FLUISTEREND AROMA
                                                     anthologie

                                             Iris Van de Casteele

 

 

 



Het mysterie der dingen

 


Of hoe het onbestaande onderkomen
vindt in het allesomvattende;

een cocon waarin de geboorte
van hetgeen ademen zal, plaatsvindt.

 

Hoe het gesteente elke wording van
leven in zich verzamelt; er de uiterlijke,
onmiskenbare tekens van draagt.

 

Hoe een regendruppel zich splitst. Hoe
berkenstammen de zon lichtval ontlokken.

Hoe een dierensoort zich bevrijdt
van haar teveel aan werkelijkheid.

 

Hoe het bestaande zich vindt
in het onwerkelijke;

in het gedroomde, in het gewenste.

 

Hoe poëzie het mysterie der dingen
aan het oppervlak doet verschijnen,
ze inkleedt in raadsels.

Ze transponeert in een menselijk wezen
dat zijn weg zoekt tussen de vele wezens,
een reus op zijn weg vindt,
er één mee wordt
om te groeien naar de voltooiing toe.

 

 

 

 

 

 

 

Interval

 

In het beangstigend ruim
zijn we geworden van vallende
sterren een myriade van
bevende schilfers
ontvlambare
elkaar genakende

langs een melkweg van kleine
rivieren we vinden de zee waar
dieren in hun volmaakte
gedaante van ruime spons
paren vormen

lichteeuwen ver van de zon
verwijderd we schitteren
krijgen magische vleugels
worden beweeglijk zilver

heel even liefste
heel even maar

 

 

 

 

 

 

 

Bruiloft

 

 

Watersalamanders
wat zijn we anders
wat zijn we niet

jij de verlokking
het waaierend wezen
teken gevend
met je blauwrode lint
alleen van op afstand
tot paring bereid

hoe ik ze vind

de vrucht die je uitstoot
ze aanraak met beide palmen
ze binnenvoer in de holte
waar ze woont
waar ze rijpt

hoe ontruimd zwem je
terwijl ik splijt
tussen etende algen

 

 

 

 

 

 

 

Wier

 

 

Tijdens het nachtelijk zwemmen
je smaaktepel zoekend
vocht op je tong ben ik
de alles ontvangende word ik
de alles gevende ook

zilverdraden weerkaatsen in water
onze klautertocht naar de maan

in de glans van het goud
dat je delft
vervluchtigt ons speeksel
noem je me wier

sidderend raak je me aan
tot de spier sluit mijn mond
mijn verzegelde lippen

 

 

 

 

 

 

 

Dieper in zee

 

 

Wier zijn wij.
Wuivend.
Drijvend.
Helder geheim
van donkere regens.
Wortels.
Voedsel voor prooi
en rover.
Adem en klauw
tegelijk.
Wij.

 

 

 

 

 

 

 

Onderwatergezel

 

 

Fluisteren zal ik tussen de schilfers.
Van jouw stilte zal ik zijn
het onschendbaar levend geheim.

Zuurstof zal ik je geven.
Verdichten die warme huiver van jou
mijn allerinnigste lippen zuigend.

Dit zeg ik liefste. Ik die ben echo.

Niets dan je zuiverste adem.
Adem in mij.
Jij die mijn diepzee bewoont. Die me wenkt
naar het licht van je glanzende schubben.

Voltooien zal ik de zee.
En van alle beloften die ene: dat ik je
zichtbaar zal maken. Zal zijn tegelijk
weekdier, speeksel en inkt.

Weids en warm in je wier.
Wier ook ik. Het zij zo.

 

 

 

 

 

 

 

 

Sirène celtique

 

 

Toen haar vingertoppen
uiteindelijk de gesloten
lippen van de maan
konden bevoelen
opende zich haar zee
als een wondere schelp

het wier liet zich drijven
het schuim was naakter
dan het verhevigde licht
dat zich een weg zocht
tussen de vele meanders

vissen hervonden hun spraak
communiceerden met elkaar
vertelden hoe ze
gemetamorfoseerd
meehielpen aan haar ontstaan

ze heeft haar vinnen bewogen
ze heeft haar schubben
van zich afgeschud ze heeft
gewacht tot iemand in haar
de vrouw zou herkennen
maar er was niemand
niemand

 

 

 

 

 

 

 

Zeegodin

 


Thuis hoor je in het water
tussen het staande zeewier
en rechtopzwemmende vissen

 

liggen doe je 's nachts
als de maan eveneens
op het water gaat liggen

dan komen de schubben los
van hun vertrouwde huid
 
dan word je vloeibaar lichaam
dat met drinkende lippen
de zeegod verzadigt







Dans der vlinders

 


Mijn teergeliefde gaat
een fakkel in de hand
het huis van wachten binnen

hier zijn de muren wit
zoals de echo van mijn pijn

hij lokt met vuur en licht
de vlinders van de liefde
en uit hun spel ontstaat
de dans van de bevrijding

heel langzaam
danst de vreugde
door de verstijving heen

 

 

 

 

 

 

 

 

Lithografie

 


Het dal goed ingeklonken
tien regenloze zomers
gaven de bodem vrij
aan vreemde vogels

 

eens zilvermeer
tussen de bergen
hoog vloog de adelaar
over het spiegelvlak

 

droog is het land
de uitgeweende bodem
wacht tevergeefs
er komt geen laatste vlucht

 

 

 

 

 

 

 

Twee mensen

 


Noordwaarts over de helling
zijn ze getrokken
een hond en een slede
hun hele bezit

 

ze wisten van de winter
die te wachten stond
ze wisten van sombere dagen
van ijskoude nachten
ze waren als de vlakte
zwijgzaam en groot

noordwaarts over de helling

zijn ze getrokken

op weg naar de sterren

een man en een vrouw

 

 

 

 

 

 

 

Kiezels

 

 

Wanneer de dagen witter worden

maken de kiezels van het hart

zich los van alle spijt

 

ze rollen neer zonder geluid

tot op de bodem onzer ziel

zoeken de stroom van ons verdriet

langsheen de rimpels onzer huid

 

en vallen roerloos in het bed

van onze eenzaamheid




 

 

 

IJstijd

 

We werden wezens
met bevroren monden
we spreken de liefde
niet meer uit
want het woord
is vlees geworden
in ons versteende gronden
staan de huizen
van liefdeloosheid
en onze harten zijn kamers
van zinloze nijd
de ijstijd begint
de aarde verslindt
haar miljoenen fossielen

 

 

 

 

 

 

 

 

Atahualpa Yupanqui

 


Je ligt als grote steen
te luisteren naar de wind
en binnen het bereik
van dit gebeuren
lig ik op afstand
een even stille steen

 

de aarde fluistert
dat ik op jou gelijk

 

 

 

 

 

 

 

 

IJsvogel



Achter de wolken
kon hij hem voelen
de sneeuw

zacht werd het glijden
geen tralies
geen kooien
geluidloos zakte hij weg

ijsgronden wenkten
kristallen ontstonden

hij wist
het zou niet dooien

 

 

 

 

 

 

 

Boomwezen

 

 

Mysterieus

is het wezen der vrouw

 

zwaar torst zij de wolken

als een boom zijn kruin

in haar handpalmen rustend

het schild van de zon

 

uit haar vertakte hart

groeit een nieuwere boom

weer een nieuw wezen

 

wie het liefheeft

zal torsen de regen

man zal hij zijn

binnen de vrouw

één zullen ze wezen

 

