HET EINDE VAN EEN SPIN

 

Toen ik het gedicht “Ode aan een spin” van Iris Van de Casteele las, dacht ik eraan dat een zelfde ervaring met een morgenspin zorgde voor de herkenning van de situatie en voor het kunnen indenken in de gevoelsstemming(en) van de dichteres. Het najaar is op zich al een seizoen dat vragen oproept over de zin van het bestaan. Zal er ooit een antwoord op te vinden zijn? Alvorens echter daarmee verder te gaan, eerst even terug naar de spin.

 

Op een ochtend, net uit bed komend, zag ik een grote, zwarte spin zich snel over de vloerbedekking voortbewegen. Hoewel wij de spinnen, welke hun web gespannen hebben tussen balkonhek en de onderkant van het balkon boven ons, met rust laten, hun de kans gevend een spinnenleven te leven zoals zij zich dat invoelen (indenken), deze onderging hetzelfde lot als de spin uit het gedicht. Het zou een kleine moeite geweest zijn het diertje te vangen en vanaf het balkon neer te laten. Een spin weegt niets en kan niet doodvallen.

 

Maar neen, een atavistische drift maakte zich van mij meester en de spin stierf onder mijn voet. Er veranderde niets in de wereld. Dezelfde hoeveelheid spinnenmaterie kan niet verdwijnen, het gaat in ontbinding over in de oerbouwstenen waaruit alles is ontstaan. Als de spin een ziel, geest gehad heeft, dan is deze net zo eeuwig als de onze en zal dus wel een ander onderkomen vinden. In elk geval, er is niets veranderd in de materie en in het leven. Toch zit het mij niet lekker, want de sleutel tot verder leven van de spin lag bij mij en ik heb de deur voor hem gesloten, uit angst dat de paringsdrift van het diertje mij een woonkamer vol spinnen zou opleveren.

                    

En het minste en tevens ook het meeste dat ik zou hebben kunnen doen, namelijk oppakken en buiten loslaten, liet ik achterwege. Wat een nutteloze daad, omdat ik in wezen een groter gevaar ben voor mijn omgeving dan die spin ooit zal worden. Ik zal dus mijn toevlucht moeten nemen tot de gedachte dat stof eeuwig is, dat uit verbindingen van verschillende materieonderdelen ook het leven genereert en dat de stof, in haar wijsheid, weet dat grote aantallen de kans op overleven groter maakt. Als een ander mij vertrapt, zou ik dus dezelfde gedachte moeten hebben, namelijk in wezen ben ik eeuwig.  Waar komt die eeuwige drift tot vernielen, grosso modo bijna uitsluitend aanwezig bij mensen, toch vandaan?

 

Zou het komen door het feit, dat wat wij mensen voor scheppingsdrift aanzien, een schamele poging is om ons in ons bestaan bevestigd te zien; dat die bevestiging telkens weer verkregen dient te worden, en dat dit alleen kan geschieden om te vernielen en daarna weer te scheppen? Een dier dat een kapelletje bouwt aan de kant van de weg, daarin een beeldje ophangt van een Wezen dat hij wil aanbidden, wil vereren, heb ik nog niet ontmoet.

 

Dieren hebben hun eigen territorium, zij overschrijden de grenzen van een ander territorium niet, in tegenstelling tot de mens, die overal in moet gaan wroeten om tot een dieper inzicht te komen, althans dat beweert hij. Dat grotere inzicht heeft alleen maar geleid tot grotere vernietigingsdrift, daarbij geholpen door de mechanische en elektronische hulpmiddelen. Beschouw het woord machinegeweer eens nader en stel je voor wat dat in wezen betekent. Een geweer dat doodt als een machine, d.w.z. bij honderdtallen, soms nog meer. Binnen welke grenzen leeft het dier, al het geschapene (of moet ik zeggen: al het gewordene?)

 

Lezend in het boek van Georges Duhamel: Vie des Martyrs, hoofdstuk: Nuits en Artois, vind ik de volgende passage: “En dépit de toute protestation de sympathie, l'être, dans sa chair, souffre toujours solitairement. C'est aussi pourquoi la guerre est possible”. Of  Elke betuiging van sympathie ten spijt, het innerlijk wezen; dat wat is, wat leeft in zijn vlees, in zijn omhulsel, in zijn stoffelijke verschijningsvorm, lijdt altijd alleen. Daarom ook is oorlog mogelijk’. Tot daar deze Franse schrijver.

Het lijden is niet overdraagbaar. Zou er sprake kunnen zijn van lijden bij andere wezens dan mensen? Welke plaats neemt de mens eigenlijk in deze schepping in?

 

© Cor Wulffelé

10 oktober 2002