ANDRÉ VAN LAERE

 

 

 

dubbelbeeld.jpg

 Tekening: André Van Laere

 

        

WOORDEN

Woorden kunnen zijn als natuurbloemen, maar ook als kunstbloemen. Van verre is het verschil niet duidelijk. Wie echter aandachtig dichterbij komt, kan zich niet langer meer vergissen.

Woorden vormen tussen wat niet kan getoond worden en het toeschouwend publiek een soort zelfbeschutting, een scherm waarop wij, tegen beter weten in, onszelf sierlijk idealiseren.

Woorden vliegen rond als kleine vogeltjes. Maar soms zijn er ineens veel te veel, dan vormen ze dichte zwermen en bedekken het blauw van de hemel.
André Van Laere s.j.

 

 

1. SPRANKEL POEZIE: VAN TOEN NAAR NU

 

Sprankel poëzie is zeker een mooie titel om ons uit te nodigen tot het lezen of beluisteren van gedichten. Poëzie kan ons inderdaad opwekken en verfrissen. Natuurlijk is ze niet altijd zo direct sprankelend, ze kan ook moeizaam verteerbare gevoelens vertolken zoals onzekerheid, onvrede, vertwijfeling. Maar altijd blijft zij zoiets als geconcentreerde mededeling van intens levensbewustzijn.

Als ondertitel voor een vluchtige kennismaking kiezen wij "Van toen naar nu" en wij beginnen opzettelijk met een zuiver stukje "sprankelpoëzie" van de nooit volprezen dichter Guido Gezelle:

 

Hetgeen ik niet uitgeve en

hebbe ik niet in,

wie zal mij dat wijten te schanden?

Mijn hert en mijn tale, mijn

zede en mijn zin,

't is al zo van buiten, 't is

al zo van bin':

't ligt alles daar bloot in mijn handen.

 

Van toen naar nu lopen allerlei draden. Nu, meer dan honderd jaar nadien, citeert Jan Hoet, directeur van de internationale hedendaagse kunsttentoonstelling Documenta IX, diezelfde acht korte verzen van Guido Gezelle om zijn eigen ietwat onthutsende "Brief uit Couvin" in te leiden.Voor het gewaagde artistiek avontuur dat hij tegemoet gaat heeft hij in de zo prinselijk spontaan schrijvende priesterdichter een kostbare bondgenoot gevonden.

 

Toen Guido Gezelle in 1899 overleed, was Paul van Ostaijen amper drie jaar oud. Een jaar later begon onze duchtig besproken twintigste eeuw waarin voor de zoveelste keer in de geschiedenis alles zou veranderen, ditmaal veel vlugger dan tevoren, zo wordt beweerd, en met een hele reeks elkaar opvolgende schokken. Achteraf gezien is het alsof Paul van Ostaijen in zijn zeer korte leven  -hij stierf in 1928- al deze veranderingen en schokken in bliksemtempo heeft meegemaakt. Aanvankelijk ijverde hij voor wat het "humanitair expressionisme" wordt genoemd en was aldus de strijdgenoot van Wies Moens.

Van deze laatste herinneren de meeste nu bejaarde Vlamingen zich wel de schallende verzen uit 1920:

 

"De oude gewaden

zijn afgelegd.

De frisse vaandels

staan strak

in de morgen.

Aartsengelen

klaroenen

de nieuwe dag".

 

Na de eerste wereldoorlog sloeg de poëzie van Paul van Ostaijen echter een heel andere richting in dan die van Wies Moens. Nog altijd keek de jonge Antwerpenaar op naar degene die voor hem de oorsprong was van wat zijn "poésie pure" wordt genoemd, namelijk Guido Gezelle. Aan hem heeft hij, met bijna kinderlijke liefde, het volgend "sprankelgedichtje" gewijd:

 

Guido Gezelle

 

Plant

fontein

scheut die schiet

straal die spat

tempeest over alle diepten

storm over alle vlakten

wilde rozelaars waaien

stemmen van elzekoningen bloot

Diepste verte

verste diepte

bloemekelk die schokt in de kelk van bei'

mijn palmen

en lief als de madelief

Als de klaproos rood

o wilde papaver mijn

 

Plant, fontein, scheut, straal, tempeest, storm: zo ziet de dichter zijn grote voorganger. Maar hijzelf hanteert reeds het ritme van een nieuwe eeuw: veel nerveuzer en onmiskenbaar extatisch. De natuur wordt niet meer geromantiseerd, gekoesterd of schilderachtig beschreven. Zij schuift als het ware uit elkaar in schiet- en spatbeweging, over alle diepten en vlakten waaiend tot over de verste einders, om dan plots, even schielijk, terug te keren binnen de holte van twee handpalmen, als bloemkelk, als madelief, als klaproos, als wilde papaver.

