v.l.n.r Cacho en Frans

 

FRANS FRANSAER

Gedichten en beschouwingen van en door Frans Fransaer

En een paar andere dingen...

 

 

VERZEN UIT MOTORSCHIP MOKARIA

VAN FRANS FRANSAER

 

XXI

 

Rose heette zij, ik was meteen verIoren
gelijk de zeeman uit de 100
verzen van Maria Lécina.

Vanaf het dakterras van Twiga bar
stortte met sinksenkracht van een lawine
Cliff Richard's Jesus buitenaards en soul
uit de boxen van een hindoe pop-orkest.
Twee tickets. Twee maal zeven shilling.

De barman duisterde wat lampen in ons hoekje
en onder duizend sterren vonden we
elkaar en telden boven 't guinness-glas
de twinkels in elkanders ogen.

Al was ik wel wat dronken,
ik herkende duidelijk de weg:

Dit is Swahili Street en
ginds is Bamboo bar.

Toen opende zij haar kriepend poortje
in een achtertuin.

 

XXII

 

Een paar fauteuils, twee tafeltjes,
pick-up, een klerenkorf naast
tweemans hemelbed.

Ik kleedde haar uit - zij mij -
en schonk haar wierige paarse roos
een boerestam.

Ik bleef de hele nacht, omhul-
de haar vanuit mijn borst,
mijn dijen, mijn geslacht.

Een muezzinplaat op de wijkmoskee
lalde monotone beden en vlieg-
tuigen stegen ver op Tanga Airport op,
zij brulden of ze over Roses huisje reden,
maar slechts van kinderstemmen op het
binnenkoertje ontwaakte zij.

Zij lachte aards een hagelwolk
van witte tanden bloot.



XXIII

 

Het raakt je als een donderslag:
4 juni: om 22 uur aan boord.

Maar ook dat andere nieuws
sneert in de mess door iedere
zenuwknoop van ons.

De Esso Brussels is in New York
aangevaren. Dertien kameraden dood,
de toI van thanatos en thaIassa.

Toch kan ik na het avondeten
nog even onderdoor. Een docker
rilt van de malariakoorts,
ik geef hem twee dispriI, wat
ICI-tabletten en stap met
hem het motorbootje in,
spoed me naar Swahili Street,
de dwarsstraat nummer drie,
nu tweede huisje links,
de opgeschoten maïsplant, het
poortje met de grendel.

Rose, als een iepetakvlinder freel.

Verweile doch. Onze naakte lijven
branden heet. Het eden is ons deel.


XXIV

 

Scheiden is uit al je ogen, oren,
lippen, handen, voeten, lenden sterven.

‘De stuurman van wacht verwittigen’
was er dreigend op mijn hut gespeld.

Een half uur later lichtten wjj het anker.

Staande op het achterdek zie ik
de rode lichten van het postoffice
finaal en wreed verdwjjnen.

Koers pal noordwaarts, terug

Mombasa voor de laatste lading

koper, thee, katoen, sisal.

De tropennacht op zee geeft geen
geluiden vrij, tenzij de harde
mokerslag van de Mokaria.

Boven Tanga in het halve duister
zie ik het zuiderkruis verschijnen.


XXV

 

De dagen worden weer als ieder ander
en ieder etmaal wordt de foltering
in mijn gemoed een kwartslag weggeschroefd.

Werken is als zout en zalf op wonden.

Een Sinksen wordt het zonder vuur noch Geest
wel met schandalig vaak verhalen
en met standby's niet meer te tellen.

Van Caltexkaai naar hot en her,
van rotlabeur naar last.

Niemand is nog aan te spreken,
rebelse vragen spinnen zich boos-
aardig vast: varen wordt dat
labeuren voor slechts haaien overzee?

Morgenvroeg standby, opnieuw,
voor shiften naar kaai één.

Voor rnij geen zorg: ik hou
Mombasa voor bekeken,
ik blijf aan boord, zeg ik,
schrijf brieven of ik lees.

De bunkerpompen draaien.

Waar is Rose op dit feest?


XXI

 

De broeierigheid van gisteravond is
geweken, de crew kreeg vrij,
Jack, de tweede, nam ons mee en
in Aruba Lodge bekwamen wij
van wel en wee. Welk overstelpend land
van edense valleien met bergkristal
en trage maraboes in baobabs.

Zelfs zagen we twee leeuwen.

We kwamen laat terug aan boord.

Duidelijk uitgeteld was ik en elkeen
vroeg wat mij mankeerde.

Ik glipte weg van 't schip,
ging over Kilindini Road flaneren met
een soupeetje in een tentje hier of daar,
'k geloof La Fontanella.

Francis! hoorde ik almeteens door-
heen een oerbos van bijeen-
getroste rode oleanders.

Ik keer me om en zie haar weer!
Een zesde, zevende hemel
zeeg genadig neer.


XXII

 

En toen vertelde Rose dat ‘t tussen
Tanga en Mombasa zes uur bussen was.

Indien ik jou niet zag,
zo zei ze zacht,
trotte ik Mombasa en de haven af,
dit fotootje Francis from Belgium
bij de hand. En plots liep jij voorbij.

Ze lei haar kroezelkopje aan mijn borst,
ik kuste haar, bestelde guinness,
proefde diep van ieder ogenblik.

Toen paste zij haar ring
op ieder van mijn vingers en
schoof hem teder rond mijn linkerpink.

 

XXVIII

 

Zienderogen schiet het koffieladen op.

Ad valvas, in vuur en vlam
verneem ik dat ons schip nog
eenmaal Tanga doet voor nog-
maals honderd ton sisal in
Rose's stadje zonder kaai.

Ik snel naar haar,
ze gooit zich in rnijn armen in
Olém, antiek hotelletje
met uitzicht op de zee.

Bijbels werden wij één vlees.


XXIX

 

13 juni. Al wist ik dit slechts achteraf,
de eeuwigheid duurde nog drie dagen.

Wij laden dag en nacht maar
iedereen die vrij is, is op stap.

Ik vraag mijn baas of ik
om drie uur stoppen mag.

Hij weet en geeft en lacht,
mijn maat werkt wel voor twee.

Rose had me niet zo vroeg verwacht.

Ik keek haar aan, erotisch
freel in gele paan.

Het werd een feest die nacht,
verdronken in elkaar.


XXX

 

Zij hulde zich in een katoenen shuka
en volgde me tot op de straat.

De memel beet zich dodelijk vast:

indien mijn schip niet ankert,
indien het Tanga mist,
indien haar bus vertraging loopt
of niemand mag die dag aan wal...

Ze klemde zich aan mij als tweede huid,
we zwegen angstig, niets was er
tenzij ‘t geschokte ritme van haar adem.

Zo, zei ik, tot morgen dan.

De wortels worden onbarmhartig uit
de grond gescheurd.

Er is geen uitstel meer.

Wij kusten elkaar traag
maar droef en innig op de mond.


XXXI

 

Middernacht werd het. En 14 juni!

zes uur in de morgen.

En middag. En ‘s avonds laat
lag de Mokaria nog te wachten
bij kaai één.

Ik ijsbeerde van voorkasteel
naar hekkelicht.

Twee kranen ploften nog Zairese
thee in ‘t voorste ruim. Urenlang al
stond de motor startensklaar.

Maar plots verscheen de loods,
sleepboten meerden aan.

Standby, klonk het brutaal
door ‘t hele schip.

We lagen tot de plimsoll-merken
afgeladen en ik, de eerste stuurman
en mijn maat baadden fluks
in lauwe golven oceaan die
oversloegen. Wij rolden hevig.
Mombasa werd weldra slechts
witte gloed aan stuurboord achteraan.


XXXII

 

Tanga, 15 juni dinsdagmorgen,
de ankerkettingen ratelen de crew

uit bed. Dus niemand kan aan wal.

Maar liefde zoekt haar sluwe logika,
ik wou, ik moest naar Rose,

het fatum moest zich plooien.

Vleugels kreeg ik toen mijn baas
zijn hoogste, laatste zegen schonk.

Tot vier uur zelfs: maar wees op tijd terug.

Een universum zong en floot jn mij.

Derde straat, het poortje bij de maïs-
plant en door de kieren zag ik haar
in wolken van een badhanddoek geknoopt.

Vrank waaierde het toverwoord Geluk,
overdadig, onverdiend en buitensporig.

Wij dronken, aten, ademden,
dooraderden elkaar.

En mocht het nooit meer wezen...


XXXIII

 

De ring was rond, gesloten.
Wij dansten huid aan huid,
onze verhitte naaktheid, black and white,
werd aandrift, baaierd en explosie.

lk nam haar hele ruimte in me op:

het hemelbed, de linnenmanden,
de reistas, het muskietennet.

Nooit kende ik een man als jij, zei zij.

Nooit loeide ‘t vuur in mij als hier, zei ik.

Wij praatten maar alsof
geen afscheid dreigde. Maar
almeteens was er het ijzeren hek,
het motorbootje bij de would-be kaai.

lk kuste haar en
wist: dit is het leven derven.

Vaarwel, adieu.

Adieu, vaarwel.

Zij bleef gekluisterd aan de gate.

De ferry reet mijn ziel aan scherven.



Frans FRANSAER

Uit de bundel: Motorschip Mokaria

Uitg. De Distel  -  Brussel  -  1992



Het lege huis

 


Kon ik maar
boezoeki spelen
als ik thuiskom
in het lege huis,
waar de seizoenen
in seizoenen schuiven
en waar het westerraam
mij
met de kobalten ruimte
tussen
de Pleiaden en Cassiopeia
tot aan
de bonzende slapen
toedekt.

 

 

 

 

 

 

De afgelopen paden


Nu rust
elk vroeger branden uit.

En asse
wordt misschien nog vlees,
herboren aan de omphalos
in het verschroeide licht.
De kruimels
van de armendis
vervagen in het okergeel
van Dorische metopen.
Als
een
katharsis
verhardt mijn uur
de afgelopen paden.



 

 

 

Utopia

 

De boomgaard golft
kamillebloemengeel.
Arkadisch nest
waarin mijn schapen
langzaam grazen.

Ik adem traag
de voorschot aarde
die mijn Utopia
bewaarde


 

 

 

 

De oude vete


Als gras
dat groent
uit de gebarsten ruimte:
in haastig parelen
voorjaarsregen
op mijn lippen.
Nippen aan een klad eenden,
klein hoefblad
in ‘t goud aan de gracht.

Maar
onderhuids
de spanning
van een oude vete




 

 

Huiver


Ik voel te zeer de dorst
mijn leemhuis schragen.
Ik fok dit heimwee
omdat
voeten en handen en huid
verglijden,
omdat nazomer hokt
in mijn beurse bloed.
Een waas van hiaten
rijt dwars door mijn spoor.
Huiver
en hoop van alle jaren:
Woorden.






Panisch


Zandstenen
waaieren
gotisch hallucinant
mijn kanten gewelf bijeen.
Glasramenspots
spetteren
uit de rosacen
wolken grauwvuur
over mijn ongelovig hart.
Panisch
ontvlucht ik
het stof van mijn
schoeisel.






Testament

 

Liefsten,
net als Kleine Rudolf
hang
ik
aan de haak.
Hoe komt het over
voor het forum
aan de kaak?

Lak heb ik aan alle glorie.
Ik,
onwillige dienaar
Frans Villon Fransaer.

 

Uit de dichtbundel : Gebed zonder goed einde
uitgever: Yang Poëzie Reeks - 1983


 

Een avond


Een vierkant van sneeuw is de tuin
De appelboom aders gekromd
naar de aarde
wit gevangen de oude geluiden
de bron die haar oorsprong bewaart.

Diffuus het licht van de noen
een hemel van grijzen
een vacuum eigengereid,
de pruimelaar armen die
een eeuwigheid wijzen.
Ena dilino... een avond, o een avond
de hunker versteend ingebed.
Het diepe pulseren
heel even besneeuwd
en schaakmat gezet.




 

 

Sirocco


Saharastof
op Vlaamse boerekool
op Vlaams asfalt
op daken van vergaan asbest
en Boomse klei.
Continentenver het goede nest
averechts op de siroccowind van oker
mijn neolitische dromen van honing
verholen, buitenste binnen.
Door mijn ontspoorde
en verkrampte zinnen
adem ik halsreikend
en astmatisch Afrika.
Pas nu ontwaakt in mij
de homo sapiens
de bosjesman.
Ik weet me berberkoning.



 


Rebels


Mijn tartend atavisme
trekt verdwaalde sporen
door de bedding
van mijn krap rebels bestaan.
Dit is mijn lot
niets dan mezelf te vinden
heidens en het hart in puin
in mij de duivels
en de engelen te ontbinden,
om dan als slot
tot zandmeelstof en
achteloos verstrooide asse
te vergaan.

