
Zwemmen zou ik willen
met een zwemmer naast mij
wiens lichaamsbouw mij inspireert
om nog meer najade
me te voelen dan ik me nu al voel
het mag best een dolfijn zijn
zelfs een haai
maar dan liefst een blauwe
zoveel gevaarlijker nog
graag zou ik het willen wagen
onder water te gaan
met een dier dat ontzag inboezemt
door me ruggelings
naar boven te stuwen
mijn adem afsnijdend
van zodra vinnen en schubben
mijn ribben bestastend
mijn zeeschuim omwoelen
De regen kreeg het kwaad
hij zei dat zijn regenbooggodin
geen reden had van bestaan
dat ze zich krommen mocht
in zoveel bogen als ze maar wou
dat ze verkleuren mocht
tot er maar één kleur van haar
overbleef
namelijk asgrauw
dat ze zich mocht laven
aan wie weet welke druppel
maar niet aan die
zo kostbare van hem
over welke regen heb je het dan
vroeg zijn godin
toch niet over die zure waaraan
ik je ook zonder wolken herken
Waterstenen
Steen onder water jij
ik water over steen
of soms ook omgekeerd
al naargelang de breuk
van ebbe en van vloed
wat telt is overleven
steen onder water ik
jij water over steen
Regenlitanie
Vrijgevig wentelt het water
zich in bochten
zoals een vrouw doet
die de slaap niet kan vatten
zoveel rivier
zoveel water
niet één druppel regen
die de huid verkent
die zich haar eigen maakt
die de abyssale plek verkent
waar wat wacht moet gewekt
regenlitanie van een amoebe
die zich aansluit
bij de klaagzang van spermaceti
Ze hangen
boven je hoofd
als
ongeluksbuien
je herkent ze
aan de glans waardoor
je een moment
lang wordt verlicht
je weet het
duren zal het slechts even
niet te tellen
dagen vooraf
voel je ze aankomen
je ondergaat hun magnetische stralen
voor de
zoveelste keer is het kantje boord
dan duikt van
ergens een hommel op
een rosse
kater bijt in een papyrusstengel
een vlinder neemt
bezit van je grote teen
één die al
lang te kriebelen zat op een plek
waar geen
wonder meer te verwachten is
je stoft het
ongeluk van je af
je springt een
gat in het wolkendek
er komt in de
verte een man op je af
Pootje baden
Ik zag een steen een heet
geblakerde zijn
tenen in het water steken
de golven zwollen aan
de wolken dreven voort
naar wat ik dacht te zijn
een leeg te drinken bron
doch ik bleef achter
turend naar elke teen
mijn toegeknepen tenen
die in het zilte water
zichzelf bijna versmachtten
het lief dat ik verwachtte
daagde niet op
misschien vond hij een steen
met nog veel langere tenen
waarmee hij spelen kon.
GEK VAN WATER
"Zuinig met water"
Alle hersenen gespoeld?
Wie durft nog koken?
Een struik vol knoppen.
Een regenton vol water.
Kan zoiets duren?
Een volle week sneeuw.
Dan een volle maand regen.
Drinkwater genoeg.
Uit de regenton
twaalf emmers water geput.
Het kan niet meer op.
Wie water liefheeft
zal een regenton kopen.
Kon ze maar lopen.
Werken is gezond.
Naarmate ik water sleep
neemt mijn bochel toe.
Ook mijn man schrikt op:
Wat moet dit emmergesleur
terwijl ik harp speel?
Relativeren:
hoe meer water ik ophaal
hoe leger de ton.
Sparen is plezant.
Naarmate ik water sjouw
neemt mijn adem af.
De tuin groeit groter
door sjouwen met de emmers
mijn armen langer.
Even pauseren.
Even uit het hoofd bannen
deze bloemendorst.
Een druppel water
is tijdens zijn val gegroeid.
Hij kreeg meer lengte.
Op het laurierblad
viel een dikke drop regen.
Hij werd meegekookt.
De goudvis verzorgd.
De regenton uitgekuist
op haar kop gezet.
De nacht mag komen
alle taken zijn vervuld.
Heeft iemand nog dorst?
Voor het slapengaan
nog even de lucht
geproefd.
Ha,
toch geen regen?
Vroege
morgenzon.
Zonder
één regenwolkje
het moeten stellen...