 

Wij voelden het reeds: ondanks zijn bewondering voor Gezelle is van Ostaijen niet hetzelfde type mens. Hij leeft ook in heel andere omstandigheden. Hij wordt inderdaad heen en weer geschud door diverse politieke en ideologische botsingen en ook, hoe kan het anders, vereenzaamd door de te snelle en vervlakkende modernisering. In zijn gedichten trilt wel zijn gespannen aandacht voor het verwarrende schouwtoneel van de wereld, maar tegelijk zijn scepsis en desillusie. Soms, zoals in de volgende verzen, doet zijn melancholie ons even denken aan de eenzame uren en dagen van Guido Gezelle:

Gedicht

 

En elke nieuwe stad

bloem die welkt

herfst vergeelt het blad

 

zijn alle steden zo

zijn zij alle zo

zo zijn alle

 

Overal

overal en nergens

overal is nergens

 

overal

dezelfde bonbons droef in glazen

parelt drank er is geen dorst

 

een liedje overal    

van liefde en overspel

 

zijn alle steden zo

zijn zij alle zo

 

zo zijn alle

 

Er parelt drank op het cafétafeltje. En toch kunnen wij dit geen "sprankelende" poëzie noemen. Want "er is geen dorst".
Later zal Tati in één van zijn filmen de gelijkschakeling van de grote wereldsteden in beeld brengen: overal dezelfde luchthavens, verkeersaders, grootwarenhuizen, banken, flatgebouwen, overal dezelfde consumenten, autobezitters, televisiekijkers, receptiegasten en zo voort.

 

Van toen naar nu.

Twaalf jaar na de dood van Paul van Ostaijen, dus in 1940, breekt de tweede wereldoorlog uit. Wat er van toen tot nu op het grote wereldtoneel gebeurde laten wij voorlopig terzijde. Wij willen het liever samenvatten in twee eenvoudige gedichten. Binnen in een individueel mensenbestaan voltrekt zich immers eveneens een veranderende geschiedenis. Een tijdje geleden verscheen in het weekblad "Vrij Maldegem" het gedichtje van een landelijk schoolmeisje, gedateerd uit 1940:

 

Gebed


Met mijn rode kloefkens aan

ben ik rap naar huis gegaan,

ik wil moeder gaan vertellen

dat ik schrijven kan en tellen.

 

Met mijn wollen kousen aan

ben ik bij het vuur gaan staan,

ik wil vader brood zien bakken,

wij gaan allen smullen, smakken.

 

Met mijn lange tabbaard aan

wil ik braaf nu slapen gaan.

Lieve Jezus, wilt gij waken

als de zolderplanken kraken ?

 

Datzelfde schoolmeisje, genaamd Iris Van de Casteele, heeft altijd verder verzen geschreven en er later zelfs gepubliceerd. Tientallen jaren na 1940 treffen wij in haar bundel "Witte Silhouetten" het volgend gedicht aan, ditmaal geladen met de ervaringen van een volwassen mens:

 

Dooi

 

Het puntig ijs dat me bevroor

kraakt nog in alle vezels

nog schreeuwt de angst

waarin ik mij verloor

nog ken ik de verschrikking

waarin ik stijf bleef staan

maar sinds de winter mij verliet

waait er een wind over mijn hart

die in het zuiden werd geboren

ik heb de dooi ontmoet

ik moet weer leren leven

ik neem weer warmte aan

 

Dat "puntige ijs" lag ook op de wegen van iemand als Paul van Ostaijen. Het is in onze wereld aanwezig als onverschilligheid, als fatalisme, als verstarring, als koude oorlog. In de mens zelf kan het zich samenpakken als een massa harde, snijdende realiteit en nadien nog blijven nakraken.

 

Maar in het midden van het gedicht verandert er iets: de winter begint uit elkaar te smelten. Iemand "ontmoet" de dooi. Ontmoeten is een persoonlijke gebeurtenis: een nieuwe geboorte. Tegen het einde van onze beruchte twintigste eeuw is zoiets nog mogelijk. De mens kan "warmte aannemen". De lente kan altijd terugkeren.

 

Een eeuw geleden schreef Guido Gezelle: "Ja, daar zijn blijde dagen nog in 't leven".

                                        

 

KlaagnietAndre.jpg

Harpmuziek: André Van Laere

 

 

 

 

2. EEN SPRANKEL POEZIE:  DE BOMEN

 

 

Sinds oeroude tijden is de boom voor de mens een symbool geweest. Want hij maakt ook iets anders dan zichzelf zichtbaar: de schepping van de wereld of de geleidelijke wording van alles, maar eveneens het binnenste van de mens die hem aanschouwt.