 

 

 

 

 

 

De olmen kast


Wat wil je van vertedering
vertellen met vrome geluiden
van olmenhout, groen matglas
en met laden die wegen op
een lijfelijk verleden?
De oude muren ademen
de eiken tafel kriept.
Wat wil je kast?
De wekker tikt het plechtig
voor me uit.






Elan vital


In je merg
de prikkel van de oermaterie
die er tot appelbloesem
en tot duivelskruid beklijft.
Reikhalzend over duizendmaal
duizend jaren
niet eens een snik
in de bewustzijnsdroom.

Een enkele keer
in overmoed
toch wijdere dan wijd.






Schaarhout


De tuin van ridderspoor
dieper nog dan blauw.
Uit alle kruidenboeken
openen zich geheime maren.
De wind vertaalt de vlinders
de wingerd en de varen.
De appelboom buigt door
genadig.
Nog zie ik aders leven
onder mijn verzengde aarde.
Mijn winterputten vullen zich
met helend water.






Zondagsachternoen


Het okeren strijklicht
laat de varens reseda vlammen.
In duizend spiegels
houdt de hulst
een stekelige zon gevangen.
Sergej Rachmaninov danst symfonisch
met pauken en triangels
zondagsachternoen
door de oudmodische hortensia’s.






Voorjaar


Leg de jammerklachten
van alle plouranten
in jou aan banden.
Kom over de brug
met koele woorden
van hagel en lucht
en alle elementen
van Mendelejev
en herken Antonio Vivaldi
in iedere kiezel
van je voorjaarstuin




                                 

Tuin  (met calendula’s...)


Door een zomerwilde tuin gepaaid
met goudbloemenlicht doorröntgend
tot op de witte zwaluwbuiken toe
de aalbessen overzoet
maar aan een zijden draadje.
Een mateloze dag
die weegt van rijpend fruit
en vroege raven.

Hoe raakt de avond uitgelaaid?


FRANS FRANSAER
uit de bundel: ONDERDAK VINDEN
Uitgever:  point - 1986






Berglander 1898 – 2002


Nu de zon vlijmscherp in mijn tuin

is verschenen, sluipt, met gouden messen

het licht door de kamperfoeliewikkels en

het gejumeleerde raderwerk van

druivelaar met oude, blauwe wingerd.

Het lentelemmer hakt in op het mos,

verhakselt voorjaarsboterbloemen en

toont zich ijzig izegrimmig voor

de herhaalde slakkenplagen na

drie sinistere regenjaren.

Ook ik krijg een jaap. Door mijn verste nerven.

Idem onze appelboom. Fataal tot in

zijn taaiste spint.

Verdord, genadeloos gedood de weidse

dubbelkruin van ruim een eeuw.

Zelfs de meesjes tonen zich verweesd,

de mussen vluchtten, de buizerd

koos voorgoed het hazenpad.

Nadat hij honderd stormen samentelde,

crepeerde hij, rechtop. Bijna euforisch.

uit de dichtbundel: DISTELBLOEMEN
uitg. De Distel – Brussel 2002



Hierna laatste onuitgegeven gedichten van Frans Fransaer

 

GEGIST BESTEK


Ik ben nu niets
dan vraag,
er is geen losse flodder
van een antwoord.
Ik vaar voortaan
alleen nog
op gegist bestek




 

 

PAROUSIA


Schrik niet meer
voor de ultieme klap
op je gebarsten ziel.
Ik heb het anker
reeds gelicht,
parousia naar
de laatste dag


 

 

 

 

WINTERHAIKU

(voor Iris)

De laatste appel
van mijn eigen gouden oogst
elke hap een kus


 

 

 

 

ALS HET ZOVER IS


Als het zover is,
leg mij dan af in het
eikenhouten bed waarin ik
met Driekoningen ben verwekt.
Trek mijn beste hemd
en mijn nieuwe pak aan,
doe mij de das om die ik slechts
met begrafenissen droeg.
Rijd mij dan de heuvel op en
plaats mij op de zwartmarmeren
plavuizen onder het
gotisch gewelf.
Zing het genadige requiem
en de oude modi.
Voer mij naar het in paradisum
van de vruchtbare Moorselse klei.
Dan word ik graag bijbels
aarde met de aarde.

Frans Fransaer, mei 2010

 


EMMA : SACRALE ODE

 

Toen ik in het voorjaar kennismaakte met de poëzie van Iris Van de Casteele wist ik dat dit poëzie was die me sterk aangreep omdat ze geschreven was als een ingehouden kreet. Tot in het Merg (1989), tast inderdaad door het merg, tot op het bot.

Dit is geen vrijblijvende poëzie van lees en vergeet, nee, het Woord krijgt onmiddellijk een geweldige, zij het ingetoomde kracht.

Ik keek dan ook nieuwsgierig uit naar haar debuut Witte Silhouetten (1984), een bibliofiele uitgave met 21 beklijvende gedichten bij 21 beklijvende tekeningen van André Van Laere : een merkwaardig, treffend samengaan van woord en beeld. Meteen wist ik : Iris Van de Casteele; een dichteres in hart en nieren, met een dichterschap als gave en opgave.

 

ODE

 

Op 15 juni 1990 werd in Westrand te Dilbeek Iris Van de Casteele' s derde bundel Emma voorgesteld.

Emma is Iris' grootmoeder die zijzelf evenwel nooit heeft gekend. Zelfs haar vader heeft dit amper.

Emma's leven was één drama: omwille van een zware postnatale depressie belandde ze in een psychiatrische instelling. Het lot kan wreed zijn. (De mensen navenant.)  Dit gegeven is onmisbaar om inzicht te krijgen in Iris Van de Casteele' s bundel die je vanaf het openingsgedicht Grootmoeder niet meer loslaat. EMMA is een hartstochtelijke ode aan de haast onbekende grootmoeder, een weggewiste vrouw. Dit eerste gedicht fungeert als een proloog, het staat er met een bezwerende functie : .../ met lettertekens,/ bijna sacraal,/ haal ik u zwijgend/  uit het misdeelde licht/.

 

EMMA is tegelijk ode en akte van eerherstel.

Er gaat een intense wijding uit van de proloog. De dichteres zal haar grootmoeder weer op haar plaats brengen. Thuis. In haar dorp. Zij geeft haar weer het licht in haar 'meisjesblik' met veel te zachte mond'.

Via tegenstellingen (oude vrouw met meisjesblik) en schokeffekten (uw versplinterd rijk) wordt de tragiek heel sterk gesuggereerd.

 

GEKOOIDE STEM

 

De dertien gedichten van de eerste cyclus (is het getal 13 opzettelijk gekozen?) laten ons het drama bijna chronologisch op de voet volgen. Vrouw zijn is lijden. Emma zijn is dubbel lijden.

 

'Weeën': Onmiddellijk worden wij ondergedompeld in de teneur : een zwaar mineur. Niet voor niets vangt de eerste regel aan met de titel van Iris' vorige bundel Tot in het Merg. Alles raakt alles. Het is één pijn : 'haar stem gekooid voor eeuwen'.

Bevalling:

Dit gedicht is van een grote, plastische schoonheid. Expressie-vol..../Nu lag ze schuin/ tegen de wand/ diep in de stoof/ knetterde rood/ het vuur.

Een moeder ging

Doordesemd van een fel verdriet. Boordevol herinneringen die anecdotisch geladen zijn.

De vader van de dichteres was geen tien toen hij ...'zijn moeder weg zag gaan/ de wegels lagen toen/ vol snikheet zand/.

Heel gevoelig is hier met grote literaire kunde een noodlotsdag gefixeerd.

Geel

Dit gedicht roept weer schrijnende antithesen op: ./de levenden/ gaven haar levenslang/.. terwijl ze tussen de doden leefde.

Geschonden

Emma wordt als het offerlam '.../geschroeid/ aan steen en vlam../'. Iris Van de Casteele's poëzie raakt existentiële vezels:  '.../ze zwelgt en zwijgt'. Een onnoemelijke tragiek uitgedrukt met vier woordjes. Je moet het maar kunnen !

In blauw in geel

Het combineren van kleur en toponiem in geel zijn dichterlijke vondsten die getuigen van gedegen vakmanschap.  Sfeervol gedicht waar de winter niet deert, waar de wolken even wijken. Ik kan me niet van de persoonlijke indruk ontdoen dat Vincent Van Gogh om het hoekje komt kijken.

Klein verweer

Overal barst weer de pijn door de verzen.

'Soms neemt ze bij de hand/ het een of ander kind/ de hare kent ze niet'!

Denkend aan Onderdijke

Een teder gedicht vol smekend heimwee maar ook met bitterheid geladen: ./ .. hoe in het ouderhuis/ onder de tafel treuren/ de poten van haar stoel./.. Suggestieve beeldspraak doortrokken van kracht.

De voedster

Een gedicht dat ons, met het volgende Elders, in de prangende nostalgie gooit zoals bij Denkend aan Onderdijke. Het sacrale spreekt zich duidelijk uit.

En toch weet Iris Van de Casteele de tragiek te onderscheppen door een soms relativerende, luchtige toon. Nooit legt ze de ellende er vingerdik op.

Dit is poëzie met een grote charme en warmte en met een gedegen evenwicht.

Bezoek en Haken

Weer wordt het heim opgeroepen. Iemand liet in een bespreking (of wat er moest voor doorgaan) de woorden vallen: 'eenvoudige en landelijk aandoende gedichten'. Niets is minder waar ! Die eenvoud is slechts schijn : ieder gedicht ademt het drama.

De riek

Laatste gedicht uit de eerste cyclus. Dit gedicht getuigt van een hevigheid, een hartstocht die de agressie benadert ! Onmacht, woede spreekt er uit. Dan 'plots steekt zij / hem diep/ in haar gewoonten'. De riek - het werktuig - is ineens wapen geworden. Het versritme springt als in een verbeten staccato. Vorm en inhoud gaan volkomen in elkaar op.

 

TOT ZE OPSTAAT

 

De zes gedichten van de tweede cyclus zou men psalmen kunnen heten. Ze raken in ieder geval heel sterk de menselijke existentie: het zijn en het niet zijn.

Zij zijn sacraal geladen met een oer-religiositeit die het dichterschap overstijgt. Of neen, die de dichter(es) tot ziener/zienster maakt, met macht over leven en dood.

De dichter die 'amen' zegt, die bezegelt: het weze zo. Grootmoeder, ik maak je tot wolk, tot wier: ik herleid je opnieuw tot de vier (her)scheppende elementen : lucht en aarde, vuur en water.

Emma is. Zij bestaat.

Iris Van de Casteele, haar kleindochter, vormde haar opnieuw als met beitel en hamer, componeerde haar naam en haar wezen opnieuw. Emma leeft opnieuw.

 

na hoger stijgen

raakt stof

uiteindelijk

grond

 

lichtjaren later

eeuwen nadien

neemt aarde het op

in haar schoot

 

diep in het water

wordt het gekoesterd

wordt het gewekt

 

een boom misschien

kruid of wier

een mens

een dier

 

Refereert Iris Van de Casteele naar haar persoonlijke leefwereld in de eerste versregel van de eerste cyclus (Tot in het merg), het slotgedicht sluit wonderwel aan bij deze subjectieve betrokkenheid: 'Ik wil haar noemen/ teder als de iris.
Nomen est omen. Een naam is een voorteken.

Iris keert de rollen om en benoemt nu zelf de grootmoeder. Normaal geeft de grootmoeder de naam.

EMMA=IRIS wonderlijk atavatische naamverwisseling

 

De bundel EMMA is met visionaire kracht geschreven en met grote tederheid verwoord. Dit is echte en hoge poëzie. Tevens (op de nietjes na) met voortreffelijk vakmanschap, op bijna bibliofiele, wijze door de drukkerij A. Van Hoestenberghe te Maldegem uitgegeven.

Moge in dit Van Gogh-jaar EMMA beklijven.

 

Frans Fransaer, 1990

 

 

 

OMHELS DEZE BOOM van Iris Van de Casteele: is een 'huiveringwekkend' eerlijke bundel: doorkorven zenuw, bijwijle geronnen bloed. En toch niet deerniswekkend want daarom veel te fors geschreven, veel te krachtig en te fier; geschreven met grote dichterlijke emotie.

'Een open wonde', jawel, maar wars van zelfbeklag. Dramatisch zoals 'Emma', schrijnend zoals 'Tot in het Merg'. Zij: trotse, schrijnende, dramatische boom, de nerven bloot. Een bundel boordevol signalen voor wie receptief is. Vol intense doorleefde momenten en vriendschap, met woorden van warmte want 'teder de dichter'. 'Druppels Vivaldi' zijn deze verzen.

