
v.l.n.r Cacho en Frans
Gedichten en beschouwingen van en door Frans Fransaer
Rose heette zij, ik was meteen
verIoren
gelijk de zeeman uit de 100
verzen van Maria Lécina.
Vanaf het dakterras van Twiga bar
stortte met sinksenkracht van een lawine
Cliff Richard's Jesus buitenaards en soul
uit de boxen van een hindoe pop-orkest.
Twee tickets. Twee maal zeven shilling.
De barman duisterde wat lampen in
ons hoekje
en onder duizend sterren vonden we
elkaar en telden boven 't guinness-glas
de twinkels in elkanders ogen.
Al was ik wel wat dronken,
ik herkende duidelijk de weg:
Dit is Swahili Street en
ginds is Bamboo bar.
Toen opende zij haar kriepend
poortje
in een achtertuin.
XXII
Een paar fauteuils, twee
tafeltjes,
pick-up, een klerenkorf naast
tweemans hemelbed.
Ik kleedde haar uit - zij mij -
en schonk haar wierige paarse roos
een boerestam.
Ik bleef de hele nacht, omhul-
de haar vanuit mijn borst,
mijn dijen, mijn geslacht.
Een muezzinplaat op de wijkmoskee
lalde monotone beden en vlieg-
tuigen stegen ver op Tanga Airport op,
zij brulden of ze over Roses huisje reden,
maar slechts van kinderstemmen op het
binnenkoertje ontwaakte zij.
Zij lachte aards een hagelwolk
van witte tanden bloot.
Het raakt je als een donderslag:
4 juni: om 22 uur aan boord.
Maar ook dat andere nieuws
sneert in de mess door iedere
zenuwknoop van ons.
De Esso Brussels is in New York
aangevaren. Dertien kameraden dood,
de toI van thanatos en thaIassa.
Toch kan ik na het avondeten
nog even onderdoor. Een docker
rilt van de malariakoorts,
ik geef hem twee dispriI, wat
ICI-tabletten en stap met
hem het motorbootje in,
spoed me naar Swahili Street,
de dwarsstraat nummer drie,
nu tweede huisje links,
de opgeschoten maïsplant, het
poortje met de grendel.
Rose, als een iepetakvlinder
freel.
Verweile doch. Onze naakte lijven
branden heet. Het eden is ons deel.
Scheiden is uit al je ogen, oren,
lippen, handen, voeten, lenden sterven.
‘De stuurman van wacht
verwittigen’
was er dreigend op mijn hut gespeld.
Een half uur later lichtten wjj
het anker.
Staande op het achterdek zie ik
de rode lichten van het postoffice
finaal en wreed verdwjjnen.
Koers pal noordwaarts, terug
Mombasa voor de laatste lading
koper, thee, katoen, sisal.
De tropennacht op zee geeft geen
geluiden vrij, tenzij de harde
mokerslag van de Mokaria.
Boven Tanga in het
halve duister
zie ik het zuiderkruis verschijnen.
XXV
De dagen worden weer
als ieder ander
en ieder etmaal wordt de foltering
in mijn gemoed een kwartslag weggeschroefd.
Werken is als zout en zalf op
wonden.
Een Sinksen wordt het zonder vuur
noch Geest
wel met schandalig vaak verhalen
en met standby's niet meer te tellen.
Van Caltexkaai naar hot en her,
van rotlabeur naar last.
Niemand is nog aan te spreken,
rebelse vragen spinnen zich boos-
aardig vast: varen wordt dat
labeuren voor slechts haaien overzee?
Morgenvroeg standby, opnieuw,
voor shiften naar kaai één.
Voor rnij geen zorg: ik hou
Mombasa voor bekeken,
ik blijf aan boord, zeg ik,
schrijf brieven of ik lees.
De bunkerpompen draaien.
Waar is Rose op dit feest?
XXI
De broeierigheid van gisteravond
is
geweken, de crew kreeg vrij,
Jack, de tweede, nam ons mee en
in Aruba Lodge bekwamen wij
van wel en wee. Welk overstelpend land
van edense valleien met bergkristal
en trage maraboes in baobabs.
Zelfs zagen we twee leeuwen.
We kwamen laat terug aan boord.
Duidelijk uitgeteld was ik en
elkeen
vroeg wat mij mankeerde.
Ik glipte weg van 't schip,
ging over Kilindini Road flaneren met
een soupeetje in een tentje hier of daar,
'k geloof La Fontanella.
Francis! hoorde ik almeteens
door-
heen een oerbos van bijeen-
getroste rode oleanders.
Ik keer me om en zie haar weer!
Een zesde, zevende hemel
zeeg genadig neer.
En toen vertelde Rose dat ‘t
tussen
Tanga en Mombasa zes uur bussen was.
Indien ik jou niet zag,
zo zei ze zacht,
trotte ik Mombasa en de haven af,
dit fotootje Francis from Belgium
bij de hand. En plots liep jij voorbij.
Ze lei haar kroezelkopje aan mijn
borst,
ik kuste haar, bestelde guinness,
proefde diep van ieder ogenblik.
Toen paste zij haar ring
op ieder van mijn vingers en
schoof hem teder rond mijn linkerpink.
Zienderogen schiet het
koffieladen op.
Ad valvas, in vuur en vlam
verneem ik dat ons schip nog
eenmaal Tanga doet voor nog-
maals honderd ton sisal in
Rose's stadje zonder kaai.
Ik snel naar haar,
ze gooit zich in rnijn armen in
Olém, antiek hotelletje
met uitzicht op de zee.
Bijbels werden wij één vlees.
13 juni. Al wist ik dit slechts
achteraf,
de eeuwigheid duurde nog drie dagen.
Wij laden dag en nacht maar
iedereen die vrij is, is op stap.
Ik vraag mijn baas of ik
om drie uur stoppen mag.
Hij weet en geeft en lacht,
mijn maat werkt wel voor twee.
Rose had me niet zo vroeg
verwacht.
Ik keek haar aan, erotisch
freel in gele paan.
Het werd een feest die nacht,
verdronken in elkaar.
Zij hulde zich in een katoenen
shuka
en volgde me tot op de straat.
De memel beet zich dodelijk vast:
indien mijn schip niet ankert,
indien het Tanga mist,
indien haar bus vertraging loopt
of niemand mag die dag aan wal...
Ze klemde zich aan mij als tweede
huid,
we zwegen angstig, niets was er
tenzij ‘t geschokte ritme van haar adem.
Zo, zei ik, tot morgen dan.
De wortels worden onbarmhartig
uit
de grond gescheurd.
Er is geen uitstel meer.
Wij kusten elkaar traag
maar droef en innig op de mond.
Middernacht werd het. En 14 juni!
zes uur in de morgen.
En middag. En ‘s avonds laat
lag de Mokaria nog te wachten
bij kaai één.
Ik ijsbeerde van voorkasteel
naar hekkelicht.
Twee kranen ploften nog Zairese
thee in ‘t voorste ruim. Urenlang al
stond de motor startensklaar.
Maar plots verscheen de loods,
sleepboten meerden aan.
Standby, klonk het brutaal
door ‘t hele schip.
We lagen tot
de plimsoll-merken
afgeladen en ik, de eerste stuurman
en mijn maat baadden fluks
in lauwe golven oceaan die
oversloegen. Wij rolden hevig.
Mombasa werd weldra slechts
witte gloed aan stuurboord achteraan.
XXXII
Tanga, 15 juni
dinsdagmorgen,
de ankerkettingen ratelen de crew
uit bed. Dus niemand kan aan wal.
Maar liefde zoekt haar sluwe
logika,
ik wou, ik moest naar Rose,
het fatum moest zich plooien.
Vleugels kreeg ik toen mijn baas
zijn hoogste, laatste zegen schonk.
Tot vier uur zelfs: maar wees op
tijd terug.
Een universum zong en floot jn
mij.
Derde straat, het
poortje bij de maïs-
plant en door de kieren zag ik haar
in wolken van een badhanddoek geknoopt.
Vrank waaierde het toverwoord
Geluk,
overdadig, onverdiend en buitensporig.
Wij dronken, aten, ademden,
dooraderden elkaar.
En mocht het nooit meer
wezen...
XXXIII
De ring was rond, gesloten.
Wij dansten huid aan huid,
onze verhitte naaktheid, black and white,
werd aandrift, baaierd en explosie.
lk nam haar hele ruimte in me op:
het hemelbed, de linnenmanden,
de reistas, het muskietennet.
Nooit kende ik een man als jij,
zei zij.
Nooit loeide ‘t vuur in
mij als hier, zei ik.
Wij praatten maar alsof
geen afscheid dreigde. Maar
almeteens was er het ijzeren hek,
het motorbootje bij de would-be kaai.
lk kuste haar en
wist: dit is het leven derven.
Vaarwel, adieu.
Adieu, vaarwel.
Zij bleef gekluisterd aan de
gate.
De ferry reet mijn ziel aan
scherven.
Uit de bundel: Motorschip Mokaria
Uitg. De Distel - Brussel - 1992
De boomgaard golft
kamillebloemengeel.
Arkadisch nest
waarin mijn schapen
langzaam grazen.
Ik adem traag
de voorschot aarde
die mijn Utopia
bewaarde
De oude vete
Als gras
dat groent
uit de gebarsten ruimte:
in haastig parelen
voorjaarsregen
op mijn lippen.
Nippen aan een klad eenden,
klein hoefblad
in ‘t goud aan de gracht.
Maar
onderhuids
de spanning
van een oude vete
Huiver
Ik voel te zeer de dorst
mijn leemhuis schragen.
Ik fok dit heimwee
omdat
voeten en handen en huid
verglijden,
omdat nazomer hokt
in mijn beurse bloed.
Een waas van hiaten
rijt dwars door mijn spoor.
Huiver
en hoop van alle jaren:
Woorden.
Panisch
Zandstenen
waaieren
gotisch hallucinant
mijn kanten gewelf bijeen.
Glasramenspots
spetteren
uit de rosacen
wolken grauwvuur
over mijn ongelovig hart.
Panisch
ontvlucht ik
het stof van mijn
schoeisel.
Testament
Liefsten,
net als Kleine Rudolf
hang
ik
aan de haak.
Hoe komt het over
voor het forum
aan de kaak?
Lak heb ik aan alle glorie.
Ik,
onwillige dienaar
Frans Villon Fransaer.
Uit de dichtbundel : Gebed zonder goed einde
uitgever: Yang Poëzie Reeks - 1983
Een avond
Een vierkant van sneeuw is de tuin
De appelboom aders gekromd
naar de aarde
wit gevangen de oude geluiden
de bron die haar oorsprong bewaart.
Diffuus
het licht van de noen
een hemel van grijzen
een vacuum eigengereid,
de pruimelaar armen die
een eeuwigheid wijzen.
Ena dilino... een avond, o een avond
de hunker versteend ingebed.
Het diepe pulseren
heel even besneeuwd
en schaakmat gezet.
Sirocco
Saharastof
op Vlaamse boerekool
op Vlaams asfalt
op daken van vergaan asbest
en Boomse klei.
Continentenver het goede nest
averechts op de siroccowind van oker
mijn neolitische dromen van honing
verholen, buitenste binnen.
Door mijn ontspoorde
en verkrampte zinnen
adem ik halsreikend
en astmatisch Afrika.
Pas nu ontwaakt in mij
de homo sapiens
de bosjesman.
Ik weet me berberkoning.
Rebels
Mijn tartend atavisme
trekt verdwaalde sporen
door de bedding
van mijn krap rebels bestaan.
Dit is mijn lot
niets dan mezelf te vinden
heidens en het hart in puin
in mij de duivels
en de engelen te ontbinden,
om dan als slot
tot zandmeelstof en
achteloos verstrooide asse
te vergaan.
De olmen kast
Wat wil je van vertedering
vertellen met vrome geluiden
van olmenhout, groen matglas
en met laden die wegen op
een lijfelijk verleden?
De oude muren ademen
de eiken tafel kriept.
Wat wil je kast?
De wekker tikt het plechtig
voor me uit.
Elan vital
In je merg
de prikkel van de oermaterie
die er tot appelbloesem
en tot duivelskruid beklijft.
Reikhalzend over duizendmaal
duizend jaren
niet eens een snik
in de bewustzijnsdroom.
Een enkele
keer
in overmoed
toch wijdere dan wijd.
Schaarhout
De tuin van ridderspoor
dieper nog dan blauw.
Uit alle kruidenboeken
openen zich geheime maren.
De wind vertaalt de vlinders
de wingerd en de varen.
