|
ACHIEL JANSSENS:
Nog voor ik aan dit vraaggesprek begon had ik al een vaag vermoeden van wat schuilt in de dichter en mens die Achiel Janssens heet. Nadat ik hem een aantal keren thuis bezocht, en we een groot aantal brieven uitwisselden, werd mijn vermoeden bevestigd. Zijn uitspraak: 'die rijkdom ligt op jou te wachten' is zowel voor de ontvankelijke lezer als voor mijzelf bedoeld. Doch vooraleer we aan deze zin toe zijn is het beter de dichter zelf aan het woord te laten.
Om dit vraaggesprek in goede banen te kunnen leiden, Achiel, zou ik graag beginnen met te vragen vanwaar je afkomstig bent?
Geboren werd ik ben in Wetteren maar nauwelijks enkele dagen later was ik terug in het dorp dat onlangs, in een publieke bevraging op internet, werd verkozen tot het Vlaamse dorp met de mooiste naam: Schellebelle. Het had ook anders kunnen lopen: moeder vertelde me dat haar op een keer in het moederhuis door een verstrooide of opgewonden non de verkeerde baby werd bezorgd. Het was mijn lot dat de vergissing door mijn moeder werd ontdekt. Soms nog vraag ik me af hoe het in het andere geval met mij verlopen was... Ook een ander soort toeval speelde me parten. Door toedoen van een leerlingen ronselende onderpastoor leerde ik in het Meetjesland, onder het felle gemis van familie, vrienden en de vertrouwde omgeving, het fenomeen heimwee kennen. Van mijn elfde tot mijn vijftiende jaar verbleef ik namelijk op internaat in het toenmalige St.-Vincentiuscollege te Eeklo. Niet onmiddellijk de gelukkigste jaren van mijn leven dus. Vele jaren later reed ik in Adegem, terwijl ik met mijn gezin op weg was naar de kust, een andere wagen aan. Nogal wat blikschade maar gelukkig verder zonder erg. Ik herinner me ook dat ik als jongeling, om een schoolkameraad te bezoeken, op een dag de trip Schellebelle/Adegem (heen en terug) per fiets heb gemaakt.
Je kent dus mensen in mijn geboortedorp Adegem, en de aanpalende stad Eeklo is jou ver van onbekend. Je zegt: "niet de gelukkigste jaren van mijn leven", wil dat zeggen dat je met tegenzin studeerde?
Integendeel. Het studieniveau in het college lag trouwens, met een lerarencorps dat bijna uitsluitend uit priesters bestond, vrij hoog. Daarenboven leefde bij sommige opvoeders de zorg om de studenten ook op cultureel gebied wat bij te brengen. Persoonlijk dank ik mijn liefde voor de klassieke muziek aan een lezing uit die tijd - ik geloof van ene meneer De Pauw van Radio Gent. Mijn studieprestaties leden wel onder mijn gevoelens van ontheemding die geen dag loslieten. Ik voelde me verweesd, in de steek gelaten, niet langer benaderd als een individu maar als een fractie van een geheel. Ik miste de warmte en de aandacht van thuis en gruwde van de op een onvoorspelbare collectiviteit berekende discipline. Ik raakte, geloof ik, ook wat ondervoed: vooral 's middags waren, vergeleken met (groot)moeders keuken, de maaltijden van bedenkelijke kwaliteit. Op de duur scheelde er zelfs wat aan mijn longen. Ik had bijna voortdurend buikpijn, een psychosomatisch verschijnsel natuurlijk. Soms, als ik na een al te kort weekend of vakantie gepakt en gezakt naar Eeklo diende op te trekken, overviel de pijn me in alle hevigheid en lag ik als aangeschoten wild over de vloer te rollen. Na vier jaren internaat vond ik het welletjes en dreigde ermee met studeren te kappen. Gelukkig kreeg ik van mijn ouders de kans in Wetteren, dicht bij huis, mijn middelbare studies af te maken.
Tot voor enkele maanden kende ik noch jou noch jouw poëtisch oeuvre. Daar zou verandering in komen toen je attent werd gemaakt op mij als dichteres en op mijn poëumistische voortbrengselen waardoor je me aanschreef. Zelf ging ik op zoek naar gedichten van jou en vond er o.m. een op Internet dat me meteen raakte, het draagt de titel ‘Droom’. Een gedicht waarin men het gerijpt talent van de dichter herkent. Het werd trouwens opgenomen op 6 februari 2000 in Meander als ‘Gedicht van de maand’. De laatste drie regels ervaar ik als een raadsel. Ik weet dat een gedicht uitleggen bijna zoveel betekent als het kapot schrijven, doch mijn vraag is: komt dit gedicht ook bij jou raadselachtig over?
Ik beschouw ‘Droom’ als een geïnnspireerd gedicht, in de zin dat het bijna zonder ingrijpen of bijsturen mijnerzijds tot stand kwam. Ik voelde meteen dat het goed zat, ook al had ik niet onmiddellijk een verklaring voor het inderdaad wat raadselachtige einde. Het 'ongebroken water' heeft m.i. wat met de nog net niet ingetreden fase van geboorte vandoen; tegelijk is een zekere vorm van 'verlossing' reeds duidelijk voelbaar in de pijnlijke maar tegelijk bevrijdende aanwezigheid van de geliefde doden binnen de beslotenheid van droom en gedicht. Dat is een mogelijke interpretatie. Andere zijn mogelijk, zoals: de dood wordt er aanwezig gesteld in termen van geboorte. Want waarom zou doodgaan niet een soort geboorte kunnen zijn? Ik sluit terzake niets uit. Maar ik ben inderdaad geen voorstander van het analyseren van (mijn) gedichten. Ieder gedicht wacht op de hoogst persoonlijke interpretatie en invulling van de lezer.
