WATERVAL.bmp

                                                                                  Paraguay - Yguazu    

 

 

 

WATERGEKLATER


gedichten en andere
interessante dingen

 

 

Océanide

 

 

Zwemmen zou ik willen

met een zwemmer naast mij

wiens lichaamsbouw mij inspireert

om nog meer najade
me te voelen dan ik me nu al voel

 

het mag best een dolfijn zijn

zelfs een haai

maar dan liefst een blauwe

zoveel gevaarlijker nog

 

graag zou ik het willen wagen

onder water te gaan

met een dier dat ontzag inboezemt

door me ruggelings

naar boven te stuwen

 

mijn adem afsnijdend

van zodra vinnen en schubben

mijn ribben bestastend

mijn zeeschuim omwoelen

 

 

 

 

 

Zolang het maar regent

 

 

De regen kreeg het kwaad

hij zei dat zijn regenbooggodin

geen reden had van bestaan

 

dat ze zich krommen mocht

in zoveel bogen als ze maar wou

dat ze verkleuren mocht

tot er maar één kleur van haar

overbleef

namelijk asgrauw

 

dat ze zich mocht laven

aan wie weet welke druppel

maar niet aan die

zo kostbare van hem

 

over welke regen heb je het dan

vroeg zijn godin

toch niet over die zure waaraan

ik je ook zonder wolken herken

 

 

 

 

 

 

Waterstenen


Steen onder water jij

ik water over steen

 

of soms ook omgekeerd

al naargelang de breuk

van ebbe en van vloed

wat telt is overleven

 

steen onder water ik

jij water over steen

 

 

 

 

 

 

Regenlitanie

 

Vrijgevig wentelt het water
zich in bochten
zoals een vrouw doet
die de slaap niet kan vatten

zoveel rivier
zoveel water

niet één druppel regen
die de huid verkent
die zich haar eigen maakt

die de abyssale plek verkent
waar wat wacht moet gewekt

regenlitanie van een amoebe
die zich aansluit
bij de klaagzang van spermaceti

 

 

 

 

 

Mannelijke muzen

 

 

Ze hangen boven je hoofd

als ongeluksbuien

je herkent ze aan de glans waardoor

je een moment lang wordt verlicht

je weet het
duren zal het slechts even

 

niet te tellen dagen vooraf
voel je ze aankomen
je ondergaat hun magnetische stralen

voor de zoveelste keer is het kantje boord

 

dan duikt van ergens een hommel op

een rosse kater bijt in een papyrusstengel

een vlinder neemt bezit van je grote teen

één die al lang te kriebelen zat op een plek

waar geen wonder meer te verwachten is

 

je stoft het ongeluk van je af

je springt een gat in het wolkendek

er komt in de verte een man op je af

 

 

 

 

 

 

Pootje baden

 

Ik zag een steen een heet
geblakerde zijn

tenen in het water steken

 

de golven zwollen aan

de wolken dreven voort

naar wat ik dacht te zijn

een leeg te drinken bron

 

doch ik bleef achter

turend naar elke teen

mijn toegeknepen tenen

die in het zilte water

zichzelf bijna versmachtten

 

het lief dat ik verwachtte

daagde niet op

misschien vond hij een steen

met nog veel langere tenen

waarmee hij spelen kon.

 

 

 

 

 

GEK VAN WATER

 

"Zuinig met water"

Alle hersenen gespoeld?

Wie durft nog koken?

Een struik vol knoppen.

Een regenton vol water.

Kan zoiets duren?

Een volle week sneeuw.

Dan een volle maand regen.

Drinkwater genoeg.

Uit de regenton

twaalf emmers water geput.

Het kan niet meer op.

Wie water liefheeft

zal een regenton kopen.

Kon ze maar lopen.

Werken is gezond.

Naarmate ik water sleep

neemt mijn bochel toe.

Ook mijn man schrikt op:

Wat moet dit emmergesleur

terwijl ik harp speel?

Relativeren:

hoe meer water ik ophaal

hoe leger de ton.

Sparen is plezant.

Naarmate ik water sjouw

neemt mijn adem af.

De tuin groeit groter

door sjouwen met de emmers

mijn armen langer.

Even pauseren.

Even uit het hoofd bannen

deze bloemendorst.

Een druppel water

is tijdens zijn val gegroeid.

Hij kreeg meer lengte.

Op het laurierblad

viel een dikke drop regen.

