PIERRE VAN LAEKEN 



 

Schommelpaard


Mijn dromen heb ik neergelegd
vlak naast mijn schommelpaard.
Op zolder waar de rest ook staat,
wat tot geen zier meer dient.

Al wankel ik vaak nog wat rond,
tussen wat toen en hier
en tracht ik soms de avond rond
een heel oud lied te zijn.

De weemoed naar dat ver gebied,
het graag zien dat ik ween,
ligt op de zolder niets te zijn.
Mijn dromen daar omheen.




 

 

 

Azijn
 

Daarnet heb ik azijn gedronken
die aan de woorden van de mensen kleefde.
Hoe zou men dan niet zurig zijn.
Men had mij beter droom geschonken.

Dan kon ik dansen in een weide
waarin de tijd zichzelf versliep,
en al de dagen weer beminnen
dat ik daar als een veulen liep.

Maar ach de mensen zijn niet anders
dan wat ik traag geworden ben.
Wat droom, verloren en wat zurig.
Mijzelf die ik in hen herken.

 

 

 

 

 

 

Vannacht heb ik gedroomd


Vannacht heb ik gedroomd
dat ik gestorven was,
dat in de kerk mijn dodendienst begon
die ik helaas niet zittend volgend kon.

Zij waren mooi de woorden die de priester sprak:
dat ik zo goed was,
zo deugdzaam had geleefd,
mij nooit onttrokken had aan plichten.

Maar waarom zag ik om me heen
wel duizend mensen staan,
hoofdschuddend en met grijnzende gezichten?




 

 

 

Stilte


Het is zeker,
dat zij in dit leven niet bestaat.
Het is hoop puren uit koffiedik.
Met zijn hoofd in wolken lopen
en het geroezemoes dood doen.

Stilte is zonder blik,
zonder schaduw zijn,
is nooit meer zingen,
nooit meer kijken naar seringen,
niet naar het donker van de avond,
niet naar het ochtendgloren.

Is nooit meer horen en nooit meer zien,
en nooit meer opstaan
om te beminnen.
Stilte is
een dode dichter zijn.
Een droom misschien?
Geen oorverdoven meer vanbinnen.




 

 

 

Vraag


Ik zal de kamers behangen.
De vloeren herstellen.

Schilderen zal ik binnen en buiten.
Maar door de ruiten
zal ik de herfst zien
en de leegte van de dingen.

Maar ik zal herbeginnen
zonder één vraag te stellen.




 

 

 

Vader


Zoals jij zat
verloren in de hoeken van de tuin.
Een gevallen blad.
Een weggeworpen woord.
Een bijna vogel voor de kat.

Zoals jij zat
in de laatste stralen van de zon.
Een schemering.
Een ondergang.
Een leeg gebloeide avond.

Zo zal ik zitten in uw vel.
Een oude rozentuin.
Een lege schommel.
Een oud gerei
verloren in de hoeken.

Maar ik zal vloeken... vloeken!

 




 

 

Momenti moris


Zij ligt daar als een rimpelpeer
in 't witte van het bed.
Een zinnig woord spreekt ze niet meer.
Haar denken is reeds stilgezet.

Toch lijkt het of zij nog wat ziet
door 't ene oog dat openstaat
en als ik dan in mijn verdriet
wat tranen en wat zuchten laat

het waag haar grijze hoofd te strelen,
haar koude handen warmen wil,
besef ik dat zij met de schimmen,
van hen die haar zijn voorgegaan,
in 't milde van haar laatste dromen,
onzegbaar stil is heengegaan.






Nazomer

 

Dit is de parel die moet hangen.

Verlangen, dat ergens dood zal bloeden.

In heel dit leven schuilt vermoeden

omdat het nergens henen kan.

 

Enkel de dagen in en uit.

Naar regen kijken door de ruit.

Naar 't laatste bloeien van de rozen.

Naar 't blad dat vaal naar niemand valt.