De appelboom buigt door
genadig.
Nog zie ik aders leven
onder mijn verzengde aarde.
Mijn winterputten vullen zich
met helend water.
Zondagsachternoen
Het okeren strijklicht
laat de varens reseda vlammen.
In duizend spiegels
houdt de hulst
een stekelige zon gevangen.
Sergej Rachmaninov danst symfonisch
met pauken en triangels
zondagsachternoen
door de oudmodische hortensia’s.
Voorjaar
Leg de jammerklachten
van alle plouranten
in jou aan banden.
Kom over de brug
met koele woorden
van hagel en lucht
en alle elementen
van Mendelejev
en herken Antonio Vivaldi
in iedere kiezel
van je voorjaarstuin
Tuin (met calendula’s...)
Door een zomerwilde tuin gepaaid
met goudbloemenlicht doorröntgend
tot op de witte zwaluwbuiken toe
de aalbessen overzoet
maar aan een zijden draadje.
Een mateloze dag
die weegt van rijpend fruit
en vroege raven.
Hoe raakt de avond uitgelaaid?
FRANS FRANSAER
uit de bundel: ONDERDAK VINDEN
Uitgever: point - 1986
Berglander 1898 – 2002
Nu de zon vlijmscherp in mijn tuin
is verschenen,
sluipt, met gouden messen
het licht door de
kamperfoeliewikkels en
het gejumeleerde
raderwerk van
druivelaar met oude,
blauwe wingerd.
Het lentelemmer hakt
in op het mos,
verhakselt
voorjaarsboterbloemen en
toont zich ijzig
izegrimmig voor
de herhaalde
slakkenplagen na
drie sinistere
regenjaren.
Ook ik krijg een
jaap. Door mijn verste nerven.
Idem onze appelboom.
Fataal tot in
zijn taaiste spint.
Verdord, genadeloos gedood de weidse
dubbelkruin van ruim een eeuw.
Zelfs de meesjes tonen zich verweesd,
de mussen vluchtten, de buizerd
koos voorgoed het
hazenpad.
Nadat hij honderd
stormen samentelde,
crepeerde
hij, rechtop. Bijna euforisch.
uit
de dichtbundel: DISTELBLOEMEN
uitg. De Distel – Brussel 2002
Hierna laatste onuitgegeven gedichten van Frans
Fransaer
GEGIST BESTEK
Ik ben nu niets
dan vraag,
er is geen losse flodder
van een antwoord.
Ik vaar voortaan
alleen nog
op gegist bestek
PAROUSIA
Schrik niet meer
voor de ultieme klap
op je gebarsten ziel.
Ik heb het anker
reeds gelicht,
parousia naar
de laatste dag
WINTERHAIKU
(voor Iris)
De laatste appel
van mijn eigen gouden oogst
elke hap een kus
ALS HET ZOVER IS
Als het zover is,
leg mij dan af in het
eikenhouten bed waarin ik
met Driekoningen ben verwekt.
Trek mijn beste hemd
en mijn nieuwe pak aan,
doe mij de das om die ik slechts
met begrafenissen droeg.
Rijd mij dan de heuvel op en
plaats mij op de zwartmarmeren
plavuizen onder het
gotisch gewelf.
Zing het genadige requiem
en de oude modi.
Voer mij naar het in paradisum
van de vruchtbare Moorselse klei.
Dan word ik graag bijbels
aarde met de aarde.
Frans Fransaer, mei
2010
Toen ik in het voorjaar kennismaakte
met de poëzie van Iris Van de Casteele wist ik dat dit poëzie was die me
sterk aangreep omdat ze geschreven was als een ingehouden kreet. Tot in het Merg (1989), tast inderdaad door het merg, tot op het bot.
Dit is geen
vrijblijvende poëzie van lees en vergeet, nee, het Woord krijgt onmiddellijk
een geweldige, zij het ingetoomde kracht.
Ik keek dan ook
nieuwsgierig uit naar haar debuut Witte Silhouetten (1984), een bibliofiele
uitgave met 21 beklijvende gedichten bij 21 beklijvende tekeningen van André
Van Laere : een merkwaardig, treffend samengaan van woord en beeld. Meteen
wist ik : Iris Van de Casteele; een dichteres in hart en nieren, met een
dichterschap als gave en opgave.
ODE
Op 15 juni 1990 werd
in Westrand te Dilbeek Iris Van de Casteele' s derde bundel Emma
voorgesteld.
Emma is Iris'
grootmoeder die zijzelf evenwel nooit heeft gekend. Zelfs haar vader heeft dit
amper.
Emma's leven was één
drama: omwille van een zware postnatale depressie belandde ze in een
psychiatrische instelling. Het lot kan wreed zijn. (De mensen navenant.) Dit gegeven is onmisbaar om inzicht te krijgen in Iris
Van de Casteele' s bundel die je vanaf het openingsgedicht Grootmoeder
niet meer loslaat. EMMA is een hartstochtelijke ode aan de haast
onbekende grootmoeder, een weggewiste vrouw. Dit eerste gedicht fungeert als
een proloog, het staat er met een bezwerende functie : .../ met
lettertekens,/ bijna sacraal,/ haal ik u zwijgend/ uit het misdeelde licht/.
EMMA is tegelijk
ode en akte van eerherstel.
Er gaat een intense wijding uit van de
proloog. De dichteres zal haar grootmoeder
weer op haar plaats brengen. Thuis. In haar dorp. Zij geeft haar weer het licht
in haar 'meisjesblik' met veel te zachte mond'.
Via tegenstellingen
(oude vrouw met meisjesblik) en schokeffekten (uw versplinterd rijk) wordt de
tragiek heel sterk gesuggereerd.
GEKOOIDE STEM
De dertien gedichten
van de eerste cyclus (is het getal 13 opzettelijk gekozen?) laten ons het drama
bijna chronologisch op de voet volgen. Vrouw zijn is lijden. Emma zijn is
dubbel lijden.
'Weeën': Onmiddellijk worden wij ondergedompeld in de teneur
: een zwaar mineur. Niet voor niets vangt de eerste regel aan met de titel van
Iris' vorige bundel Tot in het Merg. Alles raakt alles. Het is één pijn
: 'haar stem gekooid voor eeuwen'.
Bevalling:
Dit gedicht is van
een grote, plastische schoonheid. Expressie-vol..../Nu lag ze schuin/ tegen
de wand/ diep in de stoof/ knetterde rood/ het vuur.
Een moeder ging
Doordesemd van een
fel verdriet. Boordevol herinneringen die anecdotisch geladen zijn.
De vader van de dichteres was geen tien toen
hij ...'zijn moeder weg zag gaan/ de wegels lagen toen/ vol snikheet zand/.
Heel gevoelig is hier
met grote literaire kunde een noodlotsdag gefixeerd.
Geel
Dit gedicht roept
weer schrijnende antithesen op: ./de levenden/ gaven haar levenslang/..
terwijl ze tussen de doden leefde.
Geschonden
Emma wordt als het
offerlam '.../geschroeid/ aan steen en vlam../'. Iris Van de Casteele's
poëzie raakt existentiële vezels: '.../ze
zwelgt en zwijgt'. Een onnoemelijke tragiek uitgedrukt met vier woordjes. Je moet het maar kunnen !
In blauw in geel
Het combineren van
kleur en toponiem in geel zijn dichterlijke vondsten die getuigen van gedegen
vakmanschap. Sfeervol gedicht waar de
winter niet deert, waar de wolken even wijken. Ik kan me niet van de
persoonlijke indruk ontdoen dat Vincent Van Gogh om het hoekje komt kijken.
Klein verweer
Overal barst weer de
pijn door de verzen.
'Soms neemt ze bij de
hand/ het een of ander kind/ de hare kent ze niet'!
Denkend aan
Onderdijke
Een teder gedicht vol
smekend heimwee maar ook met bitterheid geladen: ./ .. hoe in het ouderhuis/ onder de tafel treuren/ de poten van haar
stoel./.. Suggestieve
beeldspraak doortrokken van kracht.
De voedster
Een gedicht dat ons,
met het volgende Elders, in de prangende nostalgie gooit zoals
bij Denkend aan Onderdijke. Het sacrale spreekt
zich duidelijk uit.
En toch weet Iris Van
de Casteele de tragiek te onderscheppen door een soms relativerende, luchtige
toon. Nooit legt ze de ellende er vingerdik op.
Dit is poëzie met een
grote charme en warmte en met een gedegen evenwicht.
Bezoek en Haken
Weer wordt het heim
opgeroepen. Iemand liet in een bespreking (of wat er moest voor doorgaan) de
woorden vallen: 'eenvoudige en landelijk aandoende gedichten'. Niets is minder
waar ! Die eenvoud is slechts schijn : ieder gedicht ademt het drama.
De riek
Laatste gedicht uit
de eerste cyclus. Dit gedicht getuigt
van een hevigheid, een hartstocht die de agressie benadert ! Onmacht, woede
spreekt er uit. Dan 'plots steekt zij / hem diep/ in haar gewoonten'.
De riek - het werktuig - is ineens wapen geworden. Het versritme springt als in
een verbeten staccato. Vorm en inhoud gaan volkomen in elkaar op.
TOT ZE OPSTAAT
De zes gedichten van de tweede cyclus zou men psalmen
kunnen heten. Ze raken in ieder
geval heel sterk de menselijke existentie: het zijn en het niet zijn.
Zij zijn sacraal
geladen met een oer-religiositeit die het dichterschap overstijgt. Of neen, die
de dichter(es) tot ziener/zienster maakt, met macht over leven en dood.
De dichter die 'amen'
zegt, die bezegelt: het weze zo. Grootmoeder, ik maak je tot wolk, tot wier: ik
herleid je opnieuw tot de vier (her)scheppende elementen : lucht en aarde, vuur
en water.
Emma is. Zij
bestaat.
Iris Van de Casteele,
haar kleindochter, vormde haar opnieuw als met beitel en hamer, componeerde
haar naam en haar wezen opnieuw. Emma leeft opnieuw.
na hoger stijgen
raakt stof
uiteindelijk
grond
lichtjaren later
eeuwen nadien
neemt aarde het op
in haar schoot
diep in het water
wordt het gekoesterd
wordt het gewekt
een boom misschien
kruid of wier
een mens
een dier
Refereert Iris Van de
Casteele naar haar persoonlijke leefwereld in de eerste versregel van de eerste
cyclus (Tot in het merg), het slotgedicht sluit wonderwel aan bij deze
subjectieve betrokkenheid: 'Ik wil haar noemen/ teder als de iris.
Nomen est omen. Een naam is een voorteken.
Iris keert de rollen
om en benoemt nu zelf de grootmoeder. Normaal geeft de grootmoeder de naam.
EMMA=IRIS wonderlijk
atavatische naamverwisseling
De bundel EMMA is met
visionaire kracht geschreven en met grote tederheid verwoord. Dit is echte en
hoge poëzie. Tevens (op de nietjes na) met voortreffelijk vakmanschap, op bijna
bibliofiele, wijze door de drukkerij A. Van Hoestenberghe te Maldegem
uitgegeven.
Moge in dit Van
Gogh-jaar EMMA beklijven.
Frans Fransaer, 1990
OMHELS DEZE
BOOM van Iris Van de Casteele: is een 'huiveringwekkend'
eerlijke bundel: doorkorven zenuw, bijwijle geronnen bloed. En toch niet
deerniswekkend want daarom veel te fors geschreven, veel te krachtig en te
fier; geschreven met grote dichterlijke emotie.
'Een open wonde', jawel, maar wars van zelfbeklag. Dramatisch zoals
'Emma', schrijnend zoals 'Tot in het Merg'. Zij: trotse, schrijnende,
dramatische boom, de nerven bloot. Een bundel boordevol signalen voor wie
receptief is. Vol intense doorleefde momenten en vriendschap, met woorden van
warmte want 'teder de dichter'. 'Druppels Vivaldi' zijn deze
verzen.
Ze communiceren met bomen, vogels, ideeën, kosmos: de ontroering is
alom, door iedere verkilling heen. 'Onderhuids rillen', zeker, maar ook telkens
aanwezig de 'wachttijd voor een steeds uit te dagen bezwering'!
Frans
Fransaer - 1991
AMPLITUDES
De Distel, 1992
Amplitudes van Iris Van de Casteele heeft een andere tint, een
andere teneur dan haar vorige bundels. De beelden
zijn overwegend van licht, de geluiden in majeur. Een duidelijk ander
levensgevoel ligt beslist aan de basis.