 

In het woud wordt hij door honderden soortgenoten omgeven. Langs onze wegen schikt hij zich netjes in de rij. Hij kan echter evengoed helemaal alleen staan te midden van een grasveld. Dan affirmeert hij zich duidelijker als een individu. Een van de zeldzame mensen die enkele uurtjes vrij neemt om hem ter plaatse te gaan tekenen of schilderen, ondervindt dit omzeggens 'aan den lijve'. Hij brengt de gestalte, de beweging, de anatomie niet alleen over op papier of doek maar neemt deze eveneens in zichzelf op. Jaren nadien zal hij dit monumentale natuurwezen nog even persoonlijk herkennen als een bevriende mens.

 

Natuurlijk worden ook dichters aangesproken door bomen.Tijdens onze korte wandeling zullen wij nu en dan even stil blijven staan bij enkele van hun 'exemplaren', dit wil zeggen: voorbeelden die naklinken in hun verzen. Guido Gezelle leidt ons binnen in het gebied van de natuur. Hij voelt zichzelf openbloeien in spontane bewondering, de bomen ziet hij als een niet te overtreffen liefdesgeschenk van God zelf:

 

Hoe schoon is, ongeschonden, in de

zonnenkracht,

’t wijd uitgespreide bouwsel van de

boomenpracht,

ter toppen uitgedreven, en, van

dracht, alzoo't

de Schepper eerst, beminnende,

uit zijn handen goot...

 

Bijna een eeuw na Gezelle beschrijft Fernand Florizoone de boom zo ongeveer als een vlag temidden van een dorp. Stam en takken doen hem denken aan het op landkaart vastgelegde wegennet van een vredig woongebied. De windbeweging van de kruin verspreidt tegelijk stilte en vreugde over de huizen en het geruis ervan is als dat van een verre zee.

 

Boom in zomer

 

De boom

een verhaal in hout

tekent

de kaart van de vrede.

 

Zijn groene vleugels

vliegen over het dorpsplein

en waaien stilte.

 

Soms hoor je de zee

in een boom.

 

In het volgend gedicht wordt de boom schroomvol benaderd en met liefdevolle aandacht nauwkeurig waargenomen. Dat laat de titel Perceptie reeds vermoeden. Het voorvoegsel "per" betekent immers "door", of nog preciezer: "door en door".

 

Perceptie  (door Iris Van de Casteele)

 

Nooit zo omzichtig

omschreven dit:

dauw op een blad

 

hoor

hoe fluistert de boom

hoe zijn hart

haast begeeft

hoe zijn bloed

tot de groeiwortel spreekt

 

één druppel licht

op de dauw:

hoor hoe het blad

zich vertakt

hoe de zang der cicaden

het geheugen der nerven

ontbolstert

hoe de cirkel zich sluit

 

hoe anders vertalen

dan huiverend

de taalkracht

van een boom

 

Hier krijgt de boom zoiets als een bloedeigen persoonlijkheid.

Hij wordt een 'iemand', met een gevoelig hart, met een verfijnde tastzin, met een veelzijdig registrerend geheugen.
Daarom moet zijn innerlijk leven omzichtig omschreven en huiverend vertaald worden.

Hij vertelt ons iets over zijn eigen groei en vertakking, over het ontspringen van zijn bladeren, over de dauw en het licht die hem aanraken en zelfs over de steeds eendere begeleiding van krekelmuziek.

Hij is de volmaakte uitdrukking van zichzelf en van de hele natuur. In hem, in deze alles omsluitende en samenvattende cirkel, wordt met indringende taalkracht het levensgeheim uitgesproken.

Tekst en vormgeving van het gedicht zijn ook zelf geconcentreerd op aanvoelen, luisteren, meedelen.
'Hoe anders vertalen?' vraagt de dichteres zich af.

 

Bomen kunnen écht spreken, dat beweert eveneens Hans Andreus in een gedicht waarvan, zoals ook in het vorige, de korte verzen de visuele indruk verwekken van een rechtopstaande stam.



Boombeschrijving (door Hans Andreus)

 

Bomen zijn werkelijk.

Hun bladeren praten werkelijk

met woorden veelzeggend en letterloos.

 

Hun toppen zingen.

Hun stammen zwijgen

hoorbaar.

 

Hun wortels houden

van de aarde.

 

Bij een boom

staande moet ik wel

ademen als een boom.

 

Naar een boom

ziende zie ik

hemel en aarde in elkanders

armen.

 

Want een boom,

een boom is een bruiloft.