 

 

 

 

 

 

 

Als bomen

 

 

Wat dwarrelsneeuw lag op een tak

tijdens het nachtelijk uur

had hij zich daar verzameld

 

de bomen leken uitgeput

vroegen om zon

die eensklaps scheen

meteen verdween het zacht geweld

uit ons gezicht

 

met druppels poëzie en schuim

beroerden wij

elkaars ontknoppen

 

we stonden blank en bloot

vol tuinen hing de lucht

vol licht

op onze huid bloeide het mos

 

we leken op dit uur

bijna volkomen

 

 

 

 

 

 

 

 

Traan

 

 

Je woonde in een wolk

voordat je regen werd

ik ving je op met ogen

waarin je schreien kon







Gesteente

 

 

Minder dan kiezelwier

op het netvlies

van het oergeheugen

 

ik die de kosmos verliet

menselijke vormen aannam

waaruit geen ontsnappen

 

hoe diep heb ik mijn wezen

altijd aanwezig geweten

in het gesteente

 

waarom ging ik niet liggen

in de gapende leegte

van om het even welke

uitgestorven vulkaanmond

 

 

 

 

 

 

 

 

Heidens heilig

 

 

Zij die de diepten peilen,

zich wagen aan de rand

van kraters, hun nagels boren

in de korst van ijzerslakken,

lavablokken, obsidiaan.

Vrouwen. Gezegenden.

 

Soms is hun huid van berk.

Hun kruinen waaien verten open.

Hun splinters maken vonken aan.

 

Hun heldere bast daagt spechten uit.

Vaak zijn het saters die de schors

bespatten, bevlekken. Saters die

Bacchus dienen, dronken voeren.

Vrouwen: wonden vol berkenwijn.

 

Soms is hun huid van mos.

Dan slapen in het bos de saters.

Dan stijgen zilveren nevels op.

Dan klateren de bronnen.

Dan worden ze genomen.

Ingekerfd. Aangeduid.

 

 

 

 

 

 

 

 

Mourir de soif

 

 

Het was de schreeuw van de vis

die in de bomen was blijven hangen

die de dichter tot wanhoop dreef

 

hij dacht de dingen bijeen

de nacht die er nooit was geweest

de stem die tot hem had gesproken

uitgehold als ze was

 

er was een graat in de keel

van de vis blijven steken

hij hoorde de schreeuw in het hoofd

die in de bomen was blijven hangen

 

er waren geen vinnen geen schubben

er waren geen ogen

er was niets

er was nooit iets geweest

 

 

 

 

 

 

 

 

Uitgespuwd

 
De lokroep van water
de ambivalentie
van het naamloze

van de chaos
die de orde verstoort
die mij bestemt
tot wat ik ben

uitgespuwde as
vulkaanisch gruis
lapilli


 

 

 

 

 

Vulkanisch


Spuw me verder uit
vulkaan die je bent
reus die me draagt

spuw je hart uit
je nieren
je ingewanden

zie hoe ik verhard
van rood naar zwart
mij vervoeg bij hen

zie hoe poreus ik ben

 

 

 

 

 

 

 

 

Lapilli


Waaruit zou ik anders bestaan
dan uit lapilli

lavafragmenten
die mijn oergrond binnendrongen
zich vereenzelvigend met hem
zich invoegend
in het vuur dat ik ben

mij omvormend vormend
langs wind en druilregen om
die mij uitdooft

langzaam

heel langzaam

 

 

 

 

 

 

Het andere ik


Sterrenstof dat zich afgezet heeft
op de bodem van de oceaan
waar het tot ontploffing kwam

een gefragmenteerd ik ontstond
dragend de uiterlijke tekens
van het dier

dragend in zich het oer van
de maan en haar componenten

wie in een steen
het andere ik herkent
mag naamloos blijven

 

 

 

 

 

 

 

 

Perceptie

 

 

Nooit zo omzichtig

omschreven dit:

dauw op een blad

 

hoor

hoe fluistert de boom

hoe zijn hart

haast begeeft

hoe zijn bloed

tot de groeiwortel spreekt

 

één druppel licht

op de dauw:

hoor hoe het blad zich vertakt

hoe de zang der cicaden

het geheugen der nerven

ontbolstert

hoe de cirkel zich sluit

 

hoe anders vertalen

dan huiverend

de taalkracht

van een boom

 

 

 

 

 

 

 

 

Het sacrale

 

 

Ik ben de getuige

van wat licht

met het geheugen

van steen vermag

 

ik ben het bewijs

van hetgeen de tijd

verankerd heeft

in het stof

van de steen

 

tussen trillingen

en gesproken woord

ben ik oerklank

mijn ontstaan

zit gekluisterd

tussen leven en dood

 

wie het ontraadselt

ben ik openbaring

wie het ontlaadt

ben ik vuur

 

 

 

 

 

 

 

 

Liefde

 


Ze zeggen

liefde is in water leven

de armen uitstrekken

zich overgeven

maar niemand zegt

liefde is beetje bij beetje

drinkend verdrinken

 

 

 

 

 

 

Begin

 

 

Heidens heilig zingen de vrouwen.

Langs de koperdraad levert de zon

een verbeten gevecht. De dag is jong.

De bronnen klagen.

 

De knoop is gelegd. Ineengestrengeld

lopen gesloten de lijnen langs

de ineengesnoerde ovalen.

Drierakelings.

 

Binnen de cirkel ademt de aarde.

De hazelaar bloeit.

 

Wilde alruin in haar poppengestalte

roept haar tweeslachtig geslacht uit

tot reus en reuzin: god en godin.

 

Mandragora. Geen andere was er.

Geen andere wortel duidt aan zo

duidelijk het oerreligieuze begin.

 

 

 

 

 

 

 

 

Nacht

 

 

Niets was er dan een alles-

overheersende droefheid

waaraan niet te ontkomen viel

 

het huis was één grote ruimte

waarin alles was leeggehaald

wat het ooit had bevat

 

niets bood nog houvast

zelfs geen deurpost

 

een mannetjesspin weefde zijn net

zo gelijkend op dat van de dauw

dat het maanlicht erin verdwaalde

 

dan sloeg de nacht toe

met een zo ontzielende kracht

dat het geen dag meer werd

 

 

 

 

 

 

 

 

AVONDSTILTE

(voor Erika)

 

Een meisje van mos

heb ik ontdekt

niet in het bos

niet tussen stenen

maar op een vierkante
meter fluisterbeton

stond ze te doen

wat ik doe:

luisteren






Schaapjes tellend

 

 

Duizend gedichten heb ik gedicht

niet één was er bij voor jou

 

toch heb ik altijd geweten

dat je langs zou komen

je buigen zou over de regels

waartussen jij mij ontdekken zou

 

de nacht heeft mij in zijn macht

de hunker heeft mij in zijn greep

 

intussen schrijf ik datgene op

waarmee ik geen blijf meer weet

zoveel onrustige schaapjes tellend

dat ik er de tel bij verlies

 

 

 

 

 

 

Een held op sokken

 

 

Dát is er één die anders is

één die het uithoudt met mij

 

dié houdt het langer vol

dan één nachtje

dacht ik

 

maar ook dat avontuur

mondde uit

in een lang verhaal

 

waarin niets gezegd werd

 

 

 

 

 

 

Une folle histoire

 

 