Om even concreet te zijn. Beelden van licht: kleine vuurbol, zon in en over het
huis, roze gedachten, irissen in paars, levend wier, regenboog, zomervogels, wiegende
linde.
Heel optimistisch is deze onverwachte toets.
Geluiden in majeur: vuurwerk, blaasbalg in smidse, cicaden, tikkende klok,
wetten van zeisen, opzwepende tango, boomgeruis.
Toch blijft de vroegere weerbarstigheid en rebelsheid in het gedicht Verliefd:
Laat me
toveren vannacht / god als ik dat kan/ kan die lekkende kraan/
mij geen barst meer schelen../ / .../ als ik denk aan mijn lief / kriebelt heel
mijn gemoed / in mijn overmoed / wil ik poezen én wolken / én cactussen strelen /.
De barst 'tot in het merg' is niet ver weg, is soms zichtbaar, vb. p. 12 Emma,
p. 26 Bonsai. Ook is er de schreeuw in de keel midden papavers.
Algemene indruk: sterke bundel op enkele schoonheidsfoutjes na: de
verkleinwoorden eindigend op -tje.
Frans Fransaer - 1992
OMHELS DEZE BOOM
Iris Van de Casteele
KENNISMAKING MET EEN NIEUWE DICHTBUNDEL:
Sedert haar literair debuut in 1984 publiceerde Iris Van de Casteele een
merkwaardig oeuvre; een oeuvre dat je niet zomaar naast je neerlegt. Haar
gepubliceerd werk ligt hier chronologisch voor me uitgespreid:
WITTE SILHOUETTEN - 1984
(21 gedichten bij 21 tekeningen van André Van Laere)
TOT IN HET MERG - 1989
EMMA - 1990 (met de bibliofiele
uitgave van 1991)
OMHELS DEZE BOOM - november 1991 -
Alleen uiterlijk reeds zijn dit poëziebundels die getuigen van een verfijning
van vormgeving enig in zijn soort. Wat Iris publiceert moet áf zijn; moet
beantwoorden aan hoge esthetische eisen. Als boek eist zij dat het parels zijn.
De inhoud breekt zij als vleesgeworden brood, biedt zij aan als bloedgeworden
wijn...
DE POËZIETUIN
Sedert 1989 cultiveert zij haar literaire tuin in Vrij Maldegem; een
moedige, graag gelezen, wekelijkse, literaire bijdrage in Albert Van Hoestenberghes
weekblad, dat duizenden abonnees telt en verspreid wordt ten dele in Oost-
West- en Zeeuws-Vlaanderen. Welk een dankbaar forum biedt zij aan voor mensen
die met taal begaan zijn! Rad van tong en rad met de pen houdt deze Adegemse
redactrice, die in het Brabantse Asse woont, niet op te stimuleren, aan te
moedigen, zich in te zetten voor jonge en oudere dichters en dichteressen, voor
bekende en onbekende literatoren.
Bovendien gewaardigt zij zich een hak te zetten tegen de geblaseerden, de huik-naar-de-wind-hangers,
de gearriveerden die neerkijken uit hun ivoren toren(tje). Moedig streeft zij
via De Poëzietuin, en via haar eigen poëzie en proza, naar een betere wereld
want poëzie en het Woord raken ons gehele menselijk bestel.
Haar veeltaligheid en haar enorme intuïtie voor het gave woord en de gave,
zuivere mens, lieten een reeks vertalingen ontstaan uit het Spaans, het Duits,
het Frans en zelfs uit het Russisch. De Nederlander Pieter A.Kuyk vertaalde zij
in de bloemlezing "Poèmes- Gedichten". Hoopvol kijken wij uit naar
een novelle van haar over Zuid-Amerika. Haast moeiteloos welt bij haar het
woord, de poëtische bron. Wat al gedichten schreef ze reeds zonder aan uitgeven
te denken! Ooit moet zij deze rijke woordenstroom eens aftakken naar een
verzameld werk dat zich over meer dan drie decennia uitstrekt. En wanneer komt
er een bundeling Poëzietuintjes?
DE MET BLAUWZUUR VERSNEDEN ADEM VAN DE DICHTER:
HOE EEN DICHTERES OMHELST EN WIL OMHELSD WORDEN
De gedichtenbundel Omhels deze Boom verscheen precies op Iris Van de
Casteele's zestigste verjaardag. Velen uit het Maldegemse zullen zich nog die
puikgeslaagde poëzieavond in een interview met Patrick Vermeer, op 23 november
1991, in zaal Edelweiss herinneren, waar Iris' bundel voorgesteld werd samen
met het jongste werk van Denijs Van Killegem en dat van Maria Sesselle. Voor
Iris was dit geenszins het afsluiten van een periode. Integendeel, meer dan
ooit bloeit haar poëtisch talent open, nog intenser peilt zij naar menselijke
diepten en dichterlijke gaafheid.
Trefzeker weet zij in haar laatste bundel iedere overtolligheid uit haar werk
te weren, tot het essentiële beklijft en indringend aanslaat. De titel Omhels deze Boomstaat niet voor niets.
De aangrijpende afbeelding op de titelbladzijde liegt er niet om: wat ooit
boomstronk was is via een boomlijke veredeling meteen tot menselijke essentie
geworden; is tot 'poésie pure' herleid. Jammer dat de herkomst van dit
door natuurlijke erosie gevormde kunstwerk ontbreekt, al bevindt het Franse
copyright ervan zich bij de dichteres. (Een tip alvast voor hopelijk hernieuwde
druk).
Omhels deze boom wordt een omhels dit existentiële torsskelet, omhels
deze mens, omhels dit gesublimeerde, dramatische leven! De 39 gedichten zijn
opgedeeld in vier cycli; met telkens een uitgekiend adagium van zorgvuldig
gekozen auteurs: twee Vlamingen en twee buitenlanders. Als Vlamingen Christina Guirlande en Denijs Van Killegem.
Als buitenlanders de Uruguayaanse dichteres Juana de Ibarbourou en de Italiaan
Cesare Pavese: Twee vrouwen. Twee mannen. Compleet evenwicht!
OPEN WONDE
Het gewond zijn/worden is een vast thema in de poëzie van Iris Van de Casteele:
de symbolische snerkende wonde overstijgt de persoonlijke snerpende wonde: het
gewond-zijn omhelst de gehele naamloze mensheid. Het omvat de hele natuur als een barenswee naar
dieper, (h)echter leven: "tot in de wortels/ het worgen/ het vlijmscherp
verdriet/ hout kan niet spreken/ wat zich kromt/ heeft geen naam../".
Zoals berkenwijn die ontstaat uit de ingekerfde wonde van de boom, zo is de
dichteres, zo is de vrouw: "inkerving en wonde/... in haar hoofd / breken
ontelbare kruiken/". Soms is er de verdoving na de knal uit het diepste
duister, een loden ster die op het hoofd bonkt, de adem die als afgesneden
wordt.. ".../ vannacht wordt mijn adem/ met blauwzuur versneden../".
De symbolen die de dichteres gebruikt kerven door merg en been: kerven
doorheen leegte, hulpeloosheid, nostalgie. Zij schrijnen als stikzwam, als
wortels die huiveren... "hoe zij ook lachen/ of huilen/ de wortels/ nooit
zullen zij anders/ dan onder de aarde/ de wolken bezitten/ nooit erin
schuilen". Gegeseld: wat weten bomen van storm? Gegeseld: wat weten wij
omtrent onze diepste vragen en onze felste angsten? Want "mensen gaan en
komen/ leeggeroofd". En dan staat daar plots in al zijn schrijnende scherpte zoals op de
voorpagina:
Skelet
Tot op het naakt
gegeseld
de hals een touw
het strottenhoofd
een knal
tot op het bot
bezeerd
verteerd
de nerven bloot
diep in zijn hout
leeft hij zijn dood
bijna volmaakt
is de boom
Dit overrompelende gedicht is volmaakt in zijn zeggingskracht. Het is áf in
zijn bondigheid; gave, opgave en overgave voor ons, mensen, voor haar:
SKELET: ONS ZELFPORTRET!
INTERVAL
Als in een heilig getal 7 brengt zij zeven gedichten samen onder het motto van
de door Iris zo geliefde Zuid-Amerikaanse dichteres Juana de Ibarbourou:
Nu bezit ik de dood.
Zonder stem, zonder ogen.
Zonder reuk noch gezicht.
Wie Zuid-Amerika kent weet hoe levensdrift en levensdrama samenvloeien.
En Iris Van de Casteele
ként Zuid-Amerika door haar reizen en door haar echtgenoot Cacho Aguirre, een
begaafde, fijnbesnaarde Uruguayaanse harpspeler en gitarist. Deze tierra querida; dit land en deze mensen waar zij
van houdt, hoe bezingt zij dat alles als in een droom: ze zong het zacht/ als
een boomloze/ stervende vogel".
Wij die leven in ons vetgemeste, arrogante lage land van mist en mest, weet:
"het mes is nakend"... Hoe anders het "denderend avondmaal"
van slechts brood en wijn, dit existentiële tafereel van hevig leven en van
ware nood. Hoe hunkert de dichteres naar eenvoud, naar tederheid,
medemenselijkheid; een waarachtig land om in te leven! Hoe eet ze haar
dagelijks brood:
ik maal de korrels fijn
van
mijn voedsel is
verbloemde
resten van geweld
gegist tot brood/...
Dit is zuivere, eerlijke poëzie. Hoe tragisch deze verzen in se ook mogen wezen
nooit zijn ze deerniswekkend. Immers, ontstaan vanuit een sterke, forse emotie
overstijgen ze de pijn. Een open wonde? Jawel, maar wars van zelfbeklag. Zoals
Zuid-Amerika zelf.
Omhels deze Boom is lezend door de dichteres omhelsd worden, is op
tedere wijze haar wederkerig... omhelzen. Haar poëzie? ... een gesublimeerde
vorm van leven en liefhebben.
GEZICHTEN
In deze derde cyclus met twaalf gedichten toont Iris Van de Casteele haar
warme, menselijke gedrevenheid; haar immense mensenliefde. En hoe voelt zij,
die zo van Zuid-Amerika houdt, zich ondanks alles verbonden met haar Vlaamse
geboortestreek die ze als een reliek oproept en koestert:
eind januari
langs
de dijk gegaan
om te zien
of de berk er nog stond
dit jaar was het anders
geen scherpe oostenwind blies
geen schelp lag verweesd
in het poldergebied /...
Heel wat eenvoudigen, dichters, schrijvers, mensen die zich inzetten voor een betere
wereld, roept zij op uit de grijsheid van de anonimiteit waarin onze TV-wereld
ze verdonkeremaant. Ze helpt en bevrijdt waar ze helpen en bevrijden kan. De
dichter? Teder noemt ze hem "teder de dichter/ in ijskoude kleren".
Drie puntjes, het beletselteken in een brief: het worden bij haar drie kleine
kiezels, opgepoetst tot druppels Vivaldi.
En hoe zou Vincent Van Gogh ontbreken kunnen in "Omhels deze Boom"?
Vincent, dat zoveelste gebed zonder goed einde, balancerend tussen "weten
en waan". Steeds heeft Iris een hart voor hen die streven naar een humaner
wereld, zij vormen een netwerk over deze wereld, weze dit die kleine wereld van
enkelingen die sjouwen en slepen en diep in zich als eelt het leed van
miljoenen voelen knagen, weze het de verstilde naturen die in schoonheid en
eerlijkheid hunkeren naar een andere wereld dan de voorgeschotelde Nieuwe
(H)orde van macht, geld, en cynische arrogantie.
Voor de dichteres
bestaan zoveel tastbare signalen van dienstbaarheid, vriendschap, tederheid.
Noem dit humanisme, noem dit socialisme, ecologisme, noem dit je reinste
evangelie! Laten wij als
bomen wuiven, als bronnen klateren, ondanks navrante, hopeloze doods- en
Jobstijdingen want er valt altijd ergens en voor iedereen een hemelse harptoon
te beluisteren. Soms is de mens het opgejaagd dier: "zo staat hij daar/ de
voeten vastgenageld/ de ogen uitgekeken/ op alles wat beweegt/ een mens".
Er is ook de mens in zijn totale verstilling: "zonder adem geschreven/
gegeven aan vogels/ al wat ik ben/... ": De dichteres die in volledige
afzondering de medemens het hoogste schenkt wat ze bezit: het pas voltooide
gedicht:" ...dunner dan lucht / hier gezeten / stilte geworden / warmte
verzameld / voor jou uitgezocht / dit gedicht". In onze luidruchtige, afstompende
wereld kan slechts de stilte écht bevrijden. Stilte: een
geweldige boodschap!
