
Of hoe het onbestaande onderkomen
vindt in het allesomvattende;
een cocon waarin
de geboorte
van hetgeen ademen zal, plaatsvindt.
Hoe het gesteente
elke wording van
leven in zich verzamelt; er de uiterlijke,
onmiskenbare tekens van draagt.
Hoe een
regendruppel zich splitst. Hoe
berkenstammen de zon lichtval ontlokken.
Hoe een
dierensoort zich bevrijdt
van haar teveel aan werkelijkheid.
Hoe het bestaande
zich vindt
in het onwerkelijke;
in het gedroomde,
in het gewenste.
Hoe poëzie het
mysterie der dingen
aan het oppervlak doet verschijnen,
ze inkleedt in raadsels.
Ze transponeert
in een menselijk wezen
dat zijn weg zoekt tussen de vele wezens,
een reus op zijn weg vindt,
er één mee wordt
om te groeien naar de voltooiing toe.
Interval
In het
beangstigend ruim
zijn we geworden van vallende
sterren een myriade van
bevende schilfers
ontvlambare
elkaar genakende
langs een
melkweg van kleine
rivieren we vinden de zee waar
dieren in hun volmaakte
gedaante van ruime spons
paren vormen
lichteeuwen
ver van de zon
verwijderd we schitteren
krijgen magische vleugels
worden beweeglijk zilver
heel even
liefste
heel even maar
Bruiloft
Watersalamanders
wat zijn we anders
wat zijn we niet
jij de
verlokking
het waaierend wezen
teken gevend
met je blauwrode lint
alleen van op afstand
tot paring bereid
hoe ik ze vind
de vrucht die je uitstoot
ze aanraak met beide palmen
ze binnenvoer in de holte
waar ze woont
waar ze rijpt
hoe ontruimd
zwem je
terwijl ik splijt
tussen etende algen
Wier
Tijdens het nachtelijk
zwemmen
je smaaktepel zoekend
vocht op je tong ben ik
de alles ontvangende word ik
de alles gevende ook
zilverdraden
weerkaatsen in water
onze klautertocht naar de maan
in de glans
van het goud
dat je delft
vervluchtigt ons speeksel
noem je me wier
sidderend raak
je me aan
tot de spier sluit mijn mond
mijn verzegelde lippen
Dieper
in zee
Wier zijn wij.
Wuivend.
Drijvend.
Helder geheim
van donkere regens.
Wortels.
Voedsel voor prooi
en rover.
Adem en klauw
tegelijk.
Wij.
Onderwatergezel
Fluisteren zal
ik tussen de schilfers.
Van jouw stilte zal ik zijn
het onschendbaar levend geheim.
Zuurstof zal
ik je geven.
Verdichten die warme huiver van jou
mijn allerinnigste lippen zuigend.
Dit zeg ik liefste. Ik die
ben echo.
Niets dan je zuiverste adem. Adem in mij.
Jij die mijn diepzee bewoont. Die me wenkt
naar het licht van je glanzende schubben.
Voltooien zal
ik de zee.
En van alle beloften die ene: dat ik je
zichtbaar zal maken. Zal zijn tegelijk
weekdier, speeksel en inkt.
Weids en warm
in je wier.
Wier ook ik. Het zij zo.
Sirène
celtique
Toen haar
vingertoppen
uiteindelijk de gesloten
lippen van de maan
konden bevoelen
opende zich haar zee
als een wondere schelp
het wier liet zich drijven
het schuim was naakter
dan het verhevigde licht
dat zich een weg zocht
tussen de vele meanders
vissen hervonden hun spraak
communiceerden met elkaar
vertelden hoe ze
gemetamorfoseerd
meehielpen aan haar ontstaan
ze heeft haar vinnen bewogen
ze heeft haar schubben
van zich afgeschud ze heeft
gewacht tot iemand in haar
de vrouw zou herkennen
maar er was niemand
niemand
Thuis hoor je in het water
tussen het staande zeewier
en rechtopzwemmende vissen
liggen doe je 's
nachts
als de maan eveneens
op het water gaat liggen
dan komen de schubben los
van hun vertrouwde huid
dan word je vloeibaar lichaam
dat met drinkende lippen
de zeegod verzadigt
Dans der vlinders
Mijn teergeliefde gaat
een fakkel in de hand
het huis van wachten binnen
hier zijn de muren wit
zoals de echo van mijn pijn
hij lokt met vuur en licht
de vlinders van de liefde
en uit hun spel ontstaat
de dans van de bevrijding
heel langzaam
danst de vreugde
door de verstijving heen
Het dal goed ingeklonken
tien regenloze zomers
gaven de bodem vrij
aan vreemde vogels
eens zilvermeer
tussen de bergen
hoog vloog de adelaar
over het spiegelvlak
droog is het
land
de uitgeweende bodem
wacht tevergeefs
er komt geen laatste vlucht
Noordwaarts over de helling
zijn ze getrokken
een hond en een slede
hun hele bezit
ze wisten van
de winter
die te wachten stond
ze wisten van sombere dagen
van ijskoude nachten
ze waren als de vlakte
zwijgzaam en groot
noordwaarts over de helling
zijn ze
getrokken
op weg naar de
sterren
een man en een
vrouw
van onze
eenzaamheid
IJstijd
We werden wezens
met bevroren monden
we spreken de liefde
niet meer uit
want het woord
is vlees geworden
in ons versteende gronden
staan de huizen
van liefdeloosheid
en onze harten zijn kamers
van zinloze nijd
de ijstijd begint
de aarde verslindt
haar miljoenen fossielen
Je ligt als grote steen
te luisteren naar de wind
en binnen het bereik
van dit gebeuren
lig ik op afstand
een even stille steen
de aarde
fluistert
dat ik op jou gelijk
Achter de wolken
kon hij hem voelen
de sneeuw
zacht werd het glijden
geen tralies
geen kooien
geluidloos zakte hij weg
ijsgronden wenkten
kristallen ontstonden
hij wist
het zou niet dooien
Mysterieus
is het wezen
der vrouw
zwaar torst
zij de wolken
als een boom
zijn kruin
in haar
handpalmen rustend
het schild van
de zon
uit haar
vertakte hart
groeit een
nieuwere boom
weer een nieuw
wezen
wie het
liefheeft
zal torsen de
regen
man zal hij zijn
binnen de vrouw
één zullen ze wezen
Wat
dwarrelsneeuw lag op een tak
tijdens het
nachtelijk uur
had hij zich
daar verzameld
de bomen leken
uitgeput
vroegen om zon
die eensklaps
scheen
meteen
verdween het zacht geweld
uit ons
gezicht
met druppels
poëzie en schuim
beroerden wij
elkaars
ontknoppen
we stonden
blank en bloot
vol tuinen
hing de lucht
vol licht
op onze huid
bloeide het mos
we leken op
dit uur
bijna volkomen
Je woonde in
een wolk
voordat je
regen werd
ik ving je op
met ogen
waarin je
schreien kon
Gesteente
Minder dan
kiezelwier
op het
netvlies
van het
oergeheugen
ik die de kosmos
verliet
menselijke
vormen aannam
waaruit geen
ontsnappen
hoe diep heb
ik mijn wezen
altijd
aanwezig geweten
in het
gesteente
waarom ging ik
niet liggen
in de gapende
leegte
van om het
even welke
uitgestorven vulkaanmond
Zij die de
diepten peilen,
zich wagen aan
de rand
van kraters,
hun nagels boren
in de korst
van ijzerslakken,
lavablokken,
obsidiaan.
