PATRICK VERMEER INTERVIEWT IRIS VAN DE CASTEELE

 

 

Inleiding

 

Toen mij enkele weken geleden werd gevraagd om een gesprek te hebben met de dichteres Iris Van de Casteele, t.g.v. de poëtische namiddag "Lettergeknetter", te Adegem, heb ik vrijwel zonder aarzelen ingestemd. Omdat ik er naar uitkeek om na bijna drie jaar, want zolang is het geleden dat we mekaar zagen, weer eens van gedachten te wisselen met deze Adegemse dichteres.

 

We kennen mekaar twintig jaar. Het was in de lente van 1985 toen Mevrouw Van de Casteele aan de jonge radioman Patrick Vermeer voorstelde enige aandacht te willen besteden aan haar eerste bundel "Witte Silhouetten" op de lokale radio van Maldegem. Na dat eerste gesprek, waarbij haar man, gitaar- en harpvirtuoos Cacho Aguirre, haar muzikaal begeleidde, volgden er nog enkele in de loop der volgende jaren. Tweemaal was zij te gast ter gelegenheid van een poëzieavond in Maldegem, die ik zelf mee gestalte mocht geven.

 

Meerdere malen waren we in de daaropvolgende jaren bij haar te gast te Asse bij Brussel, naar aanleiding van een jaarlijks zomerfeest dat gehouden werd ter gelegenheid van de verjaardag van Cacho. We herinneren ons de ontzaglijke gastvrijheid, de Latijns-Amerikaanse muziek, live gebracht door Cacho en z'n vrienden, de heerlijke barbecuespijzen, bereid met liefde en zuiderse zon.

 

Vooral ons eerste bezoek aan Iris en Cacho in de zomer van 1985, kort na dat eerste radio-interview, zal ons altijd bijblijven: het was op weg naar de Ardennen voor een korte kampeervakantie, dat Ann en ik besloten, als korte tussenstop, Iris even een bezoekje te brengen.  Even … Vierentwintig uur later werden we uitgewuifd, vol van spijs, drank en poëzie, en konden we onze reis naar de Ardennen verder zetten!

 

In de loop der jaren hebben we Iris leren kennen, als een optimistische, welbespraakte vrouw, met evenwel een melancholische ondertoon, die ze via haar poëzie en haar literaire bijdragen in o.m. "De Poëzietuin" in het weekblad Vrij Maldegem tot uiting brengt.

 

Denkend aan Iris en lezend in haar talrijke bundels kwam mij vorige week plots het woord "lava" voor de geest. Ik ging de precieze omschrijving opzoeken in het woordenboek. "Naam van alle stoffen die in gesmolten toestand bij een vulkanische uitbarsting worden uitgeworpen en vervolgens tot gesteenten van verschillende samenstelling stollen".

 

Dat zijn Iris en haar literatuur, dacht ik. De hevige emoties, met zowel de diepe weemoed en het heimwee, de hunker naar liefde en zon als het felle uithalen naar alles wat haar dwaas en onrechtvaardig overkomt, zijn als lava uit het binnenste, het allerdiepste zelf van de vulkaan Iris, lava dat stolt tot verzen, tot poëzie… En Iris verwoordt het zelf in een van haar gedichten: "een zilveren lepel vuur ben ik".

 

Het is met deze Iris Van de Casteele dat we vandaag praten. En we hebben ook voor enkele korte muzikale intermezzi gezorgd. Dochter Sarah speelt voor ons enkele harpcomposities. Misschien is haar interesse voor dit instrument wel ontstaan drie jaar geleden toen zij de harp en de muziek van Cacho als zevenjarige leerde kennen.

 

Het gesprek

 

Iris, we zijn vandaag te gast in Adegem, jouw geboortedorp, het dorp van je jeugd, niet weg te denken uit je poëtisch oeuvre. Vele van jouw gedichten lijken immers gerijpt in de velden, tussen de dennenbossen van toen, in de kleigronden van de Campelstreek. En ook de mensen van weleer breng je weer tot leven in je poëzie.

Hoe belangrijk is het dorp van weleer?