Als een regenbui overviel het mij

als een donderslag bij heldere hemel

als een komeet die de ruimte inschiet

 

véél meer van die dingen nog

nog veel meer vallen er te vertellen

 

van hoe je opeens jezelf niet meer bent

van hoe je kriebels krijgt van de slappe lach

van hoe je vergeet de sla op te dienen

van hoe je port drinkt alsof het puur water

 

er gebeurt iets

in je leven gebeurt er iets

in je leven gebeurt er eindelijk iets

zoeken jullie maar uit wat het is

ik houd intussen mijn hart vast

 

 

 

 

 

 

Het meningsverschil

 

 

Liefde is geen ruit

zei hij
liefde is alles
weerlegde zij

 

vooral een ruit

waardoor je kijkt

waardoor je iets ziet

soms ook niet

 

ze is een ding

waaraan je je snijdt

 

vooral aan die éne ruit

die het begaf

toen je haar ijsbloem

met je te gretige mond

te vurig beademde 

 

 

 

 

 

 

Mannelijke muzen

 

 

Ze hangen boven je hoofd

als ongeluksbuien

je herkent ze aan de glans waardoor

je een moment lang wordt verlicht

je weet het
duren zal het slechts even

 

je voelt ze aankomen

niet te tellen dagen van voordien

je ondergaat hun magnetische stralen

voor de zoveelste keer is het kantje boord

 

dan duikt van ergens een hommel op

een rosse kater bijt in een papyrusstengel

een vlinder neemt bezit van je grote teen

één die al lang te kriebelen zat op een plek

waar geen wonder meer te verwachten is

 

je stoft het ongeluk van je af

je springt een gat in het wolkendek

er komt in de verte een man op je af

 

 

 

 

 

 

EEN ZANGVOGEL VLOOG
in memoriam Hans Andreus

 

Hij vloog zich te pletter

tegen de ruit

 

hij zag de dood

wou hem van zo dicht
mogelijk bekijken

vooraleer hij de mensen

als laatste groet

een liedje zou zingen

 

hij vloog zich te pletter

teveel licht in zijn ogen

teveel lood in zijn vleugels

 

hij zong voor ons allen

hij zong voor Odile

maar wij met zijn allen

wij waren er niet

 

 

 

 

 

 

AVONDLIEDJE

 


Als de avond valt

gaat de wonde dicht

ze gaat rusten

in sluitende kelken

 

morgen gaat dan

op het heetst van de noen

 

als de leeuwerik stijgt

als het donderbeest kruipt
de angel erin

 

 

 

 

 

 

HACIA MELO

 


Er viel licht

op het water

er was nooit

aarde zo rood

 

nesten van vogels

verhuisden

naar de plaats

waar toeristen

verbleven

ze telde er negen

 

tierra querida

ze zong het zacht

als een boomloze

stervende vogel



 

 

 

Aquarelle

 

 

De dauw die op de halmen lag

kondigde aan een nieuwe dag

één die verlopen zou

tussen de aarde en de hemel

 

nog was geen zon te zien

een lichte nevel

hulde de morgenwijdte

in een verrukkelijk blauw

 

geen vogel waagde zich omhoog

waar de oneindigheid zich mat

met een verborgen binnenzee

die wij alleen konden bevaren

 

we wisten dat we samen hoorden

daar in dit oord voor twee

 

dat we de jongste wezens waren

die zich bevonden in een tuin

waar we lichtjaren voordien

vandaan gekomen waren

 

 

 

 

 

 

Wat bleef


Fluisteren met bomen...
alsof ze nooit iets anders
in het hoofd had gehad

alsof ze nooit in hun schaduw
de tralies had zien staan
waarachter ze stond

zomer en herfst vloeiden af
wat tot haar sprak
was een wegterend blad
ze heeft lang geluisterd

tot niet alleen de nerven
maar ook de tralies
zich hadden vermenigvuldigd






Verval

 

Met heldere stem
werd de boom bezongen
het paarse blauwtje
de orgelman
de reus
haren van katten
pluizen van distels
wol van het schaap

in de keel klinkt het schor
waar vroeger klanken

opborrelden
hebben zij nu hun plek
plakken bijeen
hopen zich op
vormen de krop

 

 

 

 

 

Naald


Dat ze kleiner is
dan die hooiberg
waarin ze verscholen zit
is geen geheim

ofschoon ze glanst als niet één
blijft ze onvindbaar

ze gooiden haar achteloos weg

ze zeggen dat ze nutteloos is

doch degene die keek en zocht
voelde de prik
schreef een gedicht
over het vinden van
een naald in een hooiberg






Blaren

 

 

Een boom die dansen wou

keek naar een speelman uit

een met een mondharmonika

een met een kwartviool

een met een luit

om het even

als het maar wakker schoot

dit onverschillig loof

dan zou hij dansen

op elke teen van iedere wortel

mee met de massa

waarin beweging kwam

de massa blaren

dat afgepijnigd deel van hem

dat allengs meebewoog






RELIGIE

 


Ik zou zoveel kunnen doen,

zoveel wat niemand zou weten,

ik zou kunnen eten een kommetje sla

bestuderen de omvang van mijn kleine
gestalte, een paar kilos kilos verliezen

maar hoé doe ik dat? Ik knabbel
zo graag. Ben ik daarom een konijn?

 

Ik zou zoveel kunnen doen,

zoveel, dat het zelfs mij wordt teveel,

ik zou een hoed kunnen kopen

en hopen dat hij me staat,

ik zou in een boom kunnen klimmen,

voorzichtig, alsof ik besteeg een ladder,

ik zou er misschien kunnen bidden

zo heel in mijn eentje in die boom;

in die wuivende levende kathedraal.

 

Ik zou zoveel kunnen zijn; een dauwdrop,
een oesterparel, een kleine pol gras,

het zou me komen van pas

wanneer ik een gedicht zou gaan schrijven

waarin ik datgene hervind

dat in veel van mijn verzen schuilt.

Ik zou kunnen fluisteren
om heel diep in mij de klank van het woord

hét op te sporen. Ik zou het horen.
Ik alleen, zoals nu bij het lezen.






REGENBOGEN

 


Er werd mij gevraagd een gedicht
voor te dragen waarin het zou gaan
over God, niet té diepzinnig, liever
wat luchtig, een gedicht waarin elkeen
en elk eenieder zijn God op hetzelfde
adres zou te vinden zijn.

 

De massa zou komen van heinde en verre

en aankloppen aan één en dezelfde deur.

Het zouden niet allemaal Vlamingen zijn.

Niet allemaal mannen. Vooral vrouwen.

Niet iedereen zou zijn van hetzelfde ras.

Maar laat het mij nu niet hebben

over emancipatie of over bruin of zwart,

liever zou ik me nu bezinnen over

wat het woord kleur inhoudt.

 

Mij doet het denken aan andere
mensen en aan andere Goden die
wij in de schaduw stellen om te praten
over die Ene, die Blanke, de Onze. Maar
toch stel ik mij de vraag waarom er zijn
zoveel kleuren in zoveel verschillende
regenbogen die allemaal vertrekken en
eindigen in zee?
Zoveel kleuren om slechts
één God in te kleuren? Of stralen ze om
andersdenkenden vrolijk te stemmen die
eerder geloven in de wondere kracht van
een regenboog?
Ik stel mij de vraag.

 

 

 

 

 

 

Rue des Commerçants


Rode gordijnen. De deuren dicht.
Een kamer waar de blinden tegen
verkleurd behangsel praten.