Vrouwen.
Gezegenden.
Soms is hun
huid van berk.
Hun kruinen
waaien verten open.
Hun splinters
maken vonken aan.
Hun heldere
bast daagt spechten uit.
Vaak zijn het
saters die de schors
bespatten,
bevlekken. Saters die
Bacchus
dienen, dronken voeren.
Vrouwen:
wonden vol berkenwijn.
Soms is hun
huid van mos.
Dan slapen in
het bos de saters.
Dan stijgen
zilveren nevels op.
Dan klateren de
bronnen.
Dan worden ze genomen.
Ingekerfd. Aangeduid.
Het was de
schreeuw van de vis
die in de bomen was blijven hangen
die de dichter tot wanhoop dreef
hij dacht de dingen
bijeen
de nacht die
er nooit was geweest
de stem die
tot hem had gesproken
uitgehold als
ze was
er was een
graat in de keel
van de vis
blijven steken
hij hoorde de
schreeuw in het hoofd
die in de
bomen was blijven hangen
er waren geen
vinnen geen schubben
er waren geen
ogen
er was niets
er was nooit
iets geweest
Uitgespuwd
De lokroep van water
de ambivalentie
van het naamloze
van de chaos
die de orde verstoort
die mij bestemt
tot wat ik ben
uitgespuwde as
vulkaanisch gruis
lapilli
Vulkanisch
Spuw me verder uit
vulkaan die je bent
reus die me draagt
spuw je hart uit
je nieren
je ingewanden
zie hoe ik verhard
van rood naar zwart
mij vervoeg bij hen
zie hoe poreus ik ben
Lapilli
Waaruit zou ik anders bestaan
dan uit lapilli
lavafragmenten
die mijn oergrond binnendrongen
zich vereenzelvigend met hem
zich invoegend
in het vuur dat ik ben
mij omvormend vormend
langs wind en druilregen om
die mij uitdooft
langzaam
heel langzaam
Het andere ik
Sterrenstof dat zich afgezet heeft
op de bodem van de oceaan
waar het tot ontploffing kwam
een gefragmenteerd ik ontstond
dragend de uiterlijke tekens
van het dier
dragend in zich het oer van
de maan en haar componenten
wie in een steen
het andere ik herkent
mag naamloos blijven
Perceptie
Nooit zo omzichtig
omschreven
dit:
dauw op een
blad
hoor
hoe fluistert
de boom
hoe zijn hart
haast begeeft
hoe zijn bloed
tot de
groeiwortel spreekt
één druppel
licht
op de dauw:
hoor hoe het blad
zich vertakt
hoe de zang der cicaden
het geheugen der nerven
ontbolstert
hoe de cirkel
zich sluit
hoe anders vertalen
dan huiverend
de taalkracht
van een boom
Ik ben de getuige
van wat licht
met het
geheugen
van steen vermag
ik ben het
bewijs
van hetgeen de
tijd
verankerd
heeft
in het stof
van de steen
tussen
trillingen
en gesproken
woord
ben ik
oerklank
mijn ontstaan
zit
gekluisterd
tussen leven
en dood
wie het
ontraadselt
ben ik
openbaring
wie het
ontlaadt
ben ik vuur
Ze zeggen
liefde is in
water leven
de armen
uitstrekken
zich overgeven
maar niemand
zegt
liefde is
beetje bij beetje
drinkend
verdrinken
Heidens heilig
zingen de vrouwen.
Langs de
koperdraad levert de zon
een verbeten
gevecht. De dag is jong.
De bronnen
klagen.
De knoop is
gelegd. Ineengestrengeld
lopen gesloten de lijnen langs
de ineengesnoerde ovalen.
Drierakelings.
Binnen de cirkel ademt de aarde.
De hazelaar
bloeit.
Wilde alruin
in haar poppengestalte
roept haar
tweeslachtig geslacht uit
tot reus en
reuzin: god en godin.
Mandragora.
Geen andere was er.
Geen andere
wortel duidt aan zo
duidelijk het
oerreligieuze begin.