Wat een heerlijk zicht
een
regenton op haar kop
die
zon zal vangen.
Heldere
luchten.
Zou
die vogel verdorsten
naast de regenton?
Geen regen gezien
Al lang geen emmers gesjouwd.
Van water gedroomd.
Bevrijd van water.
Bevrijd van die grote dorst
naar watersparen.
Aan
het venster gestaan,
de zon de rug toegekeerd.
Wat doet het hem goed.
De weervrouw zei het:
sneeuwvlokken dienen zich aan.
Ze zei niet bij wie.
Aan de telefoon
een stem die van water sprak,
dat niet betaald was.
Vergissing in 't spel
die hoge waterfaktuur?
Kwam er maar regen.
Vlak naast het afdak
Een bomvolle regenton:
betaalbaar water.
Sparen en sparen
aan alles wat water heet;
zelfs aan mijn tranen.
Geweldig die sneeuw,
eindelijk verlost van dorst:
een vlok op mijn tong.
Bijna krom gewerkt
mijn bijna versleten rug
van al dat water.
Dromen is werken
vooral als je een zee droomt
die je moet legen.
Je moet het maar doen;
een polderboer vertellen
dat zijn koe verdrinkt.
Geen water morsen.
Alle mengkranen dicht nu.
Elders gaan baden.
Té laat komt berouw.
Daarnet nog weggegoten
een half glas water
De afwas gedaan.
De wijnglazen bleven staan:
waarmee spoel ik ze?
Het bezoek is weg.
Hoe spoel ik de glazen rein?
Met liters porto?
Hier lijdt niemand dorst.
Zelfs de kat wil geen water,
ze houdt het bij melk.
Fijn badewater
allemaal in die afloop
die nooit danke zegt.
Nog omtrent water:
het kan verdomd hard lopen
waar het geen weg weet.
Ze kijken me aan
alsof ik een regenbui:
dorstige bloemen.
Is 't vochtig genoeg?
Is het kelkje niet té vol?
Ach, arme bloemen.
Een emmer viel om.
Alsof dit niet voldoende:
water in mijn schoen.
Wat doe je ermee,
met dat water in je schoen?
Niet opdrinken, hé?
Spuitwater gekocht.
De hersens ermee gespoeld.
Vlug naar de dokter.
Heb je ergens pijn?
Wil je soms een slok water?
Mijn handen jeuken...
Even proberen
tussen droppels te lopen
op de witte lijn.
Nee, wijn dronk ik niet.
Het is mijn enorm verdriet
om al dat water.
De dokter begrijpt:
"een enorme waterrat
dát denk je te zijn".
Ach, al die tranen
die je nutteloos vergiet:
de zee loopt over.
Eén goede raad nog:
kijk uit naar 'n psychiater
die veel water drinkt.
Een gebarsten ton.
Emmers de rug toegekeerd.
De kraan mag open.
Een té lang verhaal:
zich inleven in water
de bellende honden
de blauw-blauwe zee
wie vaart mee
naar punta del este
het gat in de goot
de regendrop tikt
altijd voort
wie vaart mee
naar amersfoort
land bezeilen
wind in de zeilen
zeemijlen bijwijlen
zeezout
de barst is er nog
de bellende honden
de blauw-blauwe zee
ahoi vaar je mee?
Klaterwater
Water water
liever dan vis
ben je mij
in elk van jouw
gedaanten
herken ik jou
dauw dauw
kom toch gauw
dorst heb ik
naar jou
druppels
wil ik drinken
regen van mij
wees nevel mij
benevel mij
Er moeten nog
bergen vol water komen
(opgedragen aan Nel Veerman)
Hoe helder wordt het mij
van zo nabij je eindelijk te zien
de vlam te zien het dieptevuur
het ruisen horen van de boom
van water ook waarin de vis
op adem is gekomen
ben jij het werkelijk
jij die door angst belaagd
jezelf bevrijden moest
jij die het vuur verspreidde van
gods taal dat je gelouterd heeft
hoe helder is het mij
je zo nabij te zien
van krekels ken ik het verhaal
van uit het nest verjaagde vogels
ook
van winterbos en kreupelhout
maar ook van sneeuw en bergen blauw
van licht dat uit de gaarden vloeit
van weiland vol van paardebloemen
ik zocht je in de zachte mist
ik vond je in de kentering
als moessonregen ging je in me over
voor Agnes De Bruyn
Sleutelbloemen, zei
ze.