Een vergezicht:
een meisje

dat in tuinen speelt,

waar vogels baden

de bek in helder water, 

waar nagelgeuren wonen

in toefjes mos.

 

Nu zit ze hier vlak bij de gevel

waar water zich verliest

in grijze regenpijpen,

voor elke glimlach die ze schenkt
de goot of de passant

zal ze later stenen kopen

een vuurdoorn en een dennenbos.

 

Ze hoort de messenslijper.

Ze geeft de orgelman wat brood.

Ze denkt het wordt wel ooit weer dag.

 

 

 

 

 

 

BALLAST


Mijn pijn heb ik te grabbel gegooid,
verpakt als gedicht in méér dan één
ingebonden katern glanzend veredeld papier.
Voor minder doe ik het niet, zoveel afzien.

Graaiende handen zag ik met hopen,
wat wil je, wat kan je de dag van vandaag
voor één euro en één cent nog kopen?

Mijn gedichten vonden de weg
die ze moésten gaan,
gebukt onder hun eigen last
zijn ze tenslotte bezweken.

Eén euro en één cent heb ik ze genoemd,
wie er mee leven moet
wens ik het beste,
hij heeft er een kluif voor het leven aan.

 

Ik ben blij dat ik herademen kan nadat ik
mijn bundels weg kon geven,
en niet de berg van barmhartigheid 
op moest gaan naar die sluwe De Slegte.






Het gebaar

(voor André Van Laere)

 

Ze wist de dagen korter

pijnlozer

naamlozer
ze hadden geen vat meer

op haar

de maanden de jaren

 

toen gebeurde er iets

eigenlijk niets

maar het gebaar

van die man

die de kat binnenliet
vertederde haar

 

het was zondag zestien

februari

één maand precies

eer hij zou zijn
zesenzeventig








MEIAVOND

 


Zo zit ze daar

met zonlicht in heur haar

ze zit daar waar

ze vaak te zitten pleegt

met benny op haar schoot

 

de kat is dat

de jonge kater

die van het uur geniet

languit gestrekt
in al zijn heerlijkheid

 

de jonge vrouw

denkt haar gedachten door

denkt over leven over dood

en over wat de mensen

bindt en scheidt

 

ze hoort de poes die spint

met alle zachtheid hem gegeven

knoopt hij de dingen saam

spint haar gedachten in

en schenkt ze mij

 

 

 

 

 

DE DAUWDROPPELMAN
(voor Otti)

 

Als dauwde de dag

klom hij op naar de hemel
hij schoof ladder na ladder
uit elkaar en floot

soms werd hij bekeken

met hoogmoedige ogen

om zijn vaalblauwe kleren
maar hij lachte
hij wist zich groot


hij leefde
boven begane grond
dakvensters hier
dakgoten daar
dakpannen op het gebint

hij herstelde de schade
die de storm had veroorzaakt
hij gaf huizen weer aanzicht
ruimte en licht

 

hij klom met duizend gewichten

tot op de nok van het dak

hij zag miljoenen gezichten

hij zag ze lopen de mieren

hij zag de kat en de hond

 

vaak ging hij slapen

met pijn in de ribben

met scheuren in spieren

maar nooit zou hij breken

ook maar één pan

de dauwdroppelman

 

 

 

 

 

 

TWEESPRAAK

 


Wachten op de echo

van een rozenblad dat valt

in de diepe kloof

tussen mens en mens

 

wachten op die echo

doet een vreemde man

niemand ziet hoe hij daar zit

niemand hoort dat hij fluistert

 

wat hem soms bereikt

is de geur van thee

rozebottel die ik zet

 

rozeblaadjes jaag ik op

uit de kloof naar omhoog

ik ben jachtsneeuw

ik kan alles ik word
echo... echo... echo...

 

 

 

 

 

 

ERNAAST

 

Geluk was altijd zo nabij
dat je de handen
niet hoefde uit te strekken

de keren dat je het deed
viel het er naast

je voet zou het dan
als een soort balspel
het luchtruim injagen

 

 

 

 

 

 

HET ONVATBARE GELUK

 

Er zijn van die dingen om steeds te bewaren,
een strikje een lintje een blaadje papier,
vandaag op de middag vond ik in mijn kookboek
nog drie exemplaren van klavertjevier.

 

Het kookboek lag open, het eten vergeten,
toen dacht ik waar komen die dingen vandaan,
plots wist ik opnieuw waar ik die had gevonden :
op een dag in het gras keken bloemen me aan.

Ik had vroeg al geleerd met bloemen te praten,
ik wist dat men bloemen mocht vragen om raad,
zo vroeg ik de grootste of zij me kon zeggen
of ergens verborgen geluk nog bestaat.

Ze wees naar beneden, heel dicht aan haar voeten,
ze wees naar de klavertjesvier in de zon,
die moest ik gaan plukken en altijd bewaren,
daar stond het geluk dat ik eerder niet vinden kon.

Ik keek als een kind naar de schat in mijn handen,
het was zo nabij dat handvol geluk.
Met al dat gemijmer valt alles nu tegen
het eten brandt aan… en de kookpan is stuk

 

 

 

 

 

 

Logisch zoologisch gevolg
(een laffe trap van een steenezel
kan een mens geweldig inspireren)

 

Ik ben de vriendin van de geiten en schapen
van de koetjes en kalfjes van de beer en de bij,

ik doe wel wat anders dan mijn leven vergapen
aan vliegen die brommen in de zoete maand mei.

Ik ben de vriendin van de honden en katten.

of ze vechten of niet is voor mij van geen tel,
ja, ik houd van elk dier, van de varkens en ratten
en ik houd van de duivel die zich weert in de hel.

 

Ik ben de vriendin van de duiven en vinken.

zijn ze blauw zijn ze groen, dat is zonder belang,
'k ben niet vies van een vis die geweldig kan stinken.

en voor machtige klauwen ben ik verre van bang.

 

Ik ben de vriendin van de luizen en vlooien

hoe fel ze ook bijten in dat huidje van mij,

met een beetje geluk en wat poeier te strooien
heb ik verder geen last van die dierplagerij.

 

Ik ben de vriendin van de giftige slangen
van de nijdige spin en de brullende aap,
zit een marteko braaf in een kooitje gevangen
krijgt hij nootjes van mij een banaan of een raap.

 

Ik ben de vriendin van de eksters en raven,
van de kwartel, de kwakkel, de kip en de gnoe,
het gebeurt af en toe dat de mensen mij vragen:
"wordt gij al dat gekwek rond uw hofke niet moe?”

 

Maar dan zeg ik, kijk mens, zo is eenmaal het leven
ieder dier heeft het recht om te doen wat het doet,
spuwen krabben en bijten; het valt al te vergeven
want wat telt is het beest ook al dorst het naar bloed.

 

Wie ik niet kan verstaan is de balkende ezel,
geef hem wortels en brood en hij waant zich een stier,
geef mij muggen en mieren, geef mij wormen en wezel
maar verlos ons, o heer, van het steenezeldier.

 

 

 

 

 

 

Maar wat daarna?

