
PERPETUUM MOBILE
dichtbundel
RUDI
LEJAEGHERE
Het water fluistert
in libellen en kronkelige
dingen
schrijft kriskras geluiden
onder het dansen van kevers
en muggen die zingen
in mijn hoofd spookt een zin
valt me net niet te binnen
als een dans die nooit begint
en het schemer onttrekt hem
aan mijn zinnen
de klank zit in de klinkers
op het einde doe ik mee
gewoon als dwaas
tussen dwazen fluister ik
terug
het water dringt me
onherroepelijk binnen.
Schijn me binnenste buiten
vloei druppelsgewijs
terug naar de zee
verdwijn in de golf
wees wassend gelaat
mijn gedachten
zijn vrij
strooi ze af en terug
getooid met schelpen
het geluid van de baren
brengt ze fluisterend
dichter bij
Rechttoe rechtaan
zonder lint of franje
in de schaduw
van de nacht
wil ik dansen naakt
in mijn lelijkheid
mij wassen van zonden
temidden van sterren
mijn kleren verbranden
huilen naar de maan
vergeten wat ooit was
terug naar af en herbeginnen
ontkiemen in de grond
Ik was een boom
Ik was een boom
en stopte pas met groeien,
gisteren of zo vergat ik
hoe het moest,
vandaag
voelde ik
de kilte in
mijn botten.
Ik was een
boom,
het begint
mij pas te dagen,
deze morgen
trok
mijn stam
voor het eerst
wat krom,
toch krommer
dan de dag
voordien.
Ik was een
boom
en reik met
oude takken
naar zon en
maan,
ze reiken nu
wat minder
ver
maar smeken
harder.
(opgedragen aan mijn vader)
Het is vader over muziek
die weerklinkt in woorden
begeesterd zijn en tot tranen
toe bewogen met ogen toe
de lippen rond het mondstuk
gebogen zacht de klanken
proeven hoever je gaan kan
in één adem een verhaal
verhalen noot na noot
tot het einde
de perfecte melodie.
Hoe breekt
de stilte van de morgen
in stukken vogelgekwetter
en getrippel in de goot
op mijn kussensloop
ik raap de scherven
van gisteren samen
veeg ze bloedend
onder het bed
naast de boeman en
een pluis die daar woont
de wekker kreunt luid
bij me binnen
verdrinkt in een waas
op mijn halfopen oog
wat cijfers in rood digitaal
Tussen sangria en
bouillabaisse
een uur fruit genieten
en tipsy zoeken
tussen grote stukken vis
naar soep
zomeren
pas laat het ijs
gesneden in een coupe
waar je nauwelijks
over kijken kan
ik leef
rondom het hoofdgerecht
dat liefde heet
opgediend met
Bretoense mosseltjes
klein en lekker
en vooral
dat ik zonder schaamte
slurpen mag.
Niet te omschrijven
Het moet mij van de lippen
als de kruimel brood
die aan mijn wang is blijven
hangen
of het stukje vlees
dat tussen mijn tanden
vervelend is blijven zitten
het moet mij van het hart
als een angstige overslag
of het rijm dat breekt
ik wil het kwijt
maar hoe ik het ook probeer
ik heb het juist gemist
of ik kom er net nog niet aan
toe
en dat gevoel
is met geen passend woord
en op geen enkele manier
juist te omschrijven.
Zwaartekracht
Hoe het ene woord spreekt
met het andere
zich verzet tegen de zwaarte
van het schrijfpapier
hoe de zin spreekt tot het punt
of net erover in het niet gezegde
zo willen mijn gedachten
vloeien van mijn pen op het blad
en terug in mijn ogen
waar
ik ze als mijn eigen jongen
liefkoos
soms oververzadigd misken
Kat en hond
Krols rolt ze zich
nog poeslief
eenmaal om
en kijkt versluierd
zijn verstand naar huis.
Haar spinnend lachje
verstilt het overig geluid
naar achtergrondmuziek.
Sensueel verdiept
in eigen vacht
blinkt haar zachtste kant
als nat fluweel,
terwijl hij likkend
pootjes geeft.
Als golf
proef ik je
zo zacht en zout
en rond je wangen
kleurt mijn branding
je avondrood.
Verdrinkend
in de kromming
van je hals
laat ik mijn nacht
door eb en vloed
geleiden.