 

In het Adegem van nu herken ik het dorp van weleer niet meer, Patrick. Alles is veranderd: de dorpskern, de wegen, de huizen, zelfs de mensen. Veel beukenhagen zijn verdwenen en er meanderen ook geen beekjes meer langs de veldwegels waaruit kikkers opsprongen toen ik langs de binnenwegen naar school liep. Beken, sloten en grachten werden gedempt, de bossen van de Zandakkers werden gekapt, werkmanshuisjes en boerenhuizen werden afgebroken en vervangen door huizen die heel veel over hun bewoners vertellen. Nochtans zal Adegem voor mij belangrijk blijven al was het maar omdat ik er de beenderen begraven weet van vele dierbaren.

 

Hoe belangrijk zijn de mensen van toen, de voorvaderen voor jouw poëzie?

 

Hoe kan het anders dan dat de mensen van toen -de voorvaderen van de mensen van nu- voor mij heel belangrijk zijn gebleven. Zij zijn het die me hebben gevormd en gekneed tot wat ik geworden ben. Alles is mij bijgebleven en staat in mijn geheugen gegrift, niet alleen het uiterlijke van mensen en dingen maar ook de geuren, zelfs de geluiden uit de smidse die ik poëtisch weergegeven heb.

 

Reliek                                                

 

eind januari

langs de dijk gegaan

om te zien

of de berk er nog stond

 

dit jaar was het anders

geen scherpe oostenwind blies

geen schelp lag verweesd

in het poldergebied

 

er zweefde een luchtballon

over Zuidzande

hier stond ik

met zoveel stad in mijn hart

 

met in mijn handen genageld

het fossiele

van haaientanden

 

Je woont al jaren in de grootstad, de Basiliek van Koekelberg op wandelafstand. Toch lijkt de hunker naar het land en het landleven met de jaren zelfs eerder toe te nemen. Wat vind je hier, dat je ginds niet vindt? "Hier stond ik, met zoveel stad in mijn hart" …

 

De versregel die je aanhaalt uit één van mijn gedichten kan misleiden want wat groen en bomen betreft valt Brussel te vergelijken met Asunción del Paraguay waar ik gewoond heb. Wanneer je Brussel binnenrijdt heb je al meteen het Laarbeekbos, vlak daarna de Zavelenberg, dit is weidegrond, hectaren groot, waarop koeien grazen op een paar honderd meter vóór de voet van de Basiliek van Koekelberg die haar eigen park heeft. Dan zijn er het Scheutbos, het Poelbos, de Kattebroek, de vele stadsparken en parkjes, het park van Laken, het Egmontpark met zijn zwarte notelaar, een deel van het uitgestrekte, prachtige Zoniënwoud, het Terkamerenbos, en het Schaarbeekse Josephatpark, een plek waar ik als jong meisje uren vertoefde. De Groeselenberg, die ik laat heb leren kennen, mag ik ook niet vergeten.
In tegenstelling tot wat je zou kunnen denken gaat mijn hunker niet uit naar het land of het landleven maar eerder naar een plek waar ik graag zou begraven worden, ergens helemaal alleen, zonder zerk of inschrijving, maar wel onder een boom. Brussel is voor veel Vlamingen een ongeliefde stad omdat ze nooit tot haar volle recht komt, noch op Ansichtkaarten, noch op TV. Voor velen die er hun beroep uitoefenen is ze slechts afstelplaats voor hun wagen, of af- en opstapplaats voor trein of bus. Verder wordt ze tot vervelens toe overspoeld door politieke berichtgevingen e.d.  Wie Brussel kent zoals ik haar ken heeft het hart ervan vol. Je hoeft geen dagen ver te reizen om er alle talen door elkaar te horen spreken of om er zuiderse of exotische vruchten te vinden. En er zijn de vele musea en bibliotheken.
Dat ik nooit een dichtbundel aan Brussel heb gewijd mag daaraan liggen dat ik alles wat ik voel nu nog niet kan verwoorden. Doch ik geef de moed niet op, ik zal een keertje mijn humushanden moeten aanspreken. In Ganshoren, waar Cacho en ik wonen, zijn er wat genoemd wordt "De Rivieren". Ze vormen een moerasachtig gebied bestaande uit rietvelden, vochtige weiden en een beek die gevoed wordt door méér dan één bron, en dat alles, omlijst door boomgaarden, moestuinen en bosjes. Het prachtig heuvellandschap is een inspiratiebron voor heel wat kunstenaars doorheen de vier jaargetijden. Ganshoren is door natuurliefhebbers geliefd om haar flora en fauna, o.m. haar 80 verschillende vogelsoorten.
Bij onze woning hoort een tuin van 8 x 22 meter en dat in volle stad. Alle ons omringende huizen bezitten dezelfde natuurlijke tuin waarin hoge bomen en zingende en kwetterende vogels. Wie zou zich niet gelukkig prijzen daar te mogen wonen? Alle moderne faciliteiten op een boogscheut en toch middenin de natuur. Vergeef me, Patrick, indien ik misschien een beetje teveel mijn liefde voor Brussel laat blijken, maar deze grootstad heeft me alles gebracht wat ik nodig had en in mijn geboortedorp nooit had kunnen vinden. Het waren toen andere tijden, vooral voor het jonge meisje dat ik was. In een kroostrijk gezin waren het bijna altijd de jongens die verder mochten studeren, vooral de jongste. In Brussel kon ik studeren, mezelf ontplooien, de nodige vrijheid van geest en lichaam genieten, kortom de mens worden die ik geworden ben.