 


Ze spelen in mijn hoofd
ze spelen telkens weer hun spel
de klinkers en de medeklinkers

ze zeggen dat ik toveren kan
dat ik zwijgtekens doe klinken

zolang ik mij verzet ken ik geen rust
wat willen ze van mij?
mijn holografisch testament?

ze spelen een vreemd spel
ze zeggen geef en neem
doe af en toe je ogen dicht
denk voort denk na






NACHTBLAUW

 


Terwijl de stilte

me bevrijdt

sterf

ik

heel

langzaam

uit

zoals geluid

in stilstaand water

 

 

 

 

 

SNEEUWVLOKJE

 

 

Het laatste vandaag

wat bewoog

was een smeltend vlokje

verlaten sneeuw

 

het viel in zijn eentje

op de rand

van mijn wimpers

 

voorgoed zou het slapen               

 

glanzende ogen had ik

bij het ontwaken



 

 

 

VONK

 

Het blauw van de dag

wentelt zich in mijn armen

 

heel even dacht ik te voelen

een heel kleine vlam

die lichtjes ging knetteren

 

 

 

 

 

ZOMER

 

 

Alleen het zand kan zwijgen

het gloeiend zand

dat zwelt en zweet

als zomerhanden

warm en breed

over de heuvels gaan

of als de zon

in hevigheid

de korrels uit

de zee bevrijdt

alleen het zand

het pijnloos zand

kan over water zwijgen






ZONNEVLUCHT

 

 

Het gejuich van de zon

schoorvoetend

schuivend

eensklaps lopend

schuifelend van licht

langsheen de middaglijn

rechtop zoals een paard

dat zwetend

naar de eindstreep draaft

nog even zwenken

dieper duikend

ter kimme dalend

een vlekje rood

een vleugje dood

om weg te wuiven






GRENSGEBIED

 


In vogelvlucht

van watervliet

over de bieten

voorbij het vlas

tot aan de plas

van het noorden

 

over het koren

over de weiden

 

een vleugelslag lang

zuidzande herkennen

cadzand en het zwin

de berken

de dennen

 

hier zijn geboren

hier thuis te horen

hoe kan ik anders

dan zinderend

dit land verwoorden

 

 

 

 

 

 

MEMENTO

 

 

Opdat de wolven niet
zouden verscheuren

wat overblijft
wens ik op mijn graf

her en der verspreid

een steen

 

opdat ik zou kunnen

ontstijgen dit graf

breek middendoor

de ontzaglijkste steen

 

langs de breuk

zal ik mij bevrijden

nadat mijn prangend

omhulsel is geworden


binding

akkeraarde

 

 

 

 

 

 

 

Een veld vol papavers

 

 

Hoe hij zich ingroef.

Hoe hij dan lag te luisteren

tot de zon de nevel doorboorde

met licht.

 

Hoe het dan spatte

uit duizend geweren,

hoe de vogels verbloedden

in het klaprozenrood.

 

Papavers. Een veld vol papavers.

Zoveel schrijnende wonden.

Zoveel gloeiende ogen.

Zoveel aarde ontwricht.

 

Nooit sprak mijn vader van dood.

Jaren later werd hij begraven

met de schreeuw in zijn keel

die zijn leven zozeer had verkort.

 

Papavers. Zoveel papavers.

Mijn ogen verkennen de Westhoek

met de angst om mijn vader

in elk beetje rood.

 

 

 

 

 

 

 

 

DANACH
für Anton van Wilderode

Später werden wir zeigen wie still es
wurde als wir durch das Fenster schauten
und uns einig fühlten
mit alle tote und wachsende Bäume.

Damals - hast Du gesagt - standen hier
soviel Bäume als es naher Löcher gab
worin ihre Wurzeln wurden geworfen
ohne Würde.

Man hackte sie um - sagtest Du -
weil sie die lieblosen Menschen störten.

Später wird man uns verstehen wenn
unsere Seele - das Fenster entflohen -
sich in den leblosen Bäume wird pflanzen
und wachsen wird himmelhoch.

Flüstern und beten werden Wasser und Gras
weil unser Wesen die Gabe besaß sich
einzuleben in das ewige Stirb und Werde
und unser Herz es vermöchte sich
einzufühlen in alles was uns umgab.

 

 

 

 

 

 

 

URVERWANDT

für Leo Herberghs

 

Wer die ursprüngliche Bedeutung

des Steines bejaht

wird sich bekennen zu ihm,

denn es liegt im Wesen des Steines

uns einen gründlichen Einblick

zu gewähren in das All.

 

Er erzählt uns wie das Leben

sich langsam und stetig hineinschlich

in seinem Dasein,

wie die Zellen sich vermehrten

bis wir Atem bekamen

jeder von uns Pflanze und Tier.

 

Er weiß von das uralte Geschehen

der allmählichen Entwicklung.

Er lässt uns erraten

woher wir kommen

wohin wir gehen.

 

Der Stein. Unser Urahn. Unser Freund.

Wer vermag ihn zu lieben

wird sich verwundbar wissen,

wird sich einfühlen können in seine

Narben, Höhlen und Rissen

denn nur der Urstoff lernt uns erfassen

wie und was wir in Wirklichkeit sind.

 

Wenn der Stein flüstert und knistert

sollten wir lauschen

denn in das Geheimnis unserer Herkunft

weiht er uns ein.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het huis van de salamanders


Nu ik naar het huis van de
salamanders terugkeer zie ik het
bergmeer met heel andere ogen.

Waar ben ik geweest al die tijd?
Ik zocht naar het lied van de krekels
nergens beter te horen dan hier.

De baai met haar wuivende palmen
doet het licht zachter stromen
waarmee ik heel langzaam vervloei.

Er groeit weer mos op de trappen
waar ik neer was gezeten.
Ik verga in het water als vis.

Er is niets dan een nis, een diepe
verborgen ruimte waarin ik adem.
Ik zie de spleten in de rotswand.

Waar of wie hij ook is, een mens
zal zwemmend de vis bereiken,
uit mijn schuilplaats mij lokken

naar het huis van de salamanders,
naar de baai waar forellen zwemmen
alsof er geen droomwereld is.





 

 

Perceptie


Nooit zo omzichtig
omschreven dit:
dauw op een blad

hoor
hoe fluistert de boom
hoe zijn hart
haast begeeft
hoe zijn bloed
tot de groeiwortel spreekt

één druppel licht
op de dauw:
hoor hoe het blad
zich vertakt

hoe de zang der cicaden
het geheugen der nerven
ontbolstert
hoe de cirkel zich sluit

hoe anders vertalen
dan huiverend
de taalkracht
van een boom

 

 

 

 

 

 

 

Ode aan de stilte


Als ze tastbaar zal worden
zal de stilte glinsteren
in het tederste licht

vervagen zullen verre geluiden
het stervende woud
zal met dampen en kruiden
zichzelve genezen

regenboogkleuren
zullen haar naam verweven
samen met geuren
van bloesems en tijm

in de nerven van blaren
in de ogen van dieren
in het sap van druiven
zal ze aanwezig zijn

naar het wonder verwijzend
zal ze wonen
in het zaad van de vader
als vrucht van het water
zal ze bestaan

poëzie zal ze heten
taal zal ze worden
onuitputtelijk

 

 

 

 

 

 

 

 

De blauwe wagen

 

Er stond een blauwe wagen
midden het druivenblauw

blauwer dan blauw een wagen
zo blauw als de verre heuvel
bij wie de blauwe wagen
de indruk wekken wou
blauwer te zijn
dan die heuvel
waartegen hij opklimmen wou

een wagen vol blauwe druiven
stond op een blauwe weg

een klein beetje rood
schoof het blauwe uiteen
het rommelde wat rond een dakpan
het bengelde wat aan een baksteen
zo maar een klein beetje rood
waaraan zich warmde Pavese
eer hij de heuvel beklom

de dichter die na zoveel blauw
vereenzaamd de ogen sloot
zag zich omgeven van rood
terwijl de wagen bleef staan
beladen met blauwe druiven
tussen de blauwe heuvels
daar op die blauwe weg