De naam riep iets wakker.
Sikkimensis. Dorst
naar iets.
Naar de top. Naar sneeuw.
Een eeuw leek het dat ik haar kende.
We lazen gedichten. Zinnen die
we halveerden. Een woord verdween.
Een ander ving aan te ademen:
een bloem die zich laafde
aan het zuiverste water.
Smeltwater.
Winterzon...
Eer ik haar woning verliet toonde ze
mij het tenen mandje waarin
de primula in bloei stond.
Dorst, dacht ik, hebben we allebei.
Morgen geeft ze de bloemen weer water.
Morgen schrijft ze een vers over een zee-
man, een mistige morgen, een roos in bot.
Doch dat ík een gedicht zou schrijven
over haar; over het tenen mandje
waarin de primula sikkimensis
mijn hevigste hunker vertaalde,
wist ik toen niet.
Alsof al het water zich verzameld
had om die
ene boot naar zijn bestemming te brengen
zo vol leken de grachten. Er was geen geluid te
horen dat aan beukende golven denken deed.
Zeven bogen zou hij passeren. Zeven
bruggen
met elk een boog. Daarna gleed hij onder vele
bruggen waarbij één heel bijzonder terwijl haar
begeleider het over een oude gevangenis had.
Af en toe scheerde een meeuw zich
weg om
later opnieuw op te duiken alsof ze wist wat er
omging in de peinzende hoofden. De boot,
het water, de meeuw als geheel. Het hoorde zo.
Later zaten twee mensen samen en aten.
Zij wou
niets liever dan de stilte omarmen. Hij ze horen.
Tenslotte zwegen ze allebei. En het
was goed zo.
Een spreeuw kwam zitten precies op
de plek waar
haar blikken vertoefden. Een mannetjesduif zocht
naar voedsel. Eén na één liet ze de kruimels vallen.
Hij pikte ze op. Aangemeerd lag de
boot.
Een trein vertrok in een vreemd
station. Eén van
beiden die hem nam. Eén van hen bleef achter.
Toen pas liet de avondzon haar
betovering glijden
langs hoge museumramen waarin glas-in-lood
Hoe wil je dat
ik je noem
dierbaarste
deel van mij
vele
liefkozende namen
heb ik je
gegeven
ze gefluisterd
ze soms
gepreveld
waterval heb
ik je genoemd
klaterend was
je in mij
aanwezig
zelfs toen we
zwegen
Jij en je schemerduister
Hoe kon je
regen verwarren
met water
je luisterde niet
toen ik hem
als
veelslachtig bezong
toen ik hem
nevel noemde
dacht je dat
ik het over
een
herfstlandschap had
toen ik
druppel zei
keek je niet
op
je noemde het
zelfbeklag
toen ik het
over de maan had
die aan het
leegbloeden was
het verraste
mij niet
je had al
altijd het hoofd
in de wolken
Altijd zal ik
als vanachter
een wolk
verschijnen
wanneer ik een
waterval zie
zijn nooit
aflatend geklater
past wonderwel
in
ons eigen
mythisch verhaal
ik zag er
gisteren één
zo onbeschrijfelijk
helder
mij zo nabij
dat ik door
zijn stofregen
gegrepen
opnieuw werd
geïnitieerd
opnieuw
glanzen kon
zodat ik
scheen
zoals ik
scheen toen jij mij
levende
regenboog wist
Sirène celtique
Toen haar vingertoppen
uiteindelijk de gesloten
lippen van de maan
konden bevoelen
opende zich haar zee
als een wondere schelp
het wier liet zich drijven
het schuim was naakter
dan het verhevigde licht
dat zich een weg zocht
tussen de vele meanders
vissen hervonden hun spraak
communiceerden met elkaar
vertelden hoe ze
gemetamorfoseerd
meehielpen aan haar ontstaan
ze heeft haar vinnen bewogen
ze heeft haar schubben
van zich afgeschud ze heeft
gewacht tot iemand in haar
de vrouw zou herkennen
maar er was niemand
niemand
Une folle histoire
(opgedragen aan Dirk van
Babylon)
Als een regenbui overviel het mij
als een donderslag bij heldere hemel
als een komeet die de ruimte inschiet
véél meer van die dingen nog
nog veel meer vallen er te vertellen
van hoe je opeens jezelf niet meer bent
van hoe je kriebels krijgt van de slappe lach
van hoe je vergeet de sla op te dienen
van hoe je port drinkt alsof het puur water
er gebeurt iets
in je leven gebeurt er iets
in je leven gebeurt er eindelijk iets
zoeken jullie maar uit wat het is
ik houd intussen mijn hart vast
Alle gedichten: Iris Van de Casteele
Daar dobber je dan.