MATRIARCHAAL
De vierde cyclus wordt ingeleid met de woorden van Cesare Pavese: een
moeder...te weten en te voelen hoe je verbrandt/ en die ogen die naar het vuur
staren/. De dichteres ziet haar moeder als kruin en zichzelf als tak van die
kruin van één en dezelfde boom. Ze is "tak en vlam van haar (moeders)
weerbarstig hout". Zelf kent, weet en ervaart ze haar trotse maar tragische perspectief:
zien hoe de kruin
zich
verzet
hoe de tak zich herkent
in aangemaakt vuur
Bomen! Als moeders. Als vrouwen..: "Wat mij ontroert / zijn de wortels/
hopen/ verstrengelde knopen/...". Maar steeds slaat de verkilling toe, hoe
kan het anders in dit onbarmhartige, verloederend leven dat wij in dit land van
ons t' allenkante ontwaren en dat ons verstikken wil: "soms willen zijn
/naakt als een boom/ niets dan skelet/…” Onderhuids rillen, beslist, maar niet
zonder verwachting.
Telkens blijven Iris Van de Casteele's woorden 'druppels Vivaldi' die
communiceren met vogels, met bomen, met schelpen, met hout, met sneeuwklokjes,
met vuur...
Een niet altijd te torsen spanning maar toch telkens een uit te dagen
bezwering.
Moge deze prachtige bundel ruime weerklank vinden.
Frans Fransaer (Driekoningenavond 1992)
Omhels deze Boom: uitgever: De Distel
HEIDENS HEILIG
De nieuwste dichtbundel 'Heidens heilig' van Iris van de Casteele
is een prachtige heidense psalm geworden.
Weer een genese, zoals haar ander werk, ontstaan vanuit diepe diepten. Met
krachtige symbooltaal die vele lagen bevat.
En welluidend is. En sacraal erotisch. Gelijk de oude mythen dat waren.
Een grote ode. Zoals die van Neruda, Elytis, of Ritsos. Of van zovele die we
niet kennen, maar die elk op hun manier het scheppingsverhaal zeggen,
vulkanisch exploderen desnoods. Zo ontstaat telkens een dubbele kracht.
'Genitaal' bv. is schitterend: één van de schoonste, erotische verzen
die ik ken in de literatuur. Er is die seksuele kracht, maar de gloed van het
gedicht trekt het open naar iedere schepping: telkens weer 'scheurt het
wier'.
Frans Fransaer - 1993
(voor Frans Fransaer)
Soms waait een brief mijn kamer
binnen
en ik bevroed dat hij bevat meer dan wat
lettertekens. Meer dan wat inkt.
Alsof ik weet wat me te wachten
staat
vouw ik hem langzaam open, gezeten
op de plek die ik haast heilig noem.
Ik vouw hem open en ruik en zie hoe
wierook zich verspreidt, zich hecht
aan
wat mijn huis te bieden heeft,
dingen
die niemand ziet, die niemands oog
verblinden: warmte, genegenheid,
en veel geborgenheid.
Op tafel staat een bos gedroogde
rozen.
Een man was hier. 't Is al een
tijdje her.
Las hij 'in blauw in geel'?
Wie schonk ooit
eerder gele rozen zomaar aan een
vriendin,
een vrouw, die van haar verzen
leeft.
De brief ligt in mijn schoot als in
een
schrijn. De wonde van een mens heeft zich
geënt op mij. Zijn deernis lijkt op brood,
een blanke hostie, die niemand proeft
tenzij diegenen die zichzelve geven, een
ziel vertroostend bij parelende wijn.
Ik vouw de brief weer dicht. Ik
sluit het
schrijn. De plek waar ik vertoef
verlatend
laat ik dit teken na: een heidens
vuur.
Het hout is aangestoken. Heel traag voltooit
de vlam haar knisperend gebed.
Iris Van de Casteele
20 juni 1993
EEN STAKETSEL VAN
HERINNERINGEN
In een driemaandelijks tijdschrift las ik
herhaaldelijk gedichten van Adebru, verzen die me op een aparte wijze
boeiden: het thema was meestal tijdsgebonden, de literaire verwoording nooit banaal.
Telkens dacht ik: ik moet bij de redactie navraag doen wie Adebru wel
wezen mag
Herinneringen
Nu alles voorbij is
stof ik vandaag
de herinneringen af
van gisteren
al zijn ze beduimeld
handen door herfsttijd
gerimpeld
toch blijven ze een zegen:
een hoogdag voor morgen
Onlangs kreeg ik een telefoon van een dame: 'dat ze
poëzie schreef en of ik haar werk eens lezen wou'. Ze gaf me haar adres en op
17 oktober stond ik in de Aalsterse Oude Gentbaan voor haar huis. Het werd een hartelijke
kennismaking en bij de koffie gaf ze me een pak gedichten. Ik begon te lezen.
Als vreemden
Zo stonden ze
tegenover elkaar
als vreemden
de tijd maakt week wat
hardvochtig is
en zo begon het leven
gebouwd op liefde geven
de jaren plooiden
de dagen
een voor een.
Later heb ik ze ontvouwd.
Ondertekend: Adebru. Meteen was het raadsel
opgelost. Adebru = Agnes De Bruyn. Een prachtige verrassing. Nog méér
verbaasd was ik toen ze me stapels keurig uitgetypte gedichten in ringmappen
overhandigde. Hoe komt iemand ertoe totaal incognito en jarenlang zo'n
omvangrijk werk bijeen te schrijven? Agnes De Bruyn vertelde me dat ze al vele
jaren schreef maar dat na het overlijden van haar man de behoefte tot schrijven
een bijna dagelijkse noodzaak en gewoonte werd. Aldus groeiden haar gedichten
uit tot een enorme collectie poëtische reflexies op het dagelijks leven.
Al bladerend door de verzameling verzen uit 1995
groeide mijn belangstelling. Ik nam de bundel gedichten, ontstaan tussen
nieuwjaar en 27 mei van dit jaar, mee naar huis en het werd nacht voor ik de
map met 155 gedichten sloot.
Haar thema's handelen over leven en dood, over geluk
en het menselijk tekort. Een vrouw op rijpe leeftijd die veel voor bekeken
houdt maar iedere keer hoop put uit elke nieuwe dag. Hoop en geloof in het
leven zijn haar vaste kernen waaruit zij leeft en schrijft. Groei naar harmonie
tussen mens en natuur, standvastigheid in de eenvoudig menselijke verhoudingen
groeiend vanuit een warm, gaaf gemoed en een gezond verstand.
Vandaag de laatste
kruimels dromen
in mijn handpalm
vastgehouden
vandaag krisanten
planten
voor morgen
vandaag nog even
de adem voelen
van geluk
en verder gaan
tot waar de horizon
de wegen snijdt.
Het leven
een kruiswoordraadsel
dat men tracht
nauwkeurig in te vullen
al blijven er steeds
blancoruitjes nog onaangeroerd.
Ze overschouwt de dagen zoals ze komen, soms met
weemoed maar altijd met een vast geloof in morgen, ondanks vandaag. Toch moet
men met de waakvlam van genegenheid niet te kwistig omspringen, meent zij :
Spaar de waakvlam
van genegenheid
voor momenten
van ondwingbare eenzaamheid
bescherm dat frele licht
het geeft klaarte
aan je eigen intuïtie
voor nu en voor morgen.
Soms slaan eenzaamheid en ontgoocheling wel hard toe:
Er valt niets te winnen
Er valt niets te winnen
maar ook niets te verliezen
de hemel is nog even blauw
als toen
de maan nog even schalks
de stilte zo fluisterend als voorheen
alleen het vertrouwen is geschonden
de hoekstenen ontbonden.
Pure begoocheling
gleed aan het azuur
voorbij
de kring van vriendschap
was te eng
en barstte
tijden drukken een stempel
er staan letters gegrift
die nimmer worden uitgewist.
DE KNOOP VAN ELK GELUK
Eenvoudige, gemeende hartelijkheid en vriendschap zijn
haar heilig, zij weet waar de knoop van het geluk ontstaat. Het woord geluk is
in haar verzen stevig onderbouwd. Zij gaat over geen nacht ijs maar legt
behoedzaam de hoekstenen voor een aan familie en vrienden toegewijd bestaan.
Dit weet ze beslist: "In de schaduw van gisteren/ groeien de
vergeet-me-nietjes van vandaag."
De tijd was jong
nog pril de offergaven
woorden waren overbodig
en tussen d'eerste rozen
groeide het geluk
alleen zich samen weten
was genoeg.
Een portie wilskracht
bedroppen met enkele druppels
godendrank
bestrooien met standvastigheid
op een zacht vuur laten sudderen
enkele blaadjes zelfvertrouwen
toevoegen goed mengen
laten afkoelen
koud serveren
bevordert de glimlach
in al zijn facetten.
JAARKRING
De jaarkring ontgaat haar niet, zij leeft dicht bij
moeder aarde. De kleuren die vaak terugkeren zijn dan ook groen, hemelsblauw en
goudgeel : kleurentaal van geloof en hoop. Maar ook soms grijs. De dichteres
weet: "Tijden trekken andere kleren aan/ zoals het leven". Of
gelijk de seizoenen. Mensen, steden en landen boeien haar. Ze is een fervent
reiziger:
In een grijsgesloten hemel
wordt de dag geboren
de zon bij verstek
is achterdochtig
achter het huis
een groene grasmat
wakende ganzen
een vroege zaterdag
gebouwd op een staketsel
van herinneringen.
Er woei een lentebries
stroomopwaarts
en maakte dunne kringetjes
over het watervlak
men kon de sfeer opsnuiven
tussen Palmzondag en Pasen
een beetje droomverloren
tussen hemel en aarde
het lentelover
ontfermde zich over de
kabbelende grachten in Amiens.
Agnes De Bruyn kent de genezende waarde van het woord,
daarom ook schrijft ze dag na dag met grote standvastigheid haar leven samen,
soms met plotse invallen of met puntige gezegden die als vrolijke noten
aforisch door haar werk lopen. Moge ze blijven geloven in de waarde en de
kracht van haar boeiend poëtisch dagboek.
Frans Fransaer
15 november
1995
"LANGE
WINTERAVONDEN SPREKEN BOEKDELEN"
Niet op een winteravond maar op een bijna subtropische
dag in oktober kreeg ik een helgroene ringmap in de handen gestopt. Daarin een dik
pak keurig uitgetypte gedichten. Bladspiegel die van een uitgesproken estheet.
Titelpagina: Lange Winteravonden spreken Boekdelen. Gedichten. Adolf
De Candt. Mij onbekend. Hij is van Maldegem, kreeg ik als toegift en hij
moet rond de 70 zijn.
Ik begon te lezen, tot 's nachts. Vanaf het eerste
gedicht 't Oud huis wist ik: dit is een waarachter dichter! Ik heb de
bundel met 89 gedichten in één adem uitgelezen, verbaasd dat Adolf De Candt nog
nooit publiceerde. Iemand die zo schitterend de pen hanteert, iemand die je
vanaf het eerste vers aanspreekt en je niet meer loslaat: zoek dat maar in deze
lettergekke wereld van poseurs en tafelspringers.
De pöezie van De Candt treft
ogenblikkelijk door zijn gave schoonheid, zijn rijkdom van taal, zijn
onderkoelde emotie en hedendaags levensgevoel met diep verzwegen nostalgie. Dit
moet een man zijn van beschaving, met grote eruditie: ik herken zijn innerlijk
portret
't Oud huis
De bel rinkelde, de deuren piepten en de trap kraakte
in 't requiem met koorzang van bekende geluiden.
Zo gauw impromptu dook het daar op in de blokkedoos
van mijn geheugen : het huis van toen met alles
en allen erom en erin.
De grote blauwstenen tegels van de gang achtervolgden
me vrolijk klakkend tot in de keuken met haar
gezellige buizestoof.
De salon-suite met piano en open haard.
Mijn hart klopte aan, doch
allen zijn op reis.
ORIGINEEL
De Candt bekijkt de wereld op een eigen wijze met
genadig oog voor plastische schoonheid. gevolg: een grote authenticiteit van
taal. In de vroege morgen "schiet de vrieslucht met scherp",
"Rijen populieren escorteren hun dreven...”
In de vroege vrieslucht
Vanuit 't oosten schiet de vrieslucht met scherp.
De dag klinkt hard onder de zolen van mijn wandelen.
Dun bevroren plasjes begeven het met 't geluid
van gebroken glas.