 

Je hebt veel gereisd, je spreekt verschillende talen, woonde zelfs een aantal jaren met je man Cacho in Zuid-Amerika. Heeft deze brede kijk op de wereld, de confrontatie met andere culturen, zeden en gewoonten een invloed gehad op je dichterschap? Ik twijfel er niet aan.

 

Door in aanraking te komen met andere volkeren en culturen heeft er misschien een verandering in mijn gewoonten plaats gevonden waarvan ik me niet bewust ben. Zo drink al jaren thee in de plaats van koffie, om maar iets te zeggen. Mijn ruim denken zal ook wel daarmee te maken hebben ofschoon ik meen dat je ook innerlijk kunt reizen om heel wat levenservaring op te doen; goede boeken en goede leraars zijn daartoe een grote hulp. Onlangs was ik op bezoek bij Amanda Lievens, een oud-lerares van Adegem, die al jaren in Kontich woont. Ze zei ooit 'Iris, jij hebt toch wel alle boeken van de hele bibliotheek van Adegem uitgelezen". Dat bewijst dat ik als kind en jong meisje al een leesrat was. Natuurlijk zal alles wat van elders komt wel zijn stempel op mijn dichterschap gedrukt hebben, vooral omdat ik me zo goed kan inleven in vreemde talen en hun zo helemaal anders klinkende klanken en intonaties; iets van de ziel van andere volkeren zet zich dan af in je eigen ziel, ik denk vooral aan de Russische, en aan die van de Guaraní en de Charrúa, die leerde ik het best kennen.

 

Je bent dus al van toen je klein was bezig met taal, met poëzie. Hoe is het begonnen?

 

Begonnen is het toen ik nog geen negen was, zittend op de rand van een beekje, dat Eede heet, indien ik me niet vergis. Het zuiver kabbelend beekje is intussen een nauwe, onfrisse sloot geworden, maar ik heb er wel mijn eerste inspiratie als dichteres aan te danken. Ik rijd er soms nog voorbij denkend aan de tijd van meer dan zestig jaar geleden; je weet, Patrick, dat mijn grootouders van moeders zijde aldaar, op de Campelberg, een hofstede uitbaatten. Verder kan ik kan mij de klanken en het ritme herinneren die uit de gedichten sprongen die we op school moesten voordragen, of die voorgedragen werden door de lerares. Ik zat  altijd heel aandachtig te luisteren of probeerde zelf het beste uit klanken en ritme te halen. Wat deze dingen betekenen hoef ik je niet uit te leggen, Patrick, jij met je warme stem als geschapen om zonder aarzelen voor te dragen. Ik ken niemand die mijn gedichten ooit zo ontroerend voordroeg en voordraagt als jij dat kunt en doet. Dat kan niet alleen aan de vriendschap liggen die we voor elkander voelen.

 

Zijn er mensen die je tot het schrijven hebben aangezet? Zijn er andere dichters of schrijvers die invloed hebben gehad op jouw werk?