 

En naar de straat die dromend ligt

zoals de jaren die vergingen.

Soms horen wij wat weemoed zingen.

Straks gaan opnieuw de lichten uit.







Appel


Als mijn huid zal schrompelen,

grauw wordt, vol bruine schimmelvlekken,

de geur verward, het blozen uitgedoofd.

Keer je dan niet af, maar bijt in mij,

want binnen zitten pitten

die rijp zijn en voldragen,

die groeiden in de dagen

van zon en zomer.

Vol zijn zij van nalatenschap.

 

Keer je niet af, maar verteer heel traag

de zwarte moedervlekken, de taaie huid,

het amper nog gebonden vlees.

 

Zeg niet: Ik vrees de malse maden,

de grijze grijns die hij nog heeft.

Maar bijt en loost mijn zaden.

 

Jij zult mij verder

dan dit leven moeten dragen.

 

 

 

 

 

 

 

Avond alleen


Het leven gaf, het leven heeft genomen,

weer daalt de avond langzaam neer,

haast zonder bladeren de bomen

en in het huis geen schreden meer.

 

Ik denk: ik hoor weer oude stemmen.

Maar 't is het zuchten van de wind

die door de kieren van mijn ziel waait

waarin ik mij vereenzaamd vind.

 

Ik droom, ik hoop, ik wroet gedichten,

en straks moet ik weer slapen gaan.

Het huis is stil, de dingen grijnzen

mij uit de schemering aan.

Voorbij het raam glijdt traag de maan

en vaag van doden de gezichten.

 

 

 

Pierre Van Laeken

uit de bundel: ‘Om alles een beetje verdriet’

uitgeverij: 't Kandelaartje vzw 1995, Hasselt

 

 

 


LATERE GEDICHTEN VAN PIERRE

 

 


Angst



Nooit heb ik gedacht

aan de dood,

zo ver en zo onwezenlijk.

Maar nu het einde

haast geweven is

aan de tijd die ging

en ik hier sta

met lege handen,

met grijzend haar

en zonder het beminnen

van toen het jeugdig zong

in eindeloze weiden.

Leg ik mij neer

en kan alleen nog teder zijn,

en al de liefdes die vergingen

in de schaduw van mijn hart beleven.

 

En weten dat het avond wordt.

En trachten niet te beven.

 

 



 

 

Dagtrip


Vandaag gaan zij een dagtrip maken,

als lang geleden met de bus,

maar aan 't vertrek staat er geen moeder:

Geen liefdevolle afscheidskus.

 

Zij hebben proviand voor dagen

en haarlak in hun oude tas.

Een plastic netje voor de regen.

Weer wordt de dag als vroeger was.

 

Zij zingen van een oud plezier

en zeggen met hun droge lippen:

'De dag, laat komen als hij is'!

en kletsen op hun schrale dijen.

Maar in hun schoot brandt het gemis.

Een droefheid waarvan ogen schreien.

 

 



 

 

Dement

 

Traag vergat ik wie ik was

en keerde naar mijn oorsprong weer.

Zelfs voedsel kauwen gaat niet meer,

dus slik ik maar zonder te eten.

 

Soms buigt zich iemand over mij

waarvan ik denk dat ik herken

en al de pijnen weer ervaar

in het zwart gat van mijn ellende.

Soms ben ik thuis, soms in de hemel

en vlieg ik met de engelen mee.

Een “Lieve Vrouw” verzorgt mijn lijf.

Aan haar voeten lees ik “Lourdes”.

 

Soms, hoor ik zachtjes “Moeder” roepen

en daal ik uit mijn niemand neer.

Maar kan voor niets nog namen vinden.

Want wie ik ben, weet ik niet meer.



 

 

 

 

Eenzaamheid 1


Het eten staat op het fornuis
en buiten kreunen zacht de bomen
in de winden van oktober.
Hoe donker is het huis.

En dat ik hee
l alleen
alleen moet dragen,
wat reeds zolang geleden is.
Ik nooit voorkomen kon.