Droom
Kreeg vannacht heel vreemd bezoek: al mijn doden - hun brieven staken ongeopend in een boek. Glunderend noemde ik hun namen. Ik opende - om lucht - de ramen; alles wat we ooit verzwegen klopte pijnlijk in mijn borst. De schreeuw van een vis weergalmde in de bomen; het water in de beek zong ongebroken en verlost.
Op jouw webstek las ik het volgende: Eigen bundels: 'Glissando' (1964) * 'Frygisch tussendoor' (1966) * 'Al die dingen gebeuren' (1973) * 'Profeet, profeet' (1977) bibliofiele uitgave met etsen van Roland De Winter * 'Welke kleur heeft de kameleon?' (1980) - gezamenlijk project met andere dichters * 'Een vinger op het ijs' (1992). Verder las ik: Activiteiten: Vertalen: Georges Haldas en Pierre Reverdy. Publicaties: Poëumuziekrant e.a. Eerst zou ik het graag over jouw dichtwerk hebben, later kunnen we op jouw vertalingen terugkomen, indien je het goed vindt. Zou je wat kunnen uitweiden over jouw bundels?
Toen ik journalistiek studeerde, schreef ik in opdracht van een weekblad uit de streek een reeks literaire vraaggesprekken. Net zoals jij dat nu al jaren doet, Iris. Op die manier kwam ik in contact met enkele bekende dichters. Omdat ik zelf ook poëzie schreef en enigszins in onzekerheid verkeerde over de waarde ervan, maakte ik van de gelegenheid gebruik om hen enkele van mijn gedichten voor te leggen. Sommigen deden daar naar mijn gevoel nogal enthousiast over zodat mijn wantrouwen over de kwaliteit van het eigen werk toch enigszins verdween.
Je zou dus kunnen stellen dat we op hetzelfde spoor zitten, ofschoon ik geen journalistiek gestudeerd heb. Bij jou en bij mij wijst dat spoor vooral naar taal en naar haar vermogens. Hoe kwam je nadien aan publiceren toe?
Eén van die dichters publiceerde op eigen initiatief enkele van mijn gedichten in het tijdschrift 'Nieuwe Stemmen'. Je kan dus stellen dat ik debuteerde zonder het eigenlijk zelf te willen of te weten. Kort nadien, maar niet eerder dan nadat enkele mensen waar ik veel vertrouwen in had, me hiertoe hadden aangezet, verscheen dan mijn eerste bundeltje: 'Glissando'. Ik was toen ook al een keer in Gent, op de redactie van het dagblad Vooruit, op Louis Paul Boon toegestapt en ook die zag mijn betere poëzie wel zitten. Jan Veulemans schreef in Gazet van Antwerpen: “De eerste publicatie van Achiel Janssens verraadt van aanvang tot einde de jeugd. Men verneme dit niet als een afkeuring, integendeel, de veertiger die nog zulke gedichten zou kunnen schrijven zou een aartsgelukkig man moeten zijn, maar de lichtheid van gemoed die hier zo poëtisch vertolkt wordt, treft men niet meer bij veertigers aan. Hiermee is trouwens meteen gezegd wat men in deze poëzie niet moet zoeken. Zelfs meen ik dat men liefst niet te veel naar de zin van deze naar muziek en lente zwemende verzen moet peilen.”
Het woord Frygisch uit je tweede bundel 'Frygisch tussendoor' zal meer dan één lezer nieuwsgierig maken, mij trouwens ook, vooral omdat ik de gedichtenbundel niet gelezen heb. Koos je het woord om zijn betekenis van 'brood' of dacht je aan gitaarof kerkmuziek? Of verwijs je hiermee naar één der oudste talen ter wereld?
De term 'Frygisch' komt evenals 'Glissando' uit de wereld van de muziek. Ik vond hem in een naslagwerk waar hij beschreven stond als een in het Midden-Oosten van de Oudheid bestaande zachte muziek, een getokkel op snaren dat de ontvankelijke toehoorder in trance bracht zodat een andere, voor de gewone waarneming verborgen realiteit voelbaar werd. Ik koos voor deze titel omdat de bundel grotendeels tijdens mijn legerdienst in Duitsland ontstond. Poëzie werd, in die als absurd en vrij zinloos ervaren maanden, immers ervaren en aangewend als een middel om de dagelijkse realiteit achter mij te laten en toegang te krijgen tot een getransformeerde werkelijkheid die hoog uitsteeg boven het ruwe, bij momenten haast dierlijke soldatenleven. 'Frygisch tussendoor' bezingt - maar allerminst euforisch, als droeg ze de mislukking reeds in zich - de ontwakende liefde. Door omstandigheden ging een groot gedeelte van mijn documentatie verloren, maar één recensie van deze bundel is me toch nog gebleven. André Demedts die me ten tijde van de publicatie naar Kortrijk en Radio West-Vlaanderen uitnodigde, besprak de gedichten aldus: “Het eerste kenmerk van zijn poëzie is haar bondigheid. De dichter heeft zich niet laten verleiden tot de veel voorkomende fout veel woorden nodig te hebben om weinig te zeggen. Hij zoekt ook niet naar wat buitenissig aandoet en toch beseft hij wel degelijk dat poëzie van waarde oorspronkelijk moet zijn. Het onderwerp waarover hij hoofdzakelijk handelt is de liefde, het eeuwenoude en nooit versletene, maar hij doet het noch banaal noch sentimenteel. Ook de natuur speelt een belangrijke rol. Niet de uitbundige van lente-en zomergeweld, maar eerder de herfst en de winter, de seizoenen van ingetogenheid en bezinning, die symbolisch zijn voor zijn dichtkunst.”
Vaak gebeuren de meest vreemde dingen op het meest vreemde tijdstip. ‘Al die dingen gebeuren’ verwijst eerder naar een negatieve dan naar een positieve belevenis. Of misschien belevenissen?