Nacht
Niets was er
dan een alles-
overheersende
droefheid
waaraan niet
te ontkomen viel
het huis was
één grote ruimte
waarin alles
was leeggehaald
wat het ooit
had bevat
niets bood nog
houvast
zelfs geen
deurpost
een
mannetjesspin weefde zijn net
zo gelijkend op dat van de dauw
dat het maanlicht erin verdwaalde
dan sloeg de
nacht toe
met een zo ontzielende kracht
dat het geen
dag meer werd
AVONDSTILTE
(voor Erika)
Een meisje van
mos
heb ik ontdekt
niet in het
bos
niet tussen
stenen
maar op een
vierkante
meter fluisterbeton
stond ze te
doen
Duizend gedichten heb ik gedicht
niet één was er bij voor jou
toch heb ik altijd geweten
dat je langs zou komen
je buigen zou over de regels
waartussen jij mij ontdekken zou
de nacht heeft mij in zijn macht
de hunker heeft mij in zijn greep
intussen schrijf ik datgene op
waarmee ik geen blijf meer weet
zoveel onrustige schaapjes tellend
dat ik er de tel bij verlies
Dát is er één
die anders is
één die het
uithoudt met mij
dié houdt het
langer vol
dan één
nachtje
dacht ik
maar ook dat
avontuur
mondde uit
in een lang
verhaal
waarin niets
gezegd werd
Une folle histoire
Als een regenbui overviel het mij
als een donderslag bij heldere hemel
als een komeet die de ruimte inschiet
véél meer van die dingen nog
nog veel meer vallen er te vertellen
van hoe je opeens jezelf niet meer bent
van hoe je kriebels krijgt van de slappe lach
van hoe je vergeet de sla op te dienen
van hoe je port drinkt alsof het puur water
er gebeurt iets
in je leven gebeurt er iets
in je leven gebeurt er eindelijk iets
zoeken jullie maar uit wat het is
ik houd intussen mijn hart vast
Liefde is geen ruit
zei hij
liefde is alles
weerlegde zij
vooral een ruit
waardoor je kijkt
waardoor je iets ziet
soms ook niet
ze is een ding
waaraan je je snijdt
vooral aan die éne ruit
die het begaf
toen je haar ijsbloem
met je te gretige mond
te vurig beademde
Ze hangen
boven je hoofd
als
ongeluksbuien
je herkent ze
aan de glans waardoor
je een moment
lang wordt verlicht
je weet het
duren zal het slechts even
je voelt ze
aankomen
niet te tellen
dagen van voordien
je ondergaat
hun magnetische stralen
voor de zoveelste
keer is het kantje boord
dan duikt van
ergens een hommel op
een rosse
kater bijt in een papyrusstengel
een vlinder
neemt bezit van je grote teen
één die al
lang te kriebelen zat op een plek
waar geen
wonder meer te verwachten is
je stoft het ongeluk
van je af
je springt een
gat in het wolkendek
er komt in de
verte een man op je af
EEN
ZANGVOGEL VLOOG
in memoriam Hans Andreus
Hij vloog zich te pletter
tegen de ruit
hij zag de dood
wou hem van zo dicht
mogelijk bekijken
vooraleer hij de mensen
als laatste groet
een liedje zou zingen
hij vloog zich te pletter
teveel licht in zijn ogen
teveel lood in zijn vleugels
hij zong voor ons allen
hij zong voor Odile
maar wij met zijn allen
wij waren er
niet
Als de avond valt
gaat de wonde dicht
ze gaat rusten
in sluitende kelken
morgen gaat dan
op het heetst van de noen
als de leeuwerik stijgt
als
het donderbeest kruipt
de angel erin
Er viel licht
op het water
er was nooit
aarde zo rood
nesten van vogels
verhuisden
naar de plaats
waar toeristen
verbleven
ze telde er negen
tierra querida
ze zong het zacht
als een boomloze
stervende vogel
Aquarelle
De dauw die op de
halmen lag
kondigde aan een
nieuwe dag
één die verlopen
zou
tussen de aarde
en de hemel
nog was geen zon
te zien
een lichte nevel
hulde de
morgenwijdte
in een
verrukkelijk blauw
geen vogel waagde
zich omhoog
waar de
oneindigheid zich mat
met een verborgen
binnenzee
die wij alleen
konden bevaren
we wisten dat we
samen hoorden
daar in dit oord
voor twee
dat we de jongste
wezens waren
die zich bevonden
in een tuin
waar we
lichtjaren voordien
vandaan gekomen
waren
Wat bleef
Fluisteren met bomen...
alsof ze nooit iets anders
in het hoofd had gehad
alsof ze nooit in hun schaduw
de tralies had zien staan
waarachter ze stond
zomer en herfst vloeiden af
wat tot haar sprak
was een wegterend blad
ze heeft lang geluisterd
tot niet alleen de nerven
maar ook de tralies
zich hadden vermenigvuldigd
Verval
Met
heldere stem
werd de boom bezongen
het paarse blauwtje
de orgelman
de reus
haren van katten
pluizen van distels
wol van het schaap
in de keel klinkt het schor
waar vroeger klanken
opborrelden
hebben zij nu hun plek
plakken bijeen
hopen zich op
vormen de krop
Naald
Dat ze kleiner is
dan die hooiberg
waarin ze verscholen zit
is geen geheim
ofschoon ze glanst als niet één
blijft ze onvindbaar
ze gooiden haar achteloos weg
ze zeggen dat ze nutteloos is
doch degene die keek en zocht
voelde de prik
schreef een gedicht
over het vinden van
een naald in een hooiberg
Blaren
Een boom die dansen wou
keek naar een speelman uit
een met een mondharmonika
een met een kwartviool
een met een luit
om het even
als het maar wakker schoot
dit onverschillig loof
dan zou hij dansen
op elke teen van iedere wortel
mee met de massa
waarin beweging kwam
de
massa blaren
dat
afgepijnigd deel van hem
Ik zou zoveel kunnen doen,
zoveel wat niemand
zou weten,
ik zou kunnen eten een
kommetje sla
bestuderen de omvang van
mijn kleine
gestalte, een paar kilos kilos verliezen
maar hoé doe ik dat?
Ik knabbel
zo graag. Ben ik daarom een konijn?
Ik zou zoveel kunnen
doen,
zoveel, dat het zelfs
mij wordt teveel,
ik zou een hoed
kunnen kopen
en hopen dat hij me
staat,
ik zou in een boom
kunnen klimmen,
voorzichtig, alsof ik
besteeg een ladder,
ik zou er misschien
kunnen bidden
zo heel in mijn
eentje in die boom;
in die wuivende levende
kathedraal.
Ik zou zoveel kunnen
zijn; een dauwdrop,
een oesterparel, een kleine pol gras,
het zou me komen van pas
wanneer ik een
gedicht zou gaan schrijven
waarin ik datgene
hervind
dat in veel van mijn
verzen schuilt.
Ik zou kunnen
fluisteren
om heel diep in mij de klank van het woord
hét op te sporen. Ik zou het
horen.
Ik alleen, zoals nu bij het lezen.
REGENBOGEN
Er werd mij gevraagd een gedicht
voor te dragen waarin het zou gaan
over God, niet té diepzinnig, liever
wat luchtig, een gedicht waarin elkeen
en elk eenieder zijn God op hetzelfde
adres zou te vinden zijn.
De massa zou
komen van heinde en verre
en aankloppen aan
één en dezelfde deur.
Het zouden niet
allemaal Vlamingen zijn.
Niet allemaal
mannen. Vooral vrouwen.
Niet iedereen zou
zijn van hetzelfde ras.
Maar laat het mij
nu niet hebben
over emancipatie
of over bruin of zwart,
liever zou ik me
nu bezinnen over
wat het woord
kleur inhoudt.
Mij doet het
denken aan andere
mensen en aan andere Goden die
wij in de schaduw stellen om te praten
over die Ene, die Blanke, de Onze. Maar
toch stel ik mij de vraag waarom er zijn
zoveel kleuren in zoveel verschillende
regenbogen die allemaal vertrekken en
eindigen in zee? Zoveel kleuren om slechts
één God in te kleuren? Of stralen ze om
andersdenkenden vrolijk te stemmen die
eerder geloven in de wondere kracht van
een regenboog? Ik stel mij de vraag.