Daarstraks was er een teer gebaar,
heel even was ik weer
diep in de waan van een gedachte,
ver in de droom van gisteren.

Maar in het donker van de dag,
en in het kissen van de boter
kwam ik weer thuis
van al dat ver gegaan.

Ik heb wat peper op het eten,
wat weemoed in vandaag gedaan.

 

 

 

 

 

Elegie 2

 

Zoals wij eenmaal zijn bewogen,

onschuldig nog, en ondoordacht,

zacht tussen de laatste rozen,

de vroege schemer van de nacht.

 

Dat kon gewoon niet eeuwig duren:

die innigheid, dicht bij elkaar.

Die tederheid van mond op mond,

van mond op haar.

 

o Laat wat ons zo heeft bewogen,

onschuldig nog, en ondoordacht,

zacht tussen de laatste rozen,

de vroege schemer van de nacht,

weer open bloeien als weleer:

van mond op mond die liefde teer.

 

 

 

 

 

 

 

Genesis

 

Hij scheidde

het land van het water

en zegde:

laat het licht zijn.

 

Later liet Hij bloemen bloeien,

groeiden er bomen

en slopen er dieren

door het bos.

 

Nog later liet Hij

alle remmen los

en schiep Hij uit klei

een man.

En omdat Hij zag

hoe eenzaam die was,

en ook

omdat Hij het niet laten kon,

uit diens rib een vrouw.

 

En toen bleef Hij maar scheppen.

Sommigen waren donker,

anderen lichter

en Hij gaf hen een taal.

 

En soms,

heel soms schiep Hij

een dichter

en liet hem alleen

met zijn eenzaam verhaal.

 

 

 

 

 

Herinneringen aan een liefde

 

Het kan haast niet dat ik

die nooit van tederheden blijk kon geven

met zoveel liefde van je heb gehouden.

Zo diep,

dat ik nog steeds je glimlach ken,

en steeds nog weet

hoe goud je haren blonken

in het licht van zomergeuren,

waardoor je kwam gelopen.

 

In mijn herinnering

ervaar ik vaak de tederheid

van al dat zachte diep in mij.

Al is mijn hoop en het gevoel sindsdien,

door vele zomeren verlopen.

 

Toch was die liefde toen zo groot,

dat ik je nooit vergeten ben.

Ik van je lippen nog de warmte ken.

En jij het bent waar ik aan denk;

wanneer ik eenzaam ben.

 

 

 

 

 

 

Zomerheide

 

Ik zie daar ginds,

soms maar heel even,

in 't bloeien van de zomerhei,

mijn lieve moeder aan mijn zij.

Wij liepen samen door het leven.

 

Ik wist toen niet hoe teer zij was,

zij reeds in andere oorden leefde,

hoe rond haar mond de avond beefde,

hoe moe zij neerzat in het gras.

 

Nu doet de tijd die zich versliep

mij vaak weer denken aan 't gewijde,

hoe zij zich kleurde met de heide

terwijl ik door haar glimlach liep.

 

Ik was toen jong en zag nog niet;

de weemoed op haar lippen beven.

Al is mij dit steeds bijgebleven,

soms overvalt het mij zomaar:

Hoe zilverglanzend was haar haar.

Hoe mooi de tijd van dat beleven.

 

 

 

 

 

 

 

Stiller worden onze dagen

 

 

Ontwijkend stellen wij de vragen

doorheen de jaren aangeleerd.

En stiller worden onze dagen

nu ’t vuur tot sintels is verteerd.

En trager worden onze schreden

in maanden, jaren die maar gaan,

wijl dromen uit een ver  verleden

onzeker in het heden staan.

En steeds maar zachter wordt het zingen.

Van ‘t lied dat eenmaal heeft vervoerd,

resten alleen herinneringen.                           

En weemoed die het hart beroert.

 

 

 

Pierre Van Laeken ©