‘Al die dingen gebeure,’ kwam er na de dood van mijn grootmoeder. Het kleinood kreeg 'een tussentijds poëtisch bericht' als ondertitel mee en telde nauwelijks tien gedichten. De dood in het algemeen en het levenseinde van enkele geliefden (o.a. een boezemvriendje dat ik op 12-jarige leeftijd in een verkeersongeval verloor en dat op 12 juli a.s. precies vijftig jaar zal zijn overleden) was het enige thema. De titel suggereert gelatenheid en berusting. De poging om van de dood een evidentie of natuurlijke gebeurtenis te maken - een soort rationaliseren - kan mensen helpen om zich min of meer met de verschrikkingen van dit fenomeen te verzoenen en zichzelf voor te houden dat het weinig zin heeft ertegen te rebelleren. ‘Profeet, profeet’; verscheen als bibliofiele uitgave in een beperkte oplage en werd geïllustreerd door vriend en graficus Roland De Winter. De bundel werd destijds door Anton Van Wilderode tijdens de opening van een tentoonstelling in Eksaarde voorgesteld en, voor zover ik me herinner, gunstig besproken. Ook daarvan is de documentatie verdwenen. ‘Welke kleur heeft de kameleon?’ was een project van enkele plaatselijke dichters en werd mogelijk door de steun van het Wichelse gemeentebestuur.
Ik stel vast dat je - na de interviews - als dichter niet stil hebt gezeten, en dat de eerste publicatie in 'Nieuwe Stemmen' een duwtje in de rug moet geweest zijn. Nochtans is er geen gebundeld dichtwerk van jou meer te vinden na het verschijnen van 'Een vinger op het ijs', in 1992. Dit lijkt me een ongelooflijk lange tijd om jouw poëtische ziel het zwijgen op te leggen? Heb je daar een verklaring voor?
Mijn laatste bundel ‘Een vinger op het ijs’ dateert inderdaad van voorjaar 1992. Deze bundel steekt - het heeft weinig zin dit te ontkennen - vol gevoelens van eenzaamheid en melancholie. Ik kwam uit een periode van chronische slapeloosheid en uitputting. Het schrijven ervan werkte in zekere zin therapeutisch. Het existentiële -niet zelden autobiografische karakter van deze poëzie valt niet te ontkennen. Zo worden het doodgeboren dochtertje ('kindje') en het verongelukte boezemvriendje ('hoge zee') jaren na de feiten nog gememoreerd. Puttend uit de tragiek van onooglijke krantenberichten ontstaan gedichten als vlekken op de glamour van deze door technocratie en economisme gedomineerde.tijd. Het gedicht 'leefden wij' bijvoorbeeld wordt opgedragen aan het Chinese bruidje Zhai Yunhua dat in 1987 de hand sloeg aan zichzelf. De intimiteit van haar huwelijksnacht was, ingevolge de aanwezigheid van afluisterapparatuur in de slaapruimte, door een grijnzend luisterende dorpsgemeenschap in een nachtmerrie verkeerd. Het is in zekere zin een inventaris van alle mogelijke soorten verlies en tegelijkertijd een hulpeloos teken van solidariteit met gebroken levens. Het feit dat precies deze bundel eind jaren negentig tijdens een echtscheidingsproces werd gebruikt om me laster en eerroof aan te smeren, heeft me dan ook verrast en me als dichter een tijdlang de adem afgesneden. Vooral mijn gedichten, als het corpus delicti, op een bepaald moment in de handen van een rechter van het Hof van Beroep in Gent te weten (eentje die bij voorbaat in Gents dialect liet verstaan dat hij zijn tijd niet zou verprutsen met het lezen van 'dit hier allemaal') vond ik vernederend. Maar zo gaan die dingen nu eenmaal. Wie schrijft moet zich wapenen tegen misverstanden en onverschilligheid. Een en ander verklaart gedeeltelijk waarom het zolang is 'stil' gebleven. Ik had en heb eigenlijk nog altijd andere dingen (dan publiceren) aan mijn hoofd, maar ik bleef al die tijd en vaak in moeilijke omstandigheden wel schrijven. Zonder op zijn minste een paar zinnetjes op papier gaat geen dag voorbij.
Graag zou ik uitweiden over 'Een vinger op het ijs'. Uit hetgeen je zegt leid ik af dat je het onrecht jou aangedaan (wat je noemt 'laster en eerroof aansmeren') nog altijd niet verwerkt hebt, en dat de daaruit vloeiende negatieve gevoelens nog niet verdwenen zijn.
Ach, dat men naar iemands poëzie grijpt om hem te beschuldigen of te beschadigen en het nodig vindt daarbij het justitiële apparaat in te schakelen lijkt me toch vrij hallucinant. Zoals ik daareven al zei: de bundel werd gecomponeerd als een daad van mededogen en solidariteit met talloze gebroken levens. Maar ik kan me natuurlijk troosten met wat destijds de wat tragisch aan zijn eind gekomen dichter Prosper van Langendonck overkwam: die vond zijn gedichten op een bepaald moment netjes verknipt tot wc-papier op het toilet terug. Uiteindelijk, denk ik nu, is poëzie -als al het kwetsbare en broze in deze wereld - het wel gewoon om met onverschilligheid, kwaadwilligheid en agressie om te gaan. Mijn ervaringen tonen enkel aan hoever sommige mensen in staat - en bereid zijn in hun vertwijfeling, wanhoop en wraakzucht te gaan. Maar deze zaak heeft me gebroken noch verbitterd. Integendeel. Was ik vroeger nogal 's zwaar op de hand, met de jaren heb ik geleerd wat meer gaan 'zweven'. Ik heb veel achter mij gelaten en zoek in mijn tegenwoordig schrijven soms bewust een lichtere toon. Ik hou het ook graag positief: we zijn zondagskinderen - tenslotte werd ons de poëzie als een formidabel geschenk in de schoot geworpen. Het is onze roeping haar te laten schitteren terwijl wij zelf in haar schaduw staan. Al ontsnappen we er natuurlijk niet aan om haar niet altijd vrolijke inhoud te duiden. Want hoe zeldzaam prachtig leven ook is, de wereld blijft een oord van veel en zinloos lijden - de uitdagingen om er wat aan te verhelpen blijven groot. Het is m.i. de taak van de poëzie en van kunst in het algemeen, de mens te helpen om de werkelijkheid wat beter te leren verdragen; zonder deze functie is zij quasi nutteloos. Kunst moet in staat zijn die behoeften te bevredigen en die noden te leningen waartegenover een dagelijkse, niet getransformeerde werkelijkheid hulpeloos staat.
ontmoeting
herfstbladeren jij en ik over de aarde blind verstrooid zijn wervelend opgetild door wind één ogenblik samen maar in winstille neergang even later opnieuw verdeeld.