Rue des Commerçants
Rode gordijnen. De deuren dicht.
Een kamer waar de blinden tegen
verkleurd behangsel praten.
Een vergezicht:
een meisje
dat in tuinen speelt,
waar vogels baden
de bek in helder water,
waar nagelgeuren wonen
in toefjes mos.
Nu zit ze hier vlak bij de gevel
waar water zich verliest
in grijze regenpijpen,
voor elke glimlach die ze schenkt
de goot of de passant
zal ze
later stenen kopen
een vuurdoorn en een dennenbos.
Ze hoort de messenslijper.
Ze geeft de orgelman wat brood.
Ze denkt het wordt wel ooit weer dag.
BALLAST
Mijn pijn heb ik te grabbel gegooid,
verpakt als gedicht in méér dan één
ingebonden katern glanzend veredeld papier.
Voor minder doe ik het niet, zoveel afzien.
Graaiende handen zag ik met hopen,
wat wil je, wat kan je de dag van vandaag
voor één euro en één cent nog kopen?
Mijn gedichten vonden de weg
die ze moésten gaan,
gebukt onder hun eigen last
zijn ze tenslotte bezweken.
Eén euro en één cent heb ik ze genoemd,
wie er mee leven moet
wens ik het beste,
hij heeft er een kluif voor het leven aan.
Ik ben blij dat ik herademen kan nadat ik
mijn bundels weg kon geven,
en niet de berg van barmhartigheid
op moest gaan naar die sluwe De Slegte.
Het gebaar
(voor André Van
Laere)
Ze wist de dagen
korter
pijnlozer
naamlozer
ze hadden geen vat meer
op haar
de maanden de jaren
toen gebeurde er iets
eigenlijk niets
maar het gebaar
van die man
die de kat binnenliet
vertederde haar
het was zondag zestien
februari
één maand precies
eer hij zou zijn
zesenzeventig
MEIAVOND
Zo zit ze daar
met zonlicht in heur haar
ze zit daar waar
ze vaak te zitten pleegt
met benny op haar schoot
de kat is dat
de jonge kater
die van het uur geniet
languit gestrekt
in al zijn heerlijkheid
de jonge vrouw
denkt haar gedachten door
denkt over leven over dood
en over wat de mensen
bindt en scheidt
ze hoort de poes die spint
met alle zachtheid hem gegeven
knoopt hij de dingen saam
spint haar gedachten in
en schenkt ze
mij
DE
DAUWDROPPELMAN
(voor Otti)
Als dauwde de dag
klom hij op naar de hemel
hij schoof ladder na ladder
uit elkaar en floot
soms werd hij bekeken
met hoogmoedige ogen
om zijn vaalblauwe kleren
maar hij lachte
hij wist zich groot
hij leefde
boven begane grond
dakvensters hier
dakgoten daar
dakpannen op het gebint
hij herstelde de schade
die de storm had veroorzaakt
hij gaf huizen weer aanzicht
ruimte en licht
hij klom met duizend gewichten
tot op de nok van het dak
hij
zag miljoenen gezichten
hij
zag ze lopen de mieren
hij
zag de kat en de hond
vaak ging hij slapen
met pijn in de ribben
met scheuren in spieren
maar nooit zou hij breken
ook maar één pan
de
dauwdroppelman
Wachten op de echo
van een rozenblad dat valt
in de diepe kloof
tussen mens en mens
wachten op die echo
doet een vreemde man
niemand ziet hoe hij daar zit
niemand hoort dat hij fluistert
wat hem soms bereikt
is de geur van thee
rozebottel die ik zet
rozeblaadjes jaag ik op
uit de kloof naar omhoog
ik ben jachtsneeuw
ik kan alles ik
word
echo... echo... echo...
Geluk was altijd zo nabij
dat je de handen
niet hoefde uit te strekken
de keren dat je het deed
viel het er naast
je voet zou het dan
als een soort balspel
het luchtruim injagen
HET ONVATBARE
GELUK
Er zijn van die
dingen om steeds te bewaren,
een strikje een lintje een blaadje papier,
vandaag op de middag vond ik in mijn kookboek
nog drie exemplaren van klavertjevier.
Het kookboek lag
open, het eten vergeten,
toen dacht ik waar komen die dingen vandaan,
plots wist ik opnieuw waar ik die had gevonden :
op een dag in het gras keken bloemen me aan.
Ik had vroeg al geleerd met bloemen te praten,
ik wist dat men bloemen mocht vragen om raad,
zo vroeg ik de grootste of zij me kon zeggen
of ergens verborgen geluk nog bestaat.
Ze wees naar beneden, heel dicht aan haar voeten,
ze wees naar de klavertjesvier in de zon,
die moest ik gaan plukken en altijd bewaren,
daar stond het geluk dat ik eerder niet vinden kon.
Ik keek als een kind naar de schat in mijn handen,
het was zo nabij dat handvol geluk.
Met al dat gemijmer valt alles nu tegen
het eten brandt aan… en de kookpan is stuk
Logisch
zoologisch gevolg
(een
laffe trap van een steenezel
kan een mens geweldig inspireren)
Ik ben de
vriendin van de geiten en schapen
van de koetjes en kalfjes van de beer en de bij,
ik doe wel wat anders dan mijn leven
vergapen
aan vliegen die brommen in de zoete maand mei.
Ik ben de
vriendin van de honden en katten.
of ze vechten of
niet is voor mij van geen tel,
ja, ik houd van elk dier, van de varkens en ratten
en ik houd van de duivel die zich weert in de hel.
Ik ben de
vriendin van de duiven en vinken.
zijn ze blauw
zijn ze groen, dat is zonder belang,
'k ben niet vies van een vis die geweldig kan stinken.
en voor machtige
klauwen ben ik verre van bang.
Ik ben de
vriendin van de luizen en vlooien
hoe fel ze ook
bijten in dat huidje van mij,
met een beetje geluk en wat poeier te strooien
heb ik verder geen last van die dierplagerij.
Ik ben de
vriendin van de giftige slangen
van de nijdige spin en de brullende aap,
zit een marteko braaf in een kooitje gevangen
krijgt hij nootjes van mij een banaan of een raap.
Ik ben de
vriendin van de eksters en raven,
van de kwartel, de kwakkel, de kip en de gnoe,
het gebeurt af en toe dat de mensen mij vragen:
"wordt gij al dat gekwek rond uw hofke niet moe?”