 

Het Joodse Psalmenboek vergelijkt de rechtvaardige en Godgetrouwe mens met een boom:

 

"Hij is als een boom,

aan stromend water geplant,

die zijn vrucht geeft op tijden waarvan het blad niet verwelkt:

al wat hij doet, zal gedijen" (Ps. 1,3).

 

De boom kan voor de mens een leermeester zijn, een soort goeroe, een mededeler van levenswijsheid. Dat is hij zeer nadrukkelijk in deze uit

het Duits vertaalde verzen van Paul Emmanuel Müller:

 

Leer eenvoudig zijn

zoals de boom dit leert

over de rand van de afgrond

langzaam groeiend en hard

in de zwiepende stormwind

in de snijdende vorst

langzaam groeiend en hard

uit de luttele aarde

naar het licht.

Leer eenvoudig zijn

zoals de boom.

 

In de vorige stukjes poëzie hebben wij wellicht opgemerkt dat een contemplatief aangelegde mens de natuurlijke neiging heeft om niet alleen een boom te bewonderen of te beluisteren, maar ook om zich daarmee te vergelijken en zelfs één te voelen, om er zich mee te identificeren.

 

In een fragment uit de meditatieve verzen van Erik van Ruysbeek groeien boom en mens als het ware in elkaar, vanuit dezelfde voedingsbodem naar dezelfde hemelruimte. Zij worden bijna onlosmakelijk verenigd: de stam, het sap, de vezels, de wortels, de bladeren en het zonlicht zijn, althans voor een kortere of langere stonde, gemeenschappelijk bezit en gezamenlijke ervaring geworden:

 

Zoals de wijze eens onder een boom

gezeten tot zichzelve kwam en daar

hemel en aarde zou doorgronden

en wat een plaats de mens hierin

beschoren was zo kom ik tot mijn rust

en tot mijn grond

wanneer ik in het woud,

diep onder de kroon van eik of berk gezeten,

tegen zijn stam geleund, mijn geest

in hem laat overgaan

en ik zijn sap word, met hem stijgend

in zijn compacte vezels.
Mijn voeten schieten met hem wortel

en mijn herboren rug, rechtop,

wordt opgezogen naar de duizeling

van een gewichtloze oneindigheid

terwijl tot in mijn basis daalt

de zonnevreugd doorheen zijn voelhorens van

 intieme geestvermogens doorheen het zeefsel

van zijn bladeren die reeds mijn bladeren

zijn geworden

o niet meer rechtstaan

en hier gezeten in rechte lijn ten hemel kunnen stijgen.

 

 

Samenstelling: André Van Laere

De Poëzietuin (weekblad VM)

Kanaalmeditatie

De hangbrug is uitgespannen als een grote harp,
om liederen op te tokkelen ter ere van de nieuwe dag.
De formatie stalen vogels die eroverheen scheert,
zal ons verdedigen tegen de oprukkende legers.
Het kanaal is een nieuwe Jordaan, ditmaal volmaakt rechtlijnig.
Aan de oevers ervan zitten de hengelaars als mijmerende wijzen.

De sluis is de interim-plaats. De boot wordt vastgebonden,
ingesloten tussen twee poorten, afgezonderd van voor en na.
Hij ligt op een ondergeschoven kussen van kanaalwater.

De perspectieflijnen van kanaal, dijk en autobaan lopen samen in de sluis.
Daar wordt alles verenigd, dóórgetrokken en daarna,
daarachter, over de horizon heen, weer verspreid.

Het door de zon uitgebleekte blauw is, tussen beneden en boven,
een gespannen doek, een trommelvlies dat de opstijgende vibraties
opvangt, alsof daarachter toch werd geluisterd.

's Avonds vlijen de boten zich tegen de oevers aan en laten zich
door de beweging van het water in slaap klotsen.
Onder de dijkhoogte zakken de boomkruinen donker in elkaar.
Denken vloeit over in dromen.

André Van Laere
Godsheide, augustus 1983

 

 

 

 

emma van.jpg

 

 

VOOR HEN DIE VERTWIJFELEN

 

Al kan ik je niet kennen

liefhebben kan ik je toch

 

al kan ik je niet horen

naar jou luisteren kan ik toch

 

al kan ik je niet raken

naar jou tasten moet ik toch

 

hoe zou ik weten dat je er bent

indien je er niet waart?

 

hoe zou ik weten dat ik besta

indien jij niet bestond?

 

al kan ik jou niet vinden

zoeken kan ik je toch

 

niet vinden is beter dan niet zoeken

blind zijn meer dan menen te zien

 

al moet ik aan jou niet beginnen

toch beginnen moet ik toch.

