Derdewereldwaar

Met pik en houweel
vier heuvels afgegraven.
Eén wordt begraven.

Afgewroete berg;
legerwagens vervoeren
bebloede steenslag.

Gebroken ribben.
Beide handen vermorzeld.
Door wiens merg snijdt het?

Eén van de velen:
hij wou de wereld redden.
Nu klopt hij stenen.

Na het slavenwerk ;
hoog opgehoopte steenslag,
angstzweet en speeksel.

Gebroken ruggen:
inlandse mensen geknecht
door buitenlanders.

Alles voor vreemden.
Voor eigen mensen geen grond,
nog zelfs geen lapje.

Zij die bevelen
en nooit van naastenliefde
de vruchten plukken.

Geluid van kogels.
Een kind verzamelt hulzen
tot ook zijn hand bloedt.

Kogels suizen rond.
Op de rug van zijn makker
bloedt een jongen dood.

Drie keer gevallen.
Twee keer is hij opgestaan;
één keer telt niet mee.

In een zak gesnoerd,
geworpen uit het vliegtuig;
een opstandeling.

Keurige vaders.
Kruisbeeld en toga en kerk.
Een land met aanzien.

Hier moeten leven.
Naar de colibri kijken.
Geen vleugels hebben.

Vuurrode aarde,
een saffierblauwe hemel,
en heel veel honger.

Kinderen teren
op beschimmelde kruimels
van weggegooid brood.

Een hond houdt de wacht.
Krotten en tralievensters.
Wat verwachten ze?

Steile beklimming
tot bij de vrouw en haar krot.
Ze glimlacht, zegt casa.

De vrouw is zeer oud.
Hoe oud ze is weet ze niet.
Ze wijst naar de stroom.

Klanken opvangen
van de meest vreemde woorden.
Er één mee worden.

Een verse brok brood,
een glas water op tafel :
hier ben je welkom.

Ze bezitten niets
wel bloeit er een rode roos
in hun verbeelding.

Op de vuilnisbelt
zoeken kinderen voedsel.
Vandaag eet ik niet.

Gevangen voorgoed
de man die van vrijheid sprak,
ze nooit te zien kreeg.

Handen rond tralies.
Krotwoonst of gevangenis.
Het maakt geen verschil.

Van palmen dromen.
Van een exotische tuin.
Ontnuchterd wennen.

Elke morgen weer
palmblaren voor de voordeur.
Ook zij vielen stil.

Stam van een palmboom:
zijn uitsteeksels doen denken
aan geweerdolken.

Palmen langs de weg:
gekluisterd luisteren ze
naar vliegtuiggeronk.

Een vliegtuig sproeit gif.
Een klad vogels valt morsdood.
Bananen rijpen.

Chemicaliën.
Waar bayer de kop opsteekt
teert het leven weg.

Bananenblaren:
verkreupeld groeien ze weg,
zoals de tuinman.

De oude tuinman
vertelt over termieten.
Hij zal zich wreken...

Alweer termieten;
ze vreten een stoelpoot weg.
Geef ze een blik gif!

Geen medelijden
kent de tuinman met mieren;
ook hij sproeit duchtig.

Geen hoop op beter,
niets van het dag verwachten,
ook hem verbijten.

Hier moeten wennen
tussen termieten en gif:
denken aan wilgen.

Mercedesruiten.
Kinderen op hun tenen
wrijven ze helder.

Ze vechten bijna :
straatbengels rond een auto
die geen wasbeurt hoeft.

Lijm in plasticzak
op de mond van kinderen;
ze ademen nog.

Verslaafde jongens:
ze wonen in een hemel
bezaaid met sterren.

Om bang voor te zijn:
jeugd die alles moet missen,
zelfs het alfabet.

Op het autopark;
Indiaanse familie
op zoek naar voedsel.

Een chic warenhuis.
Van de parkeerplaats verjaagd:
inlandse mensen

Waar gaan ze straks heen?
Moeders voeden hun kindjes
op de rommelmarkt.

Vodden en prullen:
een volgeladen stootkar
die krakend doorbreekt.

Hun zweet en hun leed;
alles op een oude kar
naar wie weet waarheen.

Elke dag wreder
treft de beul een ander kind.
Zijn naam? Joe Is Aa.

©Iris Van de Casteele
Asunción - Paraguay 1998