Er wordt wel eens beweerd dat
de poëzie een goddelijke essentie is. Wat met zekerheid kan gesteld worden is dat
ze hoort tot de hogere sferen van het kosmisch gebeuren.
De gedichten uit de bundel ‘Alsof er iets van
mij overbleef’ van Karel Wasch, kunnen, naar mijn gevoel althans,
niet treffender omschreven worden als zijnde puzzelstukjes horende bij het
enorme legbord dat we als oerbegin zouden kunnen betitelen, en dat langs deze
weg onder onze aandacht wordt gebracht. De dichter neemt daarbij zijn toevlucht
tot bijzonder fraaie metaforen die zich aandienen in een lyrische en subtiele
beeldspraak.
Ware
dichters zijn profeten, zieners, ingewijden. Ze zien veel verder dan de tijd
waarin ze leven. Dit ‘zien’ is een niet achterhaalbaar ‘weten’. Daarom blijven
ze als mens vaak en veelvuldig onbegrepen. Wie met aandacht het gedicht ‘De
tijd voorbij’ leest, kan niet anders dan erdoor geboeid raken en erdoor
getroffen worden:
Ik ben de tijd voorbij
en kniel vol pijn
in een gekneusde pose, laat de tijd
nu wachter zijn.
Verstild
ben ik, beneveld ook wellicht
door mijn vertraagd gewicht
onthecht, maar zonder woorden.
Dan val ik diep en woordenloos
in tijd gedrongen samen
ik slaap, zo lang
de stille witte slaap
van as en sneeuw
achter de gazen voorhang.
De kinderen
en vogels
zij weten , wie of wat ik ben
- denk ik, hoop ik -
een stem
één langgerekt gezang
smaragd en duif
verraderlijke slang, lang
heb ik alles afgeweerd
of omgekeerd, toch
ben ik een stem
die ontwakend zichzelf en jou
benoemt, een naam
voorbij de tijd
’De tijd voorbij’ is één van de schoonste en meest diepgaande gedichten die ik
onder ogen kreeg. Het is doordrongen van een onaards gebeuren waar we als
levende schepsels medescheppers van zijn en dan weer toeschouwers. Tegelijk is
het een lyrische zang die het hart en de geest optillen boven het alledaagse.
Een lied dat zichzelf verder en hoger zingt om uit te monden in een beklijvende
psalmodie. Hoe kan een mens zoiets pakkend en tegelijk zoiets hoog verhevens
tevoorschijn toveren? Alleen wie een berg aangeboren talent bezit kan dat.
Alleen als je je op het precieze moment niet verzet tegen je andere ik, dat
medium is, en je opeist, om het even op welk uur, meestal van de nacht, wanneer
je je ingewijde weet.
Het blijft niet bij die éne
voltreffer. In het titelgedicht “Alsof
er iets van me over bleef” maakt de dichter gebruik van rechtstreeks
tot de lezer sprekende beelden, zoals er zijn: wind, zee, zand, een melkwit
lichaam, e.a.. Op poëtische wijze brengt hij zijn gevoelens en gedachten over
naar de geliefde. Tracht hij hun één-zijn te bevestigen:
Voor H.
vormde zich taal van overkant
uit water, zee, zelfs zand
waar raadsels heersten, hoe
zeer
ik
luisterde, die middag van het eerste leven
ogen en onzichtbaar ziel verraadden
de stormwind
tussen jouw melkwitte lichaam, dat geurde
naar zilt en zon en mij, nadat
je neergestreken was
op ons eeuwig aards altaar
engel
vleugels verbonden met tijd,
alsof er iets van mij overbleef.