 

 

 

 

 

Beneden het zuiderkruis



In het grensgebied

van de vrede
twee duiven

drie schapen

tien tijgers

 

één boa

de meest zonderbare

der schepsels

onvergelijkbaar
zijn schoonheid

zijn kracht

zijn eenheid met het woud

 

diep in de avond

de sprong van de poema

het stijgende sap

in de rubberboom

 

ritme

versnelling

pulsering

verte en vindplaats

magisch

de onsterfelijke droom

 

 

 

 

 

 

 

 

Boomgeruis

 


Je zei me

dat het ruisen van de bomen

je soms zo diep ontroerde

dat je er stil van werd

 

dat je dan vol was

van die zang

die je niet duiden kon

 

dat je soms kleine vogels

daarin hoorde:

de ene riep de andere toe -

 

wie zo van boomgeruis

en vogelzang kan houden

hoeft niet te spreken

elk woord is haast teveel

 

het ruisen van een boom

kan soms volstaan

om in gedachten

naar de andere toe te gaan

 

 

 

 

 

 

 

 

Het poortje


Het plooide niet

het hing wat scheef

aan beide haken

alsof het zo

zijn eigenzinnigheid

wou onderstrepen

 

het klemde hier en daar

maakte een stroef geluid

wanneer het openging

na heel veel tasten:

de klink was stuk

 

tussen het poortje en de staak

moest je je vinger steken

en dan maar zien

dat je de dwarslat vond
maar vond je die

dan ging het poortje open

dan stond je leunend aan de muur

een zalig ogenblik

 

dan waren roest en rare klink

en verfschilfers vergeten

je kon dan binnenkijken

je ging dan zelf haast lijken

op wat je zag:

een schaduwplekje

een moedervlekje grond

 

 

 

 

 

 

 

De vensterruit

 


Ooit steeg een klein gedicht

de ruimte in

kindergezicht achter de ruit

werd wijde wereld

 

een gouden vogel floot

een lichte noot

de kooi was nauw

maar 't huis errond

was machtig

 

de vensters hadden tralies

wie naar binnen keek

kon zich vergapen aan een kind

dat alle dingen buiten sloot

behalve 't licht

 

dan kwam de dag

dat ook de vogel zweeg
sindsdien vertelt de wind

aan wie het horen wil

dat er een veertje beeft

op het beduimeld glas

van 't hoge venster

 

een kleine mouw

wrijft alles schoon

de blanke ruit

maakt hel en hemel zichtbaar

 

 

 

 

 

 

De vlucht van de arend
opgedragen aan André Van Laere

Als de witte arend
over de hoogvlakte vliegend
zijn pennen zal zoeken

als doedelzakmuziek
de striemende leegte van de
Keltische nacht zal vullen

als de rivier zal zwellen
om het lentewater uit de greep
van het ijs te verlossen

dan zal hij komen
de man uit het noorden
om tekens te herscheppen
tot taal van de eenling

hij zal roepen de arend
hij zal kijken en wachten
met glashelder oog zal hij
de echo verkennen

daarna
zal hij gaan
overgeleverd aan de vlakte
een wit silhouet
dat een tweede geboorte
heeft ondergaan

 

 

 

 

 

 

 

 

Gedicht voor een vrouw

opgedragen aan Gabriella Demedts

 

Zozeer op elkaar gelijkend

zo vol van die pijn

van die hartstocht

waarin onze wereld zich uit

 

ieder gebaar een gebed

iedere harteklop een bezwering

een omzichtig tasten

van de een naar de ander

een samenvloeien van wezens

 

zo vol van die heilige wil

van die stuwende kracht

die ons bindt aan het licht

zo vol van die dauw

die ons maakt wat we zijn

 

en zeggen dat het bestaat

een vrouw die een vrouw

met amper wat lettertekens

zoveel warmte kan geven

zoveel liefelijkheid

zoveel genegenheid

 

 

 

 

 

 

 

ZAID

 

Hij had iets van riet

dat buigt doch niet breekt,

een lange slanke

donkere jongen

met tengere schouders.

 

Ik had er mijn armen,

omheen willen slaan,

hem innig omhelzen

had ik gewild,

hem verleiden

 

om ergens naar één of ander

Surinaams eethuis te gaan.

Ik liet het daarbij,

te zeer viel op
dat de jongen al man was.







Op weg naar Egidius



Ooit zal ik naar Egidius gaan,

zolang al roept hij mij.

Ik hoor hem... hoor hem

diep in mij.

 

Naar verre heuvels lokt hij mij,

naar dageraad,

naar blije bomen,

naar zomervogels' liefdesliederen,

met heel zijn wezen lokt hij mij.

 

Met volle teugen drinkt hij mij,

als lichte wijn,

als zoete honing,

hoe zacht vervloeien wij.

 

Ooit zal ik naar Egidius gaan,

naar zijn verblijf buiten de tijd,

zozeer ben ik hem al genaderd

dat ik hem overal herken,

buiten mijn stem,

binnen mijn woning.

 

In iedere grasspriet huivert hij,

met elke lichtstraal wenkt hij mij,

de volle stilte is hij mij,

Egidius, mijn oudste vader.

 

 

 

 

 

 

 

 

Amplitudes

 

Verbeiden het verre land
met zicht op zee
op boten
op kleine huizen

op eenvoudige dingen
die nooit binnendrongen
in het oude bestaan

zicht op de helling
op het jaagpad
op de golven

eindelijk één zijn
met grasspriet
met vuurvonk
met dauw

thuiskomen ergens
geen brieven meer schrijven
geen post meer ontvangen
 
gloeien als kleine vuurbol
in de avondwijdte

 

 

 

 

 

 

 

Verdrinken


Ik verdrink in mezelf

in mijn eigen kleine niets

in mijn zielig zelfbeklag

in pietluttig hartezeer

hoogste tijd om lucht te happen

ergens op een ouwe bank

of misschien een rondje toeren

op een nagelnieuwe fiets

hoogste tijd dat dacht ik al

om er zelf wat aan te doen

wellicht helpt een zonnebad

en een beetje koekeloeren







Perce-neige
 

 

O hemel wat een wonder
er valt wat licht op mij

dat kleine beetje zon
dat aan mijn bladgroen
sipperlipt

op proef me stelt
me weerbaar maakt

tot ik in 't diepste
van mijn wit
ga schitteren







Gedicht voor Adegem

 

 

Ik die de bomen heb beroerd

toen mijn verdriet nog jong

over de velden liep

op zoek naar wonderkruid

voor kleine wonden

de scharen van de ploeg

sneden mijn ogen open en langs

de scherpte van de zeis werd

weggemaaid de korte kindertijd

 

het koren groeide in mijn hart

zo diep dat ik aan stenen

soms bange vragen had

van stof en meel

waren de gouden dagen

dat wist de molenaar

die op de uitkijk stond

 

aan bloemen gaf ik water

doch op de rug van paarden

schuurde mijn tere huid

nog weet ik hoe ik vroeger

de aarde aan de lippen bracht

hoe ik dan rusteloos

het warme leven droomde

ver van het veilig nest

 

er was een dorp vol mensen

die naar me wuifden toen de wind

mijn eerste versje schreef

zo nu en dan hoor ik een stem

ik loop voorbij de Spanjaardshoek

en dan de straat de Calle

de laatste meters naar het huis

waar ik me wist geborgen

als kind van Adegem.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het karrenspoor ontgroeid

 

Ik ben te groot voor mijn geboortedorp.