 

Iemand die een Kinderhoekje verzorgde in een Gentse krant moedigde mij aan als twaalfjarig dichteresje, bij hem kon ik terecht. Ik zou wel eens "een groote Vlaamsche dichteres" kunnen worden, schreef hij.Toen ik bijna veertien was schreef hij mij twee persoonlijke brieven omdat hij voelde dat ik de kinderschoenen ontgroeid was en het tijd was om zijn Kinderhoekje te verlaten. Op volwassen leeftijd werd ik eerder belemmerd dan aangemoedigd om te publiceren. Als dichteres heb ik veel te danken aan dhr Albert Van Hoestenberghe die mij al jaren het volste vertrouwen schenkt; mij een volledige pagina van zijn weekblad Vrij Maldegem kosteloos ter beschikking stellend, waar ik de poëtische vruchten van anderen en mijzelf kan onderbrengen in "De Poëzietuin". Dit is een uiterst geschikt forum voor de poëzie en haar liefhebbers.

 

Kun je ons vertellen, Iris, wanneer en hoe een gedicht ontstaat? Gaat er een incubatieperiode aan vooraf, gevolgd door een rijpingsproces? Of dringt een gedicht zich zomaar plots aan je op? Wordt er veel gecorrigeerd?

 

Een van mijn oudere gedichten "Oertaal", nog nooit gepubliceerd, begint aldus: "Een gedicht ontstaat / vanuit zijn oorspronkelijk zijn / het hangt in je hoofd te bengelen / soms te spartelen / tot je er aandacht aan schenkt /…/"...  Mijn gedichten moeten groeien en rijpen eer ze het licht kunnen zien, daarom valt er achteraf weinig aan te corrigeren. Wat het zich opdringen betreft: dat doet het, vooral de eerste regel, ik zou niet graag de keren bijeentellen die ik 's nachts ben opgestaan om de eerste regel op te schrijven, vaak ook het hele gedicht, (zo ziet het dan letterlijk en figuurlijk het licht). "Oertaal" eindigt met deze regels: "/ het is niet wat het is / er staat niet wat er staat / het is bijna niets / het is onmaakbaar / het is onvatbaar // dat alleen al zou moeten volstaan / om het als lucht in te ademen /" .

 

En nog een stap verder: hoe komt een gedichtenbundel, een hele cyclus met een welbepaalde thematiek tot stand? Schrijf je naar een thema toe of blijken een aantal gedichten achteraf samen te horen?

 

Ik ben voortdurend met poëzie bezig zonder dat ik mij daar bewust van ben. De poëzie maakt deel uit van mijn ziel; ze is aangeboren. Het gedicht "Dichten", waarvan hierna een paar regels, die je net voorlas, getuigt daarvan:

 

Ik heb vertaald tot bloedens toe,

tot in het gloeien van mijn ingewanden,

tot in het merg, tot op het been,

hetgeen onzegbaar is. //

 

// Een zilveren lepel

vuur ben ik, zo meegenomen //

 

In deze tijd, waarin de meest gruwelijke dingen gebeuren, vinden het hoofd en het hart geen rust. Het is vooral het leed dat anderen aangedaan wordt dat mijn eigen leed wordt. Ik heb al veel mensen en dieren zien lijden waarbij ik machteloos moest toekijken. Ik heb eens een periode gekend waarin ik een soort innerlijke rust gevonden had, geen inspiratie had, tot ik iemand zei: "ik zou een keer goed moeten kunnen afzien om opnieuw te kunnen dichten". Dat 'afzien' heeft zich eerder voorgedaan dan ik had kunnen voorzien.

 

Er is ons vanmiddag onvoldoende tijd gegund om een complete analyse te maken van je werk, Iris. Ik ben bovendien geen letterkundige. Maar misschien kunnen we toch wel even "grasduinen" (!) in je werk, waarbij ik me dan vooral laat leiden door wat me bijzonder heeft getroffen, heeft aangegrepen, een aantal "rode draden", herhaaldelijk terugkerende thema's in telkens weer andere vormen weliswaar …

 

Ik begrijp wat je bedoelt met "rode draden". De dingen die jou aangrijpen laten de lezers en luisteraars ook niet onverschillig, ik heb daar voldoende bewijzen van. Bijna heel mijn poëtisch oeuvre lijkt te zijn ontstaan uit een vulkaan die zijn gloeiende lava uitspuwt. Die lava zou kunnen vergeleken worden met brandende pijn; pijn en nog eens pijn, afgezien van het vuur door hetwelk men sowieso wordt verteerd. Ik heb een biografisch boek geschreven getiteld "De slagen zijn geteld". Het is nutteloos hier uit te weiden over de vreselijke gebeurtenissen die in mijn leven plaatsvonden, vooral in mijn jeugdjaren. Eén ding moet je echter weten: wanneer de lavastroom uitgedoofd is, en zich voorgoed aan de aarde heeft gehecht, maakt hij de grond uiterst vruchtbaar. De vulkaan is dan weer een tijdje rust gegund.