Wat mij nog het meest raakt in de verzen van Karel
Wasch zijn de eenzaamheid en het verlangen, allebei kundig gesuggereerd, nooit
uitmondend in een zielig klagen. De goede verstaander zal meteen begrijpen dat
ze geworteld zitten in het besef te weten dat het grote onbereikbare niet te
bereiken is, hoe hoog de ziel zich ook weet te verheffen. Daarom wordt
geprobeerd de eenzaamheid en het verlangen een andere bestemming te geven,
misschien zoals de Uruguyaanse dichter Carlos Sabat Ercasty zich in één
van zijn verzen uitdrukte: “ik vertoonde mij aan andere muziek die niet / diegene
is die ik stroom.”...
De
poëzie van de dichter Wasch stroomt. Ze is muziek. Hij wil zij het een mens of een
dier bereiken waarmee hij kan communiceren. Zegt hij zelf: “De kinderen en
de vogels/ zij weten, wie of wat ik ben/ - denk ik, hoop ik -.”. Eén kind heeft
hij hiermee alvast weten te bereiken: het kind in mij.
Het slotgedicht is getiteld “Tegenlicht”.
Opnieuw word ik bij het lezen van dit vers verplaatst in hogere sferen. De
hoofdletters in Geest en Liefde had ik liever in kleine letters zien geschreven
staan, zodat er vérder en dieper over nagedacht zou worden. Herleid tot hun
simpelste en zuiverste vorm zouden ze even herkenbaar zijn, misschien zelfs
beter en voller herkenbaar. Wijzend op een etherische voedingsbodem, tegelijk
afstand doende van alle ouderwetse verwijzingen die niet meer van deze tijd
zijn, zijn geest en liefde van alle tijden:
Termietenheuvels van de
Geest
groeven we af,
hermetisch voor de ziel
gesloten
en plukten hondsdraf
steeds blij erna,
toch verder afgegleden van
de oorsprong
het oordeel
ondeelbaar moment
de eeuwige vloedgolf van Liefde
die onze tere lichamen vulde
kalverhorens als was in onze handen
saamhorig in de zoete schijn.
Maar
waarom jij storm en steen
des aanstoots bent
is mij nooit echt goed uitgelegd
noch aangezegd
in deze stad van plexiglas, opdat
ik het begrijpen kon
of helpen
wat dan ook.
De rook waait sliertig buiten
onze
woeste wil al om, gaat over
in een dichte mist, wordt uitgewist
het tegenlicht is tegenwicht
verbonden met een koperdraad
aan overdaad, waarvan de einder
schijnbaar vol en leeg en alles is.
Het is niet voor niets dat de poëziekenner, al bij
een eerste oogopslag, een ‘ingegeven’ gedicht van een ‘gemaakt’ gedicht
duidelijk weet te onderscheiden, en ze elk afzonderlijk weet te interpreteren.
Hier hoeft geen moment getwijfeld te worden aan het feit dat we het met een
dichter toe doen hebben die we, door het hoge kwaliteitsgehalte van zijn
verzen, tot de boeiendste en meest waarachtigste dichters van deze tijd mogen rekenen.
Karel Wasch behoort tot de bijna uitgestorven en vaak uitgestoten
minderheid van fijnzinnige dichters, van wie de verzen nooit genoeg naar waarde
zullen geschat worden door de grote menigte, omdat hun poëzie veel hoger reikt
dan tot waar gewone lezersogen kunnen reiken.
Tot slot. De dichtbundel ‘Alsof er iets van mij overbleef’ is een
geschenk dat me op een goeie dag zomaar in handen viel, en waarvoor ik de hemel
dankbaar ben. Er staan in totaal 15 gedichten in waarvan ik er niet één zou
willen missen; zeker niet in mijn boekenkast, en vooral daar niet waar ik ze
bewaard wil weten: diep binnenin mijn eigen poëtisch geaard zijn.
Iris Van de Casteele
Januari 2004
Begane
grond
Achter schermbloemhagen lag het landje.
Ons avonturenparadijs! Van opgespoten zand
vormden we piramides tot de hemel, die gaaf
en telkens blauw, waakte over zijn Godenzonen.
