout
leeft hij zijn dood

bijna volmaakt
is de boom

 

 

 

 

 

 

 

Figuranten


Als bomen
staan we te wuiven

als schichtig licht
storten we neer

als bronnen
willen we klateren
tot onze angst
verdooft

in elke druppel
gebons
in elke draaikolk
bulderen
schateren






Gesel


Overeind
na
de storm

wat weten
bomen
van wind

niets
denk ik

niets

 

 

 

 

 

 

Eindvonnis


Hoe zij ook lachen
of huilen
de wortels

nooit zullen zij
anders
dan onder de aarde
de wolken bezitten

nooit erin schuilen

 

 

 

 

 

 

De liefhebbende

 

 

Toen ze haar arm lei

om één van de stoelen

ervan de leuning zocht

erin ruggegraat vond

 

leek de tuin een oase

met kleine geluiden

van kabbelend water

waar bamboe groeide

in hel zomerlicht -

 

op één van de stoelen gezeten

schreef ik diep in de avond

dit liefdesgedicht





 

 
Liebeserklärung

(an meine großfüßigen Freunde)
 
Nichts ist so hold
wie das maßlose singen der Bäume.
 
Hör’ ich die Birke dann heißt es:
kein Weiß trägt sich schöner
als das Weiß dieser Braut eh sie sich
mit den Himmel vermählt.
 
Seh’ ich die Linde, das heilige Holz,
schlägt mir das Herz bis tief in die Kehle.
 
Umfass’ ich die Eiche mit lieblicher Geduld
weis ich sie stark meine sanftmütige Seele.
 
Mensch sein und Baum, wie die Weide,
männlich und weiblich zugleich.
 
Wähle mich aus, nenne mich wie Du willst :
Eiche, Linde, Birke.
Nenne mich Weide wenn Du mich brauchst.
 

 

 

 

 

Onheil


Een kleine tak vreugde
dit wou ik zijn
die het goed had
dicht bij de vogels

het gewieg
het gezang
bleven uit

men gooide met stenen
men kapte de bomen

 



 

 

Spint


Ik ben de berk
door hoeveel handen sneeuw
ben ik gegaan

zovele handen
die in het witte van mezelf
alleen de schors herkenden

nooit zochten
naar het spint
nooit dooiden
als ze zich warmen mochten

 

 

 

 

 

 

 

Collagebeeld

 


Die nacht waarin de boom me zag
mij vinden liet wat zich in hem verborg

was hij er wezenlijk.

Niet echt van hout.

 

Ik was van algodón
zoals van zijde was de maan
Ik had de schorheid in mijn stem
van de cicade en hopen gras
waren in mij vergaan tot hooi.

 

Dit was de waarheid: soms was ik sap
en steeg tot in de krop, soms was ik
regen en lei de wortels bloot.

 

De boom en ik en het cicadevolk
dat zijn concerten geeft.

Wie kijkt ze aan?

Wie luistert nog?

 

De dag verslindt de nacht en slokt de
stilte op. Ik pluis mijn eigen vezels uit:
een lapje stof: een restje algodón.

 

 

 

 

 

 

Geboomte


Tussen kernhout en bast
het mildere spint

kringen van jaren
toen we net nog niet
waren verhard
in de stevige stam

toen we nog dachten
dat heesters elkander
niet konden bezeren

 

 

 

 

 

 

 

Regen


Wit staan de berken
langzame regen
laat tederheid toe

ondergronds windt zich
zijn ruisen rond wortels

zaaiend het leven
voltooit hij zijn zang
tot koude hem schopt
door de winter
ongenadig

rijm op zijn borst
sneeuw op zijn vlerken

 

 

 

 

 

 

Impotentie


Vriesblauw
houdt regen gekooid
jouw blinde vogel

lippen verzachten
niet langer de pijn
handen zijn glas
schaduw de ogen

alleen nog de bomen
doen denken
aan armen vol woud

 