Onrecht schijnt je diep te raken en wat anderen van je denken laat jou ver van onverschillig, of vergis ik mij?
Onrecht doet me innerlijk steigeren. Ik ben in mijn politieke en maatschappelijke opstelling aan de kant van de zwakken en slachtoffers te vinden. Wat anderen van mij denken laat me niet onverschillig, maar ik heb hun bijval of instemming niet nodig om mij een beetje goed te voelen. Eerst komt de trouw aan zichzelf en dan pas is de mens in staat een valabele en duurzame verbondenheid met zijn naaste(n) op te bouwen. In dit opzicht vind ik al 's vaker de moed compleet alleen te staan, want het komt er overal en in alle omstandigheden op aan je diepste overtuiging niet te verloochenen. Mijn verhouding t.o.v. de poëzie is er een van grote dankbaarheid, omdat zelfs de aanwezigheid van een klein talent de mens enige steun kan bieden. Jammer toch van haar klein bereik, want je wenst anderen niet minder houvast en hetzelfde geluk van harte toe.
Je doet de waarheid geen geweld aan daar waar je wijst op eenzaamheid en melancholie. Ze zijn voor veel dichters pilaren waarop hun poëtisch werk steunt. Vreemd genoeg is het precies langs de eenzaamheid om dat de meest waardevolle gedichten hun weg vinden zowel bij de lezer als bij de dichter, denken we maar aan Neruda, en hoe hij zijn beste poëzie schreef, ver van wat men zou kunnen noemen de bewoonde wereld. Woekert deze eenzaamheid - waarover jij het hebt - niet eerder in je diepste ik?
We hoeven ons geen illusies te maken: mensen zijn eenzame wezens. Er zijn vele soorten eenzaamheid. De vereenzaming van zieken, bejaarden, stervenden en sociaal of maatschappelijk uitgestotenen is zonder meer mensonwaardig. Andere vormen zijn vaak door hun dragers gewild en noodzakelijk: ik denk aan de eenzaamheid van de kunstenaar, de filosoof, de kloosterling, iedereen die in stilte contact wil leggen met zijn diepste innerlijk of wat tot rust wil komen. In eerste instantie benader ik eenzaamheid dan ook positief, in de zin dat ik er naar streef zo mogelijk dagelijks over een zekere dosis eenzaamheid te beschikken om mijn innerlijk met de voor mijn evenwicht broodnodige stilte te voeden. Als introverte natuur ben ik ook voorbestemd om me vaak eenzaam te voelen: in grote gezelschappen bijvoorbeeld, of in omstandigheden waar de vorm, de vlotheid, de pretentie en het stemvolume tellen, en minder de inhoud en de diepgang der gesprekken. Maar wezenlijk deren dergelijke ervaringen me niet, ik vind het alleen zonde van de tijd die zoveel beter had kunnen aangewend.
Je zegt dat wie schrijft zich moet zich wapenen tegen misverstanden en onverschilligheid. Denk je niet dat die ook elders te vinden zijn dan bij hoger vernoemde Gentse rechter, die hoogstwaarschijnlijk geen jota snapt van wat een goed gedicht in zich heeft, en die zich weinig of niets aantrekt van wat in het hart en de ziel omgaat van degene die probeert orde op zaken te stellen in zijn privéleven?
Een dichter moet eerst en vooral wat te zeggen hebben wil hij de lezer aan zich binden. De boodschap moet doorvoeld zijn en de ander als een evidentie aangrijpen. Het mag er best wel eens 'hevig' aan toegaan. Persoonlijk ben ik al een paar keer (op weg naar Damascus) 'van mijn paard' gebliksemd door de herkenbare authenticiteit en de kracht van sommige verzen. Alsof een diepe wonde in mijn pantser en weerbaarheid werd geslagen, terwijl vreemd genoeg de pijn toch als catharsis werkte. Ik denk hierbij o.a. aan sommige leeservaringen met het werk van de Argentijnse dichter Roberto Juarroz. Niet toevallig de dichter die jij, Iris, citeerde bij onze eerste schriftelijke uitwisseling van gedachten en gevoelens. Anderzijds verlang ik van de taal dat zij meer is dan drager van een boodschap. Ze moet ook muzikaal zijn en daarenboven een zekere vitaliteit en geluksgevoel bij de lezer opwekken, zodat deze zich verwonderd afvraagt waar de energie die hem doorstroomt plots vandaan komt. Iets wat me, in mijn meeste gevoelige momenten, telkens overkomt bij het (luidop) lezen van de Franse dichter René Char. Ik maak me zelfs sterk dat iemand die geen woord Frans verstaat toch onder de invloed zal komen van de energiestromen die in bijna al zijn teksten aanwezig zijn. Het is m.i. geen loze bewering in dergelijke gevallen te spreken over de helende werking van poëzie, maar veel -zoniet alles- hangt natuurlijk af van de openheid en ontvankelijkheid van degene die haar benadert.