Rijen populieren escorteren hun dreven
in een eindeloze winterse verlorenheid.
Alle schijn is afgeworpen
tot op ’t laatste blad.
't Dak van mijn huis lijkt opgebouwd
uit peperkoek met witte suiker :
maar de koffie geurt er warm
en de boter laat zich smeren.
Doorheen heel zijn bundel duikt deze originele
beeldentaal op. Hoe hij zelf poëzie beschouwt?
.../...
Grijpend waarnemen dat te zien heeft met
poëzie : het opnemen in een wolk sepia
van alles wat je opvallend benadert
vanuit de cyclus van 't alledaagse. (Als octopus)
Châteauneuf-du-Pape
Het zoenoffer
bloedt zich uit
in de glazen.
De kristallen
offerande belletjes
klingelen op de maat der wensen.
Met overgave
vervult het gehemelte
zijn aardse zending.
Negen beaufort aan de kust
Een nijdige zee
beet en maalde krijt
tussen haar tanden
aanrollende golven
witschuimend geweld
op en neergaand frontlijn
in niemandsland.
SCHERP ANALITICUS
Met grote zeggingskracht analyseert De Candt zijn eigen
rijk gemoed. Hij is een man bij wie "alle startblokken/ staan bezet".
Pegasos, het gevleugelde paard, haalt het op een loom laisser-aller. Poëzie is
vaak een " oude remedie tegen spleen".
Loom
Moe "laisser-aller" dat uitweg zoekt,
er geen vindt, zich ophoopt tot een
gemis dat geen vragen stelt, enkel
daar is met zijn volle gewicht.
Zwaar doorweegt op mijn denkvermogen,
ontlopen uit de toom van alle wenken,
langs paden van een ordeloos gemoed.
Stal met volgepropte kribben
doch voedsel dat niet smaakt.
'k Stuif beter in open lucht
zo ook pegasos in mij.
Zijn verzen hebben geen rijmschema's nodig, de ideeën
hollen elkander achterna, vaak tot een spits en puntig relativerend slotvers..../
maar aan het/ sterfhuis van mijn verwachtingen/ hangt de vlag halfstok. (In
het voerspoor van mijn verwachtingen)
Analyseert De Candt zichzelve binnenste buiten, hij
heeft een pak op de dingen en op zijn tijd, want "geen opstandigheid
afgeleerd, geen muiterij /afgenomen: maar schoon schip gemaakt.".
Prangend is De Candt in het genre haiku. Een haiku
geeft in drie regels van 5,7,5 lettergrepen een intense ervaring weer.
1.
Vergeelde blaren
doden de tijd met wachten
op hun afsterven
2.
Hiroschima: proef
op de som bij 't eureka
van 't atoomtijdperk
De tegenstelling is een graag gebruikte stijlvorm in
zijn gedichten. Soms kort en heftig zoals in :
Kort gedicht
Geluk
najagen,
kemels
schieten.
In het gedicht ''Oude kerkmuur bij valavond tegen
november" wordt het deemsteren uitgesponnen tot een prachtig
geschilderd clair-obscur:
Als sluitstuk op najaarsvertoon, legt de
dag, op d'oude kerkmuur, schroomvallig de laatste
hand aan zijn tedere valavondkleuren.
Met subtiele clair-obscur schakeringen onderlijnt
het tanende licht de pracht van de flamboyante
gotiek.
Rijzige in lood gevatte glasramen fungeren als
pseudo-lichtopslorpende zwarte gaten in dit
heel en al van hemelse betrachtingen
boven arduinen grafplaten als
pleisters op oude wonden.
GAAF
Zijn puntigheid, het ciseleren van de taal, de grote
scheppingskracht waarmee hij zijn themata aanpakt roepen een volleerd
woordkunstenaar op. Of het nu een oude linde betreft, een jonge vrouw op hoge
hakken, een bos op zijn retour in december, de Polderroute, een zeilrace, een
autoloze zondag of een avonddialoog, De Candt evoceert telkens met groot
talent.
Het huis
bloedde tranen
van spijt.
De tijd
ging eraan voorbij
zonder aan te kloppen.
Sporen lieten
diepe grieven
achter.
Het verwijt
was dit van
lange nachten.
De opstand
kwam uiteindelijk
tot stilstand.
Beide partijen
hebben het verdrag
ondertekend.
Wie gedichten van een gave schoonheid schrijft als
"Spijt en tijd" getuigt van een intense taalvirtuositeit. De naam
Adolf De Candt is een revelatie. Wie vertelde mij dat hij juwelier was?
Dag Germain,
(Droogenbroodt)
Na dit 'lieve Iris Van de Casteele' op mijn beurt dan
jouw naam geschreven. Droogenbroodt. Wat prachtig.
Alles wat met brood in verhouding staat boeit mij. De 'impresos' heb ik ook
goed ontvangen waarvoor hartelijk dank.
Het doet mij plezier dat je de bespreking van "Onderdak Vinden"
van Frans Fransaer goed vond. Het is een
geweldige bundel. De laatste jaren heb ik
er geen enkele gelezen van deze hoogstaande kwaliteit. Als dichter én schrijver is hij hét summum. Point heeft een zeer goede vangst gedaan (als
ik het mag uitdrukken in de volkstaal).
Ik
leerde hem kennen een paar maanden geleden toen hij een proef-nummer van "De
Poëzietuin" aanvroeg. Sindsdien
wisselen we geregeld brieven. Een zeer boeiende persoonlijkheid. Als mens is
hij zeer waarachtig.
Ik bespreek de bundels onder I.Marcy (Iris Maria Cyrilla). Ik doe het zeer
oprecht, ook bij degenen die nog een heel eind van 'hét hoger kunnen'
verwijderd zijn. Wat telt is de oprechtheid waarmee elke dichter zijn verzen
schrijft.
Jouw bundel vind ik goed. Wat mij enigszins stoort zijn de vele verwijzingen
van reizen, plaatsen , gebeurtenissen enzomeer. Het neemt veel van de sterkte
weg van de gedichten zo bvb. het sublieme gedicht "Binding". Waren
"alleen naar het buitenland + de opdracht weggelaten" dan stond het
sterk op zijn 'poten'. Dan zou het zijn: niet te overtreffen.
Mag ik ? Mag ik niet ?
Ik kan ook wel de mond houden als het moet. Dit is geen bespreking wel een
brief. Welkom of niet? In de bundel "Veertig aan de Wand" vind
ik veel goede gedichten. Ook in de losse nummers. Ja, je hebt het. Maar beter ware het
de aanwijzingen weg te laten. Nu dwing je de lezer in een keurslijf. Hij heeft
graag een beetje vrijheid. Ik schrijf je dit omdat je een ware dichter bent en
omdat niemand waarschijnlijk jou durft op een paar kleine tekortkomingen
wijzen. Naar de mond praten daar zijn jij noch ik mee gediend, nietwaar!
Ik wens je alvast proficiat met de vertalingen. Mooie
gedichten zijn deze van dame Teresa Pasqual.
Ook ik vertaalde ooit het een en het ander en schrijf
af en toe rechtstreeks in andere talen (mijn beroep: vertaalster en free-lance
journaliste). Ik ben druk bezig met de Uruguayaanse
dichteres Juana de Ibarbourou uit de vergeethoek te halen. Een groot deel van haar oeuvre heb ik reeds vertaald.
Ongelooflijk hoe vlug deze grote dichteres vergeten wordt. Bij haar verzinkt
Mistral in het niets (volgens mij). Mistral lijkt me een echte bourgeoise, ze
mist het kernachtige. Het leed, de échte
pijn. Mijn man is Uruguayaan, daarbij
komen nog de vele reizen (en avonturen) waarbij ik heel wat heb opgestoken over
Zuidamerika.
Wat gebeurt er met POINT? Ik belde wel tien keer op
doch kreeg steeds een verkeerd antwoord en niets van uitleg. Nochtans schijnt
het telefoonnummer niet veranderd te zijn. Is er op dit nummer nu een
verzendingsfirma? Ja, Germain, ik zit bij vzw Dilbeekse Cahiers. Het is er
ongewoon druk. Vanwaar komen al die "dichters". Wellicht pak ik het
later op mijn eigen manier aan of begin ik gewoon alleen aan iets waar
kwaliteit op de voorgrond staat. Kwantiteit
(vrienden, eten, enz.) ligt me niet.
De Poëzietuin floreert goed. Ik heb hem helemaal
alleen omgespit. Nu komen de planters
en de zaaiers.
Wekelijks. Er valt heel wat te schrijven want afgezien
van Denijs Van Killegem, die af en toe zeer mooie bijdragen aflevert, moet ik
het alleen zien te rooien. Ik breng zeker
iets over jouw bundel. Laat mij maar doen.
Wat vind ik dat spijtig dat ik niet in de bloemlezing
van Vlaamse dichters zal opgenomen worden. Doodjammer. En dan nog wel in het
Catalaans, een taal die me boeit. Ik hoop dat je Fransaer niet vergeten bent.
Hij had me reeds verteld dat de uitgave er zou komen; dat je ermee bezig was.
Ik
was niet zo onbescheiden je één mijner gedichten op te sturen en ik heb een
afkeer van bedelen en mouwvegen. Enfin, ik heb van jouw aperitief genoten.
Geniet
jij nu ook van mijn welbespraaktheid en voel je thuis waar je thuis bent vanaf
nu.
Als ik iets kan doen voor jullie daar: graag gedaan.
Als slot stuur ik je één van mijn anderstalige
gedichtjes:
Palmera
he
visto
una
palmera
verde
alta
sola
mirando
al
cielo
sin
preocuparse
de
la mugre
a
sus pies
Ja, en tot slot dan nog het volgende: op 15 juni e.k. wordt mijn jongste bundel
Emma voorgesteld te Dilbeek in het Westrand Ontmoetingscentrum. Welgekomen,
beste Germain, alhoewel ik vrees dat dit centrum die dag niet op jouw route zal
liggen. Verder
veel hartelijke groeten, en .....er is nog een beetje ruimte vrij, vandaar
(regendag)
tederheid rolt
van blad tot blad
rond als een tol
speels als een kat
ligt zij licht
als een pluim
op een bed van blaren
niets dan muziek
heeft zij
naar het schijnt
in het hoofd
zij wiegt en krolt
als regen en wind
in de bomen paren
Iris
Asse,
10 juli 1990
Dag beste Germain !
Vandaag, na gezien te hebben hoe "Pensec"
misschien de Ronde van Frankrijk aan het winnen is, moest ik meteen aan jou
denken. Hier is ze dan, die lieve Iris.
Dank voor je zeer hartelijke en welgekomen brief van 4
juni jl.
Intussen werd mijn bundel "Emma"
voorgesteld. Kreeg je er één
? Ben ik je niet vergeten ? Ik was de laatste weken zeer vermoeid en sommige
dingen kunnen me wellicht ontsnappen.
De voorstelling was buitengewoon mooi. Alleen de
mensen die me het nauwst aan het hart liggen waren uitgenodigd. Wellicht geen
30. Frans Fransaer was er ook, onze gemeenzame vriend.
Wat houd ik toch van wat die man doet en schrijft. Ja, 'onze' grote Frans Fransaer. Wie geeft hem eindelijk de plaats die hij verdient en
die hij nog steeds niet inneemt in onze literaire wereld.
Intussen
kreeg ik de Catalaanse bundel toegestuurd. Daar schrijf ik beslist iets over in De Poëzietuin. Valt bijzonder
goed mee. Alvast proficiat voor het vertalingswerk. Dat kan men enkel wanneer
men van mensen en talen houdt én... zelf dichter is.
Een paar van mijn gedichten werden in het Russisch
vertaald. Ik vertaalde enkele Russische (van een zeer goede vriend) in het
Vlaams. Ik heb in Moskou meer dan één goede vriend in de culturele wereld.
(schrijver, dichter, beeldende kunstenaar). Sinds 1971 ga ik geregeld naar de
Soviet-Unie. Nu komt er eindelijk wat vrijheid. Vroeger moest ik alle boekjes
en blaadjes binnen en buiten smokkelen! (niet voor
niets ben ik éne van langs de grens! Na de oorlog
waren het sigaren !).
Lach niet !
Ik ben zeer geinteresseerd in wat je doet, Germain, je
doet het nog goed ook. Wat een weelde iemand te leren kennen die zich zwemmend
weet te redden tussen de haaien.
Ja, van haaien gesproken: vzw Dilbeekse Cahiers heeft
me buiten gegooid. Roggeman en companen.