 

 

 

 

 

Kruin en tak


De kruin
wijde boog omheen de stam

hoe ze zich spiegelt
in haar blaren
hoe ze haar macht ontvouwt

breedheupig
ontkomt ze de jaren

wurgend mijn hals
zoekt ze haar sap
zo behoedt ze haar schors
voor verval

tak zijn en vlam
van haar weerbarstig hout

 

 

 

 

 

 

Mijmering


Diep in het land
staat een boom
een beuk op jaren

soms ga ik zitten
vlak onder hem
de handen gevouwen
de ogen gesloten

wat mij ontroert
zijn de wortels
hopen
verstrengelde knoten

als ik ontwaak
zijn ze over mijn tenen
terug in de aarde
gekropen

 

 

 

 

 

 

 

Perspectief


Verwaaid staan
gekromd als de bomen
van vincent van gogh

het gras zien verschroeien
en achter de zon
het wassende water vermoeden
naar het licht zich bewegen

na gehak van de bijl
van vallende vogels
de kreten verstaan

zien hoe de kruin zich verzet
hoe de tak zich herkent
in aangemaakt vuur

 

 

 

 

 

 

Verkilling


Soms willen zijn
naakt als een boom
niets dan skelet

opvangen winterse zon
drijven een wig
door het witte gebeuren

sluiten deuren

dicht bij het haardvuur
onderhuids rillen

 

 

 

 

 

 

 

Wachttijd


Naderen
het niet te omschrijven
moment

voelen de spanning
de steeds uit te dagen
bezwering

in de rinde
de bast
langs de bast
de regen

in het gras de steen
onbeweeglijk

 

 

 

 

 

 

 

Sapgang

 

 

Soms is regen

niets anders

dan zingen van wind

 

bomen staan

naar de groei

van hun wortels

te kijken

 

scheutenschietende

scheppende vaders


vertederde eiken

 

 

 

 

 

 

Appelwit


Hoe hij daar zit op die tak
gereed om te slapen
die merel

hoort hij het kraken
diep in de kruin
zit er een takje los

er rijpt een appel
na dagenlang blaken
valt hij geblutst
in het gras

zijn binnenste wit
splijt wonderlijk open

 

 

 

 

 

 

Volmaking

 

 

Wolken belanden
in wachtende grachten

knotwilgen vullen
hun holten met licht

hagen volmaken
hun gaten

altijd weer anders
wordt alles gedicht

 

 

 

 

 

 

 

Communiceren


Fluisteren
zoals een takje doet
met een vogel

zoals een sneeuwklokje
doet met het licht

horen zuchten
meer dan één harptoon
in één schelpje

 

 

 

 

 

 

Wie zich in blauw verliest

 

 

In het diepst van mijn gemoed

ben ik een boom

omvatten kunnen mij alleen

die armen die wijder zijn dan wijd

 

wie zal mijn wortels voeden

het laatste restje regen

schonk ik de morgenzon

het avondlicht

en het in slaap gewiegde gras

 

degene die me aanraakt

degene die in mij kerft zijn gemis

degene die mij splinter koestert

groei ik als vreugde tegemoet

 

als Dali's duim ben ik een droom

mijn diepste blauw

is mijn verborgen tuin

mijn alle lippen zijn van zijde

mijn alle wortels zijn van vlees

 

maar wie gelooft een boom

die zich in blauw verliest

 

 

 

 

 

 

 

Paradijsvogels

 

 

Fluisterend aroma van

kamperfoelie en fayalobi

en mijn hart dat op barsten staat

 

en jouw vingers die zich verliezen

in mijn onaangeraakte diepten

en mijn handen die zich verbranden

aan die honger van jou

 

streel mij liefste streel mij

hoor hoe de slagregen nadert

voel hoe zijn doorbloede echo

ons uiteindelijk bevrijdt

 

kleine kreunende tak

van de shimambikiboom

meegesleurd door de waterval

 

en jij die me nam... meenam

naar het aards paradijs

 