Je vernoemt in één adem Roberto Juarroz en René Char Van die laatste heb ik - net als van Juarroz - gedichten vertaald o.a. ’Ik bewoon een pijn'; dezelfde pijn die jij omschrijft in ‘Een vinger op het ijs’. René Char heeft gezegd: “Voor mij is een gedicht niet mooi of eigenaardig of origineel, of alles wat je maar zou willen. Het is een toppunt van mezelf. Iets duurzaams, zoiets. Het hoeft niet gewaardeerd, bewonderd, gesmaakt te worden; het moet, wanneer je het leest, in je neerdalen”. Dat doen jouw gedichten, zo althans ervaar ik degene die ik het geluk had te mogen lezen.
Je bewijst me, Iris, echt te veel eer, want ik schiet als dichter tekort op vele vlakken. Er is vooreerst een gebrek aan voortdurende beschikbaarheid: zelfs het dichterlijke leven kent dikwijls (te) veel afleiding en verstrooiing. Mijn omgang met de taal is niet altijd zoals het hoort en ik betreur al eens de tijd die aan het schrijven - van wat achteraf een miskleun bleek - is opgegaan. Al met al cultiveer ik terecht een vorm van gezonde bescheidenheid. Ik lijd als mens onder onverschilligheid of miskenning maar heb er als dichter anderzijds geen moeite mee als laatste in de rij te staan. Ik bewonder een rist grote dichters, en ik probeer die bewondering niet te laten uitmonden in een blokkering van eigen schrijven of het verlies van mijn eigenheid. Het is tegelijk een bizar en troostend gevoel vast te stellen dat precies deze groten mijzelf beter uitdrukken dan ik het zelf ooit zal kunnen. In dit verband denk ik aan enkele verzen uit een gedicht van Jorge Luis Borges - die had zo ongeveer hetzelfde gevoel: “Niet zonder een vanzelfsprekende bitterheid bedenk ik dat de woorden die me werkelijk uitdrukken op die bladzijden staan die niet weten wie ik ben en niet op die welke ik geschreven heb.”
Woorden als deze van Jorge Luis Borges kunnen heel diep raken omdat ze verweven zijn met onze eigen diepzinnige gedachten. In zijn dichtbundel ‘Para seis cuerdas' (Voor zes snaren) heeft Borges het over milonga-muziek. Hij hield hartstochtelijk veel van haar, meer dan van de (moderne) tango. In de milonga zit volgens hem moed, vrolijkheid, en uitdaging. Daarmee wil ik benadrukken dat het niet moedeloosheid noch neerslachtigheid is die leidt tot een boeiend en sterk oeuvre. Ik denk niet dat jij ook maar iets tekort schiet, Achiel, want ik ben al meer dan één keer onder de indruk gekomen van jouw briljante schrijfstijl. Ik weet dat je eraan denkt enkele Franse auteurs te vertalen. Misschien ben je daar al mee begonnen?
Het was mijn bedoeling na mijn actieve loopbaan en ondanks een eerder matige talenkennis enkele auteurs die me na aan het hart lagen, en waarvan in het Nederlands niets of nauwelijks iets was vertaald, hier te introduceren, of alvast poging hiertoe te doen. Ik ging ervan uit dat ik zou beschikken over een zee van tijd maar dat viel lelijk tegen. Daarenboven slaagde ik er zelden in de muzikaliteit van de oorspronkelijke tekst in het Nederlands te reproduceren, en dat is voor mij toch een belangrijk criterium: wat neergeschreven wordt moet 'zingen' of blijft anders beter ongezegd. Ik blijf mijn 'favorieten' trouw. Vrijwel al mijn dagen beginnen met het lezen van een stukje Haldas en Bobin, maar het vertalen liet ik al een tijdje achterwege, al blijft de zin om langs die weg mijn passie en vreugde met anderen te delen wel levendig aanwezig. Georges Haldas ontdekte ik in april 1993 heel toevallig in het Gentse Poëziecentrum. Ik bladerde wat in zijn 'Carnets 1973' en was meteen verkocht. Ik twijfelde geen ogenblik: ik had een zielsverwant en compagnon de route ontdekt en kocht meteen alles wat van Haldas voorradig was. Later vulde ik die voorraad via de boekhandel nog aan. Haldas inspireerde mij mettertijd om zelf met 'Carnets' te beginnen: een soort dagboeken waarin ik kwijt kon wat zich niet onmiddellijk leende tot poëzie of briefwisseling. Zijn 'Etat de poésie', het begrip waar hij het dikwijls over heeft, is een soort dichterlijke staat van genade of het 'betere bewustzijn' waar Schopenhauer het in zijn filosofisch dagboek heeft. Het is iets dat ons overkomt, niet iets dat we zelf bewerken, maar dat we toelaten en waarvoor we toegankelijk en beschikbaar zijn - met andere woorden: inspiratie als een pinkstergebeuren.
Ondanks het feit dat je op dit moment lijkt te hebben af gezien van vertalen blijk je Pierre Reverdy toch niet helemaal uit jouw gedachten te hebben gebannen?
Op een bepaald moment kreeg ik 'En vrac' van Pierre Reverdy in handen. En later de 'Carnets' van Philippe Jaccottet. Ik was in een wereld vol ontdekkingen terechtgekomen waarvan het einde niet zag. Want het blijft mijn bedoeling ooit ook het 'Journal Intime' van de dagboekschrijver bij uitstek Henri Frédéric Amiel te lezen. Zoals het werk van Marcel Proust en van Iris Van de Casteele die ik laat, maar niet te laat in mijn leven heb ontmoet. Ik bevind me zonder meer in een toestand weelde en voelt zo'n beetje aan zoals Jules Renard het uitdrukte: “Wanneer ik denk aan al de boeken die ik nog moet lezen, weet ik met zekerheid dat me in dit leven nog heel wat geluk wacht". Maar van dag tot dag bots ik steeds meer tegen grenzen op: zelfs de meest gepassioneerde lezer moet passen bij het quasi onoverzichtelijke aanbod en kan maar een fractie van zijn leeshonger stillen. En ook op het vlak van lectuur betekent kiezen verliezen.
Als auteur schijnt Christian Bobin je bijzonder nauw aan het hart te liggen, tegelijk ook als mens. Zou je iets meer kunnen vertellen over hem?