 

Ik vind, Iris, dat de gedichten over je vader tot de beste behoren in je hele oeuvre. Er spreekt zo'n warme genegenheid uit, zo'n weemoed …

 

Het doet me goed te horen dat mijn vadergedichten je raken, ze zijn de neerslag van mijn liefde voor hem. Eigenlijk zijn er geen woorden die kunnen omschrijven wat een mens vermag te voelen of aan te voelen. Paul de Wispelaere heeft zijn vader ooit omschreven als iemand die hem de natuur en de vogels heeft leren kennen, zo deed ook mijn vader. Ik ken mensen die mij doen denken aan hem; dezelfde glimlach, dezelfde warmhartigheid, dezelfde intelligentie, dezelfde uitstraling, dezelfde eerlijkheid. Hen ontmoeten maakt mij blij maar soms ook niet omdat er dan een steek door mijn hart gaat die me dagen onrustig en verdrietig maakt. Ik voel dan weer hoe diep mijn vaders leed in mij geworteld zit, en tegelijkertijd dat van zijn eigen moeder, en wie weet bij welke voorouder nog; nooit zal ik weten wanneer of bij wie het wortel schoot. Toch troost ik mij bij de gedachte dat ik de laatste van de getekenden ben (om maar niet het woord gedoemden te gebruiken); dat na mij het leed geleden zal zijn; dat alles volbracht en het lot bezworen, aangezien ik geen kinderen heb.

 

 

Ode aan een mijnwerker

 

Hoelang is het geleden

dat je het vlakke land verliet

een handvol aarde in je hand

waarin je eigen vader

zijn noden had gezaaid

 

akkers vol zand

pijnbomen alom

en jij met negentien

op weg naar een bestaan

 

de lange reis

van licht naar duister

donkere schachten

geen straaltje zon

 

hoelang is het geleden

dat je me schreiend hebt verwekt

tussen het afscheid en het wennen

tussen het komen en het gaan

 

hoelang is het nu vader

dat ik een handvol aarde nam

en je heb toegedekt

   

 

Naast de vader is er ook de moeder, waarbij de ambivalentie manifest aanwezig is.  Eerst was er het kleine kind, later het oudere kind, dat naar liefde hunkerde, maar vond dat het er niet genoeg kreeg en zich onbegrepen voelde. Ik heb de indruk dat je je steeds als het ware een "vreemde eend in de bijt" hebt gevoeld temidden dat grote gezin. Hoe heeft de relatie met je ouders, met je "thuis", jouw poëzie getekend?

 

Van mijn moeder heb ik veel gehouden; heb veel begrip opgebracht voor wie en wat ze is geweest. Nochtans werd ik als kind al heel vroeg door haar verstoten en toch had ik haar daarom niet minder lief, integendeel. Ik denk dat ik mezelf een beetje moet vergelijken met een hond: hoe meer slaag en hoe minder te eten krijgen hoe aanhankelijker. Op latere leeftijd zijn we elkaar nader gekomen, dat ging een jaar of twintig goed tot ze het gedaan kreeg mijn zieke vader te verbannen uit zijn eigen huis na een halve eeuw huwelijksleven. Ze wees me toen de deur omdat ik hem opving en bij mij liet inwonen; hij was toen al dicht zijn levenseinde genaderd. Zijn zielspijn, die hij goed verborg, werd telkens weer aangewakkerd door dit soort tragische gebeurtenissen. Het kan dan ook niet anders als dat mijn poëzie daar de merktekens van draagt, tenslotte is mijn dichtwerk mijn gecondenseerde biografie.

 

Bij het lezen van vele van jouw gedichten en bundels komen mij vaak beelden voor de geest van verweerde vlakten, moerassen zelfs, waar het water eeuwig borrelt en gorgelt, tussen de rotsen, tussen het lis. Met hier en daar een knoestige boom, groot in zijn verlaten eenzaamheid, zijn kleinheid.