 

 

 

 

 

 

Haiki

 


in het wandelbos

aan een eik leunend de stok

van lopen verlost

 


gezien in het bos

een heerlijk plekje stilte

met daarin wat mos


languit in de wei

ligt een jonge fruitboomtak

daaronder sterft gras

 

een boomblad waait op

als de herfstwind gaat liggen

vindt het een takje

 


het roodborstje zingt

één na één op de vuurdoorn

rijpen de bessen

 

 

 

 

 

 

Aanraking

 

 

Op de tast

naar de bast

van bomen

 

zoeken naar

een zacht

verstaan

 

lippen op

de warme schors

luisteren met

vingertoppen

 

sap vermoeden

aarzelen

huiveren

 

 

 

 

 

 

 

Giganten

 

 

Bomen zingen

onhoorbaar

boven de wind

 

weg van hun blaren

recht naar hun wortels

 

giganten

 

waarvan men na eeuwen

de groeikracht

in het zachte

van bladaarde vindt

 

 

 

 

 

 

 

Windstoot

 

 

Schors verweert

mos troost bomen

het begint te dooien

 

wind doet wat hij wil

haalt de takken

overhoop

 

vogels doen

alsof ze slapen

onbezeerd

 

 

 

 

 

 

 

Rouw

 

 

Zo zacht was winter toen

twee egels sliepen

in de regen

 

het bos lag vol

met eikenblaren

 

er zaten takken los

 

wind draaide naar noord

een dier bevroor

de stenen zwegen

 

 

 

 

 

 

 

Huiver

 

 

Hoe winter krijtwit schrijft

tekens in de duisternis

der dagen

 

voor licht gezwicht

getekend in de tijd

al wat overblijft

 

doodsbeenderboom

en takken

hert en zijn gewei

 

 

 

 

 

 

 

Gepijnigd hout

 

 

Ze gaven je een bestemming

waar je niet om vroeg

ze gooiden je bij een hoop

afgedankt goed

 

roestige nagels

doorboren je spint

geslagen gaten

verwijzen naar ijzer

met punt

 

helende regen

wordt toeverlaat

van een omzwachtelde wolk

de verzachtende regen

 

 

 

 

 

 

 

De essentie der dingen

 

 

Mijn dokter en ik

en de bomen

van de groeselenberg

we geven iets door aan elkaar

 

we ademen iets uit

waar de wereld beter van wordt

 

we praten met elkaar

de dokter en ik

we stellen ons vragen

 

maar het zijn de bomen

de ontzaglijke bomen

die in hun winterse naaktheid

uiteindelijk alles verklaren

 

 

 

 

 

 

De inkerving

 

 

Wat je kerfde in de boom

was een hart

niet het kerven deed pijn

wel de wonde

waarin onze initialen nooit

zichtbaar zullen worden

 

wat je tastbaar maakte

was de bast

 

misschien zullen jouw vingers

er af en toe langs gaan

misschien zullen jouw lippen

de zachtheid bewaren

die blootgelegd werd

 

laat me boom zijn

jij die beter dan wie ook weet

dat alle verweerde wezens

aan humus doen denken

 

laat me zijn wat ik ben

ingekerfde materie

waarmee jij onontkoombaar

verbonden werd

kervende

 

 

 

 

 

 

 

Vervreemding


Voor de vervreemding
mij ontzielt
wil ik het moe geworden hart
tussen twee bomen planten
en kijken hoe de maan
de moederkoek verteert
en horen hoe de wind
het laatste blad vernielt

 

 

 

 

 

 

Selva

 

 