We geuren zee
en kloppend bloed
streelt baren open
tot de morgen
ze voldaan
weer sluit.
Water dragen steeds en meer,
aan branding
breekt de zee
door dam, het
tij neemt keer
en ook het
wrakhout mee.
Golven hard,
geweld uiteen
gespat in scherp,
de snee
snijdt dieper
dan geween
door laatste
barenswee.
Van schip op
land gespoeld
in hand van
jutters schat
geworpen,
storm bekoeld
in wiegen en
in sussen,
als meeuwen
heel gevat
de top van
baren kussen.
Zoek mijn sporen
waar ik
liep,
waar op het zand gelopen is,
verdwaald
maar niet
verloren.
Tel mijn
stappen
achterwaarts
terug,
word water
in regressie.
Trek me
uit mezelf
en leg het
vasteland
weer in
m'n handen.
Herken me
als ik
morgen
gisteren
vergeet
en een vreemdeling
in de
spiegel ben.
Beloof het
me vandaag
nu ik het
nog weet,
nu ik het
nog steeds versta.
Ik voel de blues
op avondoude
sigarettenrook
het golft in vlagen
door mijn poriën
samen met de bas
die de slagen
van mijn hart bestookt
terwijl de warmte
van het koper
ondertussen bij me binnen
swingt
zingt een donkere stem
over liefde
het kleeft aan mijn ribben
als een oud verdriet.
Frivool
fladdert hij de kanten
op en af
een dwarrelende
tuimeling van kleur
vlindert stil zijn eigen weg
dronken van een bloem
na bloem
na bloem
hoe fel zijn hartstocht glanst
in mijn dagpauwoog
waaiert wijd een regenboog
ontspringt de dans
van de verzamelaar
zingt hemelhoog
zijn gloria.
Tekens liegen niet
net zo min als de ringen
die het
hardhout van m'n ziel
beschrijven
ik lees ze
binnenin
terwijl het
hars
aan m'n hart
ontspringt
traag
zijn weg
naar buiten
vindt
weet ik me
ooit
sterker dan
een twijg
die buigt in
de wind.
(aan Iris Van de Casteele)
Ze leiden stil hun eigen leven
zij die zich
fluisterend
een weg banen
langs mijn oor
hoezeer ik naar hen luister
nog
ontsnappen ze door
de mazen van
mijn brein
hoe zal het trouwens zijn
wanneer ze zich
versmelten
met het waas
van beelden
dat zich op
mijn netvlies brandt
zal het geraaskal waarin ik hen
aan mijn
lippen verlies
lang genoeg
in de ruimte
blijven hangen
zal het geluid van hun echo
zich
verzetten aan de hardheid
van mijn blad
papier.
Indien ik je lezen kon
in letters
of
symbolen,
schreef ik je
op
als som van
woorden.
Wanneer je
dan weg bent,
even,
dan zei ik je op
en mijn
zinnen
zouden leven.
Maar als ik
je proeven kon
in zouten of
in zuren,
wat dan mijn
lief?
Het is
moeilijk toe te geven
maar dan,
dan at ik je
beetje bij beetje op.
Hij sluimert in het donker
van
portieken,
zijn ogen
branden
als een
sigaret in mij.
Een torenklok
mist slagen
van m'n hart,
in schrikken
weggetikt.
Hoeken worden
wijde bogen.
Uitgebold in
angst
wordt licht
gezogen,
uit de
schaduw
van de nacht.
Je ziet hem
in m'n ogen,
hij staat nog
steeds op wacht.
Hoe mooi ze schrijft en
vlug
haar glazen vlucht in
kleur
de ranke juffer op het
water
in blauw en groen ze
glijdt
met zwartgele strepen
uit de hoeken van mijn
zicht
een wolk van muggen door
met een kriskras heen en
weer
onderlijnt ze hun ballet
maar even stil verpozend
in volle praal en pracht
wervelt ze daarna niet
minder
op een nieuwe dans
in de armen van de wind.
Nacht
Een kraai vliegt langs
en krast
de kantjes
van de dag
in avond af.
De nacht
wiekt zwart
van boom naar
boom,
zijn grens is
schaduw,
zijn nest is
graf.
Een kraai
vliegt langs
en krast
de restjes slaap
naar wakker
weg.