Als druppel
in de zee.
Je doet
je eigen ding, je bemoeit je nergens mee. Onschuldig en onbewust drijf je temidden
van nog vele andere onschuldigen en onbewusten.
Plots voel je dat er aan je getrokken wordt. Je begint te bewegen. Omhoog ga
je. De lucht zuigt je omhoog. Aangename warmte maakt je suf en doezelig. Hoger
en hoger ga je met om je heen meer druppels die suf en doezelig omhoog zweven.
Getild door warme lucht, aangenaam en vriendelijk, laat je je meeglijden op
deze stroom lucht. Je zweeft
een richting op, waarheen weet je niet. Het interesseert je ook niet. Het is zo
warm en aangenaam.
Hoger en hoger. Tot de aangename warmte afneemt.
Fris
wordt het. Koud. Nog kouder. Je bibbert, je buitenkant wordt omringd
door telkens koudere lucht, die steeds meer prikt als naalden. Je voelt ijs
opdringen, van buiten naar binnen, tot je niets meer voelt.
Bevroren. Bevroren en zwaar. Te zwaar als het laagje ijs dikker en dikker
wordt. Dan kan de lucht je niet meer dragen. Je gaat vallen. De snerpend
koude lucht, ijl en dun, duwt je harder en sneller naar beneden, naar de aarde.
De aarde trekt aan je ijzige staat van
zijn.
Je valt en valt, met steeds grotere snelheid, maar je voelt niets. Je verkeert
in een ijzige stase.
De aarde komt snel dichtbij, je valt en valt. De koude wordt opgeslurpt door
warmer wordende lucht zodra je dichterbij de aarde komt. Je buitenkant wordt zachter. Het ijs
wijkt. Contouren worden scherper en je zijn wordt hersteld. Je bent weer een
druppel, tussen druppels.
Onschuldig en onbewust val je naar moeder aarde die lonkt met een kracht die je
niet kan weerstaan. Een groen grasveld komt dichterbij, omringd door grijze
wegen. Boven je maken de vele druppels warm en koud de lucht grauw en donker.
Langs één zo'n grijze weg sta ik. Onbewust van de druppel die onschuldig en
onbewust van zichzelf naderbij komt.
Met fiere snelheid kletter je op mijn schouder uit elkaar. Onbewust. Een
druppel op mijn schouder die uiteen spat. Deeltjes van jouw zijn landen op de
grond, gereed om terug te keren naar je oorsprong. Gereed om deel te zijn van
de cirkel die leven heet. Onbewust betrek je mij in jouw levenscirkel.
Ik, die
nergens erg in had en probeer te schuilen voor al die druppels van boven.
Pat Odendaals
http://www.odendaals.nl/odendaals
|
Foto : Jorge Pousa |
Una mujer desciende la
calle cargada de sus
recipientes vacíos. Nadie sabe cuánto le
costará de volver a subir con el
agua. Nadie le pregunta si
tiene sed. °°°
bepakt met haar lege recipiënten. Niemand weet hoe zwaar het water weegt dat ze naar boven zal torsen. Niemand vraagt of ze dorst heeft. chargée de ses récipients vides. Nul ne sait combien ça lui coûtera de remonter avec l'eau. Nul ne lui demande si elle a soif. |
Dit is één zin uit één van de
gedichten uit het lees- en kijkboek CHE.
Inderdaad, niemand weet hoe zwaar het water weegt.... Dat is zowat het niet
nader bij naam genoemde onrecht dat als een rode draad loopt doorheen de
gedichten van Iris Van de Casteele en de fotos’s van Jorge Pousa.
Toch is de bundel CHE geen politiek
pamflet, geen rechtstreekse aanklacht, maar een duidelijke vingerwijzing: zie
de mens en wat gij hem aandoet..