Met Christian Bobin maakte ik een paar jaar geleden kennis op de Franstalige zender La Deux. Hij werd er in het helaas inmiddels afgevoerde programma 'Dites-moi' geïnterviewd door Michèle Cédric.. Het was aanvankelijk niet eens een goed gesprek: Bobin sprak aarzelend en moeilijk - maar de eenvoud, de authenticiteit en uitstraling van die man! Daarenboven sloeg hij op het einde van het programma echt spijkers met koppen - mijn belangstelling was gewekt. Zijn naam toevoegen aan de schare 'geallieerde' schrijvers waarmee ik me innig verbonden voel was de volgende en logische stap.
Het gesprek met Christian Bobin heb ik jammer genoeg gemist. Zelf had ik het geluk Michéle Cedric persoonlijk te leren kennen. Michèle is een fascinerende vrouw die bijzonder boeiende interviews afnam. Hetgeen jou overkwam met Bobin overkwam mij bij haar met de Irakese kalligraaf Hassan Massoudy, bij zover dat ik tot tweemaal toe naar Parijs ben gereisd om deze bijzondere mens en zijn kalligrafieën te leren kennen in zijn tentoonstellingsruimte aldaar. Intussen is daaruit een mooie vriendschap gegroeid. Jij lijkt al even gepassioneerd als ik het ben, Achiel, wat literatuur (en kunst in het algemeen) betreft.
Mijn passie voor de literatuur werd in de lagere school, in het vierde leerjaar, bij meester Fernand Bauwens gewekt. Het laatste lesuur op vrijdag werd al het klassieke lesmateriaal opgeborgen; wat volgde grensde voor mij en nog een paar medeleerlingen aan pure magie: onze leraar toverde een beduimeld, met grauw bruin papier gekaft boekje van Karl May te voorschijn, om ons, zo totaal en effectief als geen televisie het later ooit zou kunnen, weg te katapulteren uit de dagelijkse realiteit, in het rijk van een verbeelding dat grenzen noch beperkingen kende. Voor de meest taalgevoelige onder ons openbaarde zich in dit klasje, begin jaren vijftig, als een wonder de scheppende kracht van het woord.
Er zijn christenen die wel eens durven beweren dat ze 'net dat ietsje méér hebben' dan andersdenkenden. Ik vraag me af, Achiel, of jij daar een mening over hebt?
Gelovigen en ongelovigen staan voor dezelfde uitdaging: het humaniseren van de samenleving. Het past dus m.i. niet dat de enen zich boven de anderen verheffen. Maar de verdeeldheid, ook tussen de religies, belooft niets goeds. Wat mijn eigen standpunt betreft: niet onmogelijk dat, na de dood, het grote 'niets' op ons wacht, maar ik zie er de zin niet van in alle banden met wat me op een bepaald moment wezenlijk heeft gevormd en gesteund, op louter rationele basis door te knippen. Ik ben een gevoelsmens en blijf in mijn leven een niet geringe waarde toekennen aan allerlei vormen van transcendentie en spiritualiteit. Anderzijds ben ik veel te individualistisch ingesteld dan dat ik me zie aarden in het grote gelijk of dogmatisme van een of andere kerk. En vooral huiver ik van de ruk naar rechts die ik niet alleen in de georganiseerde religies maar ook in de maatschappij vaststel. Die conservatieve reflex, bij het verlies van houvast, is begrijpelijk en niet altijd nefast. Het onbekende dat zich aandient, houdt heel wat onzekerheid in. Maar de veranderingen zijn onomkeerbaar, de problemen die dit met zich meebrengt zijn heel complex.
Eén van de redenen waarom velen het niet aandurven zich een ruimer gezichtsveld te verschaffen - waardoor ze een deel van hun opgedrongen gedachtegoed zouden moeten opgeven - is de sprong in het onzekere. Ze blijven haperen in het eenzijdige dat hen als kind werd ingeprent. Ze proberen niet zich doorheen het labyrint van vreemde culturen en ideeën te worstelen om daaruit ditgene te distilleren wat geestelijk gezond en verhelderend is.
Diversiteit qua vorm en inhoud beschouw ik als rijkdom. Ik hoef me geen geweld aan te doen om te switchen tussen het gedachtegoed van Sartre en dat van - ik zeg maar wat: de mysticus en dichter Johannes van het Kruis. Gelovig of ongelovig is voor mij niet het punt: ik kan me in allebei wel vinden en reken iedereen af op menslievendheid en existentiële waarachtigheid. Zoals ik lezend met plezier in de huid van personages kruip, zo wil ik ook graag struinen door de gedachten van Schopenhauer, Kant, Kierkegaard enz.. Ieder heeft zijn verdienste en bij allen ervaar ik bij momenten de schok der herkenning. In feite is het heel eenvoudig: ik ontdek mezelf in de anderen en de anderen in mezelf. Hoe dieper iemand graaft in zichzelf, hoe universeler hij blijkt te zijn. We zijn pas ten volle onszelf als we 'ja' zeggen tegen iedereen. Het benadrukken van verschillen is zo kortzichtig - met wat meer wederzijdse empathie zou er beslist minder ellende en verdeeldheid in de wereld zijn.
Vroeg of laat ondergaan 'zoekers' als wij onontbeerlijke wijsgerige invloeden. De voornaamste werken van filosofen allerhande vindt men netjes gerangschikt op Internet; men kan er o.m. de wijze vooruitstrevende Epicurus ontmoeten die vertelt hoé en wààr geluk te vinden is. Zijn gedachtegoed valt niet te versmaden; ik kan er mij goed in vinden. Doch kennis vergaren betekent niet alles, men zou tegelijkertijd ook wijsheid moeten vergaren, en dat lukt vooral als je dùrft te leven waarbij je natuurlijk een hoop builen op je kop riskeert. Nooit zal ik horen bij die “we” die ja zeggen tegen iedereen. Daarom, Achiel, zijn jij en ik het niet altijd eens omtrent de tekstregels van Haldas en Reverdy die jij als blikvanger plaatst in jouw brieven aan mij. Doe je dat ook in jouw briefwisseling naar andere mensen toe?