Een land te ver

een stroom te veel

nu weer begane grond

maar dan wel humusgrond

waarop het maanlicht

zich voortbeweegt

 

misschien zal iemand fluisteren

misschien dat zich het licht

vermenigvuldigt

de afstand mildert

tussen de wentelende maan

en het verwonde woud

 

misschien komt er een tijd

dat alle dieren fluisteren

als niemand meer verstaat

het wonder van hun spraak

behalve selva

 

 

 

 

 

 

 

Het wegsterven

 

 

En dat ik dit mag zijn

een levend teken van de boom

die naar zijn sterven neigt

dat ik zijn deelgenote ben

 

dat ik in hem mag voortbestaan

terwijl zijn hart voor altijd zwijgt

in rakelings gescheerde takken

 

dat ik zijn ziel mag zijn

terwijl hijzelf wordt weggeveegd

mee met de tranen van de wind

mee met het lied van duizend vogels

 

dat ik zijn herfst ben en zijn zomer

dat ik zijn winter verder leef

terwijl hij door de lagen tast

van opgestapeld merg en been

 

dat ik de aarde ben

die hem voortdurend zal omarmen

dat ik met humushanden

zijn laatste blad vergaren zal

om mij aan vast te klampen

nadat hij is gegaan

 

 

 

 

 

 

 

Boom in november

 

 

Wanneer ik zal gestorven zijn

bedek mijn graf met bladeren

o zomereik zodra november komt

jij die daar even naakt zal staan

als ik daar lig

doch samen delen met jouw wortels

zal ik de donkere aarde

 

wijden zal ik mijn geest aan hem

die wist dat ook zijn dood

zou een gedicht zijn

laat nu zijn verzen

rond mijn rustplaats waren

zodat ik worden kan

 

moge de avonddauw verenigen

wat was en is

moge uit bladerval en dichtersloof

een symfonie ontstaan

met diep erin een wolkenfeest

van verre vogels

 

boom in november

jouw naam is zomereik

bedek mijn graf met wintersneeuw

die op jouw takken vallen zal

zodra het laatste blad zal zijn vergaan

 

 

 

 

 

 

Lichtjaren later

 

 

Ooit had de één

de andere bevat

zoals iedere leegte

de volle ruimte

 

zoals iedere wolk

voer elkeen zijn vracht

van te snijden water

 

beroering van tepels

van ijs

aan de bomen

 

dooi

die van elk van hen

stukken schors meenam

 
 
 
 
 
 
 
Wording

 

 

Na hoger stijgen

raakt stof

uiteindelijk grond

 

lichtjaren later

eeuwen nadien

neemt aarde het op

in haar schoot

 

diep in het water

wordt het gekoesterd

wordt het gewekt

 

een boom misschien

kruid of wier

een mens

een dier

 

 

 

 

 

 

 

DE WATERKRAAN

Opgedragen aan Jet Crielaard 

 

Bomen staan in de kijker. Omzwachtel er één.

Kruisig er één. Behang er één met toeters en

bellen. Beschilder er één. Beplak een andere met

twee siliconen oren. Hak een stuk uit zijn hart. Doe

alsof de boom ervan geniet. Ze noemen het Kunst.

Ik noem het: “wat hun ‘kunst’ de boom aandoet”.

 

Onlangs zag ik een boom die me denken deed aan

een vrouw die heel wat van bomen afweet.

Bij die onaangeraakte boom bleef ik staan.

Ik zag een kraan, een waterkraan, die bij de schors

van de boom was gedacht. Niet aangebracht,

niet aangekleefd, niet ingeboord. Een
wachtende kraan vertoevende dicht bij de stam.

 

Dorst naar wat heeft de mens? Naar het sap van

de boom? Naar het altijd hoger stijgende sap dat

alleen maar te stuiten is door het gehak van de bijl.

Dorst naar regen? Regen die hem onthouden blijf

en waarvan hij alleen maar de druppels kent,

niet de verlossende vlaag.