Ze communiceren met bomen, vogels, ideeën, kosmos: de ontroering is alom, door iedere verkilling heen. 'Onderhuids rillen', zeker, maar ook telkens aanwezig de 'wachttijd voor een steeds uit te dagen bezwering'!
 

Frans Fransaer - 1991

 

 

AMPLITUDES
De Distel, 1992
 
Amplitudes van Iris Van de Casteele heeft een andere tint, een andere teneur dan haar vorige bundels.
De beelden zijn overwegend van licht, de geluiden in majeur. Een duidelijk ander levensgevoel ligt beslist aan de basis.

Om even concreet te zijn. Beelden van licht: kleine vuurbol, zon in en over het huis, roze gedachten, irissen in paars, levend wier, regenboog, zomervogels, wiegende linde.
Heel optimistisch is deze onverwachte toets.
Geluiden in majeur: vuurwerk, blaasbalg in smidse, cicaden, tikkende klok, wetten van zeisen, opzwepende tango, boomgeruis.

Toch blijft de vroegere weerbarstigheid en rebelsheid in het gedicht Verliefd:

Laat me toveren vannacht / god als ik dat kan/ kan die lekkende kraan/ 
mij geen barst meer schelen../ / .../ als ik denk aan mijn lief / kriebelt heel mijn gemoed / in mijn overmoed / wil ik poezen én wolken / én cactussen strelen
/.
De barst 'tot in het merg' is niet ver weg, is soms zichtbaar, vb. p. 12 Emma, p. 26 Bonsai. Ook is er de schreeuw in de keel midden papavers.

Algemene indruk: sterke bundel op enkele schoonheidsfoutjes na: de verkleinwoorden eindigend op -tje.

Frans Fransaer - 1992




OMHELS DEZE BOOM
Iris Van de Casteele

KENNISMAKING MET EEN NIEUWE DICHTBUNDEL:
Sedert haar literair debuut in 1984 publiceerde Iris Van de Casteele een merkwaardig oeuvre; een oeuvre dat je niet zomaar naast je neerlegt. Haar gepubliceerd werk ligt hier chronologisch voor me uitgespreid:
WITTE SILHOUETTEN - 1984
(21 gedichten bij 21 tekeningen van André Van Laere)
TOT IN HET MERG - 1989
EMMA - 1990  (met de bibliofiele uitgave van 1991)
OMHELS DEZE BOOM - november 1991 -
Alleen uiterlijk reeds zijn dit poëziebundels die getuigen van een verfijning van vormgeving enig in zijn soort. Wat Iris publiceert moet áf zijn; moet beantwoorden aan hoge esthetische eisen. Als boek eist zij dat het parels zijn. De inhoud breekt zij als vleesgeworden brood, biedt zij aan als bloedgeworden wijn...

DE POËZIETUIN
Sedert 1989 cultiveert zij haar literaire tuin in Vrij Maldegem; een moedige, graag gelezen, wekelijkse, literaire bijdrage in Albert Van Hoestenberghes weekblad, dat duizenden abonnees telt en verspreid wordt ten dele in Oost- West- en Zeeuws-Vlaanderen. Welk een dankbaar forum biedt zij aan voor mensen die met taal begaan zijn! Rad van tong en rad met de pen houdt deze Adegemse redactrice, die in het Brabantse Asse woont, niet op te stimuleren, aan te moedigen, zich in te zetten voor jonge en oudere dichters en dichteressen, voor bekende en onbekende literatoren.

Bovendien gewaardigt zij zich een hak te zetten tegen de geblaseerden, de huik-naar-de-wind-hangers, de gearriveerden die neerkijken uit hun ivoren toren(tje). Moedig streeft zij via De Poëzietuin, en via haar eigen poëzie en proza, naar een betere wereld want poëzie en het Woord raken ons gehele menselijk bestel.

Haar veeltaligheid en haar enorme intuïtie voor het gave woord en de gave, zuivere mens, lieten een reeks vertalingen ontstaan uit het Spaans, het Duits, het Frans en zelfs uit het Russisch. De Nederlander Pieter A.Kuyk vertaalde zij in de bloemlezing "Poèmes- Gedichten". Hoopvol kijken wij uit naar een novelle van haar over Zuid-Amerika. Haast moeiteloos welt bij haar het woord, de poëtische bron. Wat al gedichten schreef ze reeds zonder aan uitgeven te denken! Ooit moet zij deze rijke woordenstroom eens aftakken naar een verzameld werk dat zich over meer dan drie decennia uitstrekt. En wanneer komt er een bundeling Poëzietuintjes?

DE MET BLAUWZUUR VERSNEDEN ADEM VAN DE DICHTER:
HOE EEN DICHTERES OMHELST EN WIL OMHELSD WORDEN
De gedichtenbundel Omhels deze Boom verscheen precies op Iris Van de Casteele's zestigste verjaardag. Velen uit het Maldegemse zullen zich nog die puikgeslaagde poëzieavond in een interview met Patrick Vermeer, op 23 november 1991, in zaal Edelweiss herinneren, waar Iris' bundel voorgesteld werd samen met het jongste werk van Denijs Van Killegem en dat van Maria Sesselle. Voor Iris was dit geenszins het afsluiten van een periode. Integendeel, meer dan ooit bloeit haar poëtisch talent open, nog intenser peilt zij naar menselijke diepten en dichterlijke gaafheid.

Trefzeker weet zij in haar laatste bundel iedere overtolligheid uit haar werk te weren, tot het essentiële beklijft en indringend aanslaat.
De titel Omhels deze Boomstaat niet voor niets. De aangrijpende afbeelding op de titelbladzijde liegt er niet om: wat ooit boomstronk was is via een boomlijke veredeling meteen tot menselijke essentie geworden; is tot 'poésie pure' herleid. Jammer dat de herkomst van dit door natuurlijke erosie gevormde kunstwerk ontbreekt, al bevindt het Franse copyright ervan zich bij de dichteres. (Een tip alvast voor hopelijk hernieuwde druk).

Omhels deze boom wordt een omhels dit existentiële torsskelet, omhels deze mens, omhels dit gesublimeerde, dramatische leven! De 39 gedichten zijn opgedeeld in vier cycli; met telkens een uitgekiend adagium van zorgvuldig gekozen auteurs: twee Vlamingen en twee buitenlanders. Als Vlamingen Christina Guirlande en Denijs Van Killegem. Als buitenlanders de Uruguayaanse dichteres Juana de Ibarbourou en de Italiaan Cesare Pavese: Twee vrouwen. Twee mannen. Compleet evenwicht!

OPEN WONDE
Het gewond zijn/worden is een vast thema in de poëzie van Iris Van de Casteele: de symbolische snerkende wonde overstijgt de persoonlijke snerpende wonde: het gewond-zijn omhelst de gehele naamloze mensheid.
Het omvat de hele natuur als een barenswee naar dieper, (h)echter leven: "tot in de wortels/ het worgen/ het vlijmscherp verdriet/ hout kan niet spreken/ wat zich kromt/ heeft geen naam../". Zoals berkenwijn die ontstaat uit de ingekerfde wonde van de boom, zo is de dichteres, zo is de vrouw: "inkerving en wonde/... in haar hoofd / breken ontelbare kruiken/". Soms is er de verdoving na de knal uit het diepste duister, een loden ster die op het hoofd bonkt, de adem die als afgesneden wordt.. ".../ vannacht wordt mijn adem/ met blauwzuur versneden../".

De symbolen die de dichteres gebruikt kerven door merg en been: kerven doorheen leegte, hulpeloosheid, nostalgie. Zij schrijnen als stikzwam, als wortels die huiveren... "hoe zij ook lachen/ of huilen/ de wortels/ nooit zullen zij anders/ dan onder de aarde/ de wolken bezitten/ nooit erin schuilen". Gegeseld: wat weten bomen van storm? Gegeseld: wat weten wij omtrent onze diepste vragen en onze felste angsten? Want "mensen gaan en komen/ leeggeroofd". En dan staat daar plots in al zijn schrijnende scherpte zoals op de voorpagina:

Skelet


Tot op het naakt

gegeseld

de hals een touw

het strottenhoofd

een knal
tot op het bot

bezeerd

verteerd

de nerven bloot

diep in zijn hout

leeft hij zijn dood

bijna volmaakt

is de boom


Dit overrompelende gedicht is volmaakt in zijn zeggingskracht. Het is áf in zijn bondigheid; gave, opgave en overgave voor ons, mensen, voor haar:
SKELET: ONS ZELFPORTRET!

 


INTERVAL
Als in een heilig getal 7 brengt zij zeven gedichten samen onder het motto van de door Iris zo geliefde Zuid-Amerikaanse dichteres Juana de Ibarbourou:


Nu bezit ik de dood.

Zonder stem, zonder ogen.

Zonder reuk noch gezicht.


Wie Zuid-Amerika kent weet hoe levensdrift en levensdrama samenvloeien.
En Iris Van de Casteele ként Zuid-Amerika door haar reizen en door haar echtgenoot Cacho Aguirre, een begaafde, fijnbesnaarde Uruguayaanse harpspeler en gitarist. Deze tierra querida; dit land en deze mensen waar zij van houdt, hoe bezingt zij dat alles als in een droom: ze zong het zacht/ als een boomloze/ stervende vogel".

Wij die leven in ons vetgemeste, arrogante lage land van mist en mest, weet: "het mes is nakend"... Hoe anders het "denderend avondmaal" van slechts brood en wijn, dit existentiële tafereel van hevig leven en van ware nood. Hoe hunkert de dichteres naar eenvoud, naar tederheid, medemenselijkheid; een waarachtig land om in te leven! Hoe eet ze haar dagelijks brood:

 

ik maal de korrels fijn

van mijn voedsel is

verbloemde resten van geweld

gegist tot brood/...


Dit is zuivere, eerlijke poëzie. Hoe tragisch deze verzen in se ook mogen wezen nooit zijn ze deerniswekkend. Immers, ontstaan vanuit een sterke, forse emotie overstijgen ze de pijn. Een open wonde? Jawel, maar wars van zelfbeklag. Zoals Zuid-Amerika zelf.
Omhels deze Boom is lezend door de dichteres omhelsd worden, is op tedere wijze haar wederkerig... omhelzen. Haar poëzie? ... een gesublimeerde vorm van leven en liefhebben.

 

 

GEZICHTEN
In deze derde cyclus met twaalf gedichten toont Iris Van de Casteele haar warme, menselijke gedrevenheid; haar immense mensenliefde. En hoe voelt zij, die zo van Zuid-Amerika houdt, zich ondanks alles verbonden met haar Vlaamse geboortestreek die ze als een reliek oproept en koestert:


eind januari

langs de dijk gegaan

om te zien

of de berk er nog stond

dit jaar was het anders

geen scherpe oostenwind blies

geen schelp lag verweesd

in het poldergebied /...


Heel wat eenvoudigen, dichters, schrijvers, mensen die zich inzetten voor een betere wereld, roept zij op uit de grijsheid van de anonimiteit waarin onze TV-wereld ze verdonkeremaant. Ze helpt en bevrijdt waar ze helpen en bevrijden kan. De dichter? Teder noemt ze hem "teder de dichter/ in ijskoude kleren".
Drie puntjes, het beletselteken in een brief: het worden bij haar drie kleine kiezels, opgepoetst tot druppels Vivaldi.

En hoe zou Vincent Van Gogh ontbreken kunnen in "Omhels deze Boom"? Vincent, dat zoveelste gebed zonder goed einde, balancerend tussen "weten en waan". Steeds heeft Iris een hart voor hen die streven naar een humaner wereld, zij vormen een netwerk over deze wereld, weze dit die kleine wereld van enkelingen die sjouwen en slepen en diep in zich als eelt het leed van miljoenen voelen knagen, weze het de verstilde naturen die in schoonheid en eerlijkheid hunkeren naar een andere wereld dan de voorgeschotelde Nieuwe (H)orde van macht, geld, en cynische arrogantie.

Voor de dichteres bestaan zoveel tastbare signalen van dienstbaarheid, vriendschap, tederheid. Noem dit humanisme, noem dit socialisme, ecologisme, noem dit je reinste evangelie! Laten wij als bomen wuiven, als bronnen klateren, ondanks navrante, hopeloze doods- en Jobstijdingen want er valt altijd ergens en voor iedereen een hemelse harptoon te beluisteren. Soms is de mens het opgejaagd dier: "zo staat hij daar/ de voeten vastgenageld/ de ogen uitgekeken/ op alles wat beweegt/ een mens".

Er is ook de mens in zijn totale verstilling: "zonder adem geschreven/ gegeven aan vogels/ al wat ik ben/... ": De dichteres die in volledige afzondering de medemens het hoogste schenkt wat ze bezit: het pas voltooide gedicht:" ...dunner dan lucht / hier gezeten / stilte geworden / warmte verzameld / voor jou uitgezocht / dit gedicht". In onze luidruchtige, afstompende wereld kan slechts de stilte écht bevrijden.
Stilte: een geweldige boodschap!