Natuurlijk kan dit niet zomaar. Doch in een
vzw, waar op grote schaal bedrog gepleegd wordt, niet alleen in de boeken maar
ook in vele andere zaken, schijnt men heel wat te kunnen, zelfs het
verduisteren van de "eigen" centen.
Omdat ik graag wat "kwaliteit en eerlijkheid" wou vloog ik eruit.
Toch moet ik goed nadenken eer ik aan een rechtszaak
begin. Bewijzen zijn er meer dan genoeg. Maar wie moet de gerechtskosten voorschieten en wie
kan 's nachts niet slapen?
Dat kleine Iriske, natuurlijk: dolfijntje tussen de
haaien.
Luister, ik stuur je de bundel Emma op. Heb je
hem dubbel ? ' t Geeft niet. Op één meer of
minder komt het niet aan. Honderd heb ik er welgeteld weggegeven en twee
verkocht (aan mijn zus en aan haar dochter).
Die krijgen elk hun 250 fr. terug ! ('k heb weer mijn karnaval-masker
opgezet. Een mooie brede, altijd-lachende mond. Schijnt me goed te staan ?)
Bezit jij mijn bundel Tot in het Merg?
Die schenk ik je graag als je hij
je tenminste niet afschrikt. Gestolde
dramatiek, noemde Fransaer hem.
Ja, Germain, ik wil je nog eens heel speciaal bedanken
voor die kernachtige spreuk van Karl Valentin. Ze hangt vlak voor mijn ogen en
ik kijk er vaak naar. Es stimmt genau, wir können es wissen: "Kunst ist
schön. Macht aber viel Arbeit". We geven het niet op hé ? We zijn toch
vechtersnaturen voor iets want dat leid ik af uit het foldertje dat me
toegestuurd werd door jouw secretariaat. Het Ministerie voor Cultuur ?
Daarvoor moet men Dewael heten of Roggeman of hoge
pieten kennen in de politiek.
Troost je. Ook ik raak de schrijverslijst niet op. EN
IK VERTIK HET MENSEN AAN TE SPREKEN DIE HET VOOR MIJ IN ORDE ZOUDEN KUNNEN
BRENGEN.
Ik kon het altijd best klaarspelen zonder die
aalmoezen. Voor Point is dat natuurlijk wat anders. Wat spijt me dat
toch dat ik jullie niet wat meer kan steunen. Moreel doe ik het.
Binnen afzienbare tijd zal ik wat meer vrije hand
hebben in mijn financiële bedoening. Huizen afbetalen ! Godgod, soms noem ik
het luizen, maar toch.... gezellig ruim heb ik het wel.
Dat je Juana de Ibarbourou niet kent is niet zo erg.
Wie ken ik ?
Af en toe iemand wiens gedichten me onder de ogen komen en die me aanspreken.
Dat is ook niet zo vaak en niet zoveel.
We zijn er om op ontdekkingstocht te gaan. Jij
wellicht nog met een rugzak, ik al bijna op een stok gesteund ! Toch blijf ik
frivool en levenslustig. De "kwaje" momenten neem ik in mijn
binnenste op als een fotograaf. Mijn gedichten lijken dan later fotos,
tenminste voor mij.
Ja, ich freue mich "ook" riesig. Reiner Kunze heeft het bij het rechte eind. Hoe doe je het allemaal. Maar toch. Ik geloof niet dat ik bij jou ten achter sta.
Ik ben maar wàt blij dat De Poëzietuin het nu
een maand zonder hovenier moet stellen. Of ik het weer een jaar aankan
betwijfel ik. Zoveel gevoel, liefde, opoffering steken in zo weinig bladzijden.
Wie houdt het vol ?
Ik hoop dat er nog échte tuinMANNEN bestaan die mij af
en toe een handje zullen toesteken !
Tot daar, lieve vriend, laat maar weer iets van je
horen wanneer je er zin in hebt. Ik hoop dat mijn mooie woorden aan jouw adres
welkom zijn. O ja, en wat die lage drempel aangaat: daar kan ik alleen maar
beamen wat Fransaer ooit zei of schreef: "ik heb tot mijn schade
geleerd om mijn mond niet meer voorbij te praten".
Nog meer olie op het vuur gieten? Denijs Van Killegem
is één van onze échte, waarachtige dichters.
Die moet jij zien binnen te krijgen in Point, Germain,
geloof me. Denijs is uitzonderlijk begaafd en een ongelooflijk eerlijke,
waarachtige dichter. 't Kofschip heeft hem weinig te bieden.
Zo jammer, zo echt, echt jammer. (Las
je ooit gedichten van de kopstukken?... god...god...gottek..kens...
Ik zal deze keer wel tijdig de mond houden hoor.
Ik stuur je veel genegen groeten en wens je nog een
mooie zomer daar in je tweede vaderland.
Vergeet ons hier niet. Wij de sukkelaars... altijd
regen... die zo vaak omslaat in sneeuw!
En voor ik het vergeet: na de voorstelling van
"Emma", ben ik samen met mijn man en zijn gezel, nog bij Fransaer
blijven plakken tot een gat in de nacht. Eén van je flessen allerbeste wijn
moest eraan geloven! Wie had ooit gedacht dat - in Moorsel - mijn jonge ziel
zich zou laven aan die goeie ouwe wijn van die goeie Droogenbroodt.
Allé(z) Santé...brood(t), wijn en poëzie: 't heeft goed gesmaakt ! Iris
BRIEF VAN FRANS
FRANSAER
VIJFTIG JAAR LATER...
Een van de weinige échte vrienden die ik heb, is een
heel speciaal iemand. Hij is jonggezel, schrijver, dichter, gewezen leraar,
zeeman, wereldreiziger, en nog een heleboel dingen meer, vooral "zeeman"
genoemd worden, daar staat hij op. Sinds kort geleden is hij zelfs
gepensionneerde, alhoewel de tijd op zijn wakkere geest geen vat schijnt te
hebben.
Naast zijn rustpensioen krijgt hij, voor vijf volle
jaren op de oceanen zwalpen en zijn werk als "wiper" met
energie te hebben uitgevoerd, een maandelijkse uitkering van 2.458 fr, nee, ik
vergis mij, want onze ambtenaren schroefden het sommetje tot op 1.957 fr.
terug, hetgeen hem in een woedebui deed uitbarsten (altijd de kleine man
afpersen, weet je)...
Zijn wereld is: vriendschapsbanden, oceaanwellen,
schilderijen én boeken. Zijn grote liefde is Vincent Van Gogh, en zijn felste
passie is Griekenland met alles wat daarbij hoort: Seferis, Ritsos,
Kazantzakis, tijm, cicaden, basilicum, keien, ruïnes, enz., teveel om op te
noemen. Hoeveel Griekse eilanden hij al bezocht weet ik niet, maar afgaande op
de kilos keien die hij tot op heden meebracht, voor Yvonne's en mijn eigen
verzameling, moeten het er heel wat zijn.
Jaren geleden leerden we elkander kennen langs De
Poëzietuin om; een kennismaking die zou uitgroeien tot hechte vriendschap, die
tot op heden, ondanks de vele gevaren die ten allen kante steeds weer opdoken,
stand is blijven houden. En wàt een vriend is hij geworden: hoe vaak heeft hij
me aangemoedigd, me geprezen, me gelezen, maar me ook de levieten gelezen
wanneer mij het hart teveel op de tong lag.
Wanneer ik zijn brieven soms dagen en weken
onbeantwoord liet wist hij: iris heeft zich hermetisch afgesloten van de
buitenwereld. Hij had begrip. Hij liet me tijd om orde op zaken te stellen. Om
mezelf te vinden. Om mezelf te herstellen wanneer de klappen van overal
tegelijk me voor de zoveelste keer uit mijn evenwicht hadden gebracht.
Vriendschap... je vindt er geen woorden voor.
Nu ik de gevolgen van mijn dubbele longontsteking, (de
derde op minder dan drie jaar tijds), bijna te boven ben gekomen, kijk ik uit
naar inspiratie en regeneratie. De Poëzietuin volschrijven was ooit
kinderspel. Maar het hart doet het de laatste tijd niet meer. Ik ben niet meer
dezelfde, de fut is er voor een goed deel uit. Misschien word ik té sensibel. Misschien
broed ik teveel op allerlei dingen die me ontglippen. Er is iets mis met mij.
Zeer zeker.
Ik zou vaker de woorden van Joshida Kenkô indachtig
moeten zijn: "Wanneer in ons hart teveel gedachten en wensen
rondzwerven zo berust dit alleen op het feit, dat het een beheersende inhoud
mist. Zou er een krachtige kerngedachte in ons wonen, zouden de ontelbare
fantomen hun spel in ons binnenste niet kunnen spelen".
Terwijl ik hier zo zit te dubben en te tobben, denk ik
opeens aan een brief die onze "zeeman" mij een paar maanden geleden
toestuurde, precies op zijn verjaardag. De ondertoon had me toen reeds geraakt
maar vanavond, ja vannacht, grijpt hij me nog wat meer bij de keel. Bedoeld als
humor, krijgt hij pas nu opeens zijn volle betekenis, want achter de plezierige
noot, klinkt muziek met daarin het elegische van een zachte, weemoedige klacht.
Frans Fransaer, le généreux, die steeds te vinden is
waar onrecht recht te zetten is, of waar hulp te bieden valt. Die de stevigste
borrel uit zijn kelder haalt, soms op de onmogelijkste uren van de nacht, om je
op een gezellig onder-onsje te trakteren. Die hopen kwade brieven schrijft naar
allerlei instanties die het met ons erfgoed niet zo nauw nemen: met onze
bossen, onze rivieren, onze landerijen, met onze oude gebouwen opgetrokken in
hardgebakken steenaarde, die doet denken aan vuurovens en aan het zweet van
onze voorouders.
Frans Fransaer, de door onze literaire elite
onbegrepen mens, schrijft verder aan zijn novellen, romans, gedichten en
dagboeken. Aan zijn steengoede recensies. Aan zijn opbouwende kritieken. Aan
zijn heerlijke Taalroom-bijdragen waarmee hij het sappig Oostvlaams
dialect virtuoos helpt in leven houden. Aan zijn dagboeken die reeds kilometers
bladzijden tellen en reeds bijna 4 decennia lang gespijsd worden met de
voornaamste dingen van elke dag. Hoe was het weer op 15 januari 1982? Bitter
koud. Hij hoeft maar één van zijn dagboeken open te slaan en je bent ingelicht.
Bij hem mag je ten alle tijde en voor duizend en een dingen te rade gaan.
Onze minister van cultuur schijnt hem niet te kennen,
laat staan hem weten wonen. In ons cultuurarm landje moet je kunnen mouwvegen,
knielen, kruipen, bedelen. Dan pas krijg je erkenning, en misschien een toelage
waarmee je het weer een tijdje kunt redden om uit je postzegelonkosten te
komen. Frans (Paco) zal zich intussen moeten tevreden stellen met zijn
zeemanspensioentje om me uit te nodigen naar een of ander restaurant, zoals hij
al vaker deed.
Daarmee zullen we 't Laurierblad zeker niet kunnen gaan
verkennen, tenzij ik er een frank bovenop doe. Voor een etentje bij de ene of
andere ingeweken Italiaan of Griek is het echter meer dan voldoende. Maar om op
zijn visionaire brief terug te komen: 'k ga hem de lezers niet onthouden, wie
weet wat binnen vijftig jaar zal zijn... Misschien vindt hij zelfs weerklank
eer ik hem terug in de schoenendoos opberg...
En wat die 26 abc - xyz bundels betreft waarover hij
het heeft: ik liet me ooit ontvallen dat ik het verloop van mijn leven zou
willen optekenen in 26 dichtbundels, waarvan de titels allemaal met een andere
letter zouden beginnen, zodat ik op mijn sterfbed zou kunnen troost putten uit
mijn eigen abcedarium, (een gekke gedachte die me opeens heel vrolijk stemt.)
Maar nu de brief waarvan het slot boekdelen spreekt:
Dinsdagavond, 3 oktober.
Dag Iris, dag Cacho,
Ik kreeg vanmorgen je geestdriftige kaart uit Paraguay.
De postzegels waren zo enthousiast gekleefd dat ze op elkaar plakten en 1
centimeter buiten de kaart-met-"carretas tipicas" uitstaken.
Een wonder dat ze aldus niet aan de postbus kleefden, waar ze - na onttakeling
van de bus over een halve eeuw - losgeweekt werden en de naar Europa gezonden
kaart op 4 oktober 2045 in Moorsel toekwam...