 

 

Dit gedicht van Erik Van Ruysbeek is niet "ingewikkeld", het hoeft niet "uitgelegd en ontleed" te worden. Maar als het ons persoonlijk heeft aangesproken, vragen wij ons wel af: hoe slaagt de schrijver erin om voor zo een wezenlijke levenservaring deze eenvoudige woorden te kiezen en ze aldus te schikken dat ze bijna vanzelfsprekend in ons binnenvloeien ?

 

Eigenlijk een overzichtelijke tekst: achtmaal twee verzen. Telkens een tegenstelling en telkens het discrete glimmen van een inwendig licht. Strofen vier en vijf eindigen allebei op een vraagteken : een soort centrale stilstand waarin de 'beginduizeling' wordt verwoord. Daarna lopen de laatste drie strofen verder op het ritme van de eerste drie . Bijna luchtig. Bijna als een lied waarin ongedurigheid en vreugde samen zingen.

 

Over een afgrond heen van verstandelijke, gevoelsmatige en zintuiglijke onmacht spreekt de dichter de onnoembare Bron aan van zijn eigen bestaan. Hierdoor wordt hij zo intens aangetrokken dat hij zijn eigen onmacht zelfs dankbaar kan aanvaarden.

 

Het gewicht van een volledig - tegelijk vol en ledig - levensavontuur is tussen deze korte regels duidelijk mee-voelbaar. Daarom kan deze zelfuitdrukking ook anderen verlichten die niet meer weten waarvandaan of waarheen.

 

Wij herlezen even het gedicht. Alleen in de titel staat de derde persoon meervoud : "voor hen". De rest speelt zich af tussen 'ik' en 'je'. 'Ik' is een menselijk, individueel beperkte persoon die zijn bewustzijn richt op het mysterie van alle leven. 'Je' is de ongrijpbare Oorsprong van dat mysterie, 'binnen al en toch onomsloten', zoals Hadewich in één van haar brieven schrijft.

 

Voor veel mensen is 'God' een 'HET'. Met of zonder hoofdletter: een hogere macht, of een onzichtbaar beginpunt, of een onveranderlijk principe, of een vage achtergrond.

Dat 'het' kan ons aanstaren als een oog uit een driehoek. Het kan een grote leegte zijn, jaren en jaren lang, als het suizen van een anonieme stilte die vanuit het heelal naar hierbeneden zinkt en door alle kieren heendringt tot in de binnenkamer van ons gemoed.

 

Maar soms kan het ons wenken en lokken, ons omsingelen of zelfs, in onze gelukkige ogenblikken, ons plots met ongekende weelde vervullen. Maar daarna vragen wij ons vaak af of deze gewaarwordingen niet het product zijn van pure verbeelding. Dat wil zeggen: min of meer subtiel zelfbedrog. Dus : onbetrouwbaar?

 

Dan beginnen wij te 'vertwijfelen'. Precies dát weet de dichter maar al te goed. Voor hem, voor zijn 'ik', is dat 'het' desondanks een 'je' geworden. In deze verzen bevinden 'ik' en 'je' zich tegenover elkaar. Ze zijn echter evengoed op de ene of andere manier in elkaar opgenomen en zelfs vergroeid. Binnen in het ik blijft nochtans diezelfde spanning tussen kennen en liefhebben, horen en luisteren, raken en tasten, bestaan en niet bestaan, vinden en zoeken, blind zijn en zien, niet beginnen en toch beginnen.

 

André Van Laere

 

 

 

AL SPREEK IK DE TALEN VAN MENSEN EN VAN ENGELEN, MAAR HEB

GEEN LIEFDE, DAN BEN IK EEN KLINKEND STUK KOPER (1 Kor.13) 

 

Van de 21 WITTE SILHOUETTEN van ANDRÉ VAN LAERE, die in het voorjaar 1984 opgenomen werden in de gelijknamige dichtbundel van Iris Van de Casteele, past 'IJSTIJD', helaas, nog steeds in het raam van deze tijd.
Een beeld en een gedicht kunnen volstaan om in ons vragen op te roepen waarover we ernstig zouden moeten nadenken. Hoe lief hebben wij onze naaste?  Hoe verdraagzaam zijn wij?

 

André Van Laere werd geboren op 16 maart 1912 te Gent, waar hij in het Sint-Barbaracollege de Grieks-Latijnse humanoria voltooide. Op 7 september 1940 trad hij in de Sociëteit van Jezus. Hij studeerde er klassieke filologie, filosofie, theologie en ging ondertussen als vrije leerling naar de Academie van Namen (Yvonne Gérard) en Leuven (Jan Cobbaert, Willem Paerels).