 


MATRIARCHAAL
De vierde cyclus wordt ingeleid met de woorden van Cesare Pavese: een moeder...te weten en te voelen hoe je verbrandt/ en die ogen die naar het vuur staren/. De dichteres ziet haar moeder als kruin en zichzelf als tak van die kruin van één en dezelfde boom. Ze is "tak en vlam van haar (moeders) weerbarstig hout".
Zelf kent, weet en ervaart ze haar trotse maar tragische perspectief:


zien hoe de kruin

zich verzet

hoe de tak zich herkent

in aangemaakt vuur


Bomen! Als moeders. Als vrouwen..: "Wat mij ontroert / zijn de wortels/ hopen/ verstrengelde knopen/...". Maar steeds slaat de verkilling toe, hoe kan het anders in dit onbarmhartige, verloederend leven dat wij in dit land van ons t' allenkante ontwaren en dat ons verstikken wil: "soms willen zijn /naakt als een boom/ niets dan skelet/…” Onderhuids rillen, beslist, maar niet zonder verwachting.

Telkens blijven Iris Van de Casteele's woorden 'druppels Vivaldi' die communiceren met vogels, met bomen, met schelpen, met hout, met sneeuwklokjes, met vuur...
Een niet altijd te torsen spanning maar toch telkens een uit te dagen bezwering.
Moge deze prachtige bundel ruime weerklank vinden.

Frans Fransaer (Driekoningenavond 1992)
Omhels deze Boom: uitgever: De Distel


 

HEIDENS HEILIG

De nieuwste dichtbundel 'Heidens heilig' van Iris van de Casteele is een prachtige heidense psalm geworden.

Weer een genese, zoals haar ander werk, ontstaan vanuit diepe diepten. Met krachtige symbooltaal die vele lagen bevat.
En welluidend is. En sacraal erotisch. Gelijk de oude mythen dat waren.

Een grote ode. Zoals die van Neruda, Elytis, of Ritsos. Of van zovele die we niet kennen, maar die elk op hun manier het scheppingsverhaal zeggen, vulkanisch exploderen desnoods. Zo ontstaat telkens een dubbele kracht.

'Genitaal' bv. is schitterend: één van de schoonste, erotische verzen die ik ken in de literatuur. Er is die seksuele kracht, maar de gloed van het gedicht trekt het open naar iedere schepping: telkens weer 'scheurt het wier'.


Frans Fransaer - 1993


BEVRUCHTING

(voor Frans Fransaer)

 

Soms waait een brief mijn kamer binnen
en ik bevroed dat hij bevat meer dan wat

lettertekens. Meer dan wat inkt.

Alsof ik weet wat me te wachten staat

vouw ik hem langzaam open, gezeten

op de plek die ik haast heilig noem.

 

Ik vouw hem open en ruik en zie hoe

wierook zich verspreidt, zich hecht aan

wat mijn huis te bieden heeft, dingen

die niemand ziet, die niemands oog

verblinden: warmte, genegenheid,

en veel geborgenheid.

 

Op tafel staat een bos gedroogde rozen.

Een man was hier. 't Is al een tijdje her.

Las hij 'in blauw in geel'? Wie schonk ooit

eerder gele rozen zomaar aan een vriendin,

een vrouw, die van haar verzen leeft.

 

De brief ligt in mijn schoot als in een
schrijn. De wonde van een mens heeft zich
geënt op mij. Zijn deernis lijkt op brood,
een blanke hostie, die niemand proeft
tenzij diegenen die zichzelve geven, een

ziel vertroostend bij parelende wijn.

 

Ik vouw de brief weer dicht. Ik sluit het

schrijn. De plek waar ik vertoef verlatend

laat ik dit teken na: een heidens vuur.
Het hout is aangestoken.
Heel traag voltooit
de vlam haar knisperend gebed.

Iris Van de Casteele

20 juni 1993

 



EEN STAKETSEL VAN HERINNERINGEN

AGNES DE BRUYN

 

In een driemaandelijks tijdschrift las ik herhaaldelijk gedichten van Adebru, verzen die me op een aparte wijze boeiden: het thema was meestal tijdsgebonden, de literaire verwoording nooit banaal. Telkens dacht ik: ik moet bij de redactie navraag doen wie Adebru wel wezen mag

 

Herinneringen

 

Nu alles voorbij is

stof ik vandaag

de herinneringen af

van gisteren

al zijn ze beduimeld

handen door herfsttijd

gerimpeld

toch blijven ze een zegen:

een hoogdag voor morgen

 

Onlangs kreeg ik een telefoon van een dame: 'dat ze poëzie schreef en of ik haar werk eens lezen wou'. Ze gaf me haar adres en op 17 oktober stond ik in de Aalsterse Oude Gentbaan voor haar huis. Het werd een hartelijke kennismaking en bij de koffie gaf ze me een pak gedichten. Ik begon te lezen.

 

Als vreemden

 

Zo stonden ze

tegenover elkaar

als vreemden

de tijd maakt week wat

hardvochtig is

en zo begon het leven

gebouwd op liefde geven

de jaren plooiden

de dagen

een voor een.

Later heb ik ze ontvouwd.

 

Ondertekend: Adebru. Meteen was het raadsel opgelost. Adebru = Agnes De Bruyn. Een prachtige verrassing. Nog méér verbaasd was ik toen ze me stapels keurig uitgetypte gedichten in ringmappen overhandigde. Hoe komt iemand ertoe totaal incognito en jarenlang zo'n omvangrijk werk bijeen te schrijven? Agnes De Bruyn vertelde me dat ze al vele jaren schreef maar dat na het overlijden van haar man de behoefte tot schrijven een bijna dagelijkse noodzaak en gewoonte werd. Aldus groeiden haar gedichten uit tot een enorme collectie poëtische reflexies op het dagelijks leven.

Al bladerend door de verzameling verzen uit 1995 groeide mijn belangstelling. Ik nam de bundel gedichten, ontstaan tussen nieuwjaar en 27 mei van dit jaar, mee naar huis en het werd nacht voor ik de map met 155 gedichten sloot.

 

TELKENS EEN NIEUWE DAG

 

Haar thema's handelen over leven en dood, over geluk en het menselijk tekort. Een vrouw op rijpe leeftijd die veel voor bekeken houdt maar iedere keer hoop put uit elke nieuwe dag. Hoop en geloof in het leven zijn haar vaste kernen waaruit zij leeft en schrijft. Groei naar harmonie tussen mens en natuur, standvastigheid in de eenvoudig menselijke verhoudingen groeiend vanuit een warm, gaaf gemoed en een gezond verstand.

 

Vandaag

 

Vandaag de laatste

kruimels dromen

in mijn handpalm

vastgehouden

 

vandaag krisanten

planten

voor morgen

 

vandaag nog even

de adem voelen

van geluk

 

en verder gaan

tot waar de horizon

de wegen snijdt.



 

Leven

 

Het leven

een kruiswoordraadsel

dat men tracht

nauwkeurig in te vullen

al blijven er steeds

blancoruitjes nog onaangeroerd.

 

Ze overschouwt de dagen zoals ze komen, soms met weemoed maar altijd met een vast geloof in morgen, ondanks vandaag. Toch moet men met de waakvlam van genegenheid niet te kwistig omspringen, meent zij :



Waakvlam

 

Spaar de waakvlam

van genegenheid

voor momenten

van ondwingbare eenzaamheid

 

bescherm dat frele licht

het geeft klaarte

aan je eigen intuïtie

voor nu en voor morgen.

 

Soms slaan eenzaamheid en ontgoocheling wel hard toe:

 

Er valt niets te winnen

 

Er valt niets te winnen

maar ook niets te verliezen

de hemel is nog even blauw

als toen

de maan nog even schalks

de stilte zo fluisterend als voorheen

alleen het vertrouwen is geschonden

de hoekstenen ontbonden.

 

 

 

Begoocheling

 

Pure begoocheling

gleed aan het azuur

voorbij

de kring van vriendschap

was te eng

en barstte

 

tijden drukken een stempel

er staan letters gegrift

die nimmer worden uitgewist.

 

 

DE KNOOP VAN ELK GELUK

 

Eenvoudige, gemeende hartelijkheid en vriendschap zijn haar heilig, zij weet waar de knoop van het geluk ontstaat. Het woord geluk is in haar verzen stevig onderbouwd. Zij gaat over geen nacht ijs maar legt behoedzaam de hoekstenen voor een aan familie en vrienden toegewijd bestaan. Dit weet ze beslist: "In de schaduw van gisteren/ groeien de vergeet-me-nietjes van vandaag."

 

Voorbij

 

De tijd was jong

nog pril de offergaven

woorden waren overbodig

en tussen d'eerste rozen

groeide het geluk

alleen zich samen weten

was genoeg.

 

Goed mengen

 

Een portie wilskracht

bedroppen met enkele druppels

godendrank

bestrooien met standvastigheid

op een zacht vuur laten sudderen

enkele blaadjes zelfvertrouwen

toevoegen goed mengen

laten afkoelen

koud serveren

bevordert de glimlach

in al zijn facetten.

 

JAARKRING

 

 

De jaarkring ontgaat haar niet, zij leeft dicht bij moeder aarde. De kleuren die vaak terugkeren zijn dan ook groen, hemelsblauw en goudgeel : kleurentaal van geloof en hoop. Maar ook soms grijs. De dichteres weet: "Tijden trekken andere kleren aan/ zoals het leven". Of gelijk de seizoenen. Mensen, steden en landen boeien haar. Ze is een fervent reiziger:

 

 

Een staketsel van herinneringen

 

In een grijsgesloten hemel

wordt de dag geboren

de zon bij verstek

is achterdochtig

achter het huis

een groene grasmat

wakende ganzen

een vroege zaterdag

gebouwd op een staketsel

van herinneringen.

 



Lente in Amiens

 

Er woei een lentebries

stroomopwaarts

en maakte dunne kringetjes

over het watervlak

men kon de sfeer opsnuiven

tussen Palmzondag en Pasen

een beetje droomverloren

tussen hemel en aarde

het lentelover

ontfermde zich over de

kabbelende grachten in Amiens.

 

Agnes De Bruyn kent de genezende waarde van het woord, daarom ook schrijft ze dag na dag met grote standvastigheid haar leven samen, soms met plotse invallen of met puntige gezegden die als vrolijke noten aforisch door haar werk lopen. Moge ze blijven geloven in de waarde en de kracht van haar boeiend poëtisch dagboek.

 

Frans Fransaer

15 november 1995

 

 

 

 

ADOLF DE CANDT: EEN LITERAIRE VERRASSING

"LANGE WINTERAVONDEN SPREKEN BOEKDELEN"

 

Niet op een winteravond maar op een bijna subtropische dag in oktober kreeg ik een helgroene ringmap in de handen gestopt. Daarin een dik pak keurig uitgetypte gedichten. Bladspiegel die van een uitgesproken estheet. Titelpagina: Lange Winteravonden spreken Boekdelen. Gedichten. Adolf De Candt. Mij onbekend. Hij is van Maldegem, kreeg ik als toegift en hij moet rond de 70 zijn.

Ik begon te lezen, tot 's nachts. Vanaf het eerste gedicht 't Oud huis wist ik: dit is een waarachter dichter! Ik heb de bundel met 89 gedichten in één adem uitgelezen, verbaasd dat Adolf De Candt nog nooit publiceerde. Iemand die zo schitterend de pen hanteert, iemand die je vanaf het eerste vers aanspreekt en je niet meer loslaat: zoek dat maar in deze lettergekke wereld van poseurs en tafelspringers.

De pöezie van De Candt treft ogenblikkelijk door zijn gave schoonheid, zijn rijkdom van taal, zijn onderkoelde emotie en hedendaags levensgevoel met diep verzwegen nostalgie. Dit moet een man zijn van beschaving, met grote eruditie: ik herken zijn innerlijk portret

 

't Oud huis

 

De bel rinkelde, de deuren piepten en de trap kraakte

in 't requiem met koorzang van bekende geluiden.

 

Zo gauw impromptu dook het daar op in de blokkedoos

van mijn geheugen : het huis van toen met alles

en allen erom en erin.

 

De grote blauwstenen tegels van de gang achtervolgden

me vrolijk klakkend tot in de keuken met haar

gezellige buizestoof.

 

De salon-suite met piano en open haard.

 

Mijn hart klopte aan, doch

allen zijn op reis.

 


ORIGINEEL

 

De Candt bekijkt de wereld op een eigen wijze met genadig oog voor plastische schoonheid. gevolg: een grote authenticiteit van taal. In de vroege morgen "schiet de vrieslucht met scherp", "Rijen populieren escorteren hun dreven...”