De gewoonte poëtische en/of filosofische teksten boven mijn brieven te plaatsen ontstond uit de behoefte datgene waarmee ik bezig ben met anderen te delen. Ook als stille wenk: 'Kijk, die rijkdom ligt op jou te wachten!' Het ligt in de natuur van universele schoonheid of waarheid aanstekelijk te zijn, tenminste voor wie er ontvankelijk voor is. Dat velen zich laten afschrikken door de inspanning die het kost om als koningskinderen in die wereld van schoonheid en wijsheid binnen te gaan, vind ik triest en tekenend voor het oppervlakkige en volgzame karakter van onze consumptiemaatschappij. Wie zich oprecht de moeite geeft zich te verdiepen in wat kunst of geestesleven te bieden heeft, komt nochtans nooit bedrogen uit.
Toen ik je vertelde dat het geen haar heeft gescheeld of ik had het genoeg Guido Van Heulendonk te kunnen interviewen, scheen je geïnteresseerd, beter gezegd: verbaasd. Zijn literaire roman ‘Buiten de Wereld’ is een verwijzing naar Adegem, de plek waar hij en ik van afstammen. Ken je het oeuvre van Guido Van Heulendonk? Afgaande op de inhoud van zijn boeken schijnt hij diep in zichzelf te hebben gegraven.
Om er wat zinnigs over te zeggen ken ik Guido Van Heulendonk en zijn werk te weinig. Mijn excuses, Adegem!
Uit jouw antwoord leid ik af dat het oeuvre van een vrijdenkend schrijver als Guido Van Heulendonk je weinig of niet interesseert: dat het vooral buitenlandse (christelijke) schrijvers zijn die jouw leeshonger stillen. Vrijgevochten schrijvers en dichters zijn bij ons nog altijd in de minderheid, je moet al een 'open mind' hebben; dwz een ruime blik op de wereld om een deel van jezelf in hun geschriften te herkennen. Hoe ook: elk doet er goed aan zijn heil te zoeken daar waar hij het hoopt te vinden. Jij, Achiel, vindt het hoofdzakelijk in het werk van Reverdy, Haldas en Bobin. Lezen schijnt voor jou belangrijker te zijn dan schrijven?
Lezen, meer nog dan het schrijven, heeft me gemaakt tot wat ik ben. Ik mag er niet aan denken wat er van me zou zijn geworden zonder de literatuur. Ik heb er niet alleen de wereld en de mens leren kennen maar vooral mezelf. Literatuur is op vele momenten in mijn leven redding geweest. En nog steeds grijp ik er naar, niet zozeer om me esthetisch te laten verwennen maar vanwege een dimensie die in het gewone leven ontbreekt. Ik vind er rust, stilte, diepgang, structuur waar kan ik me beter onderbrengen? Thuis is waar mijn boeken zijn. Op reis voel ik me telkens een beetje verweesd en verlang naar hun aanwezigheid. Wat trouwens niet belet dat ik een gesprek onder vrienden of een familiaal leven uitermate waardeer.
Ik denk dat je naast lezen van goede literatuur vooral in jezelf rust, stilte, diepgang en structuur zou moeten zoeken, maar tegelijk ook in de natuur want daar ligt de sleutel van de geheimpoort van de poëzie. Hoe zou jij de poëzie (de dichtkunst) willen omschrijven?
Hoe ik me verhoud tot de poëzie, is een vraag die me voortdurend bezighoudt. Wat betekent de dichtkunst voor mij (en op zichzelf)? Waar komt haar mysterieuze kracht vandaan en wat verwacht ze van mij? Ben ik anders dan mondjesmaat bereid voor haar te leven? Geduld te oefenen; desnoods voor haar te lijden? Kan ze meer dan een vluchtheuvel zijn - iets dat een leven bepaalt? Wat ik investeer, krijg ik in veelvoud terug aan energie en vertrouwen. Waarom gedraag ik me soms als een koele minnaar? Omdat ook zij zich zo moeilijk geeft, en dan nog eerder aarzelend en ingehouden? Zeker, mijn klein geduld vreest haar weerstand: zij daagt me uit en laat zich niet makkelijk winnen. Ik verdenk haar al een keer mij ontrouw te zijn en anderen te begunstigen. Soms, in mijn dromen, buigt ze zich over me heen: haar lippen zijn koud en haar kussen smaken wrang. Haar huid is oud en verweerd; ik walg van haar geur. Ze zegt: 'Nee, ik treur niet om jou, al laat je mij in de steek. Ik plooi niet voor je grillen. Ik ben ieders vrouw en ieders kind - al ga je dood, dichtertje, ik treur niet om jou...'
Zulke vreselijke woorden hoorde ik nooit eerder uit iemands mond omtrent wat poëzie voor iemand kan betekenen. Hun bittere kern proeven doet me huiveren. Het lijkt, Achiel, alsof je poëzie verwart met een oude verlepte minnares die jou zware schade heeft toegevoegd. Ik mis de hartstocht en/of de genegenheid waarmee omzeggens elke dichter haar omarmt. Het is alsof jij jouw liefdes- en andere teleurstellingen verwart met de essentie van de poëzie.