Misschien - en dat zijn de vragen
die tot ons worden opgeroepen - hebben sommige groeperingen wel gelijk als ze
beweren dat onze luxe gebouwd is op de fundamenten van de structurele ellende
van anderen. Misschien moeten we straks niet enkel economisch bewust worden,
maar ook ethische consumenten zijn, die zichzelf de vraag stellen of we wel
goed bezig zijn en hoelang we op deze ingeslagen weg -deze door winstbejag
voorgeschreven route waar wij allemaal mee van profiteren- nog willen volgen.
Deze
bundel krijgt door deze specifieke benadering daarom ook iets universeels,
omdat dezelfde taferelen zich niet uitsluitend in Zuid-Amerika afspelen, maar
evenzeer in Zuid Oost Azië en Afrika. De boodschap die schuilgaat achter elk
van deze gedichten, is er geen van revolte, maar een terechte vraag naar
bevrijding; het willen afwerpen van dit juk van sociale en economische onderdrukking,
het weg willen uit dit keurslijf van gedwongen armoede.
CHE is een bundel geworden om te
lezen én te bekijken.
De prachtige foto’s van Jorge Pousa onderstrepen woordeloos verzet, de
onderhuidse strijd voor bevrijding, de drang naar een wat meer menswaardig
bestaan. Slechts bij toeval is -net zoals in de gedichten- de figuur van
Ernesto Che Guevara bijna overal aanwezig, als een symbool van vrijheidsdrang.
Een symbool van hoop van mensen: dat diegenen die zich als bevrijder van hun
volk opwerpen niet langer monddood worden gemaakt. Dat de moeders op de Plaza
de Mayo niet langer voor gek worden aanzien, omdat ze de aandacht trekken door
steeds opnieuw opheldering te vragen naar de verblijf- of begraafplaats van hun
kinderen die verduisterd zijn.
Elke
foto wordt een stukje poëzie, elk gedicht een waarheidsgetrouwe foto, kortom:
een beklijvende en bijwijlen beangstigende symbiose, waarin de foto’s spreken
over wat de woorden verzwijgen en vice versa. De gedichten worden niet zoals
gebruikelijk op een kier gezet, maar gooien de woorden open, plaatsen punten en
komma’s bij het beeld dat ons wordt aangereikt, laten geen ruimte voor
verbeelding of interpretatie. Dit is rauw-realisme, een nieuw facet in de
poëzie van Iris, waarvan de hoeken geen afronding behoeven, tenzij dan in
misschien een enkele glimlach of de felle kleuren die de beelden op ons
netvlies achterlaten. En met ditzelfde felheid van kleuren worden de woorden op
de lezer losgelaten, net genoeg, nooit teveel. De foto’s en gedichten spreken
in op het geweten van elk van ons, maken in ons de mens wakker.
Iris VAN DE CASTEELE en Jorge POUSA zijn er met de bundel CHE
in geslaagd om in te spelen op de actualiteit, waarin steeds meer mensen
schreeuwen om een betere wereld, waarin anti-globalisten (met deze wetenschap
in het achterhoofd) ijveren voor een andere economie.