 

In de vroege vrieslucht

 

Vanuit 't oosten schiet de vrieslucht met scherp.

De dag klinkt hard onder de zolen van mijn wandelen.

 

Dun bevroren plasjes begeven het met 't geluid

van gebroken glas.

 

Rijen populieren escorteren hun dreven
in een eindeloze winterse verlorenheid.

Alle schijn is afgeworpen
tot op ’t laatste blad.

 

't Dak van mijn huis lijkt opgebouwd

uit peperkoek met witte suiker :

maar de koffie geurt er warm

en de boter laat zich smeren.

 

Doorheen heel zijn bundel duikt deze originele beeldentaal op. Hoe hij zelf poëzie beschouwt?

.../...

Grijpend waarnemen dat te zien heeft met

poëzie : het opnemen in een wolk sepia

van alles wat je opvallend benadert

vanuit de cyclus van 't alledaagse.  (Als octopus)



Châteauneuf-du-Pape

 

Het zoenoffer

bloedt zich uit

in de glazen.

 

De kristallen

offerande belletjes

klingelen op de maat der wensen.

 

Met overgave

vervult het gehemelte

zijn aardse zending.

 

Negen beaufort aan de kust

 

Een nijdige zee

beet en maalde krijt

tussen haar tanden

 

aanrollende golven

witschuimend geweld

 

op en neergaand frontlijn

in niemandsland.

 

SCHERP ANALITICUS

 

Met grote zeggingskracht analyseert De Candt zijn eigen rijk gemoed. Hij is een man bij wie "alle startblokken/ staan bezet". Pegasos, het gevleugelde paard, haalt het op een loom laisser-aller. Poëzie is vaak een " oude remedie tegen spleen".

 

Loom

 

Moe "laisser-aller" dat uitweg zoekt,

er geen vindt, zich ophoopt tot een

gemis dat geen vragen stelt, enkel

daar is met zijn volle gewicht.

 

Zwaar doorweegt op mijn denkvermogen,

ontlopen uit de toom van alle wenken,

langs paden van een ordeloos gemoed.

 

Stal met volgepropte kribben

doch voedsel dat niet smaakt.

 

'k Stuif beter in open lucht

zo ook pegasos in mij.

 

Zijn verzen hebben geen rijmschema's nodig, de ideeën hollen elkander achterna, vaak tot een spits en puntig relativerend slotvers..../ maar aan het/ sterfhuis van mijn verwachtingen/ hangt de vlag halfstok. (In het voerspoor van mijn verwachtingen)

 

Analyseert De Candt zichzelve binnenste buiten, hij heeft een pak op de dingen en op zijn tijd, want "geen opstandigheid afgeleerd, geen muiterij /afgenomen: maar schoon schip gemaakt.".

 

Prangend is De Candt in het genre haiku. Een haiku geeft in drie regels van 5,7,5 lettergrepen een intense ervaring weer.

 

1.

Vergeelde blaren

doden de tijd met wachten

op hun afsterven

 

2.

Hiroschima: proef

op de som bij 't eureka

van 't atoomtijdperk

 

De tegenstelling is een graag gebruikte stijlvorm in zijn gedichten. Soms kort en heftig zoals in :

 

Kort gedicht

 

Geluk

najagen,

kemels

schieten.

 

In het gedicht ''Oude kerkmuur bij valavond tegen november" wordt het deemsteren uitgesponnen tot een prachtig geschilderd clair-obscur:

 

Als sluitstuk op najaarsvertoon, legt de

dag, op d'oude kerkmuur, schroomvallig de laatste

hand aan zijn tedere valavondkleuren.

 

Met subtiele clair-obscur schakeringen onderlijnt

het tanende licht de pracht van de flamboyante

gotiek.

 

Rijzige in lood gevatte glasramen fungeren als

pseudo-lichtopslorpende zwarte gaten in dit

heel en al van hemelse betrachtingen

 

boven arduinen grafplaten als

pleisters op oude wonden.

 

GAAF

 

Zijn puntigheid, het ciseleren van de taal, de grote scheppingskracht waarmee hij zijn themata aanpakt roepen een volleerd woordkunstenaar op. Of het nu een oude linde betreft, een jonge vrouw op hoge hakken, een bos op zijn retour in december, de Polderroute, een zeilrace, een autoloze zondag of een avonddialoog, De Candt evoceert telkens met groot talent.

 

 

Spijt en tijd

 

Het huis

bloedde tranen

van spijt.

De tijd

ging eraan voorbij

zonder aan te kloppen.

 

Sporen lieten

diepe grieven

achter.

 

Het verwijt

was dit van

lange nachten.

 

De opstand

kwam uiteindelijk

tot stilstand.

 

Beide partijen

hebben het verdrag

ondertekend.

 

Wie gedichten van een gave schoonheid schrijft als "Spijt en tijd" getuigt van een intense taalvirtuositeit. De naam Adolf De Candt is een revelatie. Wie vertelde mij dat hij juwelier was?

 

Frans Fransaer
oktober 1995

 

 

 

HIERNA TWEE BRIEVEN UIT 1990 DIE IK SCHREEF AAN GERMAIN DROOGENBROODT
WAARIN IK HET OVER FRANS FRANSAER HEB

Asse, 17 mei 1990

 

Dag Germain,   (Droogenbroodt)

 

Na dit 'lieve Iris Van de Casteele' op mijn beurt dan jouw naam geschreven. Droogenbroodt. Wat prachtig.
Alles wat met brood in verhouding staat boeit mij. De 'impresos' heb ik ook goed ontvangen waarvoor hartelijk dank.
Het doet mij plezier dat je de bespreking van "Onderdak Vinden" van Frans Fransaer goed vond.
Het is een geweldige bundel. De laatste jaren heb ik er geen enkele gelezen van deze hoogstaande kwaliteit. Als dichter én schrijver is hij hét summum.  Point heeft een zeer goede vangst gedaan (als ik het mag uitdrukken in de volkstaal).
Ik leerde hem kennen een paar maanden geleden toen hij een proef-nummer van "De Poëzietuin" aanvroeg. Sindsdien wisselen we geregeld brieven. Een zeer boeiende persoonlijkheid. Als mens is hij zeer waarachtig.
Ik bespreek de bundels onder I.Marcy (Iris Maria Cyrilla). Ik doe het zeer oprecht, ook bij degenen die nog een heel eind van 'hét hoger kunnen' verwijderd zijn. Wat telt is de oprechtheid waarmee elke dichter zijn verzen schrijft.
Jouw bundel vind ik goed. Wat mij enigszins stoort zijn de vele verwijzingen van reizen, plaatsen , gebeurtenissen enzomeer. Het neemt veel van de sterkte weg van de gedichten zo bvb. het sublieme gedicht "Binding". Waren "alleen naar het buitenland + de opdracht weggelaten" dan stond het sterk op zijn 'poten'. Dan zou het zijn: niet te overtreffen.

Mag ik ? Mag ik niet ?

Ik kan ook wel de mond houden als het moet. Dit is geen bespreking wel een brief. Welkom of niet? In de bundel "Veertig aan de Wand" vind ik veel goede gedichten. Ook in de losse nummers.
Ja, je hebt het. Maar beter ware het de aanwijzingen weg te laten. Nu dwing je de lezer in een keurslijf. Hij heeft graag een beetje vrijheid. Ik schrijf je dit omdat je een ware dichter bent en omdat niemand waarschijnlijk jou durft op een paar kleine tekortkomingen wijzen. Naar de mond praten daar zijn jij noch ik mee gediend, nietwaar!

Ik wens je alvast proficiat met de vertalingen. Mooie gedichten zijn deze van dame Teresa Pasqual.

Ook ik vertaalde ooit het een en het ander en schrijf af en toe rechtstreeks in andere talen (mijn beroep: vertaalster en free-lance journaliste). Ik ben druk bezig met de Uruguayaanse dichteres Juana de Ibarbourou uit de vergeethoek te halen. Een groot deel van haar oeuvre heb ik reeds vertaald.

Ongelooflijk hoe vlug deze grote dichteres vergeten wordt. Bij haar verzinkt Mistral in het niets (volgens mij). Mistral lijkt me een echte bourgeoise, ze mist het kernachtige.
Het leed, de échte pijn. Mijn man is Uruguayaan, daarbij komen nog de vele reizen (en avonturen) waarbij ik heel wat heb opgestoken over Zuidamerika.

Wat gebeurt er met POINT? Ik belde wel tien keer op doch kreeg steeds een verkeerd antwoord en niets van uitleg. Nochtans schijnt het telefoonnummer niet veranderd te zijn. Is er op dit nummer nu een verzendingsfirma? Ja, Germain, ik zit bij vzw Dilbeekse Cahiers. Het is er ongewoon druk. Vanwaar komen al die "dichters". Wellicht pak ik het later op mijn eigen manier aan of begin ik gewoon alleen aan iets waar kwaliteit op de voorgrond staat. Kwantiteit (vrienden, eten,  enz.) ligt me niet.

De Poëzietuin floreert goed. Ik heb hem helemaal alleen omgespit. Nu komen de planters en de zaaiers.

Wekelijks. Er valt heel wat te schrijven want afgezien van Denijs Van Killegem, die af en toe zeer mooie bijdragen aflevert, moet ik het alleen zien te rooien. Ik breng zeker iets over jouw bundel. Laat mij maar doen.

Wat vind ik dat spijtig dat ik niet in de bloemlezing van Vlaamse dichters zal opgenomen worden. Doodjammer. En dan nog wel in het Catalaans, een taal die me boeit. Ik hoop dat je Fransaer niet vergeten bent. Hij had me reeds verteld dat de uitgave er zou komen; dat je ermee bezig was.

Ik was niet zo onbescheiden je één mijner gedichten op te sturen en ik heb een afkeer van bedelen en mouwvegen. Enfin, ik heb van jouw aperitief genoten.

Geniet jij nu ook van mijn welbespraaktheid en voel je thuis waar je thuis bent vanaf nu.

Als ik iets kan doen voor jullie daar: graag gedaan.

Als slot stuur ik je één van mijn anderstalige gedichtjes:

 

Palmera

 

he visto

una palmera

verde

alta

sola

 

mirando

al cielo

 

sin preocuparse

de la mugre

a sus pies

 

Ja, en tot slot dan nog het volgende:  op 15 juni e.k. wordt mijn jongste bundel Emma voorgesteld te Dilbeek in het Westrand Ontmoetingscentrum. Welgekomen, beste Germain, alhoewel ik vrees dat dit centrum die dag niet op jouw route zal liggen.  Verder veel hartelijke groeten, en .....er is nog een beetje ruimte vrij, vandaar

      

(regendag)

 

tederheid rolt

van blad tot blad

 

rond als een tol

speels als een kat

ligt zij licht

als een pluim

op een bed van blaren

 

niets dan muziek

heeft zij

naar het schijnt

in het hoofd

 

zij wiegt en krolt

als regen en wind

in de bomen paren


Iris

 

 

 

 

 

Asse, 10 juli 1990

 

Dag beste Germain !

 

Vandaag, na gezien te hebben hoe "Pensec" misschien de Ronde van Frankrijk aan het winnen is, moest ik meteen aan jou denken. Hier is ze dan, die lieve Iris.

Dank voor je zeer hartelijke en welgekomen brief van 4 juni jl.

Intussen werd mijn bundel "Emma" voorgesteld. Kreeg je er één ?  Ben ik je niet vergeten ? Ik was de laatste weken zeer vermoeid en sommige dingen kunnen me wellicht ontsnappen.

 

De voorstelling was buitengewoon mooi. Alleen de mensen die me het nauwst aan het hart liggen waren uitgenodigd. Wellicht geen 30. Frans Fransaer was er ook, onze gemeenzame vriend.

Wat houd ik toch van wat die man doet en schrijft. Ja, 'onze' grote Frans Fransaer. Wie geeft hem eindelijk de plaats die hij verdient en die hij nog steeds niet inneemt in onze literaire wereld.

Intussen kreeg ik de Catalaanse bundel toegestuurd. Daar schrijf ik beslist iets over in De Poëzietuin. Valt bijzonder goed mee. Alvast proficiat voor het vertalingswerk. Dat kan men enkel wanneer men van mensen en talen houdt én... zelf dichter is.

 

Een paar van mijn gedichten werden in het Russisch vertaald. Ik vertaalde enkele Russische (van een zeer goede vriend) in het Vlaams. Ik heb in Moskou meer dan één goede vriend in de culturele wereld. (schrijver, dichter, beeldende kunstenaar). Sinds 1971 ga ik geregeld naar de Soviet-Unie. Nu komt er eindelijk wat vrijheid. Vroeger moest ik alle boekjes en blaadjes binnen en buiten smokkelen! (niet voor niets ben ik éne van langs de grens! Na de oorlog waren het sigaren !).
Lach niet !