 

Je noemt precies die dingen waarin ik opga. Dit komt omdat ik mij als dichteres lichaamloos voel, etherisch. In jouw inleiding zei je dat ik je aan lava doe denken; ja, mijn dichterswezen kan daarmee vergeleken worden. In de Franstalige dichtbundel 'Virelais' (uit de titel kan men benevens de naam van een dans, mijn moeders naam en de mijne halen), staat "un atome de femme / qui incite le volcan…/"… waarin ik het besef heb niets te zijn dan 'lapilli'; lavastofdeeltjes. Jij kon dat niet weten, Patrick, want je bezit of las de bundel niet, en toch vergelijk je mij met hetgeen ik vroeger zelf al omschreven heb. Je moet mijn poëzie dus wel heel goed ontgonnen hebben, en je meer dan één keer verdiept hebben in mijn gedichten.

 

Je zegt zelf Iris, in het voorwoord van "Adíos Adingahem": "ik vergelijk mezelf graag met een BOOM". En in een vroeger gesprek: "weten dat ik later zal rusten onder een of andere boom stemt me rustig, want met bomen heb ik iets. Die zijn sowieso heilig". En in een van je recente bundels: 'maar het zijn de bomen / de ontzaglijke bomen / die in hun winterse naaktheid / uiteindelijk alles verklaren'. In 'Naveltekens' schrijf je: "in het diepst van mijn gemoed ben ik een boom". En in "Omhels deze boom" "Wat mij ontroert / zijn de wortels/ hopen / verstrengelde knopen /...". Dat vraagt om een woordje uitleg.

 

Een boom moet je aanvoelen om ermee één te kunnen worden. Je moet hem omarmen, met hem spreken, hem troosten, hem blij maken, je lippen op zijn schors drukken. Hem laten voelen dat je er bent voor hem. Een boom is een uitzonderlijk, wonderbaar, inspirerend wezen. Hij biedt beschutting en behuizing, vaak geeft hij vruchten, zelfs zijn wortels zullen spreken als je maar lang genoeg luistert. En luisteren naar de bomen heb ik gedaan, mijn hele leven al. Wie van goede muziek houdt zal weten dat er zonder de bomen geen instrumenten zouden bestaan die de uitvoering ervan mogelijk moeten maken. Luister maar hoe jouw dochtertje Sarah ons verwent.Een boom is voor mij even zo heilig als een moederkoe: ze geven allebei alles wat ze hebben en zijn. Er zijn zoveel dingen waarom ik mij graag vereenzelvig met een boom. Mijn diepste genegenheid gaat uit naar bomen, groot of klein, mooi of lelijk, dik of dun. De jonge auteur Kirstin Van Lierde scheef me onlangs: "Bomen ... ik heb heel lang het gevoel gehad dat zij de enigen waren die mij niet veroordeelden om dingen die ik was of niet was." In die ene zin zit alles samengevat wat ik bedoel.


 

Het wegsterven                                                     

                                                                          

En dat ik dit mag zijn

een levend teken van de boom

die naar zijn sterven neigt

dat ik zijn deelgenote ben

dat ik in hem mag voortbestaan

terwijl zijn hart voor altijd zwijgt

in rakelings gescheerde takken

 

dat ik zijn ziel mag zijn

terwijl hijzelf wordt weggeveegd

mee met de tranen van de wind

mee met het lied van duizend vogels

 

dat ik zijn herfst ben en zijn zomer

dat ik zijn winter verder leef

terwijl hij door de lagen tast

van opgestapeld merg en been

dat ik de aarde ben

die hem voortdurend zal omarmen

 

dat ik met humushanden

zijn laatste blad vergaren zal

om mij aan vast te klampen

nadat hij is vergaan

 

Dank, Patrick, dat je dit gedicht voorlas. Zo zie je dat ik de boom de eer geef die hem toekomt; hem niet altijd verhef tot symbool van mijn eigen wezen. 

 

Een andere dichter, Denijs Van Killegem, zei het je eerder al: iets van rusteloosheid en eeuwig zoeken zitten in je werk...

 

Ja, die rusteloosheid en die hunker naar liefde; dat ondefinieerbaar verlangen … Ik vraag me af of anderen daar ook zo mee geplaagd zitten. Toen ik nog een klein kind was zat ik mij al af te vragen hetgeen de einder zou kunnen verbergen. Grote dingen, dacht ik. Iemand die je tegemoet komt uit de verste verte en heel veel om je geeft.