 

Hij was leraar poësis in de colleges van Antwerpen, Aalst en Brussel. In dit laatste leidde hij, samen met zijn confrater Albert Boone, een atelier voor jeugdige keramiekers. Daarnaast wijdde hij zich aan pastoraal hulpwerk, zoals religieuze bezinningen. In 1966 werd hij vrijgesteld van onderwijswerk en beschikte hij over meer tijd voor vrije creatie.
Vanaf dat jaar kon hij zich ook wagen aan schilderijen en grotere keramieken. Samen met eveneens "beeldende" vrienden heeft hij gedurende de laatste jaren in het atelier van Jos De Maegd een aantal lithografieën getekend en gedrukt. Vanaf 1943 heeft hij verschillende tijdschriften en boeken geïllustreerd. Hij exposeerde in het binnen- en ook enkele keren in het buitenland, o.a. met de Europese groep "Kunstenaars S.J.".

 

Hij was ervan overtuigd dat wat wij "kunst" noemen een teken kan zijn van besef van menswording. Een concretere vormgeving voor wat wij anders, maar vaak zo vergeefs, in theorie en pasklare formules - of slogans - trachten uit te drukken. Een dieper raakpunt tussen zichtbaar en onzichtbaar. Een ontmoetingspunt dus voor mensen die willen binnendringen tot achter de buitenkant van wat wij allemaal op verschillende manieren meemaken.

 

 

 

KIJK-OEFENING BIJ STUKJE STAD

 

 

Ons kijkvermogen oefenen kunnen wij overal. Zo bijvoorbeeld op het dakterras van een school. De tekenaar van het hierbijgevoegde stadslandschap was destijds leraar in een college. Ettelijke uren achter elkaar had hij die dag les gegeven aan steeds dezelfde groep jongens. Rond vier uur in de namiddag had hij zich letterlijk leeggepraat. Dus : le grand vide. Om zich dadelijk aan de correctie van huistaakjes of aan de klasvoorbereiding voor 's anderdaags te zetten voelde hij zich op dat moment niet bekwaam.

 

Wat doet hij ? Met een tekenboekje en een pen (ter attentie van insiders: een "Rotring") klimt hij de trappen op en gaat neerzitten vóór het meest nabije panorama : de laan langs het collegegebouw. Idyllisch ziet het ensemble er zeker niet uit. Enkele verkrotte huizen, een bowlinglokaal, een stuk middeleeuwse stadsmuurtoren en helemaal achteraan de daken van het museum voor oude kunst. Op de laan zelf is het vrij druk. Ook de andere dagloners zijn klaar met de  karwei en spoeden zich met diverse vervoermiddelen huiswaarts. Beneden splitst zich de drukke verkeersader in een vijftal aftakkingen, twee daarvan aan weerszijden van de spoorweglijn die (buiten de tekening rechts onder) uit de ondergrondse verbinding opduikt. Dààr staan enkele luttele bomen en struiken die trachten in leven te blijven te midden van de algemene pollutie.

 

Als nerveuse insecten rijden de auto's heen en weer. De tekenaar tracht hun vormen in de lucht te vatten. Dat kan hij zeker niet feilloos. Onvermijdelijk botsen hier en daar van die speeltuigjes tegen elkaar. Gelukkig gebeurt dit alleen maar op papier. Dat drukt de nervositeit eigenlijk nog beter uit, zowel die van daar beneden als die binnen in de murwgepalaberde leraar.

 

Maar deze voertuigjes werden niet éérst getekend. Ze werden pas in de diepe bedding losgelaten na plaatsing van de omgevende architectuur op het bovenste gedeelte van het blad. Dit werd minder instinctief en impulsief voltrokken dan het weergeven van de verkeersbeweging. Er kwam wat meer geometrie bij te pas. De gebouwen moeten namelijk eerst op hun grootte geschat worden. Niet hun werkelijke maar hun door het oog geziene afmetingen moeten met elkaar vergeleken worden. Ook de richting waarin zij naast elkaar staan moet zo precies mogelijk geobserveerd worden alvorens het met de pen op het witte vlak over te brengen.

 

Het namiddaglicht wordt hier en daar door donkere partijen onderbroken. Deze worden met door elkaar gekrabbelde pennetrekjes eveneens op het papier gegraveerd. Zo krijgt deze brok stadsleven wat meer materiële soliditeit.

 

Neen, idyllisch is dit landschap niet. Toch was het, in die late namiddag in de maand mei, een soort van meditatieplaats, een hoekje in de steenwoestijn. En, jaren later, blijft de getekende interpretatie ervan, beter dan een foto dat kan doen, een prettig stukje verleden. Weet ge nog ? Zo was het toen. Sindsdien is weer allerlei voorgevallen. Jaartjes vlogen voorbij. Maar de tekenaar, hij tekende voort, hij kon het niet meer laten.

