ODE AAN HET PAARD

anthologie


Iris Van de Casteele

verzamelde gedichten waarin het paard
voorkomt in verscheidene van mijn bundels

 

 

 

 

 

 

 

 

VICTOR JARA

 

 

 

 

LIED VOOR VICTOR JARA


Toen zong geen vogel meer
nergens draafde een paard
het groene veld waar duizend kelen
ooit vreugde hadden uitgeschreeuwd
hing nu vol leed.

Uit mensenkreten werden
die achternoen schakels gesmeed.
Voor lotgenoten
brak toen de dichter brood.

Voor wie ineengeslagen lag
voor wie de hoop aan scherven lag
zong hij zijn noten,
voor wie de dood als vriend gekomen
voor wie als broeder weggedragen
zong hij zijn lied. Hij zong voor velen.

Hij zong zo luid
dat hij erdoor zijn angst vergat,
hij zong zijn stem tot vuur.
Met afgehakte handen
zong hij het zwijgen de wereld uit.
Hij zong hij zong
hij bleef maar zingen.

’Wie aan de aarde raakt
haar ingewanden scheurt
haar kinderen vermoordt’
zo zong de dichter.

Doorboord van kogels,
geschonden en beroofd
van zang en noten
werd hij van eeuwigheid.

De schakels zijn gesmeed
het jonge gras groeit groen,
de wereld drinkt zich zat aan bloed,
aan tranen, aan rouw, aan dood.

Boven de wanhoop van de aarde
stijgt er een vogel op,
hij zingt en zingt
terwijl hij wonderen volbrengt.

Verminkt stijgt hij omhoog
de dichter.

Iris Van de Casteele - 1984

 

 

 

 

 

 

 

Naar de bron toe


Waar paarden nog naar de zon
mogen draven in wilde galop
witte vlekken langs de open rivier
ook zij ongetemd genietend hun vrijheid
langsheen de vele meanders met hun
monden die happen naar lucht

daar loopt de onzichtbare weg door
geen oog ooit gezien of herkend
loopt en loopt naar het water
één met de paarden en hun
gelukkig gehinnik één met hun
wapperende manen één met het geluid
en met het gestamp dat de grond
onder de hoeven daveren doet

de onzichtbare weg die zich nooit
verliest hoe de bliksem ook inslaat
hoe de paarden ook steigeren
wanneer door de hemel het lasso-
tuig zwiept of als een paard ervan
wordt verdacht de manade te mijden

de weg slingert zichzelf naar de bron
één met het woelige water
één met dat éne paard dat verwond
de laatste onmetelijke kracht uit zijn
flanken perst eer het sterft

 

 

 

 

 

 

Omtrent een klaproos


Iets in mij heeft mij vandaag coquelicot
genoemd, ik heb het duidelijk gehoord.
De klanken vielen als lauwe regendruppels
op mijn geschonden huid.
Ze overspoelden haar.

Ik heb niet terstond gedacht aan dood.
Noch aan oorlog, noch aan mijn vader
die hem als jonge man onderging.
Mijn vader. Hoe mis ik hem. Er kwam
nooit meer een man die me nooit
pijn zou doen.

Er was een stem die me coquelicot
heeft genoemd. Ze heeft mij genoemd
naar de meest kwetsbare bloem.
Hoe ik ook probeer haar terug te brengen
haar een gezicht te geven: ze deint weg.

Klank na klank word ik verlaten:
ik ben een geest, een verdwaalde,
die zich herinnert aan rood. Méér kan ik
uit deze trance niet halen,
tenzij een gekwetst naderend wit paard.




 

 

 

Polderland

 

‘t Is avond
‘t is heel stil in huis
het grasperk in de mist
doet denken aan een herfst
heel lang geleden
waarin datgene opging
wat ik sindsdien
het meeste mis:
bolders
het rinkelen van een fietsbel
geluid van paardenhoeven
op kasseien
de wind langsheen de vaart
die ‘t al uiteenwoei
stemmen
gebaren
gezichten

 

 

 

 

 

 

 

Zaaigoed


Gestadig
trekt het paard
de diepe voren
de aarde ademt
de bodem zwelt

in dit gezegend land
van lage lucht
gaat niets verloren

zaad dat gij zaaide
hoe groei ik nader u
in elke plant

als wintervrucht
zult gij mij oogsten
vader

 

 

 

 

 

 

 

 

Ode aan het paard



Wie ooit een paard zag staan,
stokstijf,
tussen bamboe,
kent van de eenzaamheid
de hoefslag en de nagels.