Ik ben het karrenspoor ontgroeid,

de zomertarwe, de ligusterhagen,

het blauwbloem blonde vlas, de rapen

die ik at, de biezen die ik vlocht.
Ik ben te wijd geworden voor d’enge rok

die ik als bakvis droeg, te zwaar voor elke

gracht waarop ik 's winters gleed en zo

mijn rode kloefkens op hoogglans bracht.

 

Het kleine bos dat ik bezocht heeft mij

doen hunkeren naar het woud. Het

water van de beek heeft mij doen zoeken

naar de stroom en deze naar de bron.

 

Ik ben niet meer het kind dat graag

naar vlinders keek omdat hun vleugels

aan verten denken deden, niet meer de

speelse guit die iedereen lachen deed.
Ik ben te wijs geworden om in dit

dorp van mij dit deel van mij te zoeken

dat niet meer vindbaar is. Ik ben te oud

geworden om er in dood te gaan.

 

Doch ieder jaar opnieuw wanneer de

lente de sapgang van de bomen regelt,

herleef ook ik. Dan groet ik met een klein

gedicht de mensen van mijn dorp die mij,

na al die jaren, nog steeds genegen zijn.

 

 

 

 

 

 

 

Ommekeer


Gekiemd
in donkere aarde
het opschietend zaad
de levende vrucht

de koekoeksbloem lokt
naar haar blos
de vlammende vlinder

vluchtige dagen
verglijden
langs binnenrivieren
smeltwater nadert
het dal

geluid overal
het is te vroeg
om de dingen te klaren

 

 

 

 

 

 

Zeewind

 

Jaag me
jaag me omhoog

jaag me voorbij
aan de kropaar
aan de vangschors

laat me de plek zien
waar ik rots was
zand werd
korrel

toon me een duin
breng me naar zee
voer me huiswaarts

 

 

 

 

 

 

Groei

 

Soms is regen
niets anders
dan zingen van wind

bomen staan
naar de groei
van hun wortels
te kijken

scheutenschietende
scheppende
vaders

vertederde eiken

 

 

 

 

 

 

Gras tot maanlicht

 

Raak mij aan
behoedzaam
met een zucht

met wat lucht
uit frisse dalen
kom mij halen
kom tot mij

maanlicht
legt zich
op de halmen

warm en zachtjes
zingt het gras
aangeraakt
zichzelf vol nacht

 

 

 

 

 

 

 

Een moeder

 

 

Als een geschonden maan

viel ze heel traag

in één der vele geulen

zo lag ze daar

temidden van het licht

 

haar ogen bleven dicht

in de doodsbeenderboom

stak men de kaarsen aan

 

één voor de lach

waarmee ze had getoverd

één voor de pijn

die ze met trots omging

één voor het uur

van de herinnering

 

de aarde ruikt naar meel

de stenen pletten graan

een moeder wordt als brood

onder de levenden verdeeld

 

 

 

 

 

 

 

De roos


Er lag een winterroos
op de verharde weg,
onachtzaam overreden
lag ze daar half geplet.

Had iemand haar verwenst?
Haar woedend weggegooid?
Had ze zich losgerukt
uit het te nauw boeket?
 
Verschrompeld was ze niet.
Ze lag te vinden op de weg
waar een geschonden vrouw
zich over haar ontfermde.

 

 

 

 

 

 

 

 

Vaders nalatenschap

 

 

De meeste uren van de dag

sprak hij zwijgend zijn deel

geen jammerklacht noch zucht

zou zijn verweesdzijn helen

 

zijn taal ontroerde mij

want niet zijn mond

maar wel zijn ogen

leerden mij uit te spreken

niet uit te spreken leed

 

zo menig keer was hij gezeten

daar op die hoge til

de duif zat in zijn hand

hoe hij de pennen streek

hoe hij het kopke streelde

met zoveel kennis en geduld

met zoveel tederheid

 

ze liggen op mijn hand

de pennen van de dood

ik strijk ze glad ik denk aan wol

en hoe ze beeft in prikkeldraad







 

Boomtaal

 

Doe mij geen pijn
zegt de boom

bij snikhete zomers
zochten zwervers
en vogels
mijn schaduw

zogen het sap
uit mijn twijgen
braamstruik en distel
lieten ze staan

kerf in mijn schors
die verdorst
geen seizoenen
geen namen

 

 

 

 

 

 

Ode aan het paard

 


Wie ooit een paard zag staan,

stokstijf, tussen bamboe,

kent van de eenzaamheid

de hoefslag en de nagels.

 

Dwars door de huid zijn ze gegaan,

bij elke stap, bij elke draf,

een vreemde smid sloeg martelend,

in elke poot, in elke teen,

de gaten.

 

Verminking heet er een,

een ander heet ontbering,

verlatenheid, bezering; namen

die door de flanken schieten,

als kogels door de zon.

 

Een paard tussen bamboe, doodstil,

als er de wijde heuvels zijn,

de brede stranden en het bos,

het stromend water
en de bron, en de oneindigheid

 

 

 

 

 

 

 

Nounours

 

Omdat ik zo zacht ben
als beertje robijn
ben ik water genegen

af en toe
ga ik liggen
languit
op de rug
van mijn eigen
gezelligheid

dons in het hoofd
pluisjes regen

 

 

 

 

 

 

 

Tuinbank

 

Op mijn schoot
een kat
aan het ruiven

op de bank
een op rust
gestelde plant

op mijn haar
valt wit
van wat boven zit

tortelduiven

 

 

 

 

 

 

Katachtig


Tederheid rolt
van blad tot blad

gek als een tol
speels als een kat
tolt zij licht
als een pluim
op een bed van blaren

niets dan muziek
heeft zij
naar het schijnt
in het hoofd

zij wiegt en krolt
als regen en wind
in de bomen paren

 

 

 

 

 

 

 

Koeien

 


‘k Wou dat ik stond in een wei

tussen een kudde koeien

loeien zou ik met hen

en grazen en vieren

het heerlijk festijn van het gras.

‘k Wou dat ik een koe was

een rosse gevlekte

Bella zou ‘k heten,

‘k zou niet meer weten

dat ik ooit op een stoel zat

te dubben te tobben

mij af te vragen

wiens weide de groenste was.

‘k Wou dat ik niets zag dan gras

en wilde haver en rode klaver

en paardeogen

ja, menslief, dat moet het zijn

diep in die paardeogen

de kudde weerspiegeld zien

en me haasten naar huis toe.