Maar dan zeg ik,
kijk mens, zo is eenmaal het leven
ieder dier heeft het recht om te doen wat het doet,
spuwen krabben en bijten; het valt al te vergeven
want wat telt is het beest ook al dorst het naar bloed.
Wie ik niet kan verstaan is de balkende ezel,
geef hem wortels en brood en hij waant zich een stier,
geef mij muggen en mieren, geef mij wormen en wezel
maar verlos ons, o heer, van het steenezeldier.
Maar wat daarna?
Ze spelen in mijn hoofd
ze spelen telkens weer hun spel
de klinkers en de medeklinkers
ze zeggen dat ik toveren kan
dat ik zwijgtekens doe klinken
zolang ik mij verzet ken ik geen rust
wat willen ze van mij?
mijn holografisch testament?
ze spelen een vreemd spel
ze zeggen geef en neem
doe af en toe je ogen dicht
denk voort denk na
NACHTBLAUW
Terwijl de stilte
me bevrijdt
sterf
ik
heel
langzaam
uit
zoals geluid
in stilstaand
water
Het laatste vandaag
wat bewoog
was een smeltend vlokje
verlaten sneeuw
het viel in zijn eentje
op de rand
van mijn wimpers
voorgoed zou het slapen
glanzende ogen had ik
bij het ontwaken
Het blauw van de
dag
wentelt zich in
mijn armen
heel even dacht
ik te voelen
een heel kleine
vlam
die lichtjes ging
knetteren
Alleen het zand kan zwijgen
het gloeiend zand
dat zwelt en zweet
als zomerhanden
warm en breed
over de heuvels gaan
of als de zon
in hevigheid
de korrels uit
de zee bevrijdt
alleen het zand
het pijnloos zand
kan over water zwijgen
ZONNEVLUCHT
Het gejuich van de zon
schoorvoetend
schuivend
eensklaps lopend
schuifelend van licht
langsheen de middaglijn
rechtop zoals een paard
dat zwetend
naar de eindstreep draaft
nog even zwenken
dieper duikend
ter kimme dalend
een vlekje rood
een vleugje dood
om weg te wuiven
GRENSGEBIED
In vogelvlucht
van watervliet
over de bieten
voorbij het vlas
tot aan de plas
van het noorden
over het koren
over
de weiden
een
vleugelslag lang
zuidzande
herkennen
cadzand
en het zwin
de
berken
de
dennen
hier zijn geboren
hier thuis te horen
hoe kan ik anders
dan zinderend
dit land verwoorden
Opdat de wolven niet
zouden verscheuren
wat overblijft
wens ik op mijn graf
her en der verspreid
een steen
opdat ik zou kunnen
ontstijgen dit graf
breek middendoor
de ontzaglijkste
steen
langs de breuk
zal ik mij bevrijden
nadat mijn prangend
omhulsel is geworden
binding
akkeraarde
Hoe hij
zich ingroef.
Hoe hij dan lag
te luisteren
tot de zon de
nevel doorboorde
met licht.
Hoe het dan
spatte
uit duizend
geweren,
hoe de vogels
verbloedden
in het
klaprozenrood.
Papavers. Een
veld vol papavers.
Zoveel
schrijnende wonden.
Zoveel
gloeiende ogen.
Zoveel aarde
ontwricht.
Nooit sprak
mijn vader van dood.
Jaren later
werd hij begraven
met de
schreeuw in zijn keel
die zijn leven
zozeer had verkort.
Papavers.
Zoveel papavers.
Mijn ogen
verkennen de Westhoek
met de angst
om mijn vader
in elk beetje
rood.
DANACH
für Anton van
Wilderode
Später werden
wir zeigen wie still es
wurde als wir durch das Fenster schauten
und uns einig fühlten
mit alle tote und wachsende Bäume.
Damals - hast Du gesagt - standen hier
soviel Bäume als es naher Löcher gab
worin ihre Wurzeln wurden geworfen
ohne Würde.
Man hackte sie um - sagtest Du -
weil sie die lieblosen Menschen störten.
Später wird man uns verstehen wenn
unsere Seele - das Fenster entflohen -
sich in den leblosen Bäume wird pflanzen
und wachsen wird himmelhoch.
Flüstern und beten werden Wasser und Gras
weil unser Wesen die Gabe besaß sich
einzuleben in das ewige Stirb und Werde
und unser Herz es vermöchte sich
einzufühlen in alles was uns umgab.
URVERWANDT
für Leo
Herberghs
Wer die ursprüngliche
Bedeutung
des Steines
bejaht
wird sich
bekennen zu ihm,
denn es liegt
im Wesen des Steines
uns einen
gründlichen Einblick
zu gewähren in
das All.
Er erzählt uns
wie das Leben
sich langsam
und stetig hineinschlich
in seinem
Dasein,
wie die Zellen
sich vermehrten
bis wir Atem
bekamen
jeder von uns
Pflanze und Tier.
Er weiß von
das uralte Geschehen
der
allmählichen Entwicklung.
Er lässt uns
erraten
woher wir
kommen
wohin wir
gehen.
Der Stein.
Unser Urahn. Unser Freund.
Wer vermag ihn
zu lieben
wird sich
verwundbar wissen,
wird sich
einfühlen können in seine
Narben, Höhlen
und Rissen
denn nur der
Urstoff lernt uns erfassen
wie und was
wir in Wirklichkeit sind.
Wenn der Stein
flüstert und knistert
sollten wir
lauschen
denn in das
Geheimnis unserer Herkunft
weiht er uns
ein.
Het
huis van de salamanders
Nu ik naar het huis van de
salamanders terugkeer zie ik het
bergmeer met heel andere ogen.
Waar ben ik geweest al die tijd?
Ik zocht naar het lied van de krekels
nergens beter te horen dan hier.
De baai met haar wuivende palmen
doet het licht zachter stromen
waarmee ik heel langzaam vervloei.
Er groeit weer mos op de trappen
waar ik neer was gezeten.
Ik verga in het water als vis.
Er is niets dan een nis, een diepe
verborgen ruimte waarin ik adem.
Ik zie de spleten in de rotswand.
Waar of wie hij ook is, een mens
zal zwemmend de vis bereiken,
uit mijn schuilplaats mij lokken
naar het huis van de salamanders,
naar de baai waar forellen zwemmen
alsof er geen droomwereld is.