Hij werd meegekookt.

De goudvis verzorgd.

De regenton uitgekuist

op haar kop gezet.

De nacht mag komen

alle taken zijn vervuld.

Heeft iemand nog dorst?

Voor het slapengaan

nog even de lucht geproefd.

Ha, toch geen regen?
 

Vroege morgenzon.

Zonder één regenwolkje

het moeten stellen...

Wat een heerlijk zicht

een regenton op haar kop

die zon zal vangen.

Heldere luchten.

Zou die vogel verdorsten

naast de regenton?

Geen regen gezien

Al lang geen emmers gesjouwd.

Van water gedroomd.

Bevrijd van water.

Bevrijd van die grote dorst

naar watersparen.

Aan het venster gestaan,

de zon de rug toegekeerd.

Wat doet het hem goed.

De weervrouw zei het:

sneeuwvlokken dienen zich aan.

Ze zei niet bij wie.

Aan de telefoon

een stem die van water sprak,

dat niet betaald was.

Vergissing in 't spel

die hoge waterfaktuur?

Kwam er maar regen.
 

Vlak naast het afdak

Een bomvolle regenton:

betaalbaar water.

Sparen en sparen

aan alles wat water heet;

zelfs aan mijn tranen.

Geweldig die sneeuw,

eindelijk verlost van dorst:

een vlok op mijn tong.

Bijna krom gewerkt

mijn bijna versleten rug

van al dat water.

Dromen is werken

vooral als je een zee droomt

die je moet legen.

Je moet het maar doen;

een polderboer vertellen

dat zijn koe verdrinkt.

Geen water morsen.

Alle mengkranen dicht nu.

Elders gaan baden.

Té laat komt berouw.

Daarnet nog weggegoten

een half glas water
 

De afwas gedaan.

De wijnglazen bleven staan:

waarmee spoel ik ze?
 

Het bezoek is weg.

Hoe spoel ik de glazen rein?

Met liters porto?

Hier lijdt niemand dorst.

Zelfs de kat wil geen water,

ze houdt het bij melk.

Fijn badewater

allemaal in die afloop

die nooit danke zegt.

Nog omtrent water:

het kan verdomd hard lopen

waar het geen weg weet.

Ze kijken me aan

alsof ik een regenbui:

dorstige bloemen.

Is 't vochtig genoeg?

Is het kelkje niet té vol?

Ach, arme bloemen.

Een emmer viel om.

Alsof dit niet voldoende:

water in mijn schoen.

Wat doe je ermee,

met dat water in je schoen?

Niet opdrinken, hé?

Spuitwater gekocht.

De hersens ermee gespoeld.

Vlug naar de dokter.

Heb je ergens pijn?

Wil je soms een slok water?

Mijn handen jeuken...

Even proberen

tussen droppels te lopen

op de witte lijn.

Nee, wijn dronk ik niet.

Het is mijn enorm verdriet

om al dat water.

De dokter begrijpt:

"een enorme waterrat

dát denk je te zijn".

Ach, al die tranen

die je nutteloos vergiet:

de zee loopt over.

Eén goede raad nog:

kijk uit naar 'n psychiater

die veel water drinkt.

Een gebarsten ton.

Emmers de rug toegekeerd.

De kraan mag open.

Een té lang verhaal:

zich inleven in water

en er wég van zijn.





 

Zeemansliedje


De barst in de kop

de bellende honden

de blauw-blauwe zee

wie vaart mee

naar punta del este

 

het gat in de goot

de regendrop tikt

altijd voort

 

wie vaart mee

naar amersfoort

land bezeilen

wind in de zeilen

zeemijlen bijwijlen

zeezout

 

de barst is er nog

de bellende honden

de blauw-blauwe zee

ahoi vaar je mee?



 

 

 

 

Klaterwater


Water water
liever dan vis
ben je mij
in elk van jouw
gedaanten
herken ik jou
dauw dauw
kom toch gauw
dorst heb ik
naar jou
druppels
wil ik drinken
regen van mij
wees nevel mij
benevel mij

 

 

 

 

 

Er moeten nog bergen vol water komen

(opgedragen aan Nel Veerman)

 

Hoe helder wordt het mij

van zo nabij je eindelijk te zien

de vlam te zien het dieptevuur

het ruisen horen van de boom

van water ook waarin de vis

op adem is gekomen

 

ben jij het werkelijk

jij die door angst belaagd

jezelf bevrijden moest

jij die het vuur verspreidde van

gods taal dat je gelouterd heeft

hoe helder is het mij

je zo nabij te zien

 

van krekels ken ik het verhaal

van uit het nest verjaagde vogels ook

van winterbos en kreupelhout

maar ook van sneeuw en bergen blauw

van licht dat uit de gaarden vloeit

van weiland vol van paardebloemen

 

ik zocht je in de zachte mist

ik vond je in de kentering

als moessonregen ging je in me over

 

 

 

 

 

 

 

HET TENEN MANDJE

voor Agnes De Bruyn

 

Sleutelbloemen, zei ze.