Geen kat die zich een Frans Fransaer herinnerde. Via
speeksel-sekretie op de postzegels kon men (zoals vingerafdrukken) uitmaken dat
de kaart afkomstig was van IRIS. Een familienaam was onnodig want de naam van
de dichteres was zo alom bekend geworden in Europa wegens haar 26 ABC - XYZ
dichtbundels, haar ontelbaar verzamelde Poëzietuinen, haar interviews, haar
onnoemlijke talrijke caritatieve werken voor 1e 2e 3e 4e en 5e wereld, haar
polemische esbattementen tegen de zelfgenoegzame, opgeblazen literaire kikkers
van het fin-de-siècle 20e eeuw en eerste kwart 21e eeuw, dat de postkaart van
Moorsel stante pede naar Asse (Bélgica), Maldegem (idem), Adegem (idem)
geairfaxt werd. Alle telstar tv-stations richtten hun lenzen op deze drie
gehuchten.
De dichteres werd op haar 113e levensjaar op uitbundige wijze gevierd. En ze
liet het zich welgevallen. Haar echtgenoot, alomberoemd van Uruguay tot Japan,
van Finland tot Spanje, gaf een uniek recital ten beste. De opbrengst ging
volledig naar het opspeuren van voornoemde Frans Fransaer.
Dank zij Iris del Castillo en haar echtgenoot Juan Carlos (Cacho) Aguirre, kwam men vlug op het spoor
van de vergeten schrijver die op zijn 62e vroegtijdig in Moorsel overleed.
Zij herinnerden zich nog heel goed het oude huis met het krottige poortje in
het boerennest waar hij woonde en er totaal vergeten werd. Aalst, de stad die
nooit veel aandacht aan dichters buiten de stadskern schonk, kon zelfs niet
meer aanduiden waar Fransaer in 1996 begraven werd, aangezien er niet de minste
aandacht meer aan kerkhoven geschonken werd, gezien het oubollige 'kerk' in het
woord: een mens kon in Aalst maar zo vlug mogelijk asse worden, dat bracht nog
wat op bij Elektrabel in Doel.
Enfin, het kunstminnende bejaarde echtpaar (dat van
april tot november in Uruguay verblijft en de rest van het jaar in zijn riante
villa in het Meetjesland doorbrengt), haalde het Opus Magnus van Fransaer van
tussen de wijnflessen in hun kelder (boeken, papier blijkt een prima
vochtigheidsgraad te behouden ter ondersteuning v. exquise wijnsoorten), en
ontdekten meteen een schoenendoos brieven van genoemde. Men besloot prompt tot
de complete uitgave van de jarenlange (wij vermoeden 7 jaar) correspondentie.
In het AMVC in Antwerpen zat bovendien een onvermoed aantal verloren gewaande
brieven van IRIS aan F.F. Plus een ongewoon aantal dagboeken.
Kenners van literatuur (die zeer zelden geworden zijn) gewagen van de literaire
gebeurtenis van het jaar. We mogen eerder van een happening gewagen: nooit werd
er in Adegem zo gefeest als toen. Iris, Cacho en Fransaer kregen zelfs een
"plakette" aan IRIS' drukkerij in de Maldegemse Stationstraat.
In Moorsel werd ijverig naar restanten van Fransaers gebeente gezocht. Een
detector vond de nog intacte schedel: 't moet een harde kop geweest zijn,
blijkt het, met op 1 tand na nog zijn gehele gebit...
Tot daar deze fameuze brief waarin ironie en humor het
halen op een niet te ontkennen neerslachtigheid, maar waarin de grote hunker
onmiskenbaar is.
Om dit artikel af te sluiten volgt hierna nog een stukje uit Fransaer's roman
"Thanatos en de Zee" uit 1983. Let wel, het bouwvallig huis
heeft intussen een flinke opknapbeurt gekregen maar de bewoner zelf zit vandaag
de dag geweldig in de knoei met zijn gezondheid. Laten we hem een vlug herstel
en een 'goed leven' wensen!
Een vrije dag in de winter, een glimp is dit, een
knipoog en de zon zit al achter het dak van het Monnikenhof. Ik klamp mij aan
het laatste licht dat door het kaduke westerraam binnenvalt, de voeten op een
stoel voor het rossige raampje van de vulkachel.
Ik hoef geen radio aan te zetten. Zo maar de warmte
van het huis opslorpen, me zo maar gevat te weten in deze wakke huls die me
omhult.
Deze klamme muren waartegen het zilt omhoog kruipt en
dat naar mijn ruggegraat groeit, me krom zal maken van artrose en rachitis
gelijk allen voorheen die dit paradijs bewoonden, deze tochtige bladder en kalk
: mijn schelp zijn zij, mijn tridacna gigas, die alles weert wat ik
buitenhouden wil, op reuma en artritis na. Mijn membraan, het laatste vlies,
mijn baarmoeder waarin ik veilig en buiten schot ben. Geen bevelen meer, geen
hé, jij daar. Geen kom hier, geen doe dit, doe dat. Hier ben ik ongekroonde
vorst en hansworst.
Deze arbeiderswoning met niets dan een façadegevel aan
de straatkant -de rest is gammel en versleten- mijn ultieme bolwerk is ze. En
niemand zal er me ooit uittrappen. Hoop ik. Dit freudiaans vruchtbeginsel dat
mijn povere mikro-universum huist.
Man, jij wordt nog eenzaat! Worden? Dit ben ik al. Uit
roeping. Met overgave. Geknipt om vanuit mijn kleine, eigenzinnige,
egocentrische kluis de wereld af te tasten: zijn lawaai, zijn gehuilebalk,
opschepperij, bekakte bedilzucht en lieve drukdoenerij.
En zo, gelijk Anoebis, de weegschaal te hanteren, met
als inzet het eigen blote hart tegen waan en waanzin. Dat is mijn lot.
Buiten is het nu volkomen donker geworden. Ik knip het
licht aan. Heb je het zo goed, zeeman? Voelt je kussentje in je leunstoel niet
te vlokkerig? Moet je nog andere retorische vragen op je muren afvuren?
Trek een kwarteeuw in je eentje op, dan leer je zelf
je eigen vragen in vraag te stellen en soms antwoorden die muren wonderwel.
Muurtje van mijn wand, wie is enz...
Zinnelijk brokstuk dat je bent, bezige bij die maar
vlindert en floddert, balkje wrakhout met als enige reden van bestaan weer eens
aan te spoelen. O nee, jij wil niet huilebalken, geen indruk maken? En je eigen
gebler en gemekker? Je angst je bolster te breken en je eigenste fijnste
burgerideetjes los te weten weken. Je huis-met-tuintjesmentaliteit, je liefste,
lieve, broze ikje.
Je hebt chartreuse in huis, nietwaar? Vijfentwintig
graden, zuiver met het aroma van honderddertig kruiden en planten. De Geest
Gods rust erop. Zou je jezelf niet uitnodigen? Je eventjes benevelen? Zo kun je
weer vluchten in je beste der beste planeten. Ongenaakbaar. Op wolken zul je
wandelen opdat geen obstakel je voeten zou bezeren.
En je hebt nog een brief ook. Een brief is een
delikatesse. Van mensen die je mogen, die aan je denken, die je laten zwelgen
in een jargon van vriendschap en genegenheid.
Hieraan nog iets toevoegen zou wellicht "des
Guten zuviel" kunnen worden, nietwaar beste lezers?
Iris Van de Casteele
De Poëzietuin - 18 januari 1996
AGNES DE
BRUYN
Onlangs verscheen bij De Distel de eerste
dichtbundel van Agnes De Bruyn, een verrassing voor velen want
wie had in de schalks lachende en druk reizende 60-plusser de dichteres ontdekt
?
Nochtans spreidt ze al lange tijd haar zorg over het
doen en laten van elke gewone dag in jarenlang bijgehouden poëtische dagboeken.
Pas het laatste jaar trad ze echt naar buiten en bereikte zelfs de lezers van
het weekblad Vrij Maldegem via een december van De Poëzietuin.
"Poreus Geluk"
heet de bundel. Mooi uitgegeven met op de kaft een aanvulling van de tekst: de
afbeelding van een wonderlijk beeld van de kunstenares Wilhelmina Barbé Van
Gucht uit Sint Martens-Latem: zwart kantwerk gedrapeerd over een stevige
ijzeren structuur. Zowat een voorafbeelding van elk menselijk geluk: het broze,
het frele dat aan de taaiheid en hardheid van ons bestaan een rusteloze
dimensie geeft. Het leven... dat poreus blijkt en kwetsbaar gelijk een jaar
"van vallen en opstaan/ een jaar van weemoed/ en poreus geluk" (p.
31)
Een kantwerk van
fijn gesponnen
mistdraden
geweven tot
een broos rag
wiegelt zacht heen en weer
zwevende gedachten
dwalen over een wei
van zilverwit gespoten
dunne parelrijm
Het onbehagen om het niet te bereiken ideale geluk
vindt vaak zijn uitweg via droombeelden.
De dichteres haakt haar nostalgie vast aan het beeld van de condensatiestrepen
van een vliegtuig in de blauwe lucht :
Wanneer de zon
door de wolken breekt
begint de dagdroom
onbehagen knaagt
er ontbreekt een schakel
aan de ketting
die onverwoestbaar scheen
langs het lieve vrouweblauw
vliegt een vliegtuig over
iemand blijft achter
turend
naar onbereikbaar geluk
Toch voelt zij zich te zeer opgenomen in de realiteit
om bij de pakken te blijven zitten en om zo maar met dromerijen haar dagen te
verdoen. Er is een soliede voedingsbodem in haar aanwezig. Ze is nuchter genoeg
om naar morgen te knipogen.
Nog even achterom
kijken
de deur staat nog
op een kier
verwijlen
dralen vorderen
gisteren is reeds vandaag
een helrode papaver glundert
haar donkere pupil
knipoogt naar morgen
Droom of niet de dag kondigt zich aan en Agnes stapt
er door. Verjarend in volle zomer droomt zij van sneeuw maar al heel vlug
realiseert zij het hier en nu:
Ik droomde van een
sneeuwwitte verjaardag
als een hagelblank tapijt
zonder het spoor
van vogelpootjes hier en daar.
Ik droomde van een serene stilte
onder een helblauwe hemel.
Drieëntwintig juli.
Sneeuw of niet : ik verjaar !
Al schrijvend stoft ze de herinneringen van gisteren
af .../ voor een hoogdag van morgen.
Enthousiasme is haar eigen en schrijven is een ware opdracht en toevlucht
geworden om de veelheid van indrukken te verwerken, af te ronden, bij te
kleuren tot haar eigen poreus geluk
Ik viel in slaap
al schrijvend
woorden werden zinnen
ik beloofde mezelf :
dit wordt een kleine waterval
toen ik ontwaakte
bleek het een zondvloed
Het woord is niet zomaar een woord bij haar. Poëzie
schrijven is banden smeden, is mensen ontmoeten. Poëzie is voor haar geen
verbale hermetische gevangenis maar heeft alles met leven, genegenheid en
vriendschap te maken.
voor F.
't Is of de stilte
kleurde toen ik
woord voor woord
dit vers
aan de vloed
van gevoelens
van vriendschap
toevertrouwde
Het gewone dagelijkse leven brengt haar oog in oog met
poëzie.
Diep in het najaar
toen de dagen krompen
en toch nog zon doordrong
ontvouwde zich
een blad
oog in oog
stond je met poëzie
De kleuren in deze dichtbundel getuigen van een grote
felheid van leven, een "onblusbare hoogtezon" : rode papavers,
spierwitte wolken, het goudgeel van gekruinde bomenrijen in de herfst, haar
hemelsblauw kent geen grenzen.
Het hemelsblauw kent geen grenzen.
Een gulle zon deelt warmte
en genegenheid uit.
Zomergeluk
wordt weids beschreven :
wijde boomkruinen tegen
het ongerepte blauw
van een lieve vrouwelucht.
Dit schrijven van Agnes De Bruyn is een lang verhaal
dat begon bij het vroegtijdig overlijden van haar man. Na dit dramatische
gebeuren heeft ze naar de pen gegrepen. Wellicht uit onmacht en verdriet.
Jij
opgenomen
in de kringloop
van de tijd
mij ontnomen
het glas
over je foto is zo
dun geworden
dat je glimlach erdoor
nog veel echter wordt
Al schrijvend kan ze weer alles zijn zin geven. Zij vraagt
zich af ".../... was het een aanvoelen/ een drang/ een dwalende stap/
die me de trap/ naar poëzie/ deed opgaan ? (p. 28). Al schrijvend leert ze
dan ooh het métier beheersen. Haar gedichten worden alsmaar kernachtiger.