 

Ook de hunker naar liefde vind ik er in terug. Je zei zelf ooit: "ik heb vaak en veel liefgehad, bijna iedereen en alles".

 

Die grote hunker van toen is gebleven. De "grote liefde" is er echter nooit gekomen, of misschien toch, maar dan versnipperd in duizenden snippers die ik nog altijd aan het vergaren ben. Goed dat ik naast mens en dier even zoveel van zelfs een stuk boomschors kan houden. Ik heb er trouwens twee in mijn jaszakje zitten. Ik ben altijd bevreesd ze te zullen verliezen. Ik brak ze af van een boomstam die gehalveerd was. Daar stond die ooit reuzengrote boom helemaal alleen, zijn hoofd en de helft van zijn stam weggezaagd. Ik heb mijn armen om zijn romp gelegd zo ver en zo wijd ik kon, hij was niet veel hoger meer dan ik, en heb hem getroost. Weeral iets dat me zal blijven kwellen wanneer ik zoals nu aan hem denk.

 

Het ouder worden, het afscheid nemen van geliefden, van vrienden. Als je lang genoeg leeft, besef je wellicht plots dat er meer vrienden dood zijn dan levend. Het verdwijnen van de geuren en de landschappen van toen, de bossen die gerooid worden, niets dat nog is wat het vroeger ooit was. Spijt hierom. … Ik vind sporen van dat alles terug in je werk. Mag ik het gedicht "Curriculum vitae" lezen als illustratie:

 

 

Toen ik werd geboren

was het hoog seizoen voorbij

maar op de zolder lag het graan

in korrels bij elkaar

zo weet ik dat het ooit bestond

het koren

 

wat van papavers overbleef

werd gloed bij avond

vroeg ging ik houden van rood

nog eer ik wist

dat deze kleur zou kleven

aan mij zoals ze kleeft

aan vuur en dood

 

want allen zijn gegaan

die in mijn wijde armen woonden

het kind de vader en de hond

gekapt het bos de bomen

 

mij is gebleven

het fluisteren van gras

op mijn nu koele huid

het droppelen van water

 

het water -ach- het water

waarvoor ik zoveel verzen schreef

dat zich met levend wier omgaf

terwijl het zong zijn raadsels

vanuit de diepte der bron

 

Het eerste vers van dit gedicht bevat een dubbele laag. Met 'het hoog seizoen' bedoel ik de tijd toen mijn ouders zich leerden kennen en verliefd werden op elkaar. Later lagen wij, de negen kinderen, 'als korrels bij elkaar' op de zolder van het huisje waarin we woonden midden in de bossen. Zo weet ik dat ze ooit bestond de liefde (hier koren genoemd) tussen mijn ouders omdat ze o.m. samen zoveel kinderen hebben verwekt. Ja, Patrick, ik mis oneindig veel dat door niets of niemand vervangen kan worden; / want allen zijn gegaan die in mijn wijde armen woonden / het kind de vader en de hond / gekapt het bos de bomen /…

 

Als een mens het geluk heeft te blijven leven, wordt hij ouder. Heeft het ouder worden invloed op je schrijven, je poëzie? Blijf je naar de pen grijpen, ook na zovele bundels?

 

Jawel, het ouder worden heeft invloed op mijn dichten en schrijven, dat merk je aan De Poëzietuin; ik vertoef er niet zo vaak meer als vroeger. Ik heb nog wel inspiratie en ideeën doch er is een soort van "uitstellen" op gang gekomen. Dingen die me ontroeren waaraan ik vroeger een gedicht, of een of ander poëtisch opstel wijdde, laat ik langzaam uitdoven zonder er veel aandacht aan te schenken. Ik neem alles nog wel in me op, heb nog altijd evenveel oog en hart voor alles wat me omringt, doch de vulkaan barst niet meer uit, het onderbrengen in verzen of geschriften ervaar ik steeds minder als zachte dwang; de energiereserves raken stilaan opgebruikt.

 

Zijn er nog vragen, ben je nog zoekende?