De naam riep iets wakker.

Sikkimensis. Dorst naar iets.

Naar de top. Naar sneeuw.

 

Een eeuw leek het dat ik haar kende.

We lazen gedichten. Zinnen die

we halveerden. Een woord verdween.

Een ander ving aan te ademen:

een bloem die zich laafde

aan het zuiverste water.

 

Smeltwater. Winterzon...

Eer ik haar woning verliet toonde ze

mij het tenen mandje waarin

de primula in bloei stond.

Dorst, dacht ik, hebben we allebei.


Morgen geeft ze de bloemen weer water.

Morgen schrijft ze een vers over een zee-

man, een mistige morgen, een roos in bot.

Doch dat ík een gedicht zou schrijven
over haar; over het tenen mandje
waarin de primula sikkimensis
mijn hevigste hunker vertaalde,

wist ik toen niet.

 

 

 

 

 

 

DE BOOTTOCHT
opgedragen aan Karel Wasch

 

 

Alsof al het water zich verzameld had om die
ene boot naar zijn bestemming te brengen
zo vol leken de grachten. Er was geen geluid te
horen dat aan beukende golven denken deed.

 

Zeven bogen zou hij passeren. Zeven bruggen
met elk een boog. Daarna gleed hij onder vele
bruggen waarbij één heel bijzonder terwijl haar
begeleider het over een oude gevangenis had.

 

Af en toe scheerde een meeuw zich weg om
later opnieuw op te duiken alsof ze wist wat er
omging in de peinzende hoofden. De boot,
het water, de meeuw als geheel. Het hoorde zo.

 

Later zaten twee mensen samen en aten. Zij wou
niets liever dan de stilte omarmen. Hij ze horen.

Tenslotte zwegen ze allebei. En het was goed zo.

 

Een spreeuw kwam zitten precies op de plek waar
haar blikken vertoefden. Een mannetjesduif zocht
naar voedsel. Eén na één liet ze de kruimels vallen.

Hij pikte ze op. Aangemeerd lag de boot.

 

Een trein vertrok in een vreemd station. Eén van
beiden die hem nam. Eén van hen bleef achter.

Toen pas liet de avondzon haar betovering glijden
langs hoge museumramen waarin glas-in-lood

 

 

 

 

 

 

Waterval

 

 

Hoe wil je dat ik je noem

dierbaarste deel van mij

 

vele liefkozende namen

heb ik je gegeven

ze gefluisterd

ze soms gepreveld

 

waterval heb ik je genoemd

klaterend was je in mij

aanwezig

 

zelfs toen we zwegen

 

 

 

 

 

 

Jij en je schemerduister

 

 

Hoe kon je regen verwarren

met water

je luisterde niet toen ik hem

als veelslachtig bezong

 

toen ik hem nevel noemde

dacht je dat ik het over

een herfstlandschap had

 

toen ik druppel zei

keek je niet op

 

je noemde het zelfbeklag

toen ik het over de maan had

die aan het leegbloeden was

 

het verraste mij niet

je had al altijd het hoofd

in de wolken

 

 

 

 

 

 

Stofregen

 

 

Altijd zal ik als vanachter

een wolk verschijnen

wanneer ik een waterval zie

 

zijn nooit aflatend geklater

past wonderwel in 

ons eigen mythisch verhaal

 

ik zag er gisteren één

zo onbeschrijfelijk helder

mij zo nabij

dat ik door zijn stofregen

gegrepen

opnieuw werd geïnitieerd

 

opnieuw glanzen kon

zodat ik scheen

zoals ik scheen toen jij mij

levende regenboog wist






 

 

 

 