We fluisterden geheime spreuken; sloten
verbonden, bezegeld met houtskool van
verboden vuur.
Maar op de korte duur verdrongen
draglines van gezond verstand ons
van 't Egyptisch zand en bouwden we
thuis met blokken na
wat we eens schreven in 't landschap
met tekens van een onbezorgde jeugd.
(Uit de bundel Begane grond.
Uitg. Nymfaeum Pers, 2005)
Misschien
Moest jou zeggen hoe ik
verloren had de strijd.
Maar in een gang
vol koffers met gestold verdriet
trok je even aan mijn broekspijp
voordat ik je voorgoed verliet nog even
als altijd.
O, in het weekend
als het van je moeder mag
kunnen we elkaar nog zien
ook doordeweeks en anders steeds
misschien.
Jij las de wonden op mijn huid, vlak
na ons weerzien in jouw trotse wijk
en in je blik vervloog tezelfdertijd mijn
laatste hoop.
Ooit was ik geklonken aan
jouw kleinst gebaar
verdronken in jouw ogen uitgeleverd
aan jouw armen.
Ach wist ik maar, hoe ik ons
stil verdriet
nog moest verwarmen, dan zou ik zelfs
verdwalen in ons samenzijn tot daaraantoe
het weer proberen voor een keer, als
het niet anders kon, maar
niet steeds weer.
(Uit
de bundel Onlangs nog
Uitg. Nymfaeum Pers, 2009)
(opgedragen aan Karel Wasch)
Alsof al het water zich verzameld had om die
ene boot naar zijn bestemming te brengen zo vol
leken de grachten. Er was geen geluid te horen
dat aan beukende golven denken deed.
Zeven bogen zou hij passeren. Zeven bruggen
met elk een boog. Daarna gleed hij onder vele
bruggen waarbij één heel bijzonder terwijl haar
begeleider het over een oude gevangenis had.
Af en toe scheerde een meeuw zich weg om
later opnieuw op te duiken alsof ze wist wat er
omging in de peinzende hoofden. De boot,
het water, de meeuw als geheel. Het hoorde zo.
Later zaten twee mensen samen en aten. Zij wou
niets liever dan de stilte omarmen. Hij ze horen.
Tenslotte zwegen ze allebei. En het was goed.
Een spreeuw kwam zitten precies op de plek waar
haar blikken vertoefden. Een mannetjesduif zocht
naar voedsel. Eén na één liet ze de kruimels
vallen.
Hij pikte ze op. Aangemeerd lag de boot.
Een trein vertrok in Amsterdam. Eén van de twee
die hem nam. Eén van de twee bleef achter.
Toen pas liet de avondzon haar betovering glijden
langs hoge museumramen waarin glas-in-lood.
Iris Van
de Casteele
terug in ochtenden vol nieuwe
levens
maar het verstand belet mijn
gaan,
verlamd
en kreupel baan ik mij een uitweg.
-volgens beproefd recept-
naar niets minder dan
de hemel, de klare wijn is
weggevloeid aldaar, ik weet
niet goed als ik ooit aankom
of ze mij nog groet
of wegwuift met vermoeid
misbaar.
Verloren had de strijd.
Maar in een gang vol koffers
met gestold verdriet
trok je even aan mijn
broekspijp
voordat ik je voorgoed
verliet nog even
als altijd.
O, in het weekend als je van
je moeder mag
kunnen we elkaar nog zien
ook doordeweeks en anders
steeds
misschien.
Erik
mijn vriend, ik heb het toch nog maar eens
tegen
jou. De vergrijsde foto met de kartelrand. Erik
een
vriend uit duizenden, zonder voorbehoud.
Rots
in de rivier. We dronken ons door een woud
van
leugens en wisten nog niet welke leugens en
tot
welke prijs. Na middernacht stonden we in
een
stille straat, je gooide steentjes naar een onbereikbaar hoog
raam.