 

Zolang de hunker er is naar iets ondefinieerbaars, beter gezegd: naar het onbereikbare, blijft het hart rusteloos. Het mijne staat in ieder geval nog altijd wijd open voor nieuwe belevenissen en "uit te dagen bezweringen". Toch ben ik niet meer zo intens zoekende omdat ik meen veel dingen te hebben begrepen, vooral wat betreft leven en dood. Wie beseft dat we minder zijn dan een stofdeeltje in het heelal, en daar vrede mee kan nemen, mag met gerust gemoed zijn resterende maanden of jaren genieten. Wanneer je hebt geleefd naar best vermogen volgens je hart en je geweten, hoeft het ouder worden geen kommer en kwel te betekenen, integendeel, elke leeftijd heeft zijn zon- en schaduwzijde.

 

In een recentere bundel, toen je een levensbedreigende ziekte had overwonnen, schrijf je: "op één vraag na / alles beantwoord: wat is sterven?"

 

Zoals je weet heb ik de laatste zes jaar veel gesukkeld met mijn gezondheid. Het was toen, nadat ik door het oog van een naald ben gekropen, dat ik ten volle heb beseft hoe kortstondig en vergankelijk alles is. Ik denk dat ik intussen wel weet wat sterven betekent. Dat de dood de uiteindelijke verlossing brengt, daaraan twijfel ik niet. Dat te beseffen brengt rust en tegelijk ook zoiets als droefheid met zich mee omdat ik aanvoel dat ik nooit ten volle begrepen zal zijn geworden als dichteres. De meeste mensen zijn te nuchter om dieper op het soort dingen in te gaan die ik voor mezelf als vanzelfsprekend beschouw. Wanneer ik schrijf 'een zilveren lepel vuur ben ik' overstijgt de kosmische dimensie daarvan hun bevattingsvermogen.

 

Onze tijd is te beperkt om hier alle gedichten voor te dragen die ik uitkoos. Toch misschien nog even dit, Iris, omdat het mij bijzonder aanspreekt

 

 

Liefste                                                        

 

Als ik er niet meer ben

deel me dan uit als brood

onder de levenden

en weet

tussen de klaproos

en de korenbloem

stond ik te wuiven

als graan

 

gedenk mij

wanneer de halmen rijpen

of als de leeuwerik

ten hoogsten hemel stijgt

aanhoor de elegie

van pijnboom en plataan

denk hoe ik was genegen

het zachte oeverlis

 

onthoud de vuurdoorn

de zonnebloem

de goudenregen

en… liefste…

vergeet het wonder

van groeiend mos

tussen de stenen niet

 

Dit gedicht horen voordragen door jou, Patrick, geeft het nog meer betekenis, temeer omdat tussen het schrijven ervan en de dag van vandaag al jaren vergaan zijn. Het is een soort testament voor degenen die na mij zullen komen want ik zou elkeen 'liefste' willen noemen die me genegen is. Ik schreef het niet voor een specifiek iemand.  Mag ik misschien nog een gedicht naar voren halen dat ik schreef voor mijn dokter; voor de chirurg die mij zes jaar geleden het leven heeft gered. Ik blijf hem in het hart dragen; hij heeft mij nadien door een moeilijke herstellingsperiode heen geholpen langs de vruchtbare gesprekken om die we hebben gehad, soms nog hebben.

 

 

De essentie der dingen

 

Mijn dokter en ik

en de bomen

van de Groeselenberg

we geven iets door aan elkaar

 

we ademen iets uit

waar de wereld beter van wordt

 

we praten met elkaar

de dokter en ik

we stellen ons vragen

 

maar het zijn de bomen

de ontzaglijke bomen

die in hun winterse naaktheid

uiteindelijk alles verklaren

 

 

In "Dagboek van een Kankerzieke" schreef ik dezelfde woorden waarmee ik graag op jouw laatste vraag zou willen ingaan, Patrick, je tegelijk dankend. "Ergens in de Chaco Boreal, of in het uitgestrekt Amazonegebied, zal een regenwolk zichtbaar worden die haar druppels zo zal doen zingen: 'Iris was een sacrale dichteres. Een zienster. Ze heeft niet vergeefs haar kosmische krachten positief aangewend en doorgegeven".
Het is deze Iris Van de Casteele die vandaag geprobeerd heeft een afdoend antwoord te geven op jouw zorgvuldig overwogen vragen.
 

Patrick Vermeer, november 2005.