Ik ben zeer geinteresseerd in wat je doet, Germain, je doet het nog goed ook. Wat een weelde iemand te leren kennen die zich zwemmend weet te redden tussen de haaien.

Ja, van haaien gesproken: vzw Dilbeekse Cahiers heeft me buiten gegooid. Roggeman en companen. Natuurlijk kan dit niet zomaar. Doch in een vzw, waar op grote schaal bedrog gepleegd wordt, niet alleen in de boeken maar ook in vele andere zaken, schijnt men heel wat te kunnen, zelfs het verduisteren van de "eigen" centen.
Omdat ik graag wat "kwaliteit en eerlijkheid" wou vloog ik eruit.

Toch moet ik goed nadenken eer ik aan een rechtszaak begin. Bewijzen zijn er meer dan genoeg. Maar wie moet de gerechtskosten voorschieten en wie kan 's nachts niet slapen?

Dat kleine Iriske, natuurlijk: dolfijntje tussen de haaien.

 

Luister, ik stuur je de bundel Emma op. Heb je hem dubbel ? ' t Geeft niet. Op één meer of minder komt het niet aan. Honderd heb ik er welgeteld weggegeven en twee verkocht (aan mijn zus en aan haar dochter).  Die krijgen elk hun 250 fr. terug ! ('k heb weer mijn karnaval-masker opgezet. Een mooie brede, altijd-lachende mond. Schijnt me goed te staan ?)
Bezit jij mijn bundel Tot in het Merg? 
Die schenk ik je graag als je hij je tenminste niet afschrikt. Gestolde dramatiek, noemde Fransaer hem.

 

Ja, Germain, ik wil je nog eens heel speciaal bedanken voor die kernachtige spreuk van Karl Valentin. Ze hangt vlak voor mijn ogen en ik kijk er vaak naar. Es stimmt genau, wir können es wissen: "Kunst ist schön. Macht aber viel Arbeit". We geven het niet op hé ? We zijn toch vechtersnaturen voor iets want dat leid ik af uit het foldertje dat me toegestuurd werd door jouw secretariaat. Het Ministerie voor Cultuur ?

Daarvoor moet men Dewael heten of Roggeman of hoge pieten kennen in de politiek.

Troost je. Ook ik raak de schrijverslijst niet op. EN IK VERTIK HET MENSEN AAN TE SPREKEN DIE HET VOOR MIJ IN ORDE ZOUDEN KUNNEN BRENGEN.

Ik kon het altijd best klaarspelen zonder die aalmoezen. Voor Point is dat natuurlijk wat anders. Wat spijt me dat toch dat ik jullie niet wat meer kan steunen. Moreel doe ik het.

Binnen afzienbare tijd zal ik wat meer vrije hand hebben in mijn financiële bedoening. Huizen afbetalen ! Godgod, soms noem ik het luizen, maar toch.... gezellig ruim heb ik het wel.

 

Dat je Juana de Ibarbourou niet kent is niet zo erg. Wie ken ik ?
Af en toe iemand wiens gedichten me onder de ogen komen en die me aanspreken. Dat is ook niet zo vaak en niet zoveel.

We zijn er om op ontdekkingstocht te gaan. Jij wellicht nog met een rugzak, ik al bijna op een stok gesteund ! Toch blijf ik frivool en levenslustig. De "kwaje" momenten neem ik in mijn binnenste op als een fotograaf. Mijn gedichten lijken dan later fotos, tenminste voor mij.

Ja, ich freue mich "ook" riesig.  Reiner Kunze heeft het bij het rechte eind. Hoe doe je het allemaal. Maar toch. Ik geloof niet dat ik bij jou ten achter sta.

Ik ben maar wàt blij dat De Poëzietuin het nu een maand zonder hovenier moet stellen. Of ik het weer een jaar aankan betwijfel ik. Zoveel gevoel, liefde, opoffering steken in zo weinig bladzijden. Wie houdt het vol ?

Ik hoop dat er nog échte tuinMANNEN bestaan die mij af en toe een handje zullen toesteken !

 

Tot daar, lieve vriend, laat maar weer iets van je horen wanneer je er zin in hebt. Ik hoop dat mijn mooie woorden aan jouw adres welkom zijn. O ja, en wat die lage drempel aangaat: daar kan ik alleen maar beamen wat Fransaer ooit zei of schreef: "ik heb tot mijn schade geleerd om mijn mond niet meer voorbij te praten".

Nog meer olie op het vuur gieten? Denijs Van Killegem is één van onze échte, waarachtige dichters.

Die moet jij zien binnen te krijgen in Point, Germain, geloof me. Denijs is uitzonderlijk begaafd en een ongelooflijk eerlijke, waarachtige dichter. 't Kofschip heeft hem weinig te bieden.

Zo jammer, zo echt, echt jammer. (Las je ooit gedichten van de kopstukken?... god...god...gottek..kens...
Ik zal deze keer wel tijdig de mond houden hoor.

 

Ik stuur je veel genegen groeten en wens je nog een mooie zomer daar in je tweede vaderland.
Vergeet ons hier niet. Wij de sukkelaars... altijd regen... die zo vaak omslaat in sneeuw!

  

En voor ik het vergeet: na de voorstelling van "Emma", ben ik samen met mijn man en zijn gezel, nog bij Fransaer blijven plakken tot een gat in de nacht. Eén van je flessen allerbeste wijn moest eraan geloven! Wie had ooit gedacht dat - in Moorsel - mijn jonge ziel zich zou laven aan die goeie ouwe wijn van die goeie Droogenbroodt.

Allé(z) Santé...brood(t), wijn en poëzie:  't heeft goed gesmaakt !  Iris

 

 

 

BRIEF VAN FRANS FRANSAER
VIJFTIG JAAR LATER
...

 

Een van de weinige échte vrienden die ik heb, is een heel speciaal iemand. Hij is jonggezel, schrijver, dichter, gewezen leraar, zeeman, wereldreiziger, en nog een heleboel dingen meer, vooral "zeeman" genoemd worden, daar staat hij op. Sinds kort geleden is hij zelfs gepensionneerde, alhoewel de tijd op zijn wakkere geest geen vat schijnt te hebben.

Naast zijn rustpensioen krijgt hij, voor vijf volle jaren op de oceanen zwalpen en zijn werk als "wiper" met energie te hebben uitgevoerd, een maandelijkse uitkering van 2.458 fr, nee, ik vergis mij, want onze ambtenaren schroefden het sommetje tot op 1.957 fr. terug, hetgeen hem in een woedebui deed uitbarsten (altijd de kleine man afpersen, weet je)...

Zijn wereld is: vriendschapsbanden, oceaanwellen, schilderijen én boeken. Zijn grote liefde is Vincent Van Gogh, en zijn felste passie is Griekenland met alles wat daarbij hoort: Seferis, Ritsos, Kazantzakis, tijm, cicaden, basilicum, keien, ruïnes, enz., teveel om op te noemen. Hoeveel Griekse eilanden hij al bezocht weet ik niet, maar afgaande op de kilos keien die hij tot op heden meebracht, voor Yvonne's en mijn eigen verzameling, moeten het er heel wat zijn.

 

Jaren geleden leerden we elkander kennen langs De Poëzietuin om; een kennismaking die zou uitgroeien tot hechte vriendschap, die tot op heden, ondanks de vele gevaren die ten allen kante steeds weer opdoken, stand is blijven houden. En wàt een vriend is hij geworden: hoe vaak heeft hij me aangemoedigd, me geprezen, me gelezen, maar me ook de levieten gelezen wanneer mij het hart teveel op de tong lag.

Wanneer ik zijn brieven soms dagen en weken onbeantwoord liet wist hij: iris heeft zich hermetisch afgesloten van de buitenwereld. Hij had begrip. Hij liet me tijd om orde op zaken te stellen. Om mezelf te vinden. Om mezelf te herstellen wanneer de klappen van overal tegelijk me voor de zoveelste keer uit mijn evenwicht hadden gebracht. Vriendschap... je vindt er geen woorden voor.

 

Nu ik de gevolgen van mijn dubbele longontsteking, (de derde op minder dan drie jaar tijds), bijna te boven ben gekomen, kijk ik uit naar inspiratie en regeneratie. De Poëzietuin volschrijven was ooit kinderspel. Maar het hart doet het de laatste tijd niet meer. Ik ben niet meer dezelfde, de fut is er voor een goed deel uit. Misschien word ik té sensibel. Misschien broed ik teveel op allerlei dingen die me ontglippen. Er is iets mis met mij. Zeer zeker.

Ik zou vaker de woorden van Joshida Kenkô indachtig moeten zijn: "Wanneer in ons hart teveel gedachten en wensen rondzwerven zo berust dit alleen op het feit, dat het een beheersende inhoud mist. Zou er een krachtige kerngedachte in ons wonen, zouden de ontelbare fantomen hun spel in ons binnenste niet kunnen spelen".

 

Terwijl ik hier zo zit te dubben en te tobben, denk ik opeens aan een brief die onze "zeeman" mij een paar maanden geleden toestuurde, precies op zijn verjaardag. De ondertoon had me toen reeds geraakt maar vanavond, ja vannacht, grijpt hij me nog wat meer bij de keel. Bedoeld als humor, krijgt hij pas nu opeens zijn volle betekenis, want achter de plezierige noot, klinkt muziek met daarin het elegische van een zachte, weemoedige klacht.

Frans Fransaer, le généreux, die steeds te vinden is waar onrecht recht te zetten is, of waar hulp te bieden valt. Die de stevigste borrel uit zijn kelder haalt, soms op de onmogelijkste uren van de nacht, om je op een gezellig onder-onsje te trakteren. Die hopen kwade brieven schrijft naar allerlei instanties die het met ons erfgoed niet zo nauw nemen: met onze bossen, onze rivieren, onze landerijen, met onze oude gebouwen opgetrokken in hardgebakken steenaarde, die doet denken aan vuurovens en aan het zweet van onze voorouders.

 

Frans Fransaer, de door onze literaire elite onbegrepen mens, schrijft verder aan zijn novellen, romans, gedichten en dagboeken. Aan zijn steengoede recensies. Aan zijn opbouwende kritieken. Aan zijn heerlijke Taalroom-bijdragen waarmee hij het sappig Oostvlaams dialect virtuoos helpt in leven houden. Aan zijn dagboeken die reeds kilometers bladzijden tellen en reeds bijna 4 decennia lang gespijsd worden met de voornaamste dingen van elke dag. Hoe was het weer op 15 januari 1982? Bitter koud. Hij hoeft maar één van zijn dagboeken open te slaan en je bent ingelicht. Bij hem mag je ten alle tijde en voor duizend en een dingen te rade gaan.

 

Onze minister van cultuur schijnt hem niet te kennen, laat staan hem weten wonen. In ons cultuurarm landje moet je kunnen mouwvegen, knielen, kruipen, bedelen. Dan pas krijg je erkenning, en misschien een toelage waarmee je het weer een tijdje kunt redden om uit je postzegelonkosten te komen. Frans (Paco) zal zich intussen moeten tevreden stellen met zijn zeemanspensioentje om me uit te nodigen naar een of ander restaurant, zoals hij al vaker deed.
Daarmee zullen we 't Laurierblad zeker niet kunnen gaan verkennen, tenzij ik er een frank bovenop doe. Voor een etentje bij de ene of andere ingeweken Italiaan of Griek is het echter meer dan voldoende. Maar om op zijn visionaire brief terug te komen: 'k ga hem de lezers niet onthouden, wie weet wat binnen vijftig jaar zal zijn... Misschien vindt hij zelfs weerklank eer ik hem terug in de schoenendoos opberg...

En wat die 26 abc - xyz bundels betreft waarover hij het heeft: ik liet me ooit ontvallen dat ik het verloop van mijn leven zou willen optekenen in 26 dichtbundels, waarvan de titels allemaal met een andere letter zouden beginnen, zodat ik op mijn sterfbed zou kunnen troost putten uit mijn eigen abcedarium, (een gekke gedachte die me opeens heel vrolijk stemt.)

Maar nu de brief waarvan het slot boekdelen spreekt:

 

Dinsdagavond, 3 oktober.


Dag Iris, dag Cacho,
Ik kreeg vanmorgen je geestdriftige kaart uit Paraguay.
De postzegels waren zo enthousiast gekleefd dat ze op elkaar plakten en 1 centimeter buiten de kaart-met-"carretas tipicas" uitstaken.
Een wonder dat ze aldus niet aan de postbus kleefden, waar ze - na onttakeling van de bus over een halve eeuw - losgeweekt werden en de naar Europa gezonden kaart op 4 oktober 2045 in Moorsel toekwam...