 

 

 

 

 

 

 

Ontmoeting

 

Gerimpeld als een regendag
de schaal ontkropen
met de schade
van het gebroken ei
zo zag je haar
de allereerste
een kuiken
dat de plas doorwaadde
dat vele goede dingen zag
dat op je toeliep
kakelend

 

 

 

 

 

 

Verliefd


Laat me toveren vannacht

god als ik dat kan

kan die lekkende kraan

mij geen barst meer schelen

 

noch die tikkende klok

noch het krikkrakkend geluid

op het kiezelpad

rondom mijn huis

 

als ik dicht voor mijn lief

wil ik vuurwerk horen

donderslagen

tromgeroffel 

 

als ik denk aan mijn lief

kriebelt heel mijn gemoed

 

in mijn overmoed

wil ik poezen en wolken

en cactussen strelen

 

 

 

 

 

 

 

 

Zolang het maar regent

 

 

De regen kreeg het kwaad

hij zei dat zijn regenbooggodin

geen reden had van bestaan

 

dat ze zich krommen mocht

in zoveel bogen als ze maar wou

dat ze verkleuren mocht

tot er maar één kleur overbleef

namelijk asgrauw

 

dat ze zich mocht laven

aan wie weet welke druppel

maar niet aan die

zo kostbare van hem

 

over welke regen heb je het dan

vroeg zijn godin

toch niet over die zure waaraan

ik je ook zonder wolken herken

 

 

 

 

 

 



 

Kruimels

 

 

Veel had ik niet nodig, liefste,

een paar kruimels en

ik snapte toe als een hond,

een uitgehongerde,

honden eten brood, liefste,

wist je dat niet?

 

Vooral kruimels lusten ze graag

daar zijn ze gek op

hoe droger hoe liever,

van vel over been zijn en van

kwispelen als ze hun baasje zien

daar houden ze van;

honden zijn gek, lieverd.

 

Misschien is het je opgevallen

hoe ik vel over been ben,

zeg wel, vel over been.

Zo zie je mij het liefst zeg je?

 

Zo ver heb je mij gekregen

dat ik toehap

een gat in de lucht springend

met twee zwevende benen tegelijk.

Honden zijn gek, weet je.

 

 

 

 

 

 

 

Océanide

 

 

Zwemmen zou ik willen

met een zwemmer naast mij

wiens lichaamsbouw mij inspireert

om nog meer najade
me te voelen dan ik me nu al voel

 

het mag best een dolfijn zijn

zelfs een haai

maar dan liefst een blauwe

zoveel gevaarlijker nog

 

graag zou ik het willen wagen

onder water te gaan

met een dier dat ontzag inboezemt

door me ruggelings

naar boven te stuwen

 

mijn adem afsnijdend

van zodra vinnen en schubben

mijn ribben bestastend

mijn zeeschuim omwoelen

 

 

 

 

 

 

 

 

De man

 

 

Groot wil ik hem schrijven

de man

geen achterbakse

feministische trekjes

zetten mij daar toe aan

 

de man

door mij op handen gedragen

geraffineerd als ik ben

 

soms lig ik wakker

soms lig ik te zuchten

mijn lakens omwoelend

mijn eigen tekorten bevoelend

 

het slaapkamervenster wijdopen

de maan blijft er af en toe staan

 

nooit stijgt ze naar binnen

evenmin als degene

die met mijn tekorten

iets zou kunnen beginnen

 

 

 

 

 

 

 

De aanraking


Heel even trilden
de haartjes
op zijn rechterarm

toen ze haar hand
terugtrok
wist ze het

ze kwam er aan
de zoveelste vonk
waaraan niet
te ontsnappen viel

 

 

 

 

 

 

 

 

Salamanders


Wijl salamanders slapen
tussen stenen en stronken
ontdooit het ijs

straks worden ze wakker
ze zullen opstaan
elkander bevrijden
ze zullen bevolken de vijver
wandelen tot aan de sloot

ze zullen zuigen wind op
één zal haast sterven
de andere zal leren
waar schuil zich houden
hoé te ontkomen

een geweldige zomer de tijd
om tot stronken en stenen
terug te keren

 

 

 

 

 

 

 

Bruiloft


Watersalamanders
wat zijn we anders
wat zijn we niet
 

jij de verlokking
het waaierend wezen
teken gevend
met je blauwrode lint
alleen van op afstand
tot paring bereid
 

hoe ik ze vind
de vrucht die je uitstoot
ze aanraak met beide palmen
ze binnenvoer in de holte
waar ze woont
waar ze rijpt

hoe ontruimd zwem je
terwijl ik splijt
tussen etende algen

 

 

 

 

 

 

 

 

Als bomen

 

 

Wat dwarrelsneeuw lag op een tak

tijdens het nachtelijk uur

had hij zich daar verzameld

 

de bomen leken uitgeput

vroegen om zon

die eensklaps scheen

meteen verdween het zacht geweld

uit ons gezicht

 

met druppels poëzie en schuim

beroerden wij

elkaars ontknoppen

 

we stonden blank en bloot

vol tuinen hing de lucht

vol licht

op onze huid bloeide het mos

 

we leken op dit uur

bijna volkomen

 

 

 

 

 

 

 

 

Overgave

 

 

Elke parel zweet op jouw

donkere lichaam

verenigt zich met mijn

ontzettende dorst

 

iedere rimpel

elke plooi

iedere porie

proeft zout

 

neem mij liefste

aai mij

voel hoe je mij langzaam

uit het knellende pakijs

bevrijdt

 

laat het sneeuwen in mij

zachtjes nu

zachtjes

zachtjes

 

 

 

 

 

 

 

 

De beademing

 

 

Hoe je mij aanmaakt liefste

met je verzuchtingen

met je intens verlangen

dat een vuursprank gelijkt     

 

voel hoe ik vlam vat

bij het intieme ontwaken

dat bezit van mij neemt

terwijl ik bezit van je word

 

alle eelt op je huid

bezweer ik zalvend

elke rimpel wordt

gevangen gezet

 

virginaal laat ik me nemen

voel liefste het weke geven

de deining

het glijden

voel hoe jouw beademing

mijn uitputting wordt

 

 

 

 

 

 

 

 

Een bloedende maan

 

 

Mijn donkere vreemdeling

wie je ook mag zijn

kom binnen in mijn woning

laat dit huis van wachten

geen huis van verwonen worden

 

rood zal ik jouw dageraad kleuren

zo staat het sinds tijden geschreven

in de hand van hem

die de zon in zich heeft

 

geschonden zal ik worden

door hem aan wie ik mij overgeef

 

wegebben zal de vloed

angst zal als water vervloeien

het wier zal vergeten

dat het ooit uiteen werd gerukt

 

helderste spiegel van mijn zijn

weerspiegel de wonde ervan

 

 

 

 

 

 

 

 

Verzuchting

 

 

Mijn ongrijpbare wolk

trillen doe ik

als je mij doorweekt

als je mij ontsluit

 

mijn tropische regen

mijn nevelwonder

mijn melkweggezel

 

voel hoe ik sidder

als je binnendringt

in mijn hunkering

 

warm in jouw neerslag

word ik gewillig

jij die me kromt

tot ik regenboog ben

 

geniet mijn dorst

geniet mij

eer je verdrinkt

in mijn schittering

 

 

 

 

 

 

 

 

Paradijsvogels

 

 

Fluisterend aroma van

kamperfoelie en fayalobi

en mijn hart dat op barsten staat

 

en jouw vingers die zich verliezen

in mijn onaangeraakte diepten

en mijn handen die zich verbranden

aan die honger van jou

 

streel mij liefste streel mij

hoor hoe de slagregen nadert

voel hoe zijn doorbloede echo

ons uiteindelijk bevrijdt

 

kleine kreunende tak

van de shimambikiboom

meegesleurd door de waterval

 

en jij die me nam... meenam

naar het aards paradijs

 

 

 

 

 

 

 

 

Regen

 

 

Zo heb ik mij deze nacht gewenst

warm liefste warm

 

tot in het hart van de tropen