Het is naïef ef van het leven te verwachten dat het maakbaar is. Het leven kent zijn eigen, meestal grillige verloop, een willekeur waaraan niet te ontsnappen valt. Een andere vaststelling is dat we nog altijd 'boeten' voor in het verleden aangegane relaties: verhoudingen met mensen die vaak helemaal niet bij ons pasten, maar waarvan we op een bepaald moment in onze eenzaamheid toch een zeker geluk en een voldoening schenkende gemeenzaamheid verwachtten. Mijn huwelijk behoorde tot die categorie en ook een paar vriendschappen die zich achteraf moeilijk lieten schrappen. Maar het is geen blijk van liefde of mededogen te klitten aan mekaar uit angst voor de leegte. We behoeden ons niet voor de neerwaartse spiraal door ons -soms zelfs als vragende partij- te verbinden met om het even wie. Dikwijls, als uitgeputte boksers, leunen mensen tegen elkaar, wachtend op de uitblijvende gongslag die hen bevrijdt. Maar het leven is te kort en te kostbaar om zich over te geven aan een dergelijk vertoon.
Jouw levensinstelling is zeer pessimistisch. Het is alsof geen vreugde of hoop jouw levensdagen kleurt; ze geen inhoud geeft..
Ons te onttrekken aan het fatum dat op ons weegt: een genetische bepaaldheid die ons begrenst - misschien is precies het schrijven deze worp naar méér, die van onze zwakte onze sterkte maakt. Als een hint voor onze kinderen en voor wie ons leest. Zoals de dichter Hans Lodeizen destijds schreef: 'Ik heb mij met moeite alleen gemaakt…'. Want het is de hoogste tijd om te leven alsof de dood ons is aangezegd en essentie van bijkomstigheid te scheiden. Te lang hebben we geleefd alsof alles mogelijk was, alsof we over de eeuwigheid beschikten, om om het even wat te doen. Maar de tijd die rest is kort - dood zit ons op de hielen.
Is het omdat je soms twijfelt aan je eigen dichttalent dat je met verwarde gevoelens te kampen hebt?
Ik weet wat ik kan. Dat is in verhouding weinig ten opzichte van wat ik niet kan, en eigenlijk wel zou willen kunnen. Deze onmacht maakt me nederig, en tegelijk een beetje opstandig en triest. Maar net zo goed plichtsbewust, want ik besef dat de ontwikkeling van 'weinig' voldoende is om een zinvol leven te hebben. En dat de drang meer te willen zijn of te lijken me buiten mezelf plaatst, en daar verlies ik de beheersing over wat ik werkelijk ben. Ik word dan een leugen voor mezelf en de anderen. Talent is een gave en dus een opdracht zich dienstbaar op te stellen en een terrein te kiezen waarin het groeien en zo mogelijk ook bloeien kan. Ieder geslaagd gedicht vergroot mijn vertrouwen en verdiept mijn geluk, maar ik klop me niet op de borst noch laat ik me voorstaan op wat ik kan - mijn ware biotoop is de uitnodigende stilte van het onbeschreven blad waar ik niet hoef te vrezen voor de illusies en kwalijke invloeden van goedkoop succes en zelfverlies. Ik verwacht van de lezer niets terug, dan soms de zeldzame herkenning en de ontroering die het resultaat zijn van een waarachtige en, ondanks de literaire vormgeving, toegankelijke tekst.
Graag had ik het nog gehad over het kunstfestival "Belle op Aarde". Het op komst zijnde gebeuren werd in zekere zin al voorafgegaan door de inhuldiging van het beeldhouwwerk "Uit de diaspora" van Willy Segers, verrijkt met drie eromheen staande toepasselijke gedichten elk gegraveerd in een zware ondoorzichtige glasplaat. Het geheel oogt bijzonder kunstzinnig in de parochietuin van Schellebelle, waarin oude machtige bomen de poëtische sfeer onderlijnen.
'Belle op aarde', een kunstevenement dat hier deze zomer voor de tweede keer plaatsvindt en waarop we de eer hebben jou, Iris, en jouw poëzie te mogen verwelkomen, brengt de kunst naar de mensen. Tegelijk willen we een podium bieden aan kunstenaars uit de meest diverse disciplines. Zowel muziek, literatuur, beeldende kunst als het kunstambacht komen aan bod. Dat is natuurlijk een heel ambitieus programma voor de inrichters zonder veel ervaring. Persoonlijk houd ik mij met de werkgroep poëzie bezig. We selecteerden een 30-tal gedichten waarvan sommige op muziek zullen worden gezet en anderen dan weer geplaatst langs een kunstroute, in het centrum van het dorp maar evengoed in de vrije natuur. Want gelukkig beschikken we hier nog over flinke lappen groen waarvan het grootste deel beschermd natuurgebied.
Zou je nog iets willen toevoegen aan wat je eerder hebt gezegd omtrent dichten en schrijven?
Ach, we worden zozeer met informatie en gedachten overspoeld dat we zelf nauwelijks nog tot denken komen. We verdiepen ons in de levens van wie we om hun wijsheid en daadkracht bewonderen, maar we slapen (moeilijk) in met het gevoel van iemand die zichzelf de vreugde en de vrijheid van het ware leven ontzegt. Ook dat kan de functie en de essentie van het schrijven zijn: te ontdekken dat we, ongeacht ons vertwijfelen aan de wereld en het wanhopen aan ons beperkte zelf, toch iets bijdragen tot een betere wereld. En dat we niet hoeven te bezwijken onder het gewicht van de verwachtingen die op ons worden gebouwd, maar nederig en welwillend moeten omgaan met onze beperkingen.
Slotwoord
Tot daar de
interessante gesprekken die ik mocht voeren met de dichter Achiel Janssens
waaraan een schrijven van de gewaardeerde dichterschrijver Frans Fransaer
vooraf is gegaan.
Wie hoger mikt dan
zichzelf
Het ware hartverheffend mocht Achiel Janssens in de toekomst de nooit volprezen poëzie als weldoenster ervaren die het verdient met liefde omhelsd te worden, opdat hij in zijn dromen niet langer zou walgen van de weldoende kruiden- en balsemgeur die ze verspreidt. Als afsluitstuk deze waarheidsgetrouwe woorden van Kahlil Gibran: "Eigenlijk praten we alleen tegen onszelf, maar soms praten wij luid genoeg zodat anderen ons kunnen horen".
Iris Van de Casteele
|