Geen kat die zich een Frans Fransaer herinnerde. Via speeksel-sekretie op de postzegels kon men (zoals vingerafdrukken) uitmaken dat de kaart afkomstig was van IRIS. Een familienaam was onnodig want de naam van de dichteres was zo alom bekend geworden in Europa wegens haar 26 ABC - XYZ dichtbundels, haar ontelbaar verzamelde Poëzietuinen, haar interviews, haar onnoemlijke talrijke caritatieve werken voor 1e 2e 3e 4e en 5e wereld, haar polemische esbattementen tegen de zelfgenoegzame, opgeblazen literaire kikkers van het fin-de-siècle 20e eeuw en eerste kwart 21e eeuw, dat de postkaart van Moorsel stante pede naar Asse (Bélgica), Maldegem (idem), Adegem (idem) geairfaxt werd. Alle telstar tv-stations richtten hun lenzen op deze drie gehuchten.

De dichteres werd op haar 113e levensjaar op uitbundige wijze gevierd. En ze liet het zich welgevallen. Haar echtgenoot, alomberoemd van Uruguay tot Japan, van Finland tot Spanje, gaf een uniek recital ten beste. De opbrengst ging volledig naar het opspeuren van voornoemde Frans Fransaer.
Dank zij Iris del Castillo en haar echtgenoot Juan Carlos  (Cacho) Aguirre, kwam men vlug op het spoor van de vergeten schrijver die op zijn 62e vroegtijdig in Moorsel overleed.


Zij herinnerden zich nog heel goed het oude huis met het krottige poortje in het boerennest waar hij woonde en er totaal vergeten werd. Aalst, de stad die nooit veel aandacht aan dichters buiten de stadskern schonk, kon zelfs niet meer aanduiden waar Fransaer in 1996 begraven werd, aangezien er niet de minste aandacht meer aan kerkhoven geschonken werd, gezien het oubollige 'kerk' in het woord: een mens kon in Aalst maar zo vlug mogelijk asse worden, dat bracht nog wat op bij Elektrabel in Doel.

Enfin, het kunstminnende bejaarde echtpaar (dat van april tot november in Uruguay verblijft en de rest van het jaar in zijn riante villa in het Meetjesland doorbrengt), haalde het Opus Magnus van Fransaer van tussen de wijnflessen in hun kelder (boeken, papier blijkt een prima vochtigheidsgraad te behouden ter ondersteuning v. exquise wijnsoorten), en ontdekten meteen een schoenendoos brieven van genoemde. Men besloot prompt tot de complete uitgave van de jarenlange (wij vermoeden 7 jaar) correspondentie. In het AMVC in Antwerpen zat bovendien een onvermoed aantal verloren gewaande brieven van IRIS aan F.F. Plus een ongewoon aantal dagboeken.

Kenners van literatuur (die zeer zelden geworden zijn) gewagen van de literaire gebeurtenis van het jaar. We mogen eerder van een happening gewagen: nooit werd er in Adegem zo gefeest als toen. Iris, Cacho en Fransaer kregen zelfs een "plakette" aan IRIS' drukkerij in de Maldegemse Stationstraat.
In Moorsel werd ijverig naar restanten van Fransaers gebeente gezocht. Een detector vond de nog intacte schedel: 't moet een harde kop geweest zijn, blijkt het, met op 1 tand na nog zijn gehele gebit... 

 

Tot daar deze fameuze brief waarin ironie en humor het halen op een niet te ontkennen neerslachtigheid, maar waarin de grote hunker onmiskenbaar is.
Om dit artikel af te sluiten volgt hierna nog een stukje uit Fransaer's roman "Thanatos en de Zee" uit 1983. Let wel, het bouwvallig huis heeft intussen een flinke opknapbeurt gekregen maar de bewoner zelf zit vandaag de dag geweldig in de knoei met zijn gezondheid. Laten we hem een vlug herstel en een 'goed leven' wensen!

 

Een vrije dag in de winter, een glimp is dit, een knipoog en de zon zit al achter het dak van het Monnikenhof. Ik klamp mij aan het laatste licht dat door het kaduke westerraam binnenvalt, de voeten op een stoel voor het rossige raampje van de vulkachel.

Ik hoef geen radio aan te zetten. Zo maar de warmte van het huis opslorpen, me zo maar gevat te weten in deze wakke huls die me omhult.

Deze klamme muren waartegen het zilt omhoog kruipt en dat naar mijn ruggegraat groeit, me krom zal maken van artrose en rachitis gelijk allen voorheen die dit paradijs bewoonden, deze tochtige bladder en kalk : mijn schelp zijn zij, mijn tridacna gigas, die alles weert wat ik buitenhouden wil, op reuma en artritis na. Mijn membraan, het laatste vlies, mijn baarmoeder waarin ik veilig en buiten schot ben. Geen bevelen meer, geen hé, jij daar. Geen kom hier, geen doe dit, doe dat. Hier ben ik ongekroonde vorst en hansworst.

Deze arbeiderswoning met niets dan een façadegevel aan de straatkant -de rest is gammel en versleten- mijn ultieme bolwerk is ze. En niemand zal er me ooit uittrappen. Hoop ik. Dit freudiaans vruchtbeginsel dat mijn povere mikro-universum huist.

Man, jij wordt nog eenzaat! Worden? Dit ben ik al. Uit roeping. Met overgave. Geknipt om vanuit mijn kleine, eigenzinnige, egocentrische kluis de wereld af te tasten: zijn lawaai, zijn gehuilebalk, opschepperij, bekakte bedilzucht en lieve drukdoenerij.

En zo, gelijk Anoebis, de weegschaal te hanteren, met als inzet het eigen blote hart tegen waan en waanzin. Dat is mijn lot.

Buiten is het nu volkomen donker geworden. Ik knip het licht aan. Heb je het zo goed, zeeman? Voelt je kussentje in je leunstoel niet te vlokkerig? Moet je nog andere retorische vragen op je muren afvuren?

Trek een kwarteeuw in je eentje op, dan leer je zelf je eigen vragen in vraag te stellen en soms antwoorden die muren wonderwel. Muurtje van mijn wand, wie is enz...

Zinnelijk brokstuk dat je bent, bezige bij die maar vlindert en floddert, balkje wrakhout met als enige reden van bestaan weer eens aan te spoelen. O nee, jij wil niet huilebalken, geen indruk maken? En je eigen gebler en gemekker? Je angst je bolster te breken en je eigenste fijnste burgerideetjes los te weten weken. Je huis-met-tuintjesmentaliteit, je liefste, lieve, broze ikje.

Je hebt chartreuse in huis, nietwaar? Vijfentwintig graden, zuiver met het aroma van honderddertig kruiden en planten. De Geest Gods rust erop. Zou je jezelf niet uitnodigen? Je eventjes benevelen? Zo kun je weer vluchten in je beste der beste planeten. Ongenaakbaar. Op wolken zul je wandelen opdat geen obstakel je voeten zou bezeren.

En je hebt nog een brief ook. Een brief is een delikatesse. Van mensen die je mogen, die aan je denken, die je laten zwelgen in een jargon van vriendschap en genegenheid.

 

Hieraan nog iets toevoegen zou wellicht "des Guten zuviel" kunnen worden, nietwaar beste lezers?

 

Iris Van de Casteele

De Poëzietuin - 18 januari 1996

 

 

POREUS GELUK

AGNES DE BRUYN

Onlangs verscheen bij De Distel de eerste dichtbundel van Agnes De Bruyn, een verrassing voor velen want wie had in de schalks lachende en druk reizende 60-plusser de dichteres ontdekt ?

Nochtans spreidt ze al lange tijd haar zorg over het doen en laten van elke gewone dag in jarenlang bijgehouden poëtische dagboeken. Pas het laatste jaar trad ze echt naar buiten en bereikte zelfs de lezers van het weekblad Vrij Maldegem via een december van De Poëzietuin.

"Poreus Geluk" heet de bundel. Mooi uitgegeven met op de kaft een aanvulling van de tekst: de afbeelding van een wonderlijk beeld van de kunstenares Wilhelmina Barbé Van Gucht uit Sint Martens-Latem: zwart kantwerk gedrapeerd over een stevige ijzeren structuur. Zowat een voorafbeelding van elk menselijk geluk: het broze, het frele dat aan de taaiheid en hardheid van ons bestaan een rusteloze dimensie geeft. Het leven... dat poreus blijkt en kwetsbaar gelijk een jaar "van vallen en opstaan/ een jaar van weemoed/ en poreus geluk" (p. 31)

 

Een mistige morgen

 

Een kantwerk van

fijn gesponnen

mistdraden

geweven tot

een broos rag

wiegelt zacht heen en weer

zwevende gedachten

dwalen over een wei

van zilverwit gespoten

dunne parelrijm

 

Het onbehagen om het niet te bereiken ideale geluk vindt vaak zijn uitweg via droombeelden.
De dichteres haakt haar nostalgie vast aan het beeld van de condensatiestrepen van een vliegtuig in de blauwe lucht :

 

De achtergeblevene

 

Wanneer de zon

door de wolken breekt

begint de dagdroom

 

onbehagen knaagt

er ontbreekt een schakel

aan de ketting

die onverwoestbaar scheen

 

langs het lieve vrouweblauw

vliegt een vliegtuig over

iemand blijft achter

turend

naar onbereikbaar geluk

 

Toch voelt zij zich te zeer opgenomen in de realiteit om bij de pakken te blijven zitten en om zo maar met dromerijen haar dagen te verdoen. Er is een soliede voedingsbodem in haar aanwezig. Ze is nuchter genoeg om naar morgen te knipogen.

 

Uitkijkend naar morgen

 

Nog even achterom

kijken

de deur staat nog

op een kier

 

verwijlen

dralen vorderen

gisteren is reeds vandaag

 

een helrode papaver glundert

haar donkere pupil

knipoogt naar morgen

 

Droom of niet de dag kondigt zich aan en Agnes stapt er door. Verjarend in volle zomer droomt zij van sneeuw maar al heel vlug realiseert zij het hier en nu:

 

Verjaardag

 

Ik droomde van een

sneeuwwitte verjaardag

als een hagelblank tapijt

zonder het spoor

van vogelpootjes hier en daar.

 

Ik droomde van een serene stilte

onder een helblauwe hemel.

 

Drieëntwintig juli.

Sneeuw of niet : ik verjaar !

 

Al schrijvend stoft ze de herinneringen van gisteren af  .../ voor een hoogdag van morgen. Enthousiasme is haar eigen en schrijven is een ware opdracht en toevlucht geworden om de veelheid van indrukken te verwerken, af te ronden, bij te kleuren tot haar eigen poreus geluk

 

Al schrijvend

 

Ik viel in slaap

al schrijvend

woorden werden zinnen

ik beloofde mezelf :

dit wordt een kleine waterval

 

toen ik ontwaakte

bleek het een zondvloed

 

Het woord is niet zomaar een woord bij haar. Poëzie schrijven is banden smeden, is mensen ontmoeten. Poëzie is voor haar geen verbale hermetische gevangenis maar heeft alles met leven, genegenheid en vriendschap te maken.

 

Al schrijvend gevonden

voor F.
 

't Is of de stilte

kleurde toen ik

woord voor woord

dit vers

aan de vloed

van gevoelens

van vriendschap

toevertrouwde

 

Het gewone dagelijkse leven brengt haar oog in oog met poëzie.

 

Oog in oog

 

Diep in het najaar

toen de dagen krompen

en toch nog zon doordrong

ontvouwde zich

een blad

 

oog in oog

stond je met poëzie

 

De kleuren in deze dichtbundel getuigen van een grote felheid van leven, een "onblusbare hoogtezon" : rode papavers, spierwitte wolken, het goudgeel van gekruinde bomenrijen in de herfst, haar hemelsblauw kent geen grenzen.

 

Zomer 1995

 

Het hemelsblauw kent geen grenzen.

Een gulle zon deelt warmte

en genegenheid uit.

Zomergeluk

wordt weids beschreven :

wijde boomkruinen tegen

het ongerepte blauw

van een lieve vrouwelucht.

 

Dit schrijven van Agnes De Bruyn is een lang verhaal dat begon bij het vroegtijdig overlijden van haar man. Na dit dramatische gebeuren heeft ze naar de pen gegrepen. Wellicht uit onmacht en verdriet.

 

Portret

 

Jij

opgenomen

in de kringloop

van de tijd

mij ontnomen

 

het glas

over je foto is zo

dun geworden

dat je glimlach erdoor

nog veel echter wordt

 

Al schrijvend kan ze weer alles zijn zin geven. Zij vraagt zich af ".../... was het een aanvoelen/ een drang/ een dwalende stap/ die me de trap/ naar poëzie/ deed opgaan ? (p. 28). Al schrijvend leert ze dan ooh het métier beheersen. Haar gedichten worden alsmaar kernachtiger.

Deze selectie ontstond uit de gedichten die Agnes in 1995 schreef. Een bundeling van wat des mensen is: hoop na droefheid, geloof na het bevragen van tijd en dingen, liefde en genegenheid t.a.v. de natuur en de mensen die haar omringen.

Het getuigenis van een vrouw die onbevangen oog in oog met de wereld anno nu staat en die kiest voor de openheid van morgen. En precies daaruit haar poëzie en haar poreus geluk puurt.

 

Frans Fransaer

6 mei 1996

 

 

 

 

VERLATEN TAFELS
CATHARINA BOER

 

 

Hoe kan het anders dan dat iemand die uit Nuenen komt, en Vincent in zijn hart sluit, zo’n pakkende poëzie schrijft. Ik was meteen weg van Catharina Boer haar “Verlaten Tafels”.

Van haar kronkelwegen vol goudveil, haar dagen die als appels vallen (6), zomers die totaal zijn (8) en oude verhalen (10) herschrijft, bonkend van nostalgie naar licht, naar stenen, naar water.

Deze bundel had zeker “Sonate uit Stenen” kunnen heten.

Hoe is de dichteres gefascineerd door stenen, of ze uit het ouderhuis komen of zwerfstenen zijn, geslepen door achtergelaten poolijs, om het even, maar stenen.

Stenen rollen door heel haar verhaal. Niet het minst daarom intrigeert mij deze poëzie. Wie van stenen houdt kent de tijd en doorgrondt hem. Een dichtbundel als een verhaal van tederheid, gelovend in het wonder van de verwondering. Zij het soms met bloedende taal (16) “Op papier als wond / te blijven staan”.

Ik denk dat Iris Van de Casteele, Catharina Boer en Hans Lodeizen elkaar heel goed verstaan zouden hebben (Lodeizen, nu ja, 1924-1950). Poëzie vol afscheid (16) geklonken aan aarde (en water?).  Spijtig genoeg las ik te weinig Lodeizen, maar ik las Van de Casteele en nu ook, voor de tweede keer, Catharina Boer.

Rivier, merktekens, seinen stroomopwaarts (17) hoe kiest zij haar taal! Hoe kiezen zij hun taal. Hun taal als borrelend leven. Die pakkende poëten.

De wonderlijke zinsbouw in tal van gedichten in deze bundel noopt tot herlezen, tot nachecken, tot speuren. Vaak worden zinsdelen weggelaten (opzettelijk vergeten, verzwegen) wat een nog meer gebalde taal tot gevolg heeft: nog geheimzinniger, nog nostalgischer, nog ‘stroomopwaartser’.
Ontdek het wonder. Zoek de tekens. Ont-plooi het raadsel.

Catharina Boer schrijft /”leeft” een plastische taal die nooit saai begrijpelijk wordt: een aaiende zon (20), een allesverbloemende schort (23), seizoenen van meel / brood en kruimels (19), vossenrood (36). Er schuilt veel hoop in deze poëzie als een verhaal dat nog altijd kan (28), als “dwaalbossen diep in ons” (48).

Waarom schrijven de enen poëzie die onmiddellijk bij het nekvel pakt, terwijl anderen zich verkneukelen in woordbreierij en taalbrij? Wellicht is het niet onbelangrijk in Nuenen te wonen. Er zijn er nog die in Nuenen, Arles, Auvers-sur-Oise de aarde wilden openscheuren (56), zoekend naar “houvast ten teken/ van zijn, de dood geen grens” (57) Zij, “onderste steen die altijd bovenkomt”. Die eindeloos rustlozen met hun oud heimwee “waarin poëzie zich strekt” (59).

Frans Fransaer – 2005

 

 

 

 

MET UITGEHOLDE STEM

Iris Van de Casteele

 

Ik heb gewacht met het lezen (nahuiveren) van Met uitgeholde stem tot het in mij voldoende rustig was om het licht te vatten dat uit deze bundel spreekt: bliksemt. Ik denk dat Zen ervaren van dezelfde aard moet zijn.

 

Iris Van de Casteele’s dichterschap tracht het zienerschap te doorgronden: de poëzie wordt niet ontraadseld  - het raadsel wordt gelaten - ze vindt de gronden, de bodems, het substraat waaruit poëzie welt als een ontcijferen van wat is.
Net als digitale tekens de computer samenhouden zo vindt haar sterke taalschepping de samenhang die het mysterie van/in alles bindt, samenhoudt. Atomair: wat vervlecht, energieën schept. Maar op zienersniveau: doortastend tot in het Grote Al, het Grote Niets. Zen-besef.

 

Het nirwana suggererend. Beseffend. Bevroedend. Initiërend.

Wat Van de Casteele met haar woordkracht de uitdeinende rillingen van watercirkels weer ver-dicht, ze weer samenbrengt naar het uitgangspunt: de steen in het water als creatiepunt. Het uitdijend kosmische dat de omgekeerde weg inslaat: terug naar de boom, boem, bang. Terug van omega naar alfa.

 

Wat is het afgekeerde kind op de kaft mysterieus! ‘haar wezen verborgen/ in vele penselen’ (p.26). De dichteres heeft het dóór: ook schilders huiveren voor het mysterie. De echte dan, zij die de ‘Schreeuw’ doorhebben.

 

      daarna pas barstte hij los

      die verschrikkelijke schreeuw

      die je in je droeg

      die wurgende jaren

 

      pas dan vond hij een weg

      nadat je gestenigd werd

 

Gelukkig is er naast de tragiek die door deze hele bundel waart ook de verwondering want zonder dát blikveld kunnen we de ‘schreeuw’ niet aan.

 

De kat, de kip, het paard, de spin, de klaproos, de distel: zij zijn de compagnons, de copains, de tochtgenoten, de medepelgrims: om het absolute te doorgronden? Nee, te bevragen. Het zijn medestanders geworden op de bevrijdende weg naar het besef. Net als de stenen die overal en altijd in Van de Casteele’s poëtisch oeuvre opduiken.

 

De diepte van deze prachtige, beklemmende bundel haakt naar transcendentie. Het meisje met afgewend hoofd op de kaft ‘ziet wat ze was/ wat ze is/ ze weet/ waarom ze de sleutel bezit/ die toegang verleent tot/ het ruimschootse licht/ waarin levende raadsels/...’

Het is een scharniergedicht. Zo van: vraag me niet dat ik antwoord geef, omdat ik het intuïtief doorgrond, bevroed. Een evangelie, meer dan ooit met mystieke inslag, of de dichteres het wil of niet… Bevrijdend voor wie de angst en de pijn gezien heeft.

 

        ik zag de vaas waarin de leegte

        Ik dichtte de barsten

 

Dichten in zijn sacrale betekenis: dicht maken, samenbinden, én daarvan getuigen als inzicht. De dichter die bindt, die de barsten bijeenvoegt, bijeenlegt, maar er ook over getuigt,… en de barsten bezingt, desnoods met huiveringwekkende uitgeholde stem.

Grote poëzie is dit !

 

Frans Fransaer – 2005

 

 



PERPETUUM MOBILE
RUDI LEJAEGHERE

 

 

GOLVEN, KLANK EN KLEUR
ALS PERPETUUM MOBILE

 

In het aanvangsgedicht "Fluisterwater", van zijn debuutbundel Perpetuum Mobile, zet Rudi Lejaeghere meteen de toon: "in mijn hoofd spookt een zin" (p.4). Zo ontstaat nu eenmaal poëzie met zinnen als golven die aanzwellen, als een getij dat eeuwig komt en gaat "getooid met schelpen / het geluid van de baren." (p.5)

 

Poëzie is ontkiemen, zichzelf uitzuiveren, vaste vorm krijgen en uiteindelijk een metamorfose ondergaan, maar het is toch een eeuwig-beweeglijk-blijven. Alles palmt tenslotte de dichter in: hij kruipt in het spint van een boom, leeft in de muurtegels van zijn huis, wordt ouwe tak.

 

                        Ik was een boom

                        het begint mij pas te dagen,

                        deze morgen trok

                        mijn stam voor het eerst

                        wat krom, toch krommer

                        dan de dag voordien. (p.7)

 

Hij proeft de klanken, raapt "de scherven van  gisteren " (p.9) samen, put kracht en hartstocht, zelfs uit Bretoense mosseltjes. (p.10) Alles wordt aangereikt, alles dient de dichter want hij raakt de kern van alles, al weet hij dat het essentiële slechts bij de genade van omschrijving en verhulling lukt.

 

Zoveel moet hem van het hart, het moet uit zijn pen omdat de dichter zichzelf geneest, het blijft wel een "verzet tegen de zwaarte / van het schrijfpapier". (p.12)

Een gedicht voelt aan als een uiteindelijk aangespoeld zijn, desnoods "verdrinkend / in de kromming van een hals". (p.14) Erotiek zo zuiver als een ooge. In de poëzie van Rudi Lejaeghere steekt stevige natuurkracht en harde golfslag. De zee is bijna lijfelijk aanwezig bij onze West-Vlaming.

                       

Zoek mijn sporen

                        waar ik liep

                        waar op het zand gelopen is

                        verdwaald

                        maar niet verloren.

 

                        Tel mijn stappen

                        achterwaarts terug

                        wordt water in regressie.

                        Trek me uit mezelf

                        en leg het vasteland

                        weer in mijn handen.

 

                        Herken me

                        als ik morgen

                        gisteren vergeet

                        en een vreemdeling

                        in de spiegel ben. (p.16)


Telkens opnieuw spreekt de natuur hem aan. Deze hele wereld is teken: de dagpauwoog, grauwe ganzen, libellen in glazen vlucht, kraaien vliegen de kantjes van de avond af. Er zijn het hars en het hardhout van zijn ziel

 

                        Tekens liegen niet

                        net zomin als de ringen

                        die het hardhout van m'n ziel

                        beschrijven. (p.19)

 

En wat al stroming, golven, water, oevers spelen metaforisch mee in deze 38 gedichten van "Perpetuum Mobile"…."mijn oever, mijn nieuwe land/… …/ ik ken je als de lijnen in mijn hand / mijn toekomst, mijn hosanna in de hoge" (p.39).

 

Muziek hoort bijna vanzelfsprekend tot zijn leefwereld. Niet voor niets wordt op teksten van Rudi Lejaeghere gecomponeerd. De bas bestookt de slagen van zijn hart, hij voelt de warmte van de kopers, donkere stemmen kleven aan zijn ribben "als een oude verdriet" (p.17).

 

Als een perpetuum mobile kleuren de klanken zijn gedichten. Hij hoort kleuren: dat wordt muziek, dat is poëzie. Dit is een muzikale bundel, hij (de dichter) is zelfs klank tot in "het zachte roepen / onderaan de trap: / het ontbijt is klaar." (p.40)

 

Over heel deze poëziebundel gespreid, benadert hij alsmaar weer de genese, het ontstaan van poëzie dat zich fugatisch door het geheel vlecht.

 

                        Het is in mijn oor dat de kilte trilt

                        in een messcherpe letter

                        ik heb geen verweer meer tegen

                        ontklede zin

                        die als een pijl binnen dringt. (p.27)

 

Hoe authentiek verwoordt Rudi Lejaeghere zijn dichter-zijn: "Met de hartstocht van een vlinder / stort ik mij op woorden" (p.28).

 

Perpetuum Mobile, bijzonder mooi door De Distel (Brussel) uitgegeven, is een sterk debuut. Op de achterflap schrijft dichteres en uitgeefster Iris Van de Casteele terecht: "Ik mag dit soort dichters. Ze brengen telkens weer het bewijs dat er te goochelen valt met metaforen, en dat achter elk van deze een werkelijkheid schuilgaat".


Frans Fransaer
31 juli 2009






Hierboven één van de vele lofwoorden die Frans wijdde aan de dichtkunst.

 

 

NAWOORD

Precies vandaag, toen deze bijdragen klaar waren om op mijn webstek te laten plaatsen, krijgen we het ongelooflijk slechte nieuws dat onze dierbare vriend Frans dit weekend overleden is. Het is onvatbaar dat een zo prachtige mens het zo vroeg heeft moeten opgeven. Aan zijn familieleden, vrienden en kennissen betonen mijn man en ik ons diepste medeleven.
Moge het hoogstaande literaire oeuvre van Frans Fransaer eindelijk de plek krijgen die het méér dan verdient in onze Vlaamse Letteren, zodat het  in al onze bibliotheken terug te vinden zou zijn.  Dit is onze innigste wens.
Iris en Cacho Aguirre-Van de Casteele

Asunción, maandag 19 juli 2010