Perceptie
Nooit zo omzichtig
omschreven dit:
dauw op een blad
hoor
hoe fluistert de boom
hoe zijn hart
haast begeeft
hoe zijn bloed
tot de groeiwortel spreekt
één druppel licht
op de dauw:
hoor hoe het blad
zich vertakt
hoe de zang der cicaden
het geheugen der nerven
ontbolstert
hoe de cirkel zich sluit
hoe anders vertalen
dan huiverend
de taalkracht
van een boom
Ode
aan de stilte
Als ze
tastbaar zal worden
zal de stilte glinsteren
in het tederste licht
vervagen zullen verre geluiden
het stervende woud
zal met dampen en kruiden
zichzelve genezen
regenboogkleuren
zullen haar naam verweven
samen met geuren
van bloesems en tijm
in de nerven van blaren
in de ogen van dieren
in het sap van druiven
zal ze aanwezig zijn
naar het wonder verwijzend
zal ze wonen
in het zaad van de vader
als vrucht van het water
zal ze bestaan
poëzie zal ze heten
taal zal ze worden
onuitputtelijk
De
blauwe wagen
Er stond een
blauwe wagen
midden het druivenblauw
blauwer dan blauw een wagen
zo blauw als de verre heuvel
bij wie de blauwe wagen
de indruk wekken wou
blauwer te zijn
dan die heuvel
waartegen hij opklimmen wou
een wagen vol blauwe druiven
stond op een blauwe weg
een klein beetje rood
schoof het blauwe uiteen
het rommelde wat rond een dakpan
het bengelde wat aan een baksteen
zo maar een klein beetje rood
waaraan zich warmde Pavese
eer hij de heuvel beklom
de dichter die na zoveel blauw
vereenzaamd de ogen sloot
zag zich omgeven van rood
terwijl de wagen bleef staan
beladen met blauwe druiven
tussen de blauwe heuvels
daar op die blauwe weg
Beneden
het zuiderkruis
In het grensgebied
van de vrede
twee duiven
drie schapen
tien tijgers
één boa
de meest
zonderbare
der schepsels
onvergelijkbaar
zijn schoonheid
zijn kracht
zijn eenheid
met het woud
diep in de
avond
de sprong van de poema
het stijgende sap
in de
rubberboom
ritme
versnelling
pulsering
verte en vindplaats
magisch
de
onsterfelijke droom
Je zei me
dat het ruisen
van de bomen
je soms zo
diep ontroerde
dat je er stil
van werd
dat je dan vol
was
van die zang
die je niet
duiden kon
dat je soms
kleine vogels
daarin hoorde:
de ene riep de andere
toe -
wie zo van
boomgeruis
en vogelzang kan
houden
hoeft niet te
spreken
elk woord is
haast teveel
het ruisen van
een boom
kan soms
volstaan
om in
gedachten
naar de andere
toe te gaan
Het plooide niet
het hing wat scheef
aan beide
haken
alsof het zo
zijn
eigenzinnigheid
wou
onderstrepen
het klemde
hier en daar
maakte een
stroef geluid
wanneer het
openging
na heel veel
tasten:
de klink was
stuk
tussen het
poortje en de staak
moest je je
vinger steken
en dan maar zien
dat je de
dwarslat vond
maar vond je die
dan ging het
poortje open
dan stond je
leunend aan de muur
een zalig
ogenblik
dan waren
roest en rare klink
en verfschilfers vergeten
je kon dan binnenkijken
je ging dan
zelf haast lijken
op wat je zag:
een
schaduwplekje
een
moedervlekje grond
ZAID
Hij had iets van riet
dat buigt doch niet breekt,
een lange slanke
donkere jongen
met tengere schouders.
Ik had er mijn armen,
omheen willen slaan,
hem innig omhelzen
had ik gewild,
hem verleiden
om ergens naar één of ander
Surinaams eethuis te gaan.
Ik liet het daarbij,
te zeer viel op
dat de jongen al man was.
Op weg naar Egidius
Ooit zal ik
naar Egidius gaan,
zolang al roept
hij mij.
Ik hoor hem...
hoor hem
diep in mij.
Naar verre
heuvels lokt hij mij,
naar dageraad,
naar blije
bomen,
naar
zomervogels' liefdesliederen,
met heel zijn
wezen lokt hij mij.
Met volle
teugen drinkt hij mij,
als lichte
wijn,
als zoete
honing,
hoe zacht
vervloeien wij.
Ooit zal ik
naar Egidius gaan,
naar zijn
verblijf buiten de tijd,
zozeer ben ik
hem al genaderd
dat ik hem
overal herken,
buiten mijn
stem,
binnen mijn
woning.
In iedere
grasspriet huivert hij,
met elke
lichtstraal wenkt hij mij,
de volle
stilte is hij mij,
Egidius, mijn
oudste vader.
Amplitudes
Verbeiden
het verre land
met zicht op zee
op boten
op kleine huizen
op eenvoudige dingen
die nooit binnendrongen
in het oude bestaan
zicht op de helling
op het jaagpad
op de golven
eindelijk één zijn
met grasspriet
met vuurvonk
met dauw
thuiskomen ergens
geen brieven meer schrijven
geen post meer ontvangen
gloeien als kleine vuurbol
in de avondwijdte
Verdrinken
Ik verdrink in
mezelf
in mijn eigen
kleine niets
in mijn zielig
zelfbeklag
in pietluttig
hartezeer
hoogste tijd
om lucht te happen
ergens op een
ouwe bank
of misschien
een rondje toeren
op een
nagelnieuwe fiets
hoogste tijd
dat dacht ik al
om er zelf wat
aan te doen
wellicht helpt
een zonnebad
en een beetje
koekeloeren
Perce-neige
O hemel wat
een wonder
er valt wat licht op mij
dat kleine beetje zon
dat aan mijn bladgroen
sipperlipt
op proef me stelt
me weerbaar maakt
tot ik in 't diepste
van mijn wit
ga schitteren
Gedicht voor Adegem
Ik die de bomen
heb beroerd
toen mijn
verdriet nog jong
over de velden
liep
op zoek naar
wonderkruid
voor kleine
wonden
de scharen van
de ploeg
sneden mijn
ogen open en langs
de scherpte
van de zeis werd
weggemaaid de
korte kindertijd
het koren
groeide in mijn hart
zo diep dat ik
aan stenen
soms bange
vragen had
van stof en
meel
waren de
gouden dagen
dat wist de
molenaar
die op de
uitkijk stond
aan bloemen
gaf ik water
doch op de rug
van paarden
schuurde mijn
tere huid
nog weet ik
hoe ik vroeger
de aarde aan de
lippen bracht
hoe ik dan
rusteloos
het warme
leven droomde
ver van het
veilig nest
er was een
dorp vol mensen
die naar me
wuifden toen de wind
mijn eerste
versje schreef
zo nu en dan
hoor ik een stem
ik loop
voorbij de Spanjaardshoek
en dan de
straat de Calle
de laatste
meters naar het huis
waar ik me
wist geborgen
als kind van
Adegem.