Sirène celtique


Toen haar vingertoppen

uiteindelijk de gesloten

lippen van de maan

konden bevoelen

opende zich haar zee

als een wondere schelp

het wier liet zich drijven

het schuim was naakter

dan het verhevigde licht

dat zich een weg zocht

tussen de vele meanders

vissen hervonden hun spraak

communiceerden met elkaar

vertelden hoe ze

gemetamorfoseerd

meehielpen aan haar ontstaan

ze heeft haar vinnen bewogen

ze heeft haar schubben

van zich afgeschud ze heeft

gewacht tot iemand in haar

de vrouw zou herkennen

maar er was niemand

niemand

 

 

 

 


Une folle histoire

(opgedragen aan Dirk van Babylon)

 

Als een regenbui overviel het mij

als een donderslag bij heldere hemel

als een komeet die de ruimte inschiet

 

véél meer van die dingen nog

nog veel meer vallen er te vertellen

 

van hoe je opeens jezelf niet meer bent

van hoe je kriebels krijgt van de slappe lach

van hoe je vergeet de sla op te dienen

van hoe je port drinkt alsof het puur water

 

er gebeurt iets

in je leven gebeurt er iets

in je leven gebeurt er eindelijk iets

zoeken jullie maar uit wat het is

ik houd intussen mijn hart vast

 

Alle gedichten: Iris Van de Casteele

 

 


RONDREIS VAN EEN DRUPPEL WATER


Daar dobber je dan.

Als druppel in de zee.

 

Je doet je eigen ding, je bemoeit je nergens mee. Onschuldig en onbewust drijf je temidden van nog vele andere onschuldigen en onbewusten.

Plots voel je dat er aan je getrokken wordt. Je begint te bewegen. Omhoog ga je. De lucht zuigt je omhoog. Aangename warmte maakt je suf en doezelig. Hoger en hoger ga je met om je heen meer druppels die suf en doezelig omhoog zweven. Getild door warme lucht, aangenaam en vriendelijk, laat je je meeglijden op deze stroom lucht.
Je zweeft een richting op, waarheen weet je niet. Het interesseert je ook niet. Het is zo warm en aangenaam.

Hoger en hoger. Tot de aangename warmte afneemt.

Fris wordt het. Koud. Nog kouder. Je bibbert, je buitenkant wordt omringd door telkens koudere lucht, die steeds meer prikt als naalden. Je voelt ijs opdringen, van buiten naar binnen, tot je niets meer voelt.

Bevroren. Bevroren en zwaar. Te zwaar als het laagje ijs dikker en dikker wordt.
Dan kan de lucht je niet meer dragen. Je gaat vallen. De snerpend koude lucht, ijl en dun, duwt je harder en sneller naar beneden, naar de aarde. De aarde trekt aan je ijzige staat van zijn.

Je valt en valt, met steeds grotere snelheid, maar je voelt niets. Je verkeert in een ijzige stase.
De aarde komt snel dichtbij, je valt en valt. De koude wordt opgeslurpt door warmer wordende lucht zodra je dichterbij de aarde komt.
Je buitenkant wordt zachter. Het ijs wijkt. Contouren worden scherper en je zijn wordt hersteld. Je bent weer een druppel, tussen druppels.

Onschuldig en onbewust val je naar moeder aarde die lonkt met een kracht die je niet kan weerstaan. Een groen grasveld komt dichterbij, omringd door grijze wegen. Boven je maken de vele druppels warm en koud de lucht grauw en donker. Langs één zo'n grijze weg sta ik. Onbewust van de druppel die onschuldig en onbewust van zichzelf naderbij komt.

Met fiere snelheid kletter je op mijn schouder uit elkaar. Onbewust. Een druppel op mijn schouder die uiteen spat. Deeltjes van jouw zijn landen op de grond, gereed om terug te keren naar je oorsprong. Gereed om deel te zijn van de cirkel die leven heet. Onbewust betrek je mij in jouw levenscirkel.

 

Ik, die nergens erg in had en probeer te schuilen voor al die druppels van boven.

 

Pat Odendaals
http://www.odendaals.nl/odendaals

 

 

 

 

 


Pisac - Perú – 1997

Foto : Jorge Pousa

 

 

 

 

Una mujer desciende la calle

cargada de sus recipientes vacíos.

Nadie sabe cuánto le costará

de volver a subir con el agua.

Nadie le pregunta si tiene sed.

                   °°°


Een vrouw daalt de straat af

bepakt met haar lege recipiënten.

Niemand weet hoe zwaar het water

weegt dat ze naar boven zal torsen.