DE AFDALING VAN DE REGEN
ik ben water van regen
ik ben
water
ik ben
regen
door een
gat in mijn hoofd
sijpelt
regen
ik ben de
verwaterde
regen, val
scheef
door het
licht, door het gericht
van mijn
ogen. hang regenvanen
uit mijn
toren
veel ogen
heeft de regen
veel oren
heeft de regen
de regen
hoort alwie
luistert
naar regen
zittend
onder de poort
van de
regen
ik ben
dronken van goden
ik ben
dronken van regen
spreek tot
mij schemering, spreek
naderen
hoor ik je
achter de
wegkromming nabij
het
tuinhuis, opspringend in
mijn
gehoorbuis
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
trommelregen,
oude woudregen
regen die
komt na het leven,
regen
van vóór
de geboorte
oor, hoor
de
doodsregen
naaldfijne
hakken van regen
stadsregen,
straatstenenregen
zedeprekerregen
die steden
tegenspreekt
regen die
zegt
nee
regen, op
je harp spelend
boven zee,
boven pijnboom-meren
boven
bontgerokt vee
ijzeren
regen, spoorstaven
regen,
vertrekkende regen,
aankomende regen
die
signalen onkenbaar maakt,
stationsklokken opjaagt
overkappingen
weergalmen laat
maak,
regen, geluk
tot een
zitplaats aan het raam
maak ogen
onuitputtelijk
zing lof onophoudelijk
spring
over sprinkhanen
haal hazen
in, laat vogels
rondedansen
maken
kraai mee
met morgenhanen
ontmaak mij, sla mij
genadig,
sla mij met je naam
maak mij
tot je renpaard
ga met
mij, nachtraaf
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
in putten
waaiende
druppelregen,
hinkende regen,
regen die
kantwerk maakt
van
zwaluwen
geef mij
schuinte van sleepsterren
geeft mij
schuine getallen, geef mij
spiegelende
karresporen, snikkende
slikregens
van dennen
maak mij
kraai, maak mij
uitzinnig,
maak mij glinsterend
van
blijdschap, laat mij zitten
onder
hazelaren waar ik
tussen
varens mij
inspin
maak mij
dorpser dan dorsvloeren,
maak mij
stichtelijker
dan kerkportalen,
maak mij
krommer
dan kromhorens, geef mij
kwader
gesternte
verschoppeling
regen, maak mij
zwerfregen,
maak mij zwerfsteen
lange
akker, kronkelig
lopende
steenweg waar overheen
eenhoorns
snellen
dakloze
regen
regen met
bittere armen, met gebogen
knieholte,
maak mij
een
verweesde
geef mij
jouw voetzool
dat ik
dool tussen
kikvors en
eendekroos
regen, je
vioolsnaren
zijn van
zilver, je garen
wind je af
van
oude
klossen
je
speelsnaar is
van
korstmossen
muisgrijze
regen, liever dan
over
appels en rozen loop je
over
kevers
sta je
langer stil
bij distels,
val je dieper
in sneeuw
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
ga
struikgewas binnen, hang
er
druppels, ga bukkend
onder
lijsterbessen
de
schemering binnen,
langs
slingerende
paden,
gele lissen waar mossen
de enkels
vinden
van vlinders
prevelaar
in de waterput met
ijzersmaak
in je praatmond: hoor je
het
plonzen van de roerdomp,
de
gelukkig
slurpende
oerbron
haak
regenhaken
in mij,
vang mij,
spartelende
vis, berg mij
in je
groot visnet
bind rond
mijn lichaam je wikkels
wikkel in
pijn mij in
maak mij
tot een waaiende
reiger,
die de ruimte van de hemel
met zijn
vleugels vult
zit aan
mijn tafel:
brood van
tranen, aardappelen
van
schaamte, schaduw
van vlees
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
nederige
regen, glinster
minder dan
bliksem
grasregen,
glansregen
maak van
de wereld as, maak
er
misgewas van
bittere
boze regen, stamp
op het
asfalt
van de
stad die jou niet
overleven
zal
maak
donker het zilver,
dring
ijzer binnen
maak
blinder het bestek, jij
ooglichtbezerende
regen,
engel die de lippen
losser
maakt, vleugels van
zwaluwen
lichter
laat mij
springen
als een
vis boven het water,
maak mij
kleiner en
verbaasder
tik tegen
het glas
van de
maan, laat het tikken
in de
straat mij
slapen en
waken en slapen
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
open de
kamers van rouw
ga er
binnen, haal de oogst
van het
rijke verdriet
eindelijk
binnen
sluip in
het oog
van de
dagpauw
sla feller
tegen de windvaan,
koppel de
bergen los
van hun
hengsels en stort
hen in zee
klop de
geest
uit het
donker los, klop
het donker
los uit het nachtbos, gorgel
in de mond
van de bronnen
kir als
een nachtegaal
in
waterklokken
stotter in
keelholten, bloos
in het
bleekste
regen
maak mij
een vlot
maak mij
zee
ga met de
wandelaar, laat hem
jouw dwars
pad gaan, veldwegen vol
zoete
dwalingen
laat hem
op toppen
van
windvlagen winters
en alleen
staan
kroon hem,
beroof hem
van slijm
en leem
zwijgregen
in
nazomerdagen
als oogharen
trillen
gaan, poorten zich openen
naar het
najaar
augustusregen,
alle dagen
een andere
hooinaam
nader
trappelend
met de
hoef van het paard
de
boomgaard, sla de zwaarden
uit zijn
hand, maak zijn zwaarte
ontoelaatbaar
laat uit
verre schuren
het
muizegraan rollen
in
mestwater
woed tegen
smeedijzeren
hekken, stambomen
en
stamnamen. maak scheuren
in
grafkapellen, roestplekken
in
familiewapens
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
maak mijn
ogen open, maak
mijn
knieën
buigzamer,
mijn haren losser
mijn rug
bevlogener
regen op mij
je nee
tranen
druppelen langs de snaren
van je
viool, gekrulde regen, vismonden
regen,
pianospeler
op zee
sla tegen
het ijzer
van de
hemel, beitel in steen
mijn
gezicht tot welfsel
van been
plunder
feestzalen, sla kerktorens
tot puin,
maak kathedralen
tot
geraamtes, ontbloot
de kaken
van
nachtbrakers
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
lenteregen,
welke kleur heeft
lenteregen,
rozeblaadjeskleur?