 

André Van Laere

 

Willen wij meewerken aan de evangelische verlossing, dan moeten wij ons in deze wereld durven wagen, niet om mee te waaien op elke windvlaag, maar wel om ter plaatse te zijn. Dat betekent dan toch: het innerlijk avontuur van deze mensheid van zo nabij mogelijk meeleven, niet van op 'eerbiedwaardige' afstand.

 

De kunst is niet een middel om langs een omweg bij 'andersdenkenden' binnen te dringen of om wie dan ook te 'manipuleren'. Veeleer is de kunst een menselijk feit, een gegeven terrein ('zien waar ik sta'), een plaats van gezamenlijke bewustwording, en dus een uitgelezen punt van ontmoeting".

André Van Laere

 

De vlucht van de arend
opgedragen aan André Van Laere

Als de witte arend
over de hoogvlakte vliegend
zijn pennen zal zoeken

als doedelzakmuziek
de striemende leegte van de
Keltische nacht zal vullen

als de rivier zal zwellen
om het lentewater uit de greep
van het ijs te verlossen

dan zal hij komen
de man uit het noorden
om tekens te herscheppen
tot taal van de eenling

hij zal roepen de arend
hij zal kijken en wachten
met glashelder oog zal hij
de echo verkennen

daarna zal hij gaan
overgeleverd aan de vlakte
een wit silhouet
dat een tweede geboorte
heeft ondergaan



Iris Van de Casteele

25 maart 1994


 

AFSCHEID VAN KUNSTENAAR EN PRIESTER

ANDRÉ VAN LAERE s.J.

 

 

Op 31 december van het jaar 2000 stierf André Van Laere, precies rond middernacht. Een week geleden, op vrijdag 5 januari 2001 werd hij begraven in Heverlee ; op een koude winterdag, die heel wat vrienden en kennissen op de been had gebracht, om André een laatste groet te brengen, en om hem te vergezellen tot aan zijn laatste rustplaats. Wie hem van nabij heeft gekend zal zijn heengaan als groot gemis aanvoelen.

 

Zonder het vertrouwen dat Albert Van Hoestenberghe in mij stelde, en zonder de aanmoedigingen van André Van Laere, oud poësisleraar, zou De Poëzietuin er wellicht nooit gekomen zijn. Hoeveel mensen er langs deze weg met elkaar in contact gekomen zijn valt moeilijk te raden. Allemaal mensen die van poëzie houden, en van alles wat er in schuilt. Lezers, die langs deze weg blijvende vrienden zijn geworden.

 

Het was André die er zeventien jaar geleden voor zorgde dat mijn eerste dichtbundel “Witte Silhouetten” uitgegeven werd, waarin 21 boeiende tekeningen van hemzelf. Want tekenen kon André. Zijn abstracte tekeningen boeiden mij het meest. Uren kon ik er mee bezig zijn om ervan de zin te achterhalen. Om er inspiratie uit te putten. 

 

Er zijn weinig onderwerpen die hem onverschillig lieten. Vooral van bomen hield hij. Hij gaf ze op velerlei wijze gestalte : bomen in volle bloei en bomen in hun winterse naaktheid. Ook tekende hij landschappen en heel wat humoristische situaties. Want naast zijn scherp verstand, en zijn zachte aard, bezat André Van Laere een hele dosis fijne humor. Wanneer het er gezellig aan toeging op één van onze verjaardagsfeestjes, gebeurde het dat André zijn sappigste Gents dialect tevoorschijn haalde om een of andere grap te vertellen. Wanneer het hele gezelschap dan lachte was hij in zijn nopjes.

 

In het Gesù-huis ging het er gewoonlijk heel wat rustiger aan toe. Hoe vaak heb ik hem daar in zijn tehuis bezocht. Vooraleer hij me meenam naar zijn werkkamer troonde hij me steeds mee naar de refter. Naar de eetzaal, waar we samen koffie dronken, en waar hij uit een kast glimlachend een taartje tevoorschijn toverde en zei: “ ‘k Heb er één weggestopt voor u, anders had ge er nu geen.”

Daar vertelde hij dan het laatste goed of slecht nieuws over zijn familieleden. Vooral over zijn tante Martha uit Zomergem kon hij uitweiden. Het was bij haar dat hij zijn vakanties doorbracht, helpend op het veld om de oogst binnen te doen. Ik herinner me de dag van haar begrafenis: meer dan honderd jaar was ze geworden.

 

Het was op zijn werkkamer dat ik steeds opnieuw kennis kon maken met zijn jongste schilder- of tekenwerk. Hij had een goed aangelegd archief van al zijn werken. Zoek maar zelf uit, zei hij dan, en liet me de tijd om rustig de hele stapel te bekijken. Op die wijze leerde ik hem telkens weer beter kennen. Hij was onhandig in wat de omgang met de dagelijkse dingen betrof, doch een genie als kunstenaar. Maar op de allereerste plaats was hij een mens; een bijzondere, volledig in harmonie met zijn priesterschap.