Niemand vraagt of ze dorst heeft.

                   
°°°

                
Une femme descend la rue

chargée de ses récipients vides.

Nul ne sait combien ça lui coûtera

de remonter avec l'eau.

Nul ne lui demande si elle a soif.



NIEMAND WEET HOE ZWAAR HET WATER WEEGT

 

Dit is één zin uit één van de gedichten uit het lees- en kijkboek CHE.
Inderdaad, niemand weet hoe zwaar het water weegt.... Dat is zowat het niet nader bij naam genoemde onrecht dat als een rode draad loopt doorheen de gedichten van Iris Van de Casteele en de fotos’s van Jorge Pousa.

Toch is de bundel CHE geen politiek pamflet, geen rechtstreekse aanklacht, maar een duidelijke vingerwijzing: zie de mens en wat gij hem aandoet..

 

Misschien - en dat zijn de vragen die tot ons worden opgeroepen - hebben sommige groeperingen wel gelijk als ze beweren dat onze luxe gebouwd is op de fundamenten van de structurele ellende van anderen. Misschien moeten we straks niet enkel economisch bewust worden, maar ook ethische consumenten zijn, die zichzelf de vraag stellen of we wel goed bezig zijn en hoelang we op deze ingeslagen weg -deze door winstbejag voorgeschreven route waar wij allemaal mee van profiteren- nog willen volgen.

 

Deze bundel krijgt door deze specifieke benadering daarom ook iets universeels, omdat dezelfde taferelen zich niet uitsluitend in Zuid-Amerika afspelen, maar evenzeer in Zuid Oost Azië en Afrika. De boodschap die schuilgaat achter elk van deze gedichten, is er geen van revolte, maar een terechte vraag naar bevrijding; het willen afwerpen van dit juk van sociale en economische onderdrukking, het weg willen uit dit keurslijf van gedwongen armoede.

 

CHE is een bundel geworden om te lezen én te bekijken.
De prachtige foto’s van Jorge Pousa onderstrepen woordeloos verzet, de onderhuidse strijd voor bevrijding, de drang naar een wat meer menswaardig bestaan. Slechts bij toeval is -net zoals in de gedichten- de figuur van Ernesto Che Guevara bijna overal aanwezig, als een symbool van vrijheidsdrang. Een symbool van hoop van mensen: dat diegenen die zich als bevrijder van hun volk opwerpen niet langer monddood worden gemaakt. Dat de moeders op de Plaza de Mayo niet langer voor gek worden aanzien, omdat ze de aandacht trekken door steeds opnieuw opheldering te vragen naar de verblijf- of begraafplaats van hun kinderen die verduisterd zijn.

 

Elke foto wordt een stukje poëzie, elk gedicht een waarheidsgetrouwe foto, kortom: een beklijvende en bijwijlen beangstigende symbiose, waarin de foto’s spreken over wat de woorden verzwijgen en vice versa. De gedichten worden niet zoals gebruikelijk op een kier gezet, maar gooien de woorden open, plaatsen punten en komma’s bij het beeld dat ons wordt aangereikt, laten geen ruimte voor verbeelding of interpretatie. Dit is rauw-realisme, een nieuw facet in de poëzie van Iris, waarvan de hoeken geen afronding behoeven, tenzij dan in misschien een enkele glimlach of de felle kleuren die de beelden op ons netvlies achterlaten. En met ditzelfde felheid van kleuren worden de woorden op de lezer losgelaten, net genoeg, nooit teveel. De foto’s en gedichten spreken in op het geweten van elk van ons, maken in ons de mens wakker.

 

Iris VAN DE CASTEELE en Jorge POUSA zijn er met de bundel CHE in geslaagd om in te spelen op de actualiteit, waarin steeds meer mensen schreeuwen om een betere wereld, waarin anti-globalisten (met deze wetenschap in het achterhoofd) ijveren voor een andere economie.

Als de wereld weent, is het de taak van de dichter om daar op in te spelen. De fotograaf toont zijn beelden, de dichteres neemt haar pen ter hand en beiden klagen ze aan, met een precisie zoals die enkel van mensen van een dergelijk niveau kan verwacht worden. Che leeft!