Ik had het koud. Mijn auditie als toeschouwer.
Zij
uit het tweede, derde – en zoals later zou blijken-
laatste
bedrijf wachtte.
Stijve
handen gooien mis. Misschien. Je had tranen in je ogen.
‘Grafiet’
zei je ‘zit middenin een potlood opgesloten’. Bedoelde
je
de tekenen des tijds of begreep ik je toen al niet meer?
Sneuvelend
op het slagveld van de stad. Bij afwezigheid
van
een oorlog. Ik kijk en zie jouw open ogen en gras,
veel
gras, we liggen naast elkaar te
dromen.
Adem hoor ik en je slaapt. Of ben je dan al dood?
Het
is maar een momentopname.
NAAR
DE VOLTOOIING TOE
gedichten van Iris Van de Casteele.
Eigenlijk had William Butler Yeats
gelijk toen hij zijn jongere neef, die ook wilde gaan dichten zei, dat ieder
goed gedicht een mysterie is. Maar komen we in deze tijd nog wel van deze
‘mysteries’ tegen? Is onze tijd niet juist een tijd van bekentenispoëzie, de
verzen die erg dicht op de werkelijkheid staan?
Toen ik deze bundel verzen van
Iris Van de Casteele een aantal malen had gelezen - dat is nodig - wist ik dat
we hier met kleine mysteries te maken hebben van een zeldzame schoonheid. Al
direct in het titelgedicht wordt de toon gezet: (…)Wanneer we zullen zijn ontward /het kluwen dat we waren/
zullen kunnen duiden/ het ingewikkeld zijn/ verstrengeld als we zijn (…)
Wat wil de dichteres van deze
strofe ons zeggen? Ze probeert te omcirkelen, dat we in wezen, ver van onze
oorsprong zijn afgedwaald, dat we verknoopt zijn met gewoontes, listen en
lagen. Die ons van de bedoeling van ons lot afleiden. Hoe moeten we dan verder
als we dat weten? Hiervoor heeft
Van de Casteele een wonderbaarlijk recept bedacht. Ze wordt onze gids en laat
ons de fenomenen achter de realiteit zien. Zoals in de derde strofe van het
wondere gedicht Maandag:
(…) binnen het wereldmeer/ zweven
ontelbare zwanen/ als dromen over het water/ zo echt als de droom/ kan ontstaan (…)
De zwanen zijn metafoor voor
dromen, maar niet de dromen zelf, maar hun ontstaansgrond. En deze
ontstaansgrond is wat alle mensen op aarde samenbindt. Misschien wel het
collectieve onbewuste van Jung. Misschien wel gewoon de rimpels in ons
zielewater. Want dat Van de Casteele een dichteres is van het gevoel wordt
duidelijk. In Raakpunten laat ze de
worsteling zien om iemands innerlijk aan te raken, te doorgronden. En eigenlijk
in al haar gedichten bezingt ze als een volleerde skaldenzangeres het leven, de
dood, de liefde, angst en pijn. Maar nergens glijdt ze uit in sentimentaliteit,
ze beheerst haar gebied en weet vaardig de taal- haar taal- te laten werken. Of
zij het nu heeft over vlinders (De vrouw en de vlinders) of over regen (Regenlitanie en Ultieme Regendrop) we worden ons
na het lezen van deze gedichten bewust
hoe veel meer er te genieten valt, kijkend door de ogen van deze dichteres. In
het vers Het
lam sterft een lam en de toeschouwer, een mens, wordt zich
bewust van het wonder van de dood (…) het was het vuur voorbij/ overgebleven was er niets (…) Maar
het gedicht is zacht van toon, het troost ons. Is de dood niet de ultieme
verlossing, de voltooiing? Of wacht ons daarna meer, veel meer?
Hopelijk vormen deze gedichten
niet de voltooiing van het indrukwekkende oeuvre van een unieke dichteres.
Karel
Wasch (Literair Nederland)