Het donker
spiegelt angst
in oog en
oor,
tot 's
morgens,
bij het
eerste kraaien,
de geesten
weer vervagen.
Hoog in de lucht
schrijven
witte lijnen
richting uit
in blauw.
Geluiden
schuiven
hier en daar
aan mij
voorbij.
Een zwaluw
vliegt soms aan
dan af
uit de
stallen van de buurman.
Aan mijn
voeten snort de poes
gezellig
thuis gebleven.
De zon tekent
met schaduw
een oude
kersenboom
op het
afgemaaide gras.
Ik mijmer hoe
het vroeger was
toen zijn
takken
kersen
droegen.
Fluister met de wind
ritsel langs
mijn takken
het blad
gestreeld
trilt zingend
verder
in mijn
nerven.
Echo's van de
regen
vloeien uit
klinken na
in kabbelende
beken
waar ik mijn
wortels
oeverloos aan
laaf.
Ik spiegel me
in plassen
van je rustig
wezen
stil en vol van leven.
Het is in mijn oor dat de kilte trilt
in een
messcherpe letter
ik heb geen
verweer tegen
de ontklede
zin
die als een
pijl binnendringt
in mijn hoofd
danst de nacht
getooid met
een sluier
de wolk voor
de maan
schreeuwt de
wolf in mij
in een huil
omlaag
ik val in de
grond
kruip dieper
ongewijd
vandaag is er
geen morgen
de tijd is
verstild
ik stol in de
ongeboren gedachte.
Met de hartstocht van een vlinder
stort ik mij
op woorden;
bloemen die
mijn ziel verschonen
in een vlucht
vol regenbogen
teken ik een
dip
vol
millimeterdiepe kloven
ik honger in
het geel van koren
zweef zowat
een eind
ter hoogte
van het groen van bomen
waar ik mij
een blad waan
het is de
stilte van de kleuren
die alleen ik
kan horen
Ik sterf elke
nacht
een tel in de
schaduw
van een
grijnzende maan
een tel in
het listig verglijden
van een wolk op
licht
mijn gedachte
is zwerver
op de klank
van een kraai
ik dicht de
klaarte
twijfel na
twijfel
het scherp
van hun kant
ontdaan van
de rede
snijdt als
een mes in de klank
uit mijn keel
valt een schreeuw
in een
donkere kamer
ik verdwijn
in een golf
van een
wassende slaap.
Stroming
Wirwar
kabbelt golven klanken
over koppen
heen en weer
meandert
tussen vrouwen heren
die als
stenen stroming tegen liggen
scheren
rakelings soms botsen
draaien
plotseling en keren
vinden
eilandrust
aan oevers of
een inham
wat
waterpeddelend vertier
een strand
vol gapers
kapers
verlusten zich aan zout
van druppels
tot het schuim
hen op de
lippen staat
tot jutters
handenvol bezwaard
hun wegen
huiswaarts scheiden
misschien tot
volgend jaar.
Met een blik op oneindig
zwevend in
het wit
van een wolk
zo is haar
gezicht
het zijn die
ogen
twee oosters
getinte schelpen
met en waas
van haren
en een blos
van wangen
die zich
vermengt
met de wind
ze blijven me
volgen
hypnotisch,
alsof ze wil zeggen
je bent van
mij
net zoals de
poes
naast haar
op het
schilderij.
Mijn huis heeft vele kamers
waar ik wel
eens durf verdwalen
ik heb er een
met grote ramen
maar ook een
andere
met duizend
donkere kantjes
één om alles
te bewaren
een ander om
dingen te laten
die ik wil
vergeten
wie zich wil
vergapen
aan mijn
jeugdherinneringen
moet wat
dieper graven
want die stop
ik in de kelder
om te rijpen
als wijn in oude vaten
misschien kan
ik ze straks bovenhalen
om mijn
kinderen te vermaken
voor het vrijen
is geen
enkele kamer mij te klein
er is er een
waar ik bijna
niemand binnen laat
dat is de
kamer
waar ik soms
in ween.
Zo
loop ik tegen muren op
Het is dat ik
de tegels tel
van muur tot
muur
juist twintig
en een half
van uur tot
uur opnieuw
in grijs van
marmer
met bruin en
zwart
en witte
stippen
rechttoe
rechtaan
doch
afgesloten van elkaar
geen één
gelijk aan de ander
stap ik op en
neer
tussen het
begin dat einde is
of straks
weer omgekeerd.