Eddy Timmermans

 

 

 

 

DE AFDALING VAN DE REGEN


ik ben water van regen
ik ben water
ik ben regen

door een gat in mijn hoofd
sijpelt regen

ik ben de verwaterde

regen, val scheef
door het licht, door het gericht
van mijn ogen. hang regenvanen
uit mijn toren

veel ogen heeft de regen
veel oren heeft de regen

de regen hoort alwie
luistert naar regen
zittend onder de poort
van de regen

ik ben dronken van goden
ik ben dronken van regen

spreek tot mij schemering, spreek

naderen hoor ik je
achter de wegkromming nabij
het tuinhuis, opspringend in
mijn gehoorbuis

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

trommelregen, oude woudregen
regen die komt na het leven,
regen van vóór de geboorte

oor, hoor
de doodsregen

naaldfijne hakken van regen
stadsregen, straatstenenregen
zedeprekerregen die steden
tegenspreekt

regen die zegt
nee

regen, op je harp spelend
boven zee, boven pijnboom-meren
boven bontgerokt vee

ijzeren regen, spoorstaven
regen, vertrekkende regen,

aankomende regen
die signalen onkenbaar maakt,

stationsklokken opjaagt
overkappingen weergalmen laat

maak, regen, geluk
tot een zitplaats aan het raam

maak ogen onuitputtelijk
zing lof onophoudelijk

spring over sprinkhanen
haal hazen in, laat vogels
rondedansen maken
kraai mee met morgenhanen

ontmaak mij, sla mij
genadig, sla mij met je naam
maak mij tot je renpaard
ga met mij, nachtraaf

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

in putten waaiende
druppelregen, hinkende regen,
regen die kantwerk maakt
van zwaluwen

geef mij schuinte van sleepsterren
geeft mij schuine getallen, geef mij
spiegelende karresporen, snikkende
slikregens van dennen

maak mij kraai, maak mij
uitzinnig, maak mij glinsterend
van blijdschap, laat mij zitten
onder hazelaren waar ik
tussen varens mij
inspin

maak mij dorpser dan dorsvloeren,

maak mij
stichtelijker dan kerkportalen,

maak mij
krommer dan kromhorens, geef mij
kwader gesternte

verschoppeling regen, maak mij
zwerfregen, maak mij zwerfsteen
lange akker, kronkelig
lopende steenweg waar overheen
eenhoorns snellen

dakloze regen
regen met bittere armen, met gebogen
knieholte, maak mij
een verweesde

geef mij jouw voetzool
dat ik dool tussen
kikvors en eendekroos

regen, je vioolsnaren
zijn van zilver, je garen
wind je af van
oude klossen

je speelsnaar is
van korstmossen

muisgrijze regen, liever dan
over appels en rozen loop je
over kevers

sta je langer stil
bij distels, val je dieper
in sneeuw

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

ga struikgewas binnen, hang
er druppels, ga bukkend
onder lijsterbessen
de schemering binnen,
langs slingerende
paden, gele lissen waar mossen
de enkels vinden
van vlinders

prevelaar in de waterput met
ijzersmaak in je praatmond: hoor je
het plonzen van de roerdomp,
de gelukkig
slurpende oerbron

haak regenhaken
in mij, vang mij,
spartelende vis, berg mij
in je groot visnet

bind rond mijn lichaam je wikkels
wikkel in pijn mij in

maak mij tot een waaiende
reiger, die de ruimte van de hemel
met zijn vleugels vult

zit aan mijn tafel:
brood van tranen, aardappelen
van schaamte, schaduw
van vlees

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

nederige regen, glinster
minder dan
bliksem

grasregen, glansregen
maak van de wereld as, maak
er misgewas van

bittere boze regen, stamp
op het asfalt
van de stad die jou niet
overleven zal

maak donker het zilver,
dring ijzer binnen
maak blinder het bestek, jij
ooglichtbezerende

regen, engel die de lippen
losser maakt, vleugels van
zwaluwen lichter

laat mij springen
als een vis boven het water,
maak mij
kleiner en
verbaasder

tik tegen het glas
van de maan, laat het tikken
in de straat mij
slapen en waken en slapen