 

Jaren geleden zei hij : “Het gedicht “Wanneer de lente komt”, van Fernando Pessoa, spreekt me bijzonder aan. Hij kopieerde het mij eraan toevoegend: “Op mijn begrafenis zou ik graag hebben dat er alle soorten mensen rond mijn graf staan: gelovigen en andersdenkenden, zelfs communisten, want mijn beste vriend is een grote communist. Indien ik al die mensen, zo verschillend van gedacht, rond mijn graf zou kunnen samen brengen, zou ik mijn taak als priester tot een goed einde hebben gebracht.”

 

André mag rusten in vrede. Er stonden alle soorten mensen als één massa volk rond zijn graf geschaard. Priesters en kunstenaars, gelovigen en andersdenkenden, allemaal samen kijkend hoe de kist van deze dierbare overledene naar beneden gelaten werd, en hoe zijn levenloos lichaam aan de aarde werd toevertrouwd.

 

Het regende onophoudend. Vele treurenden stonden in het slijk en in de plassen water rond het graf. Niemand scheen er ongemak van te ondervinden. De meeste aanwezigen hielden een paraplu boven het hoofd, zich tegen het gure weer beschermende. Samen met mijn echtenoot, onder één paraplu, stond ik te stilletjes te wenen als een ontroostbaar kind. Tot er opeens een hevige windbui de kop opstak. Met één ruk keerde ze onze paraplu binnenste buiten. Alleen de onze. Het was een zicht om nooit te vergeten: één enkele paraplu tussen al die andere die - binnenste buiten gekeerd - recht naar de hemel wees. Hij leek een grote tuil bloemen.

 

Het was zo’n ongelooflijk komisch zicht dat ik opeens hartelijk moest lachen, mijn gezicht tussen mijn beide handen verbergend, om de omstanders niet voor het hoofd te stoten. Ik dacht: “ Dat is het werk van André die altijd alles tot in de puntjes verzorgt. Tot in zijn graf zorgt hij ervoor dat zelfs geen vrolijke noot aan zijn begrafenis ontbreekt.”  Ik voelde me opeens helemaal getroost en gesterkt. André was er nog. Hij zou er altijd zijn.

 

Naast mij stond een priester jezuïet, een oudere mens, waarmee ik samen met André, ooit naar een tentoonstelling was gereden. De man keek me aan en zei; “Moest André nog leven, hij zou er direct een tekeningske van gemaakt hebben...” Er was dus nog iemand die de windbui op de paraplu had zien neersuizen. Dit plezierig voorval was ook hem niet ontgaan.  
Mijn man keerde zijn paraplu buitenste binnen, en zei kalm en relativerend; “ ‘t Is niets. ‘t Is een dure. Hij kan er tegen”.  Op zo’n cruciaal moment kan een nuchtere kijk op de dingen hoogst welkom zijn.   

 

Veel heb ik van André geleerd. Veel genegenheid en vriendschap heb ik van André gekregen. Ik was hem op dezelfde wijze onzegbaar genegen.
De evangelische boodschap die hij deze ‘andersdenkende’ meegaf, staat nog eens extra te lezen op zijn doodsbeeldeke. André begreep dat ik geen ‘preken’ nodig had; dat ik mijn leven zinvol gestalte geef in mijn dichtwerk. Intussen lees ik af en toe het gedicht waarover hij het had en dat nu zeer toepasselijk is nadat André ons heeft verlaten.

 

Iris Van de Casteele

10 januari 2001

 

 

WANNEER DE LENTE KOMT

 


Wanneer de lente komt,

en als ik dan al dood ben,

zullen de bloemen net zo bloeien,

en de bomen zullen niet minder groen zijn

dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

 

Ik voel een enorme vreugde bij de gedachte

dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is.

 

Als ik wist dat ik morgen zou sterven

en het was overmorgen lente

zou ik tevreden sterven,

omdat het overmorgen lente was.

Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze

moeten komen tenzij op haar tijd ?

 

Ik houd ervan dat alles werkelijk is

en alles zo als het moet zijn.

Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen,

ook als ik er niet van hield.

Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden.

Want alles is werkelijk en alles is zo

zoals het moet zijn.

 

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien
men wil. Men mag rondom dansen en zingen
indien men wil. Ik heb geen voorkeur, voor
wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben.

 

Dat wat zal zijn, wanneer het zal zijn,
zal zijn dat wat het is.

 

Fernando Pessoa

vert. A. Willems