Dwars door de huid zijn ze gegaan,
bij elke stap, bij elke draf,
een vreemde smid sloeg martelend,
in elke poot, in elke teen,
de gaten:

verminking heet er een,
een ander heet ontbering,
verlatenheid, bezering; namen
die door de flanken schieten,
als kogels door de zon.

Een paard tussen bamboe,
doodstil,
als er de wijde heuvels zijn,
de brede stranden
en het bos,
het stromend water en de bron,
en de oneindigheid

 

 

 

 

 

 

 

Oud-strijder 1914-1918


Soms stijgt een droefheid op
wit als was
wit als de manen van het paard
waar jij van afgeworpen werd

een edel dier dat opgeschrikt
zijn dood voor ogen zag
toen de kannonnen bulderden
toen kogels trafen

veel meer dan een gebroken voet
hield jij er niet aan over
maar dat je paard naast jou lag
en jij zijn ogen breken zag

die droefheid bleef
daarvan genas je niet


 

 

 

 

 

Vereeuwigd


Extra largos
stond op het doosje

honderd fosfoortjes
voor wie weet
hoeveel vuur

afgebeeld op het doosje
een caballo rojo
een rood paard

een paard in galop
vereeuwigd
als gedeponeerd merk

 

 

 

 

 

 

 

Het verschil


Samengeperst in het doosje
honderd lucifers
allemaal eender
in hun bleke hout

allemaal dezelfde sukkels
die onaangeraakt
geen vuur kunnen vatten

allemaal identiek
in hun kortstondig bestaan

weg van de fosfoortjes
galoppeert op het doosje
het vuurrode paard

 

 

 

 

 

 

Zonnevlucht



Het gejuich van de zon
schoorvoetend
schuivend
eensklaps lopend
schuifelend van licht
langsheen de middaglijn
rechtop zoals een paard
dat zwetend
naar de eindstreep draaft
nog even zwenken
dieper duikend
vlak bij de kim
een vlekje rood:
een stipje dood
om weg te wuiven


 

 

 

 

 

Chimère



Zwevend glazen paard
dat wit als porselein
mij naar de verte voert
schrik niet van het geklop
dat uit mijn vingertoppen
vanuit mijn boezem komt
breekbaar je te weten
ontneemt me alle rust
zelfs wanneer je zacht als sneeuw
over mijn blauwe velden rijdt
komt geen vergeten
naderend het licht
hoor ik snavels breken

 

 

 

 

 

 

 

Rilling



Sneeuw graaft zich in
rillende paarden
voelen hoe schuin
uit de hemel hij valt

op winterse weiden
liggen zij rug aan rug
de poten verlamd

het zijdelings brekende bruin
heeft geen vat
op het wit van hun ogen

 

 

 

 

 

 

 

Hooikoorts
  


Er zijn soms dagen
dat ik hooi verzin

een warme stal
en witte manen

alleen het paard
wil nog het beeld
niet in

 

 

 

 

 

 

 

Kindertijd

 


Voorbij Cromwege lag er een kleine wei

daarachter een stuk land vol keien

waarin ik onkruid wiedde op blote knieën.

Hoog groeide er de rogge en om het jaar

bloeide er ook de taaie boekweitplant.

 

Wat verderop het erf, de mesthoop,

de waterpomp, het moegewerkte paard

en een paar koeien waaronder Bles

die ik nooit meer vergat.

 

Hoe ik haar wachten ging tot ze op zekere

dag mij naar de klaver trok, hals over kop,

zij ogend naar het groen gewas

ik hangend aan het zeel

zij sleurend mij over de brede sloot.

 

Soms lag ik heel alleen op een verhoogde

berm, een kleine heuvel, negen was ik.

Toen zou het muzikaal gehoor voor alles

wat zich voortbewoog ver van de huizen

zich nestelen in mij.

 

Ik hield van tonen:

getsjirp van krekels in het gras,

het roekoeken van tortelduiven,

en het gepiep van muizen

in het vertrouwde karrenspoor.