Bewust van zijn ijdelheid
snavel van me
weggedraaid
geeft hij mij
het oog te kijken
met een nek
zo stijf als stok
de verend
slepend
op z’n
schreden
als een
bruidskleed
treedt hij
weg en nader
om met
pauselijke kreten
zich een
kroon te meten
als een
waaier wijd
met kleuren vol
geweven.
Ik weet het herfst
nog voor het
vallen
van de blaren
het grijs van
grauwe ganzen
in regen
vluchtig afgepunt
de zee die
zich in druppels zaait
op kleur van
lappendekens
fluisteringen
tussen dreven
hoor
door kalende kruinen
schuurt de
wind zijn kille adem
ongehinderd
wint hij veld
op de stilte
van de warme dagen
het tiktakt
op de daken
aan het
venster wenkt
het triestige
verhaal
van
regenvlagen
Ik keek stil bij je binnen
door het vensterraam
dat op een
kier was gezet
ik laat in
het midden of het
meer toeval
dan minder
bedoeling was
maar ik zag
bij je binnen
zonder het te
willen
de tafel die
mij voedsel gaf
de stoel die
mij rust verleende
mij moeheid
ontnam
ik zag de
kast
waar ik het
snoepgoed wist
de dozen
waar je zoet
en zuur bewaarde
de fles met
citroenjenever
in het
laatste licht
voelde ik de
warmte
het huis
verlaten
het spreken
in je zwijgen trillen
Buiten het kader
Half geschild ligt de appel
op het schilderij
het is vooral
het mes
blinkend
scherp op het bord
dat mijn
aandacht trekt
amper één
hand verwijderd
van zijn
verstarde prooi
daarom
vermoed ik
buiten het
kader
de man of de vrouw
klaar om het werk af te maken
of een kind
om een stuk uit
de vrucht te bijten
misschien kom
ik morgen terug
het zou me
niet verbazen
dat ik de
worm uit het fruit kon kijken.
Dit ben jij
zonder
witregel
of
vraagteken,
ik vind je
terug
in een punt
of accent,
mijn tong
proeft je naam
in letters,
ik wals je
rond en rond
en het zoet
van je mond
spreekt
zachte zinnen
voluit op
mijn lippen,
ik vertaal
het enkel op papier
als het
gedicht of een lied
dat in mijn
hoofd blijft zingen.
Zoals kleur
die met het licht ontwaakt
de wolk zich in haar vormen
kromt
net voor de storm 't geluid verstomt
of zoals wind
het stille water raakt
zo voelt het
als jij m'n lippen kust
je lichaam
als mijn deken wordt
net als een
zee zijn golven stort
op het strand
weet ik me nooit geblust
van het vuur
die in mijn lenden brandt
mijn ziel
versmelt met de blik in je ogen
je bent mijn
oever, mijn nieuwe land
dat ligt aan
het eind van regenbogen
ik ken je als
de lijnen in mijn hand
mijn
toekomst, mijn hosanna in de hoge.
Ik hoor de morgen
in het kraken
van het bed
een kuch
het sloffen
van pantoffels
op de
overloop
de koffie
borrelt
van heel ver
met
tussenpozen
mijn
bewustzijn binnen
terwijl het
verkeer
buiten de
stilte breekt
geroezemoes
van
kinderstemmen
het miauwen
van twee
hongerige poezen
aan de
achterdeur
en het zachte
roepen
onderaan de
trap:
het ontbijt
is klaar.
Ze glijden verder over zee
gedachten in
een handvol wit
verzonden
af en toe
plukt de wind
wat woorden
mee
en dreunen
golven
verzen op
zo ver
zo wijd
zo wild
ik verwacht
hen morgen
aan de
horizon
in de
branding
en op het
strand
hoor hun
rijmen ruisen
in de
schelpen
op het zand.
C.I.P. Koninklijke Bibliotheek Albert l
B - 1000 Brussel
D/6165/2009/01
Uitgever: © De Distel
B-1000 Brussel
Reeks: Gedichten oorspronkelijk
Titel: Perpetuum mobile
Auteur: © Rudi Lejaeghere
Foto kaft: © Dee Mon