 

Er zijn mensen die kijken naar een waterkraan:

verbijsterd, verslagen, verdorst. Die niet openen

kunnen wat dicht werd gedraaid lang voor de boom

met een kraan werd bedacht waarlangs ongezien
water loopt. Of verondersteld wordt te zullen lopen.
Mensen die hopen. Mensen met dorst, die wachten
op water zoals vogels wachten op brood.

 

 

 

 

 

 

 

De moerbeiboom

 

Gedrieën zo stonden we daar

op een late novemberdag,

een klein hoopje mensen

geschaard rond een liggende boom,

niet geknakt door de storm

niet geveld door geweld

maar zachtjes ter aarde gezegen:

een reus die de tijd overwon.

 

Languit in zijn volle lengte lag hij
zichzelf her te ontdekken op een

bed van klimop, mos op zijn hoofd en

op zijn schouders, met om zijn lenden

wat roestige vochtige bladeren

van het kreupelhout verderop.

 

Hij ademde nog.

Zelfs het geblaf van een kraai vanachter

een oud wagenkot kon het ritme niet

onderbreken van zijn op gang zijnde sap.

Her en der vanonder de schors glansde

de bast. Zijn toppen voelden aan alsof

ze meteen zouden gaan ruisen.

 

Alsof hij wou slapen zo lag hij daar.

Ons leek het alsof hij wist dat hij

zoveel zin nog zou geven aan het

bestaan van ontelbare op zoek
naar de kern zijnde wezens.

 

 

 

 

 

 

 

Ballade van het hout

 

 

In welke armen zal je rusten, hout,

wie zal je wiegen aan zijn hart

wie zal zijn liederen aan je wijden

wiens liefdeslied zal jij begeleiden

wie zal je uit de boom bevrijden

zal het een hakbijl zijn

wordt het een kettingzaag

of slaat de stormwind toe?

 

Wie zal je scheppen tot gitaar,
wie zal je vormen tot een harp
wie zal je beitelen tot beeld,
wie zal je tot een totem houwen

hout, noem het maar,

vertel me maar, hoe zal jij ademen

nadat de boom is dood,

zal jij herschapen tot een zuil

zijn humuslaag beroeren,

zijn ziel beluisteren?

 

Hout hoor me aan,

wie zal tot schrijn je snijden

waarin jij opheft heel mijn wezen

waar ik in jou geheel zal wezen,

ach, dierbaar dankbaar hout,

als wij verenigd zullen zijn

zal iemand ons verstaan?

 

 

 

 

 

 

 

WINTERMORGEN
opgedragen aan Paul Snoek

Verzilverd stijgt de zon
tussen het naakt der bomen
het hout krijgt zoveel glans
dat het de ogen krenkt

een glazen snavel breekt

de bodem is bedekt
met vastgevroren sneeuw
de schittering ervan

doet denken aan een man
die vaak mijn plek bezocht

hij zei kijk iris
als bomen staan zo zwart
en sneeuw ligt daar zo wit
zal ik van water zijn

ik weet het paul zei ik
jij wandelt als een wolk
ik vang hem op de regen
voor als het vriest
en alle druppels zwijgen

 

 

 

 

 

 

 

PARA QUE LO SEPAS

 

MI MUY QUERIDO SAMU’U

SI ME LO PERMITES

PONDRÉ MIS MANOS
ENCIMA
DE TU TRONCO SAGRADO
CLAVANDO MI FRENTE

ADENTRO DE TUS ESPINAS

PARA QUE SEPAS

QUE SIEMPRE

ESTARĒ CERCA DE TÍ
SUFRIENDO COMO TÚ

DE LA INDIFERENCIA

DE LOS PASANTES


 

 

 

Alle verzen werden ontnomen uit verschillende van mijn dichtbundels, enkele gedichten zijn onuitgegeven.
De bedoeling is tot een geheel te komen waarin de boom centraal staat.

Iris Van de Casteele
Asunción del Paraguay, 14 juli 2010