Hoeveel inwoners
mijn dorp indertijd telde, weet ik niet meer. Misschien twintig, maar het
kunnen er ook minder geweest zijn. Ik was een kind en had geen interesse voor
demografische kengetallen.
Mijn dorp was geen
echt dorp. Als wij een brief kregen, stond er op als adres: ’t Jachtveld,
onder Surhuisterveen.
Wij vielen ergens onder. Dat is nooit prettig. Sommigen zeiden dat ik op een
gehucht woonde. Dat deed zeer.
Wel hadden wij een
café. Café ’t Jachtveld. Het gebeurde regelmatig dat een bezoeker, ’s avonds
laat, totaal beschonken, met fiets en al bij ons in de beukenheg tuimelde en
vervolgens, vloekend en tierend, lang bezig was daaruit weer op te staan. Ook
kwam het voor dat zo’n gestrande dronkelap het benevelde hoofd in de takken
ter ruste legde en in slaap viel. Dan moest mijn vader optreden.
Dat café gaf ons
gehucht toch nog een zekere dorpse allure. Verder was er niks. Een
rietdekkersbedrijf en een paar kleine boerderijen. In één daarvan woonde ik.
Ik ging naar de School met den Bijbel in Rottevalle, moest mee naar de
Gereformeerde Kerk in Harkema-Opeinde, om boodschappen naar Surhuisterveen,
naar de dokter in Oostermeer en om veevoer naar Boelenslaan.
Wij hoorden
nergens bij. Niemandsland. Ik ging er toen, vreemd genoeg, niet onder gebukt.
Nu zou ons ongetwijfeld een inburgeringscursus worden opgedrongen. Wat had ik
wel? Alles wat ik moest hebben.
Mijn favoriete
hangplek was de schuur waar ik, zwaaiend aan touwen die aan de zware binten
waren bevestigd, mijn circusnummers opvoerde, het zachte hooi onder mij
wetend. Ik kwam graag bij een zonderling, die iets verderop huisde en waar het
niet ongewoon was dat een koe vanuit de stal rustig de onvoorstelbaar
rommelige kamer binnenwandelde, nieuwsgierig om zich heen keek, hier en daar
wat aan snuffelde, zijn baas en mij straal negerend, om vervolgens zonder ook
maar iets om te stoten het vertrek met schommelend achterwerk weer waardig te
verlaten.
Ik speelde voor
aap, mij aan takken van boom naar boom slingerend. Ik reed mee boven op de
door onze Belg getrokken hooiwagen, mijn neus tot niesens toe gevuld met
kruidige geuren. Nieuwsgierig luisterde ik mee als ’s avonds mijn ouders met
de buren het nieuws van de dag bespraken elk aan een kant van de sloot, die
onze erven scheidde. Als soms ’s nachts onweer losbarstte, riep vader ons uit
bed en zaten wij angstig rillend in de keuken, met het geldkistje midden op
tafel. Als de bui was weggedreven, gingen we naar buiten en riepen, opgelucht,
in tintelfrisse nachtlucht, iets naar mijn oom die honderd meter verderop
woonde.
En de winters!
Heerlijke winters! IJs en sneeuw. Winters waarin de warme, schemerige stal een
wereld op zich werd met geheimzinnige, donkere hoeken, met steunend vee, met
doorwaakte nachten bij een biggend varken en met de eentonige melodie die
opklonk als ik met de hand molk en het witte vocht schuimend in de emmer
tussen mijn knieën liet bruisen.
Nee, tegen mijn Jachtveld kon geen dorp op.
‘t Jachtveld was top!
Atze van Wieren