Het
karrenspoor ontgroeid
Ik ben te
groot voor mijn geboortedorp.
Ik ben het karrenspoor ontgroeid,
de zomertarwe,
de ligusterhagen,
het blauwbloem
blonde vlas, de rapen
die ik at, de
biezen die ik vlocht.
Ik ben te wijd geworden voor d’enge rok
die ik als
bakvis droeg, te zwaar voor elke
gracht waarop
ik 's winters gleed en zo
mijn rode
kloefkens op hoogglans bracht.
Het kleine bos
dat ik bezocht heeft mij
doen hunkeren
naar het woud. Het
water van de
beek heeft mij doen zoeken
naar de stroom
en deze naar de bron.
Ik ben niet
meer het kind dat graag
naar vlinders
keek omdat hun vleugels
aan verten
denken deden, niet meer de
speelse guit
die iedereen lachen deed.
Ik ben te wijs geworden om in dit
dorp van mij
dit deel van mij te zoeken
dat niet meer
vindbaar is. Ik ben te oud
geworden
om er in dood te gaan.
Doch ieder
jaar opnieuw wanneer de
lente de
sapgang van de bomen regelt,
herleef ook ik.
Dan groet ik met een klein
gedicht de
mensen van mijn dorp die mij,
na al die
jaren, nog steeds genegen zijn.
Ommekeer
Gekiemd
in donkere aarde
het opschietend zaad
de levende vrucht
de koekoeksbloem lokt
naar haar blos
de vlammende vlinder
vluchtige dagen
verglijden
langs binnenrivieren
smeltwater nadert
het dal
geluid overal
het is te vroeg
om de dingen te klaren
Zeewind
Jaag me
jaag me omhoog
jaag me voorbij
aan de kropaar
aan de vangschors
laat me de plek zien
waar ik rots was
zand werd
korrel
toon me een duin
breng me naar zee
voer me huiswaarts
Groei
Soms is regen
niets anders
dan zingen van wind
bomen staan
naar de groei
van hun wortels
te kijken
scheutenschietende
scheppende
vaders
vertederde eiken
Gras tot maanlicht
Raak mij aan
behoedzaam
met een zucht
met wat lucht
uit frisse dalen
kom mij halen
kom tot mij
maanlicht
legt zich
op de halmen
warm en zachtjes
zingt het gras
aangeraakt
zichzelf vol nacht
Als een geschonden maan
viel ze heel traag
in één der vele geulen
zo lag ze daar
temidden van het licht
haar ogen bleven dicht
in de doodsbeenderboom
stak men de kaarsen aan
één voor de lach
waarmee ze had getoverd
één voor de pijn
die ze met trots omging
één voor het uur
van de herinnering
de aarde ruikt naar meel
de stenen pletten graan
een moeder wordt als brood
onder de levenden verdeeld
De meeste uren
van de dag
sprak hij
zwijgend zijn deel
geen
jammerklacht noch zucht
zou zijn
verweesdzijn helen
zijn taal
ontroerde mij
want niet zijn
mond
maar wel zijn
ogen
leerden mij
uit te spreken
niet uit te spreken
leed
zo menig keer
was hij gezeten
daar op die
hoge til
de duif zat in
zijn hand
hoe hij de
pennen streek
hoe hij het
kopke streelde
met zoveel
kennis en geduld
met zoveel
tederheid
ze liggen op
mijn hand
de pennen van
de dood
ik strijk ze glad
ik denk aan wol
en hoe ze
beeft in prikkeldraad
Boomtaal
Doe mij
geen pijn
zegt de boom
bij snikhete zomers
zochten zwervers
en vogels
mijn schaduw
zogen het sap
uit mijn twijgen
braamstruik en distel
lieten ze staan
kerf in mijn schors
die verdorst
geen seizoenen
geen namen
Wie ooit een paard zag staan,
stokstijf, tussen bamboe,
kent van de
eenzaamheid
de hoefslag en
de nagels.
Dwars door de
huid zijn ze gegaan,
bij elke stap,
bij elke draf,
een vreemde
smid sloeg martelend,
in elke poot,
in elke teen,
de gaten.
Verminking
heet er een,
een ander heet
ontbering,
verlatenheid,
bezering; namen
die door de
flanken schieten,
als kogels
door de zon.
Een paard
tussen bamboe, doodstil,
als er de
wijde heuvels zijn,
de brede
stranden en het bos,
het stromend
water
en de bron, en de oneindigheid
Nounours
Omdat
ik zo zacht ben
als beertje robijn
ben ik water genegen
af en toe
ga ik liggen
languit
op de rug
van mijn eigen
gezelligheid
dons in het hoofd
pluisjes regen
Tuinbank
Op mijn schoot
een kat
aan het ruiven
op de bank
een op rust
gestelde plant
op mijn haar
valt wit
van wat boven zit
tortelduiven
Katachtig
Tederheid
rolt
van blad tot blad
gek als een tol
speels als een kat
tolt zij licht
als een pluim
op een bed van blaren
niets dan muziek
heeft zij
naar het schijnt
in het hoofd
zij wiegt en krolt
als regen en wind
in de bomen paren
Koeien
‘k Wou dat ik stond in een wei
tussen een
kudde koeien
loeien zou ik met
hen
en grazen en
vieren
het heerlijk
festijn van het gras.
‘k Wou dat ik een
koe was
een rosse
gevlekte
Bella zou ‘k
heten,
‘k zou niet
meer weten
dat ik ooit op
een stoel zat
te dubben te
tobben
mij af te
vragen
wiens weide de
groenste was.
‘k Wou dat ik
niets zag dan gras
en wilde haver en
rode klaver
en paardeogen
ja, menslief,
dat moet het zijn
diep in die paardeogen
de kudde
weerspiegeld zien
en me haasten naar
huis toe.