 

 

 

Bloemen mooi vertrapt


Mooi gescheiden liggen wij

op de rug

zij aan zij

om elkanders dood te treuren

alles hebben we gehad

watervallen

regenbuien

dondervlagen

paardezoenen

bladluizen

en jaargetallen

zonnedagen niet genoeg

om maar even op te fleuren

 




 

 

 

Praten met Francine


Jij met je tederheid

van toen je tien

jij met het bange hart

jij duizelt van de zon

het bosje blauw

dat licht verkleurt

doet je vertwijfelen

je sluit je af

je nipt aan wijn

je kromt de dagen

je krimpt in spijt

wees zomervrouw

vergeet de tijd

draaf als een paard

wees driest en steiger

 

 

 

 

 

 

 

De slakken slijmen


Het is nog niet voorbij

er laait nog vuur

achter de bergen

nog schiet het hout in brand

als paarden draven

nog breekt de zon

de poorten open

de muren blaken

de nanoen

zindert in de lucht

de slakken slijmen

de tonderzwam verschroeit

wie zal de dorst

der vrouwen laven

 

 

 

 

 

 

 

Sprookje in blauw


Ooit had ik een paardje

het liep langs de wegen

het draafde het trok

het trok voort de wagen

hoe blauw was mijn paardje

en de wagen hoe blauw

en de druiven en de bergen

heel onze wereld was blauw

mijn paardje kreeg vleugels

ging vliegen

ver over de bergen

ik vierde de teugels

dronk druivensap

mijn paardje dronk wolken

we waren blauw

blauwer dan blauw

we waren onbeschrijfelijk

verrukkelijk blauw

we waren blauwdronken

mijn paardje en ik

 

 

 

 

 

 

 

Tendrement vôtre


Quand les chardons seront aimés
quand les broussailles
pourront venir à bout du feu
sans y laisser toutes leurs épines

je sortirai de mon recoin
pour embrasser le foin
un merle ou un hibou
et j'aurai un cheval qui sautera
au-dessus des flammes
pour faire briller mes yeux

quand les chardons seront aimés
et que ma peau s'engouera
de ton baiser d'oiseau...
laisse-moi rêver
laisse-moi rêver

 

 

 

 

 

 

 

Tijdsgeest


Er is geen liefde meer

we moeten ersatz kopen

en zwijgen als een graf

we slapen naast een beer in bed

we kopen zelfs een jachtgeweer

om vreemden te verjagen

we mijden als de pest

het eigen ras

we slaan de paarden dood

we eten worst met hopen

maken miljoenen koeien ziek

hen voederend met slachtafval

we zitten zielig in een hoek

van onze zelfgemaakte kooi

als volgzaam vee

en helpen mee

de mestvaalt op te hopen


 

 

 

 

 

Haiki


het dampende paard

kent van aarde de honger

naar zaaier en zaad

 

 

het paard trekt de ploeg.

de boer stapt krom in de voor

recht naar de winter

 

 

hoefslag van paarden

ooit van ver goed te horen

de tijd verzwolg hem



het paard deed zijn best

er liggen zeven vijgen

tien mussen vechten

 

 

merels ontbijten

vlak naast de rode beukhaag
een paard kwam voorbij

 

 

 

het paard sloeg op hol

bang van het bonkend geluid

van zijn eigen hoef.

 

 

de boer naast de kar

één teugel strak in de hand

luistert naar het paard

 

 

 

 

 

 

 

Het blinde paard


Het bracht alles terug wat bijna vergeten was:
zijn jeugdige vreugde, zijn luidruchtig gehinnik,
zijn sprongen als veulen over het hek:
jong was het toen, destijds toen alles was groen.

De wereld verkennen wou het, bergen beklimmen,
de top bereiken, geen zweepgeknal hield het tegen,
geen modder, geen ravijn. Hoe ook het zich
stootte aan stenen, aan hoeveel bramen en distels
het zich ook zou schuren, het was vrij:
in die vrijheid lag de betekenis van zijn bestaan.

Na het prille groen kwam de zomer, later de herfst,
dan nog veel later zijn levenswinter
die ongewoon lang op zich wachten liet.
Veel seizoenen waren voorbijgegaan, veel hitte
en koude had het doorstaan, vooral dorst had het
gekend; kweldorst die nooit van zijn zijde week.

Later zou het uit de bergen verdwijnen, blind
en verlaten, voor aasgieren een gemakkelijke prooi.
Daar hielp geen verpozen, geen water, geen gras.

Daar hielp zelfs geen sneeuwtop die ooit zo
verlokkelijk was. Niets was er dan duisternis.