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

open de kamers van rouw
ga er binnen, haal de oogst
van het rijke verdriet
eindelijk binnen

sluip in het oog
van de dagpauw

sla feller tegen de windvaan,
koppel de bergen los
van hun hengsels en stort
hen in zee

klop de geest
uit het donker los, klop
het donker los uit het nachtbos, gorgel
in de mond van de bronnen

kir als een nachtegaal
in waterklokken

stotter in keelholten, bloos
in het bleekste

regen
maak mij een vlot
maak mij zee

ga met de wandelaar, laat hem
jouw dwars pad gaan, veldwegen vol
zoete dwalingen

laat hem op toppen
van windvlagen winters
en alleen staan

kroon hem, beroof hem
van slijm en leem

zwijgregen in
nazomerdagen als oogharen
trillen gaan, poorten zich openen
naar het najaar

augustusregen, alle dagen
een andere hooinaam

nader trappelend
met de hoef van het paard
de boomgaard, sla de zwaarden
uit zijn hand, maak zijn zwaarte
ontoelaatbaar

laat uit verre schuren
het muizegraan rollen
in mestwater

woed tegen
smeedijzeren hekken, stambomen
en stamnamen. maak scheuren
in grafkapellen, roestplekken
in familiewapens

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

maak mijn ogen open, maak
mijn knieën
buigzamer, mijn haren losser
mijn rug bevlogener

regen op mij
je nee

tranen druppelen langs de snaren
van je viool, gekrulde regen, vismonden
regen, pianospeler
op zee

sla tegen het ijzer
van de hemel, beitel in steen
mijn gezicht tot welfsel
van been

plunder feestzalen, sla kerktorens
tot puin, maak kathedralen
tot geraamtes, ontbloot
de kaken van
nachtbrakers

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

lenteregen, welke kleur heeft
lenteregen, rozeblaadjeskleur?

smalle heupen, smallere
ogen, o langzaam dalende ogenregen, jij
uitnodigende bruiloftsregen, schuifelend
over rozen

landregen, zoete hooiregen, jij die je
leegschudt op dorpshoven

gelukkige
paarse aprilregen, oorbellenregen
in gras gelegen vlinderregen
die vleugels hangt in de boom,
ze weer loshaakt,
ze prijs geeft

herfstregen die wegwist,
die de kleur wegwist, die
de verte wegwist, weg wist wat op de wereld
ooit vol schroom is verschenen

wis, regen, de wereld weg
op een doodgewone herfstige
achternamiddag, maak
een aarde zonder
verten

wis de dansers weg

leg mij, een ledige
terug in het ledige

maak schuilhoeken voor
lachers, maak nissen
waar zich hun lachen
kan verpozen

laat de eenzaamste bomen
door de wind zijn verlaten, ga slapen
nabij nesten van
regenvogels

waai vanachter bosschages
naar mij toe waar ik wacht op de schuinste
pessoaanse regenval

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

leg je leeslint tussen
de druppels, dat ik
blad na blad
lezen kan van
je gemis

geef mij
je leeslamp die ruist
van jouw ruisen dat ik
nog even kan voortbestaan

laat de wereld bestaan
uit lettertekens, laat ze bestaan
uit doornstruiken
uit dovenetel

laat, regen, mij aan je vasthouden
dat ik niet te laat kom

troostregen, regen van erfgrond,
van dodemansgronden,
van stichtelijke wortels, van ongebruikte
oogbollen, holteregen, waterwolfregen

daal eindelijk af, murmel
in mijn broekzak, slaap in de luier
van slaap

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

daal in erfgoden, kraai boven
de haan, boven de bokkesprong, ga binnen
in spinrokken, waai
door het oog van het paard
ga naar braakland, zet
honderd regenstoelen klaar
voor nazaten

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

verschijn in klaslokalen
kras namen in lessenaars
zeg dat regen woorden heeft
voor klaproos en ratelaar,
dat regen zingt op
het asfalt als
honderd katers

wees aandachtig in hout
dring door tot de houtworm

graas, regen, het gras weg
graas het schaap weg, graas de tong weg
van het schaap, waai achter de sneeuw aan
van verleden jaar, waai tegen
sneeuwpaarden aan

waai mijn naam weg waar
ik lig op mijn slaapsteen
alleen alleen alleen

wees aandachtig in hout
dring door tot mijn houtworm


© LEO HERBERGHS, 17 augustus 1999


Het episch vers DE AFDALING VAN DE REGEN verscheen als aparte ingenaaide bijlage (16 p. in druk), bij de dichtbundel
DAARMEE WORDT GEZWEGEN van Leo HERBERGHS.
De uitgave werd gepubliceerd ter gelegenheid van de eerste Dag van het Gedicht,
later de jaarlijkse Gedichtendag in Nederland en Vlaanderen.

(Rotterdam, Bèta Imaginations, januari 2000)