Ontmoeting
Gerimpeld
als een regendag
de schaal ontkropen
met de schade
van het gebroken ei
zo zag je haar
de allereerste
een kuiken
dat de plas doorwaadde
dat vele goede dingen zag
dat op je toeliep
kakelend
Verliefd
Laat me toveren
vannacht
god als ik dat
kan
kan die
lekkende kraan
mij geen barst
meer schelen
noch die
tikkende klok
noch het
krikkrakkend geluid
op het
kiezelpad
rondom mijn
huis
als ik dicht
voor mijn lief
wil ik
vuurwerk horen
donderslagen
tromgeroffel
als ik denk
aan mijn lief
kriebelt heel
mijn gemoed
in mijn
overmoed
wil ik poezen
en wolken
en cactussen
strelen
De regen kreeg het kwaad
hij zei dat zijn regenbooggodin
geen reden had van bestaan
dat ze zich krommen mocht
in zoveel bogen als ze maar wou
dat ze verkleuren mocht
tot er maar één kleur overbleef
namelijk asgrauw
dat ze zich mocht laven
aan wie weet welke druppel
maar niet aan die
zo kostbare van hem
over welke regen heb je het dan
vroeg zijn godin
toch niet over die zure waaraan
ik je ook zonder wolken herken
Kruimels
Veel had ik niet nodig, liefste,
een paar kruimels en
ik snapte toe als een hond,
een uitgehongerde,
honden eten brood, liefste,
wist je dat niet?
Vooral kruimels lusten ze graag
daar zijn ze gek op
hoe droger hoe liever,
van vel over been zijn en van
kwispelen als ze hun baasje zien
daar houden ze van;
honden zijn gek, lieverd.
Misschien is het je opgevallen
hoe ik vel over been ben,
zeg wel, vel over been.
Zo zie je mij het liefst zeg je?
Zo ver heb je mij gekregen
dat ik toehap
een gat in de lucht springend
met twee zwevende benen tegelijk.
Honden zijn gek, weet je.
Zwemmen zou ik willen
met een zwemmer naast mij
wiens lichaamsbouw mij inspireert
om nog meer najade
me te voelen dan ik me nu al voel
het mag best een dolfijn zijn
zelfs een haai
maar dan liefst een blauwe
zoveel gevaarlijker nog
graag zou ik het willen wagen
onder water te gaan
met een dier dat ontzag inboezemt
door me ruggelings
naar boven te stuwen
mijn adem afsnijdend
van zodra vinnen en schubben
mijn ribben bestastend
mijn zeeschuim omwoelen
Groot wil ik hem schrijven
de man
geen achterbakse
feministische trekjes
zetten mij daar toe aan
de man
door mij op handen gedragen
geraffineerd als ik ben
soms lig ik wakker
soms lig ik te zuchten
mijn lakens omwoelend
mijn eigen tekorten bevoelend
het slaapkamervenster wijdopen
de maan blijft er af en toe staan
nooit stijgt ze naar binnen
evenmin als degene
die met mijn tekorten
iets zou kunnen beginnen
De
aanraking
Heel even trilden
de haartjes
op zijn rechterarm
toen ze haar hand
terugtrok
wist ze het
ze kwam er aan
de zoveelste vonk
waaraan niet
te ontsnappen viel
Salamanders
Wijl
salamanders slapen
tussen stenen en stronken
ontdooit het ijs
straks worden
ze wakker
ze zullen opstaan
elkander bevrijden
ze zullen bevolken de vijver
wandelen tot aan de sloot
ze zullen
zuigen wind op
één zal haast sterven
de andere zal leren
waar schuil zich houden
hoé te ontkomen
een geweldige
zomer de tijd
om tot stronken en stenen
terug te keren
Bruiloft
Watersalamanders
wat zijn we anders
wat zijn we niet
jij de
verlokking
het waaierend wezen
teken gevend
met je blauwrode lint
alleen van op afstand
tot paring bereid
hoe ik ze vind
de vrucht die je uitstoot
ze aanraak met beide palmen
ze binnenvoer in de holte
waar ze woont
waar ze rijpt
hoe ontruimd
zwem je
terwijl ik splijt
tussen etende algen
Wat dwarrelsneeuw
lag op een tak
tijdens het
nachtelijk uur
had hij zich daar
verzameld
de bomen leken
uitgeput
vroegen om zon
die eensklaps
scheen
meteen verdween
het zacht geweld
uit ons gezicht
met druppels
poëzie en schuim
beroerden wij
elkaars
ontknoppen
we stonden blank
en bloot
vol tuinen hing
de lucht
vol licht
op onze huid
bloeide het mos
we leken op dit
uur
bijna volkomen
Elke parel zweet op jouw
donkere lichaam
verenigt zich met mijn
ontzettende dorst
iedere rimpel
elke plooi
iedere porie
proeft zout
neem mij liefste
aai mij
voel hoe je mij langzaam
uit het knellende pakijs
bevrijdt
laat het sneeuwen in mij
zachtjes nu
zachtjes
zachtjes
Hoe je mij aanmaakt liefste
met je verzuchtingen
met je intens verlangen
dat een vuursprank gelijkt
voel hoe ik vlam vat
bij het intieme ontwaken
dat bezit van mij neemt
terwijl ik bezit van je word
alle eelt op je huid
bezweer ik zalvend
elke rimpel wordt
gevangen gezet
virginaal laat ik me nemen
voel liefste het weke geven
de deining
het glijden
voel hoe jouw beademing
mijn uitputting wordt
Mijn donkere vreemdeling
wie je ook mag zijn
kom binnen in mijn woning
laat dit huis van wachten
geen huis van verwonen worden
rood zal ik jouw dageraad kleuren
zo staat het sinds tijden geschreven
in de hand van hem
die de zon in zich heeft
geschonden zal ik worden
door hem aan wie ik mij overgeef
wegebben zal de vloed
angst zal als water vervloeien
het wier zal vergeten
dat het ooit uiteen werd gerukt
helderste spiegel van mijn zijn
weerspiegel de wonde ervan
Verzuchting
Mijn ongrijpbare wolk
trillen doe ik
als je mij doorweekt
als je mij ontsluit
mijn tropische regen
mijn nevelwonder
mijn melkweggezel
voel hoe ik sidder
als je binnendringt
in mijn hunkering
warm in jouw neerslag
word ik gewillig
jij die me kromt
tot ik regenboog ben
geniet mijn dorst
geniet mij
eer je verdrinkt
in mijn schittering
Fluisterend aroma van
kamperfoelie en fayalobi
en mijn hart dat op barsten staat
en jouw vingers die zich verliezen
in mijn onaangeraakte diepten
en mijn handen die zich verbranden
aan die honger van jou
streel mij liefste streel mij
hoor hoe de slagregen nadert
voel hoe zijn doorbloede echo
ons uiteindelijk bevrijdt
kleine kreunende tak
van de shimambikiboom
meegesleurd door de waterval
en jij die me nam... meenam
naar het aards paradijs
Zo heb ik mij deze nacht gewenst
warm liefste warm
tot in het hart van de tropen