smalle
heupen, smallere
ogen, o
langzaam dalende ogenregen, jij
uitnodigende
bruiloftsregen, schuifelend
over rozen
landregen,
zoete hooiregen, jij die je
leegschudt
op dorpshoven
gelukkige
paarse
aprilregen, oorbellenregen
in gras
gelegen vlinderregen
die
vleugels hangt in de boom,
ze weer
loshaakt,
ze prijs
geeft
herfstregen
die wegwist,
die de
kleur wegwist, die
de verte
wegwist, weg wist wat op de wereld
ooit vol
schroom is verschenen
wis,
regen, de wereld weg
op een
doodgewone herfstige
achternamiddag,
maak
een aarde
zonder
verten
wis de
dansers weg
leg mij,
een ledige
terug in
het ledige
maak
schuilhoeken voor
lachers,
maak nissen
waar zich
hun lachen
kan
verpozen
laat de
eenzaamste bomen
door de
wind zijn verlaten, ga slapen
nabij
nesten van
regenvogels
waai
vanachter bosschages
naar mij
toe waar ik wacht op de schuinste
pessoaanse
regenval
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
leg je
leeslint tussen
de
druppels, dat ik
blad na
blad
lezen kan
van
je gemis
geef mij
je
leeslamp die ruist
van jouw
ruisen dat ik
nog even
kan voortbestaan
laat de wereld
bestaan
uit
lettertekens, laat ze bestaan
uit
doornstruiken
uit
dovenetel
laat,
regen, mij aan je vasthouden
dat ik
niet te laat kom
troostregen,
regen van erfgrond,
van
dodemansgronden,
van
stichtelijke wortels, van ongebruikte
oogbollen,
holteregen, waterwolfregen
daal
eindelijk af, murmel
in mijn
broekzak, slaap in de luier
van slaap
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
daal in
erfgoden, kraai boven
de haan,
boven de bokkesprong, ga binnen
in
spinrokken, waai
door het
oog van het paard
ga naar
braakland, zet
honderd
regenstoelen klaar
voor
nazaten
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
verschijn
in klaslokalen
kras namen
in lessenaars
zeg dat
regen woorden heeft
voor
klaproos en ratelaar,
dat regen
zingt op
het asfalt
als
honderd
katers
wees
aandachtig in hout
dring door
tot de houtworm
graas,
regen, het gras weg
graas het
schaap weg, graas de tong weg
van het
schaap, waai achter de sneeuw aan
van
verleden jaar, waai tegen
sneeuwpaarden
aan
waai mijn
naam weg waar
ik lig op
mijn slaapsteen
alleen
alleen alleen
wees
aandachtig in hout
dring door
tot mijn houtworm
© LEO
HERBERGHS, 17
augustus 1999
Het episch vers DE AFDALING VAN DE REGEN verscheen als aparte ingenaaide bijlage
(16 p. in druk), bij de dichtbundel
DAARMEE WORDT GEZWEGEN van Leo HERBERGHS.
De uitgave werd gepubliceerd ter gelegenheid van de
eerste Dag van het Gedicht,
later de jaarlijkse Gedichtendag in Nederland en Vlaanderen.
(Rotterdam, Bèta Imaginations, januari 2000)