Deze selectie ontstond uit de gedichten die Agnes in
1995 schreef. Een bundeling van wat des mensen is: hoop na droefheid, geloof na
het bevragen van tijd en dingen, liefde en genegenheid t.a.v. de natuur en de
mensen die haar omringen.
Het getuigenis van een vrouw die onbevangen oog in oog
met de wereld anno nu staat en die kiest voor de openheid van morgen. En
precies daaruit haar poëzie en haar poreus geluk puurt.
Frans Fransaer
6 mei 1996
VERLATEN TAFELS
CATHARINA BOER
Hoe kan het anders dan dat iemand
die uit Nuenen komt, en Vincent in zijn hart sluit, zo’n pakkende poëzie
schrijft. Ik was meteen weg van Catharina Boer haar “Verlaten
Tafels”.
Van haar kronkelwegen vol goudveil, haar dagen die als appels vallen (6),
zomers die totaal zijn (8) en oude verhalen (10) herschrijft, bonkend van
nostalgie naar licht, naar stenen, naar water.
Deze bundel had zeker “Sonate uit
Stenen” kunnen heten.
Hoe is de dichteres gefascineerd door stenen, of ze uit het ouderhuis komen of
zwerfstenen zijn, geslepen door achtergelaten poolijs, om het even, maar
stenen.
Stenen rollen door heel haar verhaal. Niet het minst daarom intrigeert mij deze
poëzie. Wie van stenen houdt kent de tijd en doorgrondt hem. Een dichtbundel
als een verhaal van tederheid, gelovend in het wonder van de verwondering. Zij
het soms met bloedende taal (16) “Op papier als wond / te blijven staan”.
Ik denk dat Iris Van de Casteele, Catharina Boer en Hans Lodeizen elkaar heel
goed verstaan zouden hebben (Lodeizen, nu ja, 1924-1950). Poëzie vol afscheid
(16) geklonken aan aarde (en water?).
Spijtig genoeg las ik te weinig Lodeizen, maar ik las Van de Casteele en
nu ook, voor de tweede keer, Catharina Boer.
Rivier, merktekens, seinen stroomopwaarts (17) hoe kiest zij haar taal! Hoe
kiezen zij hun taal. Hun taal als borrelend leven. Die pakkende poëten.
De wonderlijke zinsbouw in tal van gedichten in deze bundel noopt tot herlezen,
tot nachecken, tot speuren. Vaak worden zinsdelen weggelaten (opzettelijk
vergeten, verzwegen) wat een nog meer gebalde taal tot gevolg heeft: nog
geheimzinniger, nog nostalgischer, nog ‘stroomopwaartser’.
Ontdek het wonder. Zoek de tekens. Ont-plooi het raadsel.
Catharina Boer schrijft /”leeft” een plastische taal die nooit saai
begrijpelijk wordt: een aaiende zon (20), een allesverbloemende schort (23),
seizoenen van meel / brood en kruimels (19), vossenrood (36). Er schuilt veel
hoop in deze poëzie als een verhaal dat nog altijd kan (28), als “dwaalbossen
diep in ons” (48).
Waarom schrijven de enen poëzie die onmiddellijk bij het nekvel pakt, terwijl
anderen zich verkneukelen in woordbreierij en taalbrij? Wellicht is het niet
onbelangrijk in Nuenen te wonen. Er zijn er nog die in Nuenen, Arles,
Auvers-sur-Oise de aarde wilden openscheuren (56), zoekend naar “houvast ten
teken/ van zijn, de dood geen grens” (57) Zij, “onderste steen die altijd
bovenkomt”. Die eindeloos rustlozen met hun oud heimwee “waarin poëzie zich
strekt” (59).
Frans Fransaer – 2005
MET UITGEHOLDE
STEM
Iris Van de
Casteele
Ik heb gewacht
met het lezen (nahuiveren) van Met uitgeholde stem tot het in mij
voldoende rustig was om het licht te vatten dat uit deze bundel spreekt:
bliksemt. Ik denk dat Zen ervaren van dezelfde aard moet zijn.
Iris Van de
Casteele’s dichterschap tracht het zienerschap te doorgronden: de poëzie wordt
niet ontraadseld - het raadsel wordt
gelaten - ze vindt de gronden, de bodems, het substraat waaruit poëzie welt als
een ontcijferen van wat is.
Net als digitale tekens de computer samenhouden zo vindt haar sterke
taalschepping de samenhang die het mysterie van/in alles bindt, samenhoudt.
Atomair: wat vervlecht, energieën schept. Maar op zienersniveau: doortastend
tot in het Grote Al, het Grote Niets. Zen-besef.
Het nirwana
suggererend. Beseffend. Bevroedend. Initiërend.
Wat Van de
Casteele met haar woordkracht de uitdeinende rillingen van watercirkels weer
ver-dicht, ze weer samenbrengt naar het uitgangspunt: de steen in het water als
creatiepunt. Het uitdijend kosmische dat de omgekeerde weg inslaat: terug naar
de boom, boem, bang. Terug van omega naar alfa.
Wat is het
afgekeerde kind op de kaft mysterieus! ‘haar wezen verborgen/ in vele penselen’
(p.26). De dichteres heeft het dóór: ook schilders huiveren voor het mysterie.
De echte dan, zij die de ‘Schreeuw’ doorhebben.
daarna pas barstte hij los
die verschrikkelijke schreeuw
die je in je droeg
die wurgende jaren
pas dan vond hij een weg
nadat je gestenigd werd
Gelukkig is er
naast de tragiek die door deze hele bundel waart ook de verwondering want
zonder dát blikveld kunnen we de ‘schreeuw’ niet aan.
De kat, de
kip, het paard, de spin, de klaproos, de distel: zij zijn de compagnons, de
copains, de tochtgenoten, de medepelgrims: om het absolute te doorgronden? Nee,
te bevragen. Het zijn medestanders geworden op de bevrijdende weg naar het
besef. Net als de stenen die overal en altijd in Van de Casteele’s poëtisch
oeuvre opduiken.
De diepte van
deze prachtige, beklemmende bundel haakt naar transcendentie. Het meisje met
afgewend hoofd op de kaft ‘ziet wat ze was/ wat ze is/ ze weet/ waarom ze de
sleutel bezit/ die toegang verleent tot/ het ruimschootse licht/ waarin levende
raadsels/...’
Het is een
scharniergedicht. Zo van: vraag me niet dat ik antwoord geef, omdat ik het
intuïtief doorgrond, bevroed. Een evangelie, meer dan ooit met mystieke inslag,
of de dichteres het wil of niet… Bevrijdend voor wie de angst en de pijn gezien
heeft.
ik zag de vaas waarin de leegte
Ik dichtte de barsten
Dichten in zijn
sacrale betekenis: dicht maken, samenbinden, én daarvan getuigen als inzicht.
De dichter die bindt, die de barsten bijeenvoegt, bijeenlegt, maar er ook over
getuigt,… en de barsten bezingt, desnoods met huiveringwekkende uitgeholde
stem.
Grote poëzie
is dit !
Frans Fransaer –
2005
PERPETUUM MOBILE
RUDI LEJAEGHERE
In het
aanvangsgedicht "Fluisterwater", van zijn debuutbundel Perpetuum
Mobile, zet Rudi Lejaeghere meteen de toon: "in mijn hoofd spookt een
zin" (p.4). Zo ontstaat nu eenmaal poëzie met zinnen als golven die
aanzwellen, als een getij dat eeuwig komt en gaat "getooid met schelpen /
het geluid van de baren." (p.5)
Poëzie is
ontkiemen, zichzelf uitzuiveren, vaste vorm krijgen en uiteindelijk een
metamorfose ondergaan, maar het is toch een eeuwig-beweeglijk-blijven. Alles
palmt tenslotte de dichter in: hij kruipt in het spint van een boom, leeft in
de muurtegels van zijn huis, wordt ouwe tak.
Ik was een boom
het begint mij pas te
dagen,
deze morgen trok
mijn stam voor het eerst
wat krom, toch krommer
dan de dag voordien.
(p.7)
Hij proeft de
klanken, raapt "de scherven van
gisteren " (p.9) samen, put kracht en hartstocht, zelfs uit
Bretoense mosseltjes. (p.10) Alles wordt aangereikt, alles dient de dichter
want hij raakt de kern van alles, al weet hij dat het essentiële slechts bij de
genade van omschrijving en verhulling lukt.
Zoveel moet hem
van het hart, het moet uit zijn pen omdat de dichter zichzelf geneest, het
blijft wel een "verzet tegen de zwaarte / van het schrijfpapier".
(p.12)
Een gedicht
voelt aan als een uiteindelijk aangespoeld zijn, desnoods "verdrinkend /
in de kromming van een hals". (p.14) Erotiek zo zuiver als een ooge. In de
poëzie van Rudi Lejaeghere steekt stevige natuurkracht en harde golfslag. De
zee is bijna lijfelijk aanwezig bij onze West-Vlaming.
Zoek mijn
sporen
waar ik liep
waar op het zand gelopen
is
verdwaald
maar niet verloren.
Tel mijn stappen
achterwaarts terug
wordt water in
regressie.
Trek me uit mezelf
en leg het vasteland
weer in mijn handen.
Herken me
als ik morgen
gisteren vergeet
en een vreemdeling
in de spiegel ben.
(p.16)
Telkens opnieuw spreekt de natuur hem aan. Deze hele wereld is teken: de
dagpauwoog, grauwe ganzen, libellen in glazen vlucht, kraaien vliegen de
kantjes van de avond af. Er zijn het hars en het hardhout van zijn ziel
Tekens liegen niet
net zomin als de ringen
die het hardhout van m'n
ziel
beschrijven. (p.19)
En wat al
stroming, golven, water, oevers spelen metaforisch mee in deze 38 gedichten van
"Perpetuum Mobile"…."mijn oever, mijn nieuwe land/… …/ ik ken je
als de lijnen in mijn hand / mijn toekomst, mijn hosanna in de hoge"
(p.39).
Muziek hoort
bijna vanzelfsprekend tot zijn leefwereld. Niet voor niets wordt op teksten van
Rudi Lejaeghere gecomponeerd. De bas bestookt de slagen van zijn hart, hij
voelt de warmte van de kopers, donkere stemmen kleven aan zijn ribben "als
een oude verdriet" (p.17).
Als een
perpetuum mobile kleuren de klanken zijn gedichten. Hij hoort kleuren: dat
wordt muziek, dat is poëzie. Dit is een muzikale bundel, hij (de dichter) is
zelfs klank tot in "het zachte roepen / onderaan de trap: / het ontbijt is
klaar." (p.40)
Over heel deze
poëziebundel gespreid, benadert hij alsmaar weer de genese, het ontstaan van
poëzie dat zich fugatisch door het geheel vlecht.
Het is in mijn oor dat de
kilte trilt
in een messcherpe letter
ik heb geen verweer meer
tegen
ontklede zin
die als een pijl binnen
dringt. (p.27)
Hoe authentiek
verwoordt Rudi Lejaeghere zijn dichter-zijn: "Met de hartstocht van een
vlinder / stort ik mij op woorden" (p.28).
Perpetuum
Mobile, bijzonder mooi door De Distel (Brussel) uitgegeven, is een sterk
debuut. Op de achterflap schrijft dichteres en uitgeefster Iris Van de Casteele
terecht: "Ik mag dit soort dichters. Ze brengen telkens weer het bewijs
dat er te goochelen valt met metaforen, en dat achter elk van deze een
werkelijkheid schuilgaat".
Frans Fransaer
31 juli 2009

Hierboven één van de vele lofwoorden die Frans wijdde aan de dichtkunst.
NAWOORD
Precies vandaag, toen deze bijdragen klaar waren om op mijn webstek te laten
plaatsen, krijgen we het ongelooflijk slechte nieuws dat onze dierbare vriend
Frans dit weekend overleden is. Het is onvatbaar dat een zo prachtige mens het
zo vroeg heeft moeten opgeven. Aan zijn familieleden, vrienden en kennissen
betonen mijn man en ik ons diepste medeleven.
Moge het hoogstaande literaire oeuvre van Frans Fransaer eindelijk de plek
krijgen die het méér dan verdient in onze Vlaamse Letteren, zodat het in al onze bibliotheken terug te vinden zou
zijn. Dit is onze innigste wens.
Iris en Cacho Aguirre-Van de Casteele
Asunción